Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5126

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
HD 200.111.444_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2990
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2011:BQ5068
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Vervolg op Hoge Raad 8 juli 2011, NJ 2013, 256. Goodwill en non-conformiteit bij activa-passiva transactie. Verkoop van praktijk van notaris.

Bewijswaardering. Ontbinding en teruggave koopprijs voor goodwill.

Vordering tot vergoeding van gederfde winst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.111.444

arrest van 8 december 2015

in de zaak van

1 [SR&A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [Beheer] Beheer B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. I. van Bekkum te Nijmegen,

tegen

mr. [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. van de Kam te Zwolle,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 juli 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zwolle-Lelystad gewezen vonnissen van 11 juli 2007 en 16 januari 2008 tussen appellanten - de notarissen - als eisers en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

6 Het tussenarrest van 9 juli 2013

Bij genoemd arrest heeft het hof aan de notarissen bewijs opgedragen en iedere verdere beslissing aangehouden.

7 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 2 september 2013 aan de zijde van de notarissen;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 7 oktober 2013 aan de zijde van de notarissen;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 17 januari 2014 aan de zijde van de notarissen;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 5 maart 2014 aan de zijde van [geïntimeerde] ;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 7 maart 2014 aan de zijde van [geïntimeerde] ;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 16 mei 2014 aan de zijde van [geïntimeerde] ;

- de memorie na enquête van de notarissen, met producties;

- de memorie na enquête van [geïntimeerde] , met producties;

- het pleidooi, gehouden op 9 februari 2015.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

8 De nadere beoordeling

8.1.

In het tussenarrest is overwogen dat [geïntimeerde] zijn notariële praktijk aan de notarissen heeft overgedragen (tussenarrest, 4.1 a), dat gezien het tussen partijen gewezen arrest van de Hoge Raad moet worden beslist of de geleverde onderneming aan de overeenkomst beantwoordt (tussenarrest, 4.3 en 4.6), dat de door de notarissen gestelde ophef in de gemeenschap (na het bekend worden van het fiscale onderzoek, de fiscale naheffingen en boetes en de strafrechtelijke veroordeling), de door hen gestelde impact op de praktijk, de gewoonte in de branche en de bestendige notariële praktijk destijds moeten worden onderzocht (tussenarrest, 4.7-4.9 en 4.10-4.12) en dat het betoog van [geïntimeerde] , dat te laat is geklaagd en dat de kennisgeving (van non-conformiteit) te laat is gegeven, niet wordt aanvaard (tussenarrest, 4.23).

8.2.

Het geschil spitst zich – kort weergegeven – toe op voornoemde punten van onderzoek (tussenarrest, 4.7-4.9 en 4.10-4.12) en op de daarmee samenhangende thema’s non-conformiteit, causaal verband en schade. De notarissen hebben de gestelde non-conformiteit ten grondslag gelegd aan de door hen medegedeelde buitengerechtelijke ontbinding van de activa/passiva overeenkomst (tussenarrest, 4.1 a) en aan de daaruit voortvloeiende vordering tot vergoeding van de schade (positief contractsbelang, art. 6:277 lid 1 BW) die zij stellen daardoor te hebben geleden.

8.3.

Het hof heeft in het tussenarrest de notarissen opgedragen te bewijzen dat:
(a) in de gemeenschap ophef is ontstaan en hun gehele kantoor in het spraakgebruik (in onder meer telefoontjes en geruchten) in verband is gebracht met de fraudezaak, waardoor zij veel cliënten en (vaste) relaties kwijt zijn geraakt en hun goede naam is geschaad;
(b) de werkwijze van [geïntimeerde] (namelijk: dat [geïntimeerde] bij een aantal ruilverkavelingsovereenkomsten heeft meegewerkt aan het heen en weer leveren van percelen grond en aldus (achteraf: ten onrechte) de overheid heeft bewogen tot vergoeding van notariskosten en tot verlening van vrijstelling van overdrachtsbelasting) geen gewoonte in de branche en geen bestendige notariële praktijk, waarmee de beroepsorganisatie heeft ingestemd, is geweest.

8.4.

De notarissen hebben [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] , [getuige 11] , [getuige 12] , [getuige 13] , [getuige 14] [getuige 15] en [getuige 16] als getuige voorgebracht. [geïntimeerde] heeft in contra-enquête [getuige 17] , [getuige 18] , [getuige 19] , [getuige 20] , [getuige 21] , [getuige 22] , [getuige 23] , [getuige 24] en [getuige 25] als getuige voorgebracht. [geïntimeerde] heeft ook zelf als getuige een verklaring afgelegd.

8.5.

Het tweede onderdeel van de bewijsopdracht, dat het hof eerst zal behandelen, heeft betrekking op de vraag of op het punt van het heen en weer leveren van percelen sprake is geweest van een gewoonte in de branche en een bestendige notariële praktijk, waarmee de beroepsorganisatie heeft ingestemd (tussenarrest, 4.11 en 4.12).

