Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5151

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
HD 200.161.122_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:8101, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Artikel 3:303 BW. Onvoldoende belang bij vordering tot nakoming (verwijdering wortel(s) boom) omdat eiser een even afdoend eenvoudiger middel om zijn recht te verwezenlijken ten dienste staat dan het instellen van een rechtsvordering, namelijk het alsnog toelaten van de nakoming.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 303
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.161.122/01

arrest van 8 december 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.J. Baltus te Landgraaf

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.C. Breuls te Geleen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 mei 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/185091/HA ZA 13-405 gewezen vonnis van 16 juli 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 mei 2015;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met een productie;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Met inachtneming daarvan, kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van het volgende.

  1. [appellant] en [geïntimeerde] zijn buren van elkaar. Op het perceel van [geïntimeerde] staat nabij de erfgrens met het perceel van [appellant] een beukenboom. Ter plaatse van die boom bevinden zich een rij betonblokken (“trottoirbandjes”) en een hek (“afrastering”) ter markering van de erfgrens. Langs een deel van de erfgrens staat op het perceel van [geïntimeerde] een ligusterhaag.

  2. [appellant] heeft een gerechtelijke procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt bij de rechtbank Maastricht, waarin hij heeft gevorderd – voor zover hier van belang – te bevelen dat [geïntimeerde] de beukenboom verwijdert, de schade die die boom aan de rij betonblokken en het hek had veroorzaakt herstelt en de ligusterhaag terugsnoeit tot een hoogte van twee meter, te meten vanaf het maaiveld van het erf van [appellant]. Tijdens deze procedure hebben partijen een regeling getroffen die is neergelegd in het proces-verbaal van een op 30 oktober 2012 gehouden gerechtelijke plaatsopneming (prod. 1 inl. dagv.). Het proces-verbaal vermeldt voor zover van belang het volgende:
    “Partijen komen het volgende overeen.
    1.
    De wortels van de boom (…) worden door de heer [geïntimeerde] zodanig verwijderd dat de door [appellant] geplaatste betonblokken weer in een rechte lijn komen te liggen. Voor zover de heer [geïntimeerde] de verwijdering door een derde laat verrichten, zal dit op zijn kosten gebeuren. Het voorgaande geldt ook voor het herplaatsen van de betreffende betonblokken.
    2.
    In het verlengde van het voorgaande zegt de heer [geïntimeerde] toe zijn eigendommen zodanig te plaatsen dat deze niet tegen de eigendom c.q. de erfafscheiding van de heer [appellant] aan drukt.
    3.
    De zijkant en de bovenkant van de ligusterhaag aan de zijde van het erf van de heer [geïntimeerde] zullen worden gesnoeid en bijgehouden tot op de hoogte waar partijen reeds eerder een daartoe bestemde draad hebben gespannen (zie dossier), zulks door [geïntimeerde] zelf dan wel door een derde op zijn kosten.
    (…)
    5.
    Al het voorgaande zal uiterlijk 1 februari 2013 zijn verwezenlijkt.
    (…)
    7.
    Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting.
    (…)”

  3. In januari 2013 heeft [geïntimeerde] [appellant] bij brief meegedeeld dat het verwijderen van de wortels van de beukenboom in verband met vorst pas op 2 februari 2013 zou worden uitgevoerd. De werkzaamheden hebben op die dag niet plaatsgevonden.

