Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5171

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
20-002149-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:2023, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 420bis Sr; Witwassen. Het hof spreekt verdachte deels vrij en acht bewezen dat de verdachte door middel van het plegen van een misdrijf (oplichting/valsheid in geschrift) een hypothecaire geldlening, en daarmee door misdrijf verkregen gelden, heeft verkregen. Vervolgens heeft de verdachte met die door misdrijf verkregen gelden onroerend goed verworven dat derhalve middellijk afkomstig was uit enig misdrijf en daarmee een handeling verricht die niet louter heeft bestaan uit het enkele voorhanden hebben van voorwerpen (gelden) die afkomstig zijn uit het door de verdachte zelf gepleegde misdrijf. Genoemde verwervingshandelingen zijn ook volgens de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 mei 2010, NJ 2010, 655 en HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:950) aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002149-12

Uitspraak : 10 december 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 4 juni 2012 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-800144-11 en 02-666651-11, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 1, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 02-666651-11 ten laste gelegde en ter zake van het meermalen plegen van witwassen (parketnummer 02-800144-11 onder 4) veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en 240 uren werkstraf, met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de eerste rechter van de in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 02-666651-11 ten laste gelegde feiten. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 4 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Door de verdediging is primair vrijspraak en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit en is meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

parketnummer 02-800144-11 feit 4
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juli 2006 tot en met 6 februari 2011 te Waalwijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten

- een woning aan de [adres woning 1] en/of

- een stuk grond/bouwterrein en/of een woning aan de [adres woning 2] en/of

- een of meer (contante) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van (ongeveer) 98.040 euro

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die (bovengenoemde) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die (bovengenoemde) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ( [woning 1] en contante geldbedragen)

Ten aanzien van [woning 1] heeft het hof niet kunnen vaststellen dat verdachte het gronddelict (oplichting) heeft gepleegd, zodat zij van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging op deze woning ziet. De oplichting zou er in hebben bestaan dat verdachte bij het aanvragen van de hypothecaire geldlening (nodig voor de aankoop van voornoemde woning) gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring. Bedoelde werkgever [betrokkene 1] heeft, als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, verklaard dat die werkgeversverklaring overeenkomstig de waarheid is opgemaakt, dat verdachte op dat moment bij hem in dienst was, dat zij feitelijk vanaf begin februari 2007 voor hem heeft gewerkt en dat de intentie was dat zij bij hem in dienst zou blijven. Het hof heeft geen reden om aan de inhoud van die verklaring te twijfelen. Hoewel verdachte kort nadien uit dienst is getreden, kan derhalve niet worden vastgesteld dat de werkgeversverklaring die door verdachte bij de aanvraag van de hypothecaire geldlening in februari 2007 is gebruikt, vals was.

Ten aanzien van de contante geldbedragen kan het hof evenmin vaststellen dat deze van misdrijf afkomstig zijn, zodat verdachte ook in zoverre van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring gegeven voor de herkomst van deze geldbedragen die het hof niet onaannemelijk voorkomt, mede nu deze verklaring (deels) ondersteuning vindt in de verklaringen van in hoger beroep ter terechtzitting gehoorde getuigen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 2 november 2009 tot en met 6 februari 2011 te Waalwijk een voorwerp, te weten een stuk grond/bouwterrein en een woning aan de [woning 2] heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl zij wist dat dat bovengenoemde voorwerp - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat de werkgeversverklaring die gebruikt is bij de hypotheekaanvraag vals was. [betrokkene 2] heeft immers als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat verdachte daadwerkelijk voor [bedrijf 1] (hierna ook te noemen: [bedrijf 1] ) heeft gewerkt.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het perceel aan de [adres woning 2] , zijnde een bouwterrein met daarop een woonhuis in aanbouw, door verdachte van haar partner ( [medeverdachte] ) werd gekocht voor € 342.440,00. De levering aan verdachte vond plaats op 2 november 2009. Voor de betaling van de koopsom is een hypotheek gevestigd bij Nationale Nederlanden van € 365.000 euro ten laste van verdachte.

Uit de hypotheekofferte van Nationale Nederlanden d.d. 20 april 2009 (pg. 250 t/m 264) blijkt dat verdachte bij de hypotheekaanvraag heeft opgegeven inkomsten uit dienstverband te hebben en dat Nationale Nederlanden bij het beoordelen van de aanvraag en het uitbrengen van de aanbieding is uitgegaan van de door verdachte verstrekte gegevens. De financier wilde nog ter goedkeuring de werkgeversverklaring ontvangen waaruit het opgegeven inkomen uit vast dienstverband bleek. Verdachte heeft op 29 april 2009 de hypotheekofferte ter goedkeuring ondertekend met als gewenste passeerdatum "zsm".

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat door verdachte aan Nationale Nederlanden onder meer een werkgeversverklaring is overgelegd van [bedrijf 1] , waarin is vermeld dat verdachte op 1 april 2009 voor onbepaalde tijd bij [bedrijf 1] in dienst is getreden en een bruto jaarsalaris van € 35.580,00 heeft. Deze werkgeversverklaring is door [betrokkene 2] ondertekend. [betrokkene 2] heeft op 22 september 2011 (pg. 325 t/m 327) bij de politie verklaard dat verdachte nooit voor hem heeft gewerkt en dat hij via het salaris van verdachte de door hem aan [medeverdachte] verschuldigde overnamesom van [bedrijf 1] heeft betaald.