8.6.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 15] (rechercheur FIOD; proces-verbaal van 17 januari 2014, p. 11) en [getuige 16] (medewerker DLG; proces-verbaal van 17 januari 2014, p. 12-13) kan worden afgeleid dat het heen en weer leveren van percelen, zoals ook is gebleken in de strafzaak tegen [geïntimeerde] , destijds niet geoorloofd was (omdat het kavelnut ontbreekt wanneer partijen niet de bedoeling hebben dat het perceel overgaat) en dat destijds geen sprake was van een bekende praktijk van het heen en weer leveren van percelen in een kavelruil. Uit de verklaringen van de getuigen (proces-verbaal van 2 september 2013, p. 3 ( [getuige 1] : geen ervaring in de kavelruil); 17 januari 2014, p. 3 ( [getuige 13] : geen agrarische praktijk); 5 maart 2014, p. 9 ( [getuige 19] : geen specialist); 7 maart 2014, p. 5 ( [getuige 25] : agrarische markt is een niche)) volgt dat de notarissen bij het aangaan van de koopovereenkomst niet bekend waren met een dergelijke praktijk. [geïntimeerde] voert in zijn memorie na enquête (52-54) aan dat als gevolg van de onduidelijkheid vanuit de overheid geen sprake is geweest van een algemeen bestendige notariële praktijk, dat onder specialisten een gewoonte in de branche in afstemming en in samenwerking met de desbetreffende overheidsdienst (DLG) is ontstaan, dat de belastingdienst, naar inmiddels is gebleken, op de meeste onderdelen ten onrechte heeft gemeend deze gewoonte te kunnen aanvechten door middel van het opleggen van naheffingsaanslagen en dat het heen en weer leveren van percelen in diverse delen van het land is voorgekomen, maar (in de visie van de getuige [getuige 22] en ook in de visie van [geïntimeerde] , zie zijn verklaring) niet kan worden goedgekeurd.

8.7.

De notarissen hebben naar het oordeel van het hof het opgedragen bewijs geleverd met betrekking tot probandum (b), het heen en weer leveren van percelen (tussenarrest, 4.12). Uit de verklaringen onder 8.6 hiervoor blijkt dat de notarissen bij het aangaan van de koopovereenkomst niet bekend waren met (een praktijk van) het heen en weer leveren van percelen. Daarnaast kan niet worden gezegd dat zij destijds daarmee redelijkerwijs bekend hadden behoren te zijn of dat [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht uitgaan van bekendheid van de notarissen op dit punt (zie de verklaringen onder 8.6 hiervoor). De praktijk (indien al daarvan sprake was) was immers ongeoorloofd en slechts onder specialisten bekend. [geïntimeerde] heeft niet weersproken dat de notarissen niet behoorden tot de specialisten op dit terrein. Van een gewoonte of bestendige praktijk in het notariaat (waarvan de notarissen op de hoogte hadden kunnen of moeten zijn) was geen sprake, aldus ook [geïntimeerde] .

8.8.

Het eerste onderdeel van de bewijsopdracht (a) heeft betrekking op de stelling van de notarissen, dat in de gemeenschap ophef is ontstaan en hun gehele kantoor in het spraakgebruik in verband is gebracht met de fraudezaak, waardoor zij veel cliënten en relaties kwijt zijn geraakt en hun goede naam is geschaad. De notarissen hebben nogmaals gewezen op het arrest in de strafzaak tegen [geïntimeerde] , waarbij [geïntimeerde] is veroordeeld ter zake van fiscale delicten en valsheid in geschrifte in verband met het heen en weer leveren van percelen. [geïntimeerde] erkent dat dit ongeoorloofd was (proces-verbaal van 7 maart 2014, p. 9). Zijn verweer, dat zijn klerk [de klerk van geintimeerde] de relevante handelingen heeft verricht en hem niet op de hoogte heeft gehouden, is door het hof verworpen in de strafzaak en kan ook in dit geding niet worden gehonoreerd, nu de notaris verantwoordelijk is voor het handelen en het nalaten van de klerk. Niet (langer) in geschil is dat de strafzaak in de relevante kringen bekend is geworden (proces-verbaal van 16 mei 2014, p. 5 ( [getuige 22] : de zaak heeft veel stof doen opwaaien); zie verder de verklaringen van de getuigen genoemd onder 8.15 (f) hierna). Uit de verklaringen van de getuigen is voldoende duidelijk geworden dat berichten en geruchten over het onderzoek van de FIOD (ten kantore van de notarissen) snel werden verspreid tijdens informele contacten in uitgebreide netwerken van families, makelaars en boeren in kringen die voor de praktijk van de notarissen van belang waren (proces-verbaal van 2 september 2013, p. 4-5 ( [getuige 1] ), p. 8 ( [getuige 4] ), p. 10 ( [getuige 5] ), p. 11 ( [getuige 6] ); 7 oktober 2013, p. 2 ( [getuige 9] ), p. 5 ( [getuige 11] ), p. 7 ( [getuige 12] )).

8.9.