  4. Overleg tussen (de advocaten van) partijen heeft ertoe geleid dat (nader) is afgesproken dat de werkzaamheden als bedoeld in punt 1 van de door partijen getroffen regeling op 16 maart 2013, vanaf 09:00 uur, zouden plaatsvinden. Op 15 maart 2013 heeft [geïntimeerde] [appellant] schriftelijk bericht dat de door [geïntimeerde] voor de uitvoering van de werkzaamheden ingeschakelde aannemer niet om 09:00 uur maar om 14:00 uur met het werk zou beginnen. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 16 maart 2013 om 09:00 uur heeft voornoemde aannemer zich bij [appellant] gemeld voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor zover deze op het perceel van [appellant] moesten worden verricht. [appellant] heeft de aannemer de toegang tot zijn perceel ontzegd. Vervolgens zijn alleen de werkzaamheden verricht die vanaf het perceel van [geïntimeerde] konden worden verricht, te weten het afzagen van een of meer wortels. Verwijdering van de wortel(s) heeft niet plaatsgehad omdat dit niet mogelijk was vanaf het perceel van [geïntimeerde]. Daardoor konden ook de betonblokken niet recht worden gelegd.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant], beknopt weergegeven:
1. [geïntimeerde] te veroordelen de door partijen getroffen regeling na te komen op straffe van het verbeuren van een dwangsom;
2. [geïntimeerde] te veroordelen de beukenboom met wortels te verwijderen en de erfafscheiding (naar het hof begrijpt: de betonblokken) recht terug te plaatsen op straffe van het verbeuren van een dwangsom;
3. te bepalen dat de ligusterhaag door [geïntimeerde] drie maal per jaar volgens de door partijen getroffen regeling wordt gesnoeid tot een hoogte van maximaal twee meter, gemeten vanaf het maaiveld van het perceel van [appellant];
4. [appellant] te machtigen om op kosten van [geïntimeerde] de werkzaamheden die genoemd zijn in de door partijen getroffen regeling en de werkzaamheden sub 2 van het petitum zelf uit te voeren vanaf het moment dat [geïntimeerde] het maximum aan op te leggen dwangsommen zal hebben verbeurd;
5. veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, inclusief nakosten.

6.2.2.

[appellant] beroept zich enerzijds op de door partijen getroffen regeling. Hij stelt dat [geïntimeerde] deze regeling niet (tijdig) is nagekomen nu [geïntimeerde] de wortels van de beukenboom niet heeft verwijderd, de betonblokken niet recht heeft gelegd en zijn eigendommen niet zo heeft geplaatst dat deze niet tegen, naar het hof begrijpt, het hek aandrukken. Verder stelt [appellant] dat [geïntimeerde] de haag niet volgens de door partijen getroffen regeling heeft gesnoeid en bijgehouden, doordat hij deze pas in mei 2013 voor het eerst heeft gesnoeid toen de haag al boven de door partijen daartoe gespannen draad reikte. Anderzijds stelt [appellant] dat de regeling dient te worden gewijzigd in die zin dat de beukenboom alsnog geheel of gedeeltelijk dient te worden verwijderd teneinde huidige en toekomstige schade aan de erfafscheiding te voorkomen, nu het verwijderen van de wortels van die boom daartoe niet volstaat. Daarnaast dient de door partijen getroffen regeling aldus te worden gewijzigd dat een nieuw meetpunt wordt vastgesteld voor het snoeien van de ligusterhaag nu de in de regeling genoemde draad als meetpunt niet (meer) voldoet en voor onduidelijkheid zorgt, zo stelt [appellant].

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft onder meer aangevoerd dat er geen grond bestaat om van de door partijen getroffen regeling af te wijken. Hij betwist dat hij tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verbintenissen voortvloeiend uit deze regeling. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] de nakoming verhindert voor zover dit de verplichting van [geïntimeerde] betreft om de wortels van de beukenboom te verwijderen en de betonblokken recht te leggen en dat hij de regeling voor het overige is nagekomen en, voor zover dit de haag betreft, nakomt.