Het hof gaat uit van de juistheid van voornoemde verklaring van [betrokkene 2] en hecht geen geloof aan zijn verklaring ten overstaan van de raadsheer-commissaris dat verdachte wel degelijk bij hem in dienst is geweest, tot juli 2009 in de winkel werkte, later haar werkzaamheden thuis uitvoerde en steeds 20 uur per week voor het bedrijf heeft gewerkt.

De verklaring van [betrokkene 2] ten overstaan van de politie vindt immers bevestiging in de verklaring van de getuige Takarindingan (pg 475). Takarindingan is evenals [betrokkene 2] op 22 september 2011 door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij die ochtend telefonisch contact had gehad met [betrokkene 2] die hem vroeg of hij strafbaar was geweest, omdat hij [verdachte] in loondienst had gehad, terwijl zij nooit had gewerkt. Zij hebben toen afgesproken dat ze gewoon zouden vertellen hoe de overname van [bedrijf 1] keukens is gegaan. Voorts vindt de verklaring van [betrokkene 2] bevestiging in de verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg. Zij heeft alstoen verklaard dat zij weinig of geen werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] .

Gelet op vorenstaande stelt het hof vast dat de werkgeversverklaring van [bedrijf 1] valselijk is opgemaakt. Verdachte heeft deze werkgeversverklaring desgevraagd aan Nationale Nederlanden verstrekt teneinde deze maatschappij ertoe te bewegen haar een hypothecaire geldlening te verstrekken. Aldus is sprake van oplichting. Met het geld dat verdachte aldus heeft verkregen heeft zij het perceel en de in aanbouw zijnde woning aan de [adres woning 2] gekocht. Deze onroerende zaak is dan ook middellijk afkomstig uit misdrijf, zoals bewezen verklaard.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu haar handelen niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en dientengevolge geen strafbaar feit zou opleveren. Daartoe heeft hij aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat er geen sprake kan zijn van witwassen door de verdachte, aangezien zij geen gedragingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de gelden (te weten: de hypothecaire leningen) waarmee zij de onderhavige woning heeft verkregen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door haarzelf begaan misdrijf niet kan bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Het hof acht evenwel bewezen dat de verdachte door middel van het plegen van een misdrijf (oplichting/valsheid in geschrift) een hypothecaire geldlening, en daarmee door misdrijf verkregen gelden, heeft verkregen. Vervolgens heeft de verdachte met die door misdrijf verkregen gelden onroerend goed verworven dat derhalve middellijk afkomstig was uit enig misdrijf en daarmee een handeling verricht die niet louter heeft bestaan uit het enkele voorhanden hebben van voorwerpen (gelden) die afkomstig zijn uit het door de verdachte zelf gepleegde misdrijf.

Genoemde verwervingshandelingen zijn ook volgens de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 mei 2010, NJ 2010, 655 en HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:950) aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde en naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door haar handelwijze genoemde integriteit aangetast door de door misdrijf verkregen gelden aan te wenden om de koopsom van de onroerende zaak te betalen.

Gelet op het bovenstaande verwerpt het hof het verweer.

Het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 4 bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als: witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht om een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof overweegt ten aanzien van de straf dat het aanzienlijk minder bewezen heeft verklaard dan waarvan de advocaat-generaal in zijn vordering is uitgegaan. Het bewezenverklaarde houdt in dat verdachte met door misdrijf verkregen gelden een woning heeft verworven. Daardoor heeft zij de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde aangetast. Bij de strafoplegging heeft het hof gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft voorts in het voordeel van verdachte gelet op haar persoonlijke omstandigheden. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 oktober 2015 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Uit het rapport van de psycholoog drs. G.A. Ameling d.d. 25 april 2015 blijkt voorts dat verdachte te kampen heeft met lichamelijke en psychische klachten en dat en waarom de afgelopen jaren voor verdachte erg zwaar zijn geweest.

Alles overziend en gelet ook op het tijdverloop sinds het plegen van het feit is het hof van oordeel dat thans kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor een duur als hierna te melden. Daarmee wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof ziet gelet op bovengenoemde omstandigheden geen reden om daarnaast nog een taakstraf op te leggen.

Door de raadsman is verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het hof stelt vast dat het uitspraak doet 3 jaar en 6 maanden na het instellen van het hoger beroep, derhalve anderhalf jaar later dan als redelijk wordt beschouwd. Het hof stelt voorts vast dat de zaak gereed was voor afdoening ter terechtzitting van 3 april 2014. Alle getuigen waren op die terechtzitting aanwezig en, gelet op het verdere verloop van de behandeling, had het hof uitspraak kunnen doen op 17 april 2014, ware het niet dat het hof zich, in verband met persoonlijke omstandigheden van verdachte die eerst op die terechtzitting ter kennis van het hof kwamen, genoodzaakt zag om in het belang van een goede strafrechtspleging het onderzoek te schorsen, onder meer voor het laten uitbrengen van een psychologisch rapport. De zaak is vervolgens om proceseconomische redenen eerst op 3 september 2015 weer op zitting gebracht, tegelijk met de zaak tegen de [medeverdachte] , in welke zaak de laatste getuigenverhoren op 11 mei 2015 hadden plaatsgevonden. Het hof heeft de zaak daarna zo voortvarend mogelijk afgedaan.

Alles overziend is het hof van oordeel dat de redelijke termijn weliswaar is overschreden, maar dat, gelet op de redenen van de overschrijding, de complexiteit van de zaak in zijn geheel en de samenhang met de omvangrijke strafzaak tegen [medeverdachte] , met de enkele vaststelling daarvan kan worden volstaan.

Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn dan ook geen reden om genoemde straf verder te matigen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 1, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 02-666651-11 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. P.M. Frielink en mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 10 december 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Kempen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.