Het voorgaande is voldoende voor de conclusie dat de geleverde onderneming niet beantwoordt aan hetgeen verwacht mocht worden op grond van de koopovereenkomst. De notarissen mochten bij het aangaan van de koopovereenkomst redelijkerwijs verwachten dat aan hen (de goodwill behorend tot) een notariële praktijk zou worden geleverd waaraan niet een dergelijk gebrek kleefde. Dit volgt uit de aard van de praktijk: langlopende relaties, bekendheid in de gemeenschap, betrouwbaarheid en onkreukbaarheid als pijlers. Feiten zoals bewezen zijn verklaard in de strafzaak ondermijnen het vertrouwen en tasten de goodwill (de wervings- en bindingskracht van de praktijk) in wezenlijke mate aan; inspanningen van de notarissen voor herstel van relaties kunnen een dergelijke smet niet snel wegnemen. [geïntimeerde] is dan ook tekort geschoten in zijn verplichting een notariële praktijk te leveren waaraan geen smet kleefde. De notarissen mogen de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst inroepen (dagv., p. 5, mvg, 51). Gelet op de veroordeling in de strafzaak kan niet worden gezegd, dat de tekortkoming te gering zou zijn om de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst (voor zover het gaat om de goodwill) te rechtvaardigen (art. 6:265 lid 1 BW); hierbij komt nog de onvoldoende weersproken stelling van de notarissen, dat de grote aantrekkingskracht (goodwill) van het kantoor van [geïntimeerde] in niet geringe mate samenhing met de reputatie dat alles kon worden geregeld, hetgeen naar later bleek mede aan de hand van ongeoorloofde praktijken gebeurde (inc. mem. hoger beroep, p. 2, pln 2009, p. 8, pln 2015, p. 3, 6) (proces-verbaal van 2 september 2013, p. 3 ( [getuige 1] ), p. 8 ( [getuige 4] ); proces-verbaal van 7 oktober 2013, p. 3 ( [getuige 10] ), p. 9-10 ( [getuige 14] ); proces-verbaal van 5 maart 2014, p. 9 ( [getuige 19] : het geheim van de smid); zie verder 8.17 (c) hierna). Het beroep van de notarissen op de gedeeltelijke buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst (namelijk: voor wat betreft de koop van de goodwill) is dan ook gegrond. De door [geïntimeerde] gememoreerde omstandigheid, dat hij aansprakelijk is gebleven tegenover cliënten in verband met eventuele beroepsfouten, doet gezien het voorgaande niet ter zake. Zijn betoog, dat de notarissen te snel de autoriteiten hebben ingelicht en de gestelde schade zelf hebben veroorzaakt (pln 2009, 5), doet in het kader van de ontbinding niet ter zake en is daarnaast onjuist, nu de notarissen gerechtvaardigde gronden hadden voor twijfel over de geconstateerde praktijken en zich dan ook op goede gronden tot de autoriteiten hebben gewend. In zoverre zijn de notarissen geslaagd in het eerste onderdeel van het door hen te leveren bewijs. Grief 5 is in zoverre gegrond.

8.10.

Het gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst is dat partijen de wederzijdse prestaties ongedaan moeten maken of, indien dat onmogelijk is, de waarde van de verrichte prestaties moeten vergoeden. [geïntimeerde] moet zoals de notarissen vorderen de betaalde koopprijs teruggeven voor zover het gaat om de goodwill.

8.11.

[geïntimeerde] voert aan dat de overeengekomen goodwillvergoeding laag was, gelijk aan één jaar winst, waardoor de goodwill snel terug zou kunnen en moeten worden verdiend (en ook terug is verdiend, nog voordat het FIOD-onderzoek en later de strafvervolging zijn begonnen) (mva, 54, akte na verwijzing, 11-13). In wezen betoogt hij dat aan hem de waarde moet worden vergoed (door verrekening met de verbintenis tot teruggave van de koopprijs) die de goodwill voor de notarissen heeft gehad in de eerste periode na de overname (art. 6:272 lid 1 BW). De notarissen hebben in het verlengde hiervan subsidiair aanspraak gemaakt op de gedeeltelijke restitutie van de koopprijs voor de goodwill (pln 2009, p. 9 onderaan).
Het betoog van [geïntimeerde] kan echter naar het oordeel van het hof bij gebreke van een toereikende toelichting niet worden gehonoreerd. Aan de prestatie van [geïntimeerde] (de levering van de goodwill) kleefde van meet af aan een gebrek (namelijk: de smet van de al gepleegde strafbare feiten). De stelling van [geïntimeerde] dat de notarissen in de eerste periode na de overname profijt hebben gehad van de geleverde goodwill (de strafzaak was in die tijd nog niet bekend) is niet voldoende toegelicht nu sprake was van grote culturele verschillen (8.17 (a) hierna) en [de klerk van geintimeerde] cruciaal was voor de agrarische praktijk (waar het de notarissen om ging) en (vrijwel direct) na de overname in feite de agrarische praktijk bij mr. [getuige 17] heeft voortgezet (8.17 (c) hierna, in het bijzonder de aangehaalde verklaringen van de getuigen [getuige 19] , [getuige 18] en [getuige 17] ). Het lag dan ook op de weg van [geïntimeerde] concrete feiten (over de werkzaamheden in de praktijk, klanten, verrichte werkzaamheden of omzetcijfers) te stellen aan de hand waarvan dat profijt zou kunnen worden vastgesteld en gekwantificeerd. De vereiste toelichting is niet aangereikt. [geïntimeerde] heeft ook niet gesteld dat hij niet in staat zou zijn een concrete toelichting op deze punten te geven (de notarissen hebben cijfers overgelegd over de praktijk in die periode: zie het rapport van SMAN Register Valuators, overgelegd bij memories van grieven en antwoord). Hierbij is ook van belang dat de omzet die in de eerste periode na de overname in de overgenomen praktijk is gerealiseerd in belangrijke mate samenhangt met de (door of in opdracht van de notarissen) verrichte werkzaamheden. Bij gebreke van een nadere toelichting is onvoldoende duidelijk dat de geleverde goodwill op het tijdstip van ontvangst (in verband met nog te realiseren omzet) waarde heeft gehad voor de notarissen.