6.3.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank - beknopt weergegeven -overwogen:

- dat [appellant] geen rechtsgrond heeft gesteld voor een eenzijdige wijziging van de door partijen overeengekomen regeling (4.1.) en dat die regeling een vaststellingsovereenkomst betreft, waarin besloten ligt dat [appellant] afstand heeft gedaan van mogelijke aanspraken die hij in de eerste procedure bij de rechtbank Maastricht claimde en die niet zijn opgenomen in de regeling (4.2.);

- dat [appellant] de nakoming door [geïntimeerde] van artikel 1 van de regeling verhindert en dat [geïntimeerde] zich bereid verklaart alsnog na te komen zodra [appellant] hem dat mogelijk maakt, zodat [appellant] in zoverre geen belang heeft bij een vordering tot nakoming (4.5.);

- dat [appellant] zijn stelling dat [geïntimeerde] eigendommen tegen de erfafscheiding van [appellant] heeft geplaatst waardoor die niet meer recht kan staan onvoldoende heeft onderbouwd (4.6.);

- dat [appellant] zijn stelling dat [geïntimeerde] de ligusterhaag niet overeenkomstig de door partijen getroffen regeling heeft bijgehouden in het licht van de betwisting daarvan door [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd (4.8.).

Op grond hiervan heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

6.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

6.5.

Geen grief is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat [appellant] zijn stelling dat [geïntimeerde] de ligusterhaag niet overeenkomstig de door partijen getroffen regeling heeft bijgehouden onvoldoende heeft onderbouwd en de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [appellant] tot nakoming van de door partijen getroffen regeling op dit punt, zodat deze kwestie niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.

6.6.1.

Grief 1 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] afstand heeft gedaan van mogelijke aanspraken die hij in de eerste procedure bij de rechtbank Maastricht claimde en die niet in de regeling zijn opgenomen. In de door partijen getroffen regeling is niet opgenomen dat [appellant] onvoorwaardelijk en definitief afstand heeft gedaan van die aanspraken, zo stelt [appellant]. Nu [geïntimeerde] de regeling niet (tijdig) is nagekomen, kan hij zich er niet op beroepen dat [appellant] afstand heeft gedaan van die aanspraken, aldus [appellant].

6.6.2.

Deze grief faalt. Naar ook namens [appellant] tijdens het pleidooi is gesteld, is de door partijen getroffen regeling die is vastgelegd in het proces-verbaal van 30 oktober 2012 aan te merken als een vaststellingsovereenkomst. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken (artikel 7:900 lid 1 BW). Partijen hebben de door hen getroffen regeling gesloten in het kader van de eerste procedure bij de rechtbank Maastricht, waarin onder meer tussen partijen in geschil was of de beukenboom verwijderd diende te worden en de ligusterhaag gesnoeid diende te worden tot een hoogte van twee meter, gemeten vanaf het maaiveld van het perceel van [appellant]. Nu die regeling is aan te merken als een vaststellingsovereenkomst, moet deze geacht worden te zijn aangegaan ter beëindiging van onder meer het geschil over hetgeen ten aanzien van de door [appellant] toen ingestelde vorderingen rechtens had te gelden. Partijen hebben zich met de regeling jegens elkaar gebonden tot een vaststelling van hetgeen ten aanzien van de beukenboom en de haag rechtens tussen hen geldt, ook voor zover dit afwijkt van de tevoren bestaande rechtstoestand. [appellant] heeft onvoldoende gesteld voor een ander oordeel. Dat in de regeling niet expliciet is opgenomen dat [appellant] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken die hij in de eerste procedure bij de rechtbank Maastricht claimde, is daartoe gelet op de aard en strekking van die regeling onvoldoende. Niet-nakoming van de regeling door [geïntimeerde] leidt, wat daar verder ook van zij, er niet toe dat [geïntimeerde] zich niet op de gebondenheid van [appellant] aan de regeling zou kunnen beroepen.

6.7.1.