8.12.

[geïntimeerde] voert aan dat hij in de periode na de overname ten behoeve van de overgenomen praktijk heeft gewerkt en een bijdrage van ongeveer € 65.000 of € 82.000 aan de winst heeft geleverd, zodat dit bedrag in mindering moet worden gebracht op een eventuele vergoeding (mva, 29, 51, pln 2015 [geïntimeerde] , 25). Het hof verwerpt dit betoog nu tegenover deze winstbijdrage de aan [geïntimeerde] betaalde vaste vergoeding (die als onweersproken gesteld vaststaat) heeft gestaan. De winstbijdrage is onlosmakelijk verbonden met de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden en die vaste vergoeding en kan dan ook niet worden betrokken bij het ongedaan maken van de wederzijdse prestaties met betrekking tot de koop van de goodwill.

8.13.

Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat ƒ 600.000 voor de goodwill is betaald (vonnis 16 januari 2008, 2 b), zodat dit vast staat (partijen zijn hiervan uitgegaan, cva, 1, 43, cvd, 6, mvg, 12, 39, mva, 25, totdat [geïntimeerde] bij het pleidooi in 2015 een ander standpunt aanvoerde, pln 20-22).

Semper Diligentia B.V. heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 16 januari 2008 (zie het arrest van het hof Arnhem van 13 oktober 2009, ro. 1), zodat dat vonnis (met de afwijzing van het gevorderde, zoals daarin besloten ligt) ten aanzien van haar kracht van gewijsde heeft. Semper Diligentia B.V. (mr. [getuige 19] ) heeft ervoor gekozen de zaak verder te laten rusten: hij ziet af van zijn rechten, zo blijkt uit zijn brief van 29 augustus 2008, productie 5 bij memorie van antwoord. Hieruit volgt dat in zoverre afstand is gedaan van de vordering, die aldus in zoverre teniet is gegaan. De notarissen hebben niet uitgelegd waarom zij (handelend voor de maatschap) nog steeds gerechtigd zouden zijn de vordering ook voor wat betreft het aandeel van Semper Diligentia B.V. te incasseren. De verklaring van de getuige [getuige 1] (bestuurder van [SR&A] B.V.), dat de vordering is overgenomen, is onvoldoende concreet. Daarom kan een derde deel van de vordering (het aandeel van Semper Diligentia B.V.), zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd (mva, 10; pln 2015, 11), niet worden toegewezen. Dit zou anders kunnen zijn indien de (oud) maten uitsluitend met elkaar interne afspraken in de maatschap zouden hebben gemaakt over de verdeling van de opbrengst van de procedure, maar dergelijke afspraken zijn gelet op het voorgaande niet aan de orde.

[geïntimeerde] moet dan ook in totaal € 181.512 aan de notarissen betalen: tweederde deel van het bedrag van ƒ 600.000 dat destijds voor de goodwill is betaald.

[geïntimeerde] heeft betoogd dat de vordering niet (langer) toekomt aan [SR&A] B.V. en [Beheer] Beheer B.V. omdat de maatschap niet is voortgezet en omdat sprake zou zijn van een onverdeelde gemeenschap (pln 2015, 14), maar dit betoog vindt geen steun in het recht. [SR&A] B.V., Semper Diligentia B.V. en [Beheer] Beheer B.V. (handelend als maten in de maatschap) waren de wederpartijen van [geïntimeerde] bij de koopovereenkomst. De (oud) maten hebben alle drie besloten [geïntimeerde] in rechte aan te spreken. De omstandigheid dat één (oud) maat (Semper Diligentia) de zaak na het arrest van 13 oktober 2009 laat rusten (en in de kern in zoverre afstand doet van haar aanspraak op haar aandeel in de gemeenschap) betekent niet dat de andere twee (oud) maten/deelgenoten niet mogen doorprocederen.

8.14.

Het eerste onderdeel van de bewijsopdracht (a) moet voorts worden beoordeeld in het licht van de overige vorderingen van de notarissen. Deze vorderingen strekken tot vergoeding van de schade die de notarissen lijden doordat geen wederzijdse nakoming doch gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt (art. 6:277 lid 1 BW). Het gaat om gederfde winst in de overgenomen praktijk, reputatieschade en gederfde winst in de bestaande praktijk vóór de overname, (overige) kosten ter afwikkeling van claims en overige buitengerechtelijke kosten, in totaal door de notarissen begroot op € 1.137.000 (inclusief
€75.000 voor buitengerechtelijke kosten).

Deze posten, ook de gederfde winst in de overgenomen praktijk, komen voor vergoeding in aanmerking mits het causaal verband tussen de tekortkoming van [geïntimeerde] en de schade bewezen is en de hoogte van de schade voldoende aannemelijk is geworden (zie met betrekking tot het zogenaamde positief contractsbelang: arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011, ro. 3.3.4, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, met verwijzing naar art. 6:277 BW en de Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 1036; arrest van de Hoge Raad van 19 mei 1995, NJ 531, ro. 5.1).

8.15.

De notarissen hebben ter toelichting van het door hen gestelde causaal verband tussen de tekortkoming van [geïntimeerde] en de voornoemde schadeposten gewezen op de volgende omstandigheden, die als niet of onvoldoende weersproken dan wel als bewezen door de verklaringen van getuigen vaststaan (cvr, p. 3-4 en de getuigenverklaringen hieronder).

( a) [medewerker in de overgenomen praktijk en neef van de klerk van geintimeerde] (medewerker in de overgenomen praktijk en neef van [de klerk van geintimeerde] ) heeft fraude gepleegd met de creditcard van de praktijk. [medewerker in de overgenomen praktijk en neef van de klerk van geintimeerde] heeft voor en na de overname van de praktijk in totaal ongeveer € 30.000 verduisterd. (Proces-verbaal van 17 januari 2014, p. 3 ( [getuige 13] ).)

( b) Onregelmatigheden zijn na onderzoek aangetroffen in de archivering en de administratie van de overgenomen praktijk. Bijna 300 dossiers - een half jaar werk voor een notaris, derhalve veel - waren geheel of gedeeltelijk weg. In veel gevallen was in de administratie als naam van de notaris dan wel naam van de cliënt een valse aanduiding ingevuld ("nix gepasseerd", "nix"). Veel dossiers zijn nooit teruggevonden, ook niet na politie-onderzoek ten kantore van notaris [getuige 17] (waar [de klerk van geintimeerde] was gaan werken). (Proces-verbaal van 17 januari 2014, p. 4 ( [getuige 13] ).)

( c) De financiële kaart (die de geldstromen in het dossier weergeeft) vertoonde in veel gevallen ernstige onregelmatigheden (de kaart was ‘niet in balans’). (Proces-verbaal van 17 januari 2014, p. 4 ( [getuige 13] ).)

( d) Tegen deze achtergrond hebben de notarissen, in overleg met de voorzitter van de Kamer van Toezicht, aangifte gedaan bij de politie. Na een onderzoek door het Bureau Financieel Toezicht (dat gaat over de administratie van notarissen) heeft dat bureau geadviseerd de fiscale recherche in te schakelen nu een verdenking van fiscale delicten niet uit te sluiten was. Twee rechercheurs van de FIOD hebben vervolgens maandenlang bij de notarissen op kantoor onderzoek gedaan: niet elke dag in die periode, maar wel veel dagen zijn doorgebracht op het kantoor van de notarissen. Eerst hebben de rechercheurs gewerkt in de kleine vergaderruimte op het kantoor van de notarissen, maar later hadden zij meer ruimte nodig, waardoor zij in de bibliotheek hebben gewerkt. De rechercheur [getuige 15] heeft verklaard dat het fiscale onderzoek, dat voorafging aan de strafzaak tegen [geïntimeerde] , op het kantoor van de notarissen en alleen met betrekking tot de overgenomen praktijk van [geïntimeerde] is uitgevoerd (proces-verbaal van 17 januari 2014, p. 11). Het onderzoek, dat in totaal 19 maanden heeft geduurd, betrof volgens deze verklaring valse stukken die naar voren zijn gekomen en belastingfraude, namelijk het heen en weer leveren van percelen. (Proces-verbaal van 17 januari 2014, p. 5 ( [getuige 13] ); 7 oktober 2013, p. 7 ( [getuige 12] ).)

( e) In kringen in [regio] (en omgeving) is veel gesproken over het FIOD-onderzoek. Een dergelijk onderzoek met alle gevolgen van dien (recherche op kantoor, overleg met beroepsinstanties, boze reacties van klanten) levert een zware last en aanzienlijk nadeel op. Het onderzoek van de fiscale recherche op het kantoor van de notarissen heeft geleid tot veel negatieve reacties, en zelfs tot argwaan en wantrouwen, in de agrarische en andere kringen die voor de notarissen belangrijk waren. Het zou niet pluis zijn bij de notarissen. De FIOD zou zeer vaak aanwezig zijn bij de notarissen. De notarissen zouden meewerken met de FIOD. [getuige 1] zou meewerken met de fiscus. De notarissen zouden iets hebben aangezwengeld. De notarissen zouden de aanstichters zijn van het kwaad van de blauwe brieven. [getuige 1] zou rare dingen doen en zou de gevangenis in gaan. [getuige 1] zou [de klerk van geintimeerde] in de problemen hebben gebracht. Dingen zouden niet kloppen op het kantoor van de notarissen en dat had een uitstraaleffect; er was terughoudendheid en mensen hadden een zekere angst voor betrokkenheid bij een onderzoek. [getuige 1] en [geïntimeerde] zouden samen de boel hebben belazerd. (Proces-verbaal van 2 september 2013, p. 4-5 ( [getuige 1] ), p. 8 ( [getuige 4] ), p. 10 ( [getuige 5] ), p. 12 ( [getuige 7] ), p. 13 ( [getuige 8] ); 7 oktober 2013, p. 2 ( [getuige 9] ), p. 3 ( [getuige 10] ), p. 5-6 ( [getuige 11] ), p. 7 ( [getuige 12] ); 17 januari 2014, p. 5 ( [getuige 13] ), p. 9 ( [getuige 14] )).

( f) Ook de door [geïntimeerde] voorgebrachte getuigen hebben verklaard over het FIOD-onderzoek. [getuige 20] heeft in de kroeg over het FIOD-onderzoek gehoord in de periode dat [geïntimeerde] in hechtenis was genomen en [getuige 21] heeft in de krant over dat onderzoek gelezen (proces-verbaal van 5 maart 2013, p. 11 ( [getuige 20] ), p. 12 ( [getuige 21] )). Binnen het kantoor van [geïntimeerde] waren dingen gebeurd die niet conform de regels waren (proces-verbaal van 16 mei 2014, p. 8 ( [getuige 24] )).