Grief 2 bestrijdt de beslissing van de rechtbank dat [appellant] nakoming van punt 1 van de door partijen getroffen regeling verhindert. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de door partijen getroffen regeling doordat hij de in punt 1 van de regeling overeengekomen werkzaamheden niet uiterlijk 1 februari 2013 heeft uitgevoerd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat een eventuele verhindering door hem van de nakoming door [geïntimeerde] na dit tijdstip “niet tegen [appellant] gebruikt mag worden”. Daarnaast bestrijdt [appellant] dat hij de nakoming door [geïntimeerde] heeft verhinderd. Hij heeft afspraken met [geïntimeerde] gemaakt over de dag en het tijdstip waarop [geïntimeerde] toegang zou krijgen tot zijn terrein voor het verrichten van de werkzaamheden, maar het is steeds [geïntimeerde] geweest die de afspraken op het laatste moment heeft gewijzigd, aldus [appellant].

6.7.2.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft [appellant] geen grief gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Daarom moet als vaststaand worden aangenomen dat partijen na 1 februari 2013 hebben afgesproken dat de in punt 1 van de door partijen getroffen regeling genoemde werkzaamheden alsnog zouden worden verricht op 16 maart 2013 vanaf 09:00 uur en dat [appellant] toen de door [geïntimeerde] ter uitvoering van die werkzaamheden ingeschakelde aannemer de toegang tot zijn perceel heeft ontzegd waardoor die werkzaamheden niet konden worden uitgevoerd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] daardoor de nakoming van de op [geïntimeerde] rustende verbintenis heeft verhinderd. Feiten of omstandigheden op grond waarvan [appellant] nakoming kon weigeren zijn niet gesteld.

6.7.3.

Artikel 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien eiser een even afdoend eenvoudiger middel om zijn recht te verwezenlijken ten dienste staat dan het instellen van een rechtsvordering (Parl. Gesch. boek 3 BW, p. 915). Zoals hiervoor is geoordeeld verhindert [appellant] nakoming door [geïntimeerde] van punt 1 van de regeling, terwijl voorts vaststaat dat [geïntimeerde] zich bereid heeft verklaard alsnog na te komen zodra [appellant] dat toelaat. Naar het oordeel van het hof stond en staat [appellant] derhalve het hiervoor bedoelde, even afdoende, eenvoudiger middel ten dienste door nakoming door [geïntimeerde] toe te laten. De rechtbank heeft mitsdien terecht geoordeeld dat [appellant] onvoldoende belang heeft bij zijn vordering tot nakoming van punt 1 van de regeling. Ook grief 2 is ongegrond.

6.8.1.

Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zijn stelling dat [geïntimeerde] eigendommen tegen zijn erfafscheiding heeft geplaatst waardoor die niet meer recht kan staan onvoldoende heeft onderbouwd. Als producties 1, 2 en 3 bij memorie van grieven heeft [appellant] foto’s overgelegd waarop volgens hem te zien is dat er zaken van [geïntimeerde] tegen het hekwerk van [appellant] drukken waardoor dit scheef staat en steeds schever gaat staan.

6.8.2.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat van [appellant] ter onderbouwing van zijn stelling verwacht had mogen worden dat hij ter comparitie zou hebben aangegeven op welke zaken hij doelt. Het hof constateert dat [appellant] ook in hoger beroep niet heeft gesteld welke concrete zaken van [geïntimeerde] tegen zijn erfafscheiding zijn geplaatst. De foto’s die [appellant] heeft overgelegd, waarop juist te zien lijkt te zijn dat er geen zaken van [geïntimeerde] tegen het hek zijn geplaatst, bieden onvoldoende duidelijkheid op dit punt. Ook in hoger beroep heeft [appellant] zijn stelling dat [geïntimeerde] eigendommen tegen zijn erfafscheiding heeft geplaatst in het licht van het verweer van [geïntimeerde] daarom onvoldoende onderbouwd, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat. Ook grief 3 faalt.

6.9.

Nu alle grieven ongegrond zijn, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

6.9.

[appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op EUR 308,00 aan verschotten en op EUR 2.682,00 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.W.T. Vriezen, L.W. Louwerse en Th. Groenewald en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 december 2015.

griffier rolraadsheer