8.16.

De notarissen hebben verder gewezen op een in hun opdracht uitgevoerd onderzoek van oud-notaris mr. [getuige 2] , die aan de hand van de administratie van de notarissen heeft becijferd dat slechts een zeer gering percentage (6%) van klanten vóór de overname nog als klant aan de praktijk was verbonden in een periode enkele jaren na de overname (mvg, 45) (proces-verbaal van 2 september 2013, p. 6, met verwijzing naar stukken). De notarissen wijzen ook op een toelichting van [RA] RA en mr. [getuige 11] (mvg, 53). De notarissen hebben ook een rapport overgelegd van SMAN Register Valuators, waarin in een model aan de hand van (geschatte) omzetcijfers vóór en na de overname een berekening is gemaakt van het verschil, in de bestaande praktijk en de overgenomen praktijk, tussen de hypothetische situatie waarin een praktijk conform de koopovereenkomst zou zijn overgedragen en de werkelijke situatie (mvg, 61). De uitkomst van dit rapport is dat de schade (in totaal, inclusief gederfde winst in de overgenomen praktijk en in de bestaande praktijk, reputatieschade, kosten ter afwikkeling van claims) moet worden begroot op € 1.062.000.

8.17.

[geïntimeerde] heeft onder meer aangevoerd dat de gestelde schade niet is veroorzaakt door hem. Hij heeft gewezen op de volgende omstandigheden, die als niet of onvoldoende weersproken dan wel als bewezen door de verklaringen van getuigen vaststaan.

( a) Al vanaf de jaren 1980 waren er in [regio] en omgeving twee notariskantoren: enerzijds het kantoor van de notarissen (en hun maat mr. [getuige 19] ), anderzijds het kantoor van [geïntimeerde] (en zijn maten mrs. [getuige 17] en [getuige 18] ) (mne [geïntimeerde] , 21, pln 2015 [geïntimeerde] , 3, pln 2015 notarissen, p. 3, 5). De twee kantoren hadden sterk verschillende culturen en ook het klantenbestand van ieder kantoor had een duidelijk eigen karakter. De achtergrond van [geïntimeerde] was in de agrarische, kerkelijke kringen van families die al lang gevestigd waren in de streek. Hij had een hechte band met deze kringen. De notarissen daarentegen kwamen niet uit deze kringen. Hun achtergrond was sterker verbonden met ondernemers, het mkb, handel, transport, bouw. Hun klanten waren gelieerd aan deze kringen. In de loop van de jaren zijn enkele aanvaringen tussen de kantoren (dan wel tussen mrs. [getuige 1] en [geïntimeerde] ) voorgevallen (proces-verbaal van 17 januari 2014, p. 3 ( [getuige 13] ); proces-verbaal van 7 maart 2014, p. 7 ( [geïntimeerde] )), hetgeen heeft geleid tot een zekere mate van argwaan of wantrouwen (overigens is niet duidelijk geworden dat de ene of de andere kant hieraan schuld had of hiervoor verantwoordelijk was).
Over de sterk contrasterende culturen van de twee notariskantoren en de rivaliteit tussen hen hebben de getuigen verklaard: proces-verbaal van 2 september 2013, p. 3 ( [getuige 1] ), p. 8 ( [getuige 4] ), p. 10 ( [getuige 5] ), p. 12 ( [getuige 7] ); 7 oktober 2013, p. 3 ( [getuige 10] ), p. 5 ( [getuige 11] ); 17 januari 2014, p. 3, 5 ( [getuige 13] ); 5 maart 2014, p. 5 ( [getuige 17] ), p. 7 ( [getuige 18] ), p. 10 ( [getuige 19] ), p. 11 ( [getuige 20] ), p. 12 ( [getuige 21] ); 7 maart 2014, p. 4 ( [getuige 25] ); 16 mei 2014, p. 6 ( [getuige 23] ), p. 8 ( [getuige 24] ). De getuigen beschrijven in de kern een dynamische, informele, servicegerichte benadering in de praktijk van mr. [getuige 1] en de meer traditionele, conventionele degelijkheid in de praktijk van mr. [geïntimeerde] . Er was een behoorlijk verschil in geur en kleur (getuige [getuige 19] ).

( b) Tegen deze achtergrond was de overname van de praktijk van [geïntimeerde] voor de notarissen een uitdaging, een nieuw avontuur en een mogelijkheid om klanten aan te trekken die van oudsher, om culturele redenen, niet gelieerd waren aan hun praktijk. De notarissen hadden in hun praktijk tot de periode van de overname geen agrarische kennis (proces-verbaal van 2 september 2013, p. 3 ( [getuige 1] ); 7 oktober 2013, p. 7 ( [getuige 12] ); 17 januari 2014, p. 3, 5, 7 ( [getuige 13] ); 5 maart 2014, p. 9 ( [getuige 19] ). De notarissen hadden het plan een agrarisch onderdeel toe te voegen aan hun praktijk en de overname van de praktijk van [geïntimeerde] paste in dit plan (proces-verbaal van 2 september 2013, p. 3 ( [getuige 1] ), p. 10 ( [getuige 5] ), p. 11 ( [getuige 6] ); 7 oktober 2013, p. 5 ( [getuige 11] ); 17 januari 2014, p. 3 ( [getuige 13] ); 5 maart 2014, p. 9-10 ( [getuige 19] ). De notarissen hebben veel inspanningen geleverd om hier een succes van te maken, maar het bleef een grote stap en succes was niet gegarandeerd.

( c) Het agrarische deel van de praktijk van [geïntimeerde] werd ten tijde van het leveren van de goodwill sinds jaar en dag ondersteund door een klerk, genaamd [de klerk van geintimeerde] (cva, 21, 46, cvr, p. 2, mva, 27, 30, mne [geïntimeerde] , 20, pln 2015 [geïntimeerde] , 30 d, pln 2015 notarissen, p. 3). Deze klerk had wegens zijn deskundigheid en affiniteit met het agrarische recht een zeer sterke reputatie onder de agrarische, kerkelijke klanten in de omgeving; iedereen was bekend met de positie van [de klerk van geintimeerde] en het terugtreden van [geïntimeerde] (cvd, 30). De notarissen en [geïntimeerde] hebben beoogd dat [de klerk van geintimeerde] na de overname van de praktijk werkzaam zou blijven in dezelfde praktijk, uiteraard in de organisatie van de notarissen. Dit is - na de overname - besproken met [de klerk van geintimeerde] . Hij is echter (vrijwel direct) na de overname in dienst getreden bij mr. [getuige 17] (die hij al lang kende omdat mr. [getuige 17] oud-maat van [geïntimeerde] was). Hij heeft in feite het agrarische deel van de praktijk van [geïntimeerde] voortgezet bij mr. [getuige 17] (getuige [getuige 17] ). De notarissen hadden het nakijken (getuige [getuige 19] ).
Over de positie, expertise, reputatie, werkzaamheden en keuzes van [de klerk van geintimeerde] hebben de getuigen langs de lijnen van het voorgaande verklaard: proces-verbaal van 2 september 2013, p. 7 ( [getuige 3] ), p. 8 ( [getuige 4] ), p. 11 ( [getuige 6] ); 7 oktober 2013, p. 2 ( [getuige 9] ), p. 3 ( [getuige 10] ), p. 7 ( [getuige 12] ); 17 januari 2014, p. 5 en 7 ( [getuige 13] ), p. 8-10 ( [getuige 14] ); 5 maart 2014, p. 4 ( [getuige 17] ), p. 7-8 ( [getuige 18] ), p. 10 ( [getuige 19] ), p. 11 ( [getuige 20] ); 7 maart 2014, p. 3, 5 ( [getuige 25] ), p. 9 ( [geïntimeerde] ).

( d) Verder is, nadat tussen partijen afspraken waren gemaakt over de overname van de praktijk, al snel onmin ontstaan met betrekking tot allerlei aspecten van de overname, zoals de afrekening onderhanden werk en de huur van het pand van [geïntimeerde] (cvr, p. 2, cvd, 7-8, 16, mva, 29, pln [geïntimeerde] 2009, 6, mne [geïntimeerde] , 17, pln 2015 [geïntimeerde] , 5; proces-verbaal van 7 maart 2014, p. 7-8 ( [geïntimeerde] )). Niet duidelijk is geworden dat de ene of de andere kant schuld had of hiervoor verantwoordelijk was, maar feit is dat een ruzieachtige sfeer is ontstaan.

( e) De FIOD heeft in de periode na de overname een aanvang gemaakt met een landelijk onderzoek naar bepaalde omstandigheden in het agrarisch notariaat (vonnis 16 januari 2008, 2 e, waartegen geen grief is gericht). Niets is gesteld waaruit volgt dat de handelwijze van [geïntimeerde] de aanleiding was voor dit onderzoek (vergelijk cvr, p. 3-4; mvg, 28-29). De belastingdienst heeft in aansluiting op dit onderzoek naheffingen opgelegd. De naheffingen hebben geleid tot veel boze reacties (mvg, 49, p. 20, p. 22). De naheffingen worden in de processtukken genoemd als de (voornaamste) bron van negatieve publiciteit en schade (dagv., p. 4, cva, 7, 16, 18-20, cvr, p. 3, cvd, 24, mvg, 28, mva, 12, pln 2009 notarissen, p. 3, p. 8-9, nr. 14, p. 12, nr. 28, akte na verw. 24, pln 2015 [geïntimeerde] , 28) (proces-verbaal van 2 september 2013, p. 4 ( [getuige 1] ), p. 8 ( [getuige 4] ), p. 10 ( [getuige 5] ), p. 11 ( [getuige 6] ), p. 12 ( [getuige 7] ); 7 oktober 2013, p. 3 ( [getuige 10] ), p. 6 ( [getuige 11] ), p. 8-9 ( [getuige 12] ); 17 januari 2014, p. 6 ( [getuige 13] ); 5 maart 2014, p. 3 ( [getuige 17] ). De getuige [getuige 13] heeft verklaard dat de notarissen na de naheffingsaanslagen noodgedwongen veel tijd hebben besteed aan contacten met boze klanten en dat hun naam daardoor is besmet. De belastingplichtigen hebben bezwaar aangetekend tegen de naheffingen (vonnis 16 januari 2008, 2 g, waartegen geen grief is gericht). Er waren goede gronden voor bezwaar. De getuige [getuige 22] heeft verklaard dat er in de periode rond 2001 veel onduidelijkheid was voor de praktijk: in de wet was de maatstaf van verbetering van de landbouwstructuren verankerd, maar wanneer was daarvan sprake? Deze getuige heeft gewezen op een artikel in een vakblad, geschreven door mr. Leenen in september 2001 (gehecht aan het proces-verbaal van de verklaring van de getuige). Deze getuige heeft ook toegelicht dat de staatssecretaris in 2004 een circulaire heeft geschreven, waarna de belastingdienst tot behoud van rechten over is gegaan tot het opleggen van de naheffingsaanslagen, die hebben geleid tot gerechtelijke procedures. (Proces-verbaal van 16 mei 2014, p. 3-5 en bijlagen.)
De visie van de inspecteur met betrekking tot de omstandigheden waarnaar de FIOD onderzoek had gedaan is (in de meeste gevallen) uiteindelijk niet gehonoreerd door de belastingrechter. De uitkomst is dat de belastingrechter, evenals de notariële tuchtrechter en de notariële organisatie, van oordeel is dat de bepaalde praktijken waar het onderzoek om ging niet ongeoorloofd waren. In een paar gevallen heeft [geïntimeerde] nadeel van cliënten vergoed, maar dat ontstijgt het niveau van een incidentele beroepsfout niet.
(Pln 2009 [geïntimeerde] , 28, mne [geïntimeerde] , 7-10, 29, 44, 49-54, met verwijzing naar de getuigen [getuige 22] , proces-verbaal van 16 mei 2014, p. 3-5, en [getuige 25] , proces-verbaal van 7 maart 2014, p. 3-6).

( f) In de jaren na 2001 is de markt voor agrarische dienstverlening in het notariaat, zoals vrijwillige kavelruilen, opgedroogd. De cliënten hadden niet zoveel belangstelling meer. Men was uitgeruild, er viel niet zoveel meer te ruilen (pln [geïntimeerde] 2015, 30 i). Vanaf 2005 is de handel in de agrarische sector sterk afgenomen (verklaring van mr. [getuige 17] , proces-verbaal van 5 maart 2014, p. 3).

( g) Op (de langere) termijn na de overname is de markt voor notariële diensten sterk veranderd: van overheidswege zijn de regels gewijzigd waardoor meer concurrentie op gang is gekomen en tarieven zijn versoepeld (mvg, 61, rapport SMAN Register Valuators, p. 19; proces-verbaal van 7 maart 2014, p. 5 ( [getuige 25] )).

8.18.

[geïntimeerde] verbindt aan al deze omstandigheden de conclusie dat de gestelde schade (8.14 hiervoor) niet is veroorzaakt door hem.

8.19.

Het hof stelt voorop dat de notarissen schade hebben geleden doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de koopovereenkomst plaatsvindt (art. 6:277 lid 1 BW). De notarissen hebben de gestelde schade gekwalificeerd als hun positief contractsbelang in de zin van art. 6:277 lid 1 BW. Zij hebben deze schade gekwantificeerd aan de hand van het rapport van SMAN Register Valuators. De notarissen hebben geen andere schadeposten aangevoerd. Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre de schade (positief contractsbelang, art. 6:277 lid 1 BW) is veroorzaakt door de omstandigheden als omschreven onder 8.15 hiervoor, welke omstandigheden voor rekening van [geïntimeerde] komen, en in hoeverre de schade is veroorzaakt door de omstandigheden als omschreven onder 8.17 hiervoor, welke omstandigheden voor rekening van de notarissen komen. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van talrijke keuzes van potentiële klanten en heel veel uren voor onderzoek, begeleiding en administratieve beslommeringen, die niet exact te verantwoorden zijn. Exacte gegevens zijn dan ook niet beschikbaar voor een begroting of schatting van de schade die is veroorzaakt door de tekortkoming van [geïntimeerde] . Alles in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de schade die is veroorzaakt door de tekortkoming van [geïntimeerde] (8.15 hiervoor) op de voet van het bepaalde in art. 6:97 BW moet worden geschat zoals hierna zal worden overwogen.

8.20.

Het hof is van oordeel dat de notarissen het opgedragen bewijs van het causaal verband (conditio sine qua non) tussen enerzijds de tekortkoming van [geïntimeerde] (8.15 hiervoor) en de daarop volgende gedeeltelijke ontbinding en anderzijds de gestelde schade (art. 6:277 lid 1 BW) hebben geleverd. Uit de verklaringen van de door de notarissen voorgebrachte getuigen is af te leiden dat ophef is ontstaan en dat hun kantoor in verband is gebracht met de fraudezaak, waardoor klanten en relaties kwijt zijn geraakt en de goede naam van het kantoor is geschaad. Deze fraudezaak is ontstaan door fouten van [geïntimeerde] (8.15 hiervoor: creditcard-fraude van [medewerker in de overgenomen praktijk en neef van de klerk van geintimeerde] , administratieve onregelmatigheden, de financiële kaart, het FIOD-onderzoek op het kantoor van de notarissen inclusief het heen en weer leveren van percelen). Indien deze fouten niet zouden zijn gemaakt, zou de schade deels niet zijn ontstaan, zoals hierna zal worden overwogen. Het hof heeft bij het voorgaande de stellingen van de notarissen over een ruime toerekening gelet op de aard en ernst van de tekortkoming (6:98 BW, pln 2015, p. 10) in aanmerking genomen. Het hof is van oordeel dat de schade deels in redelijkheid moet worden toegerekend aan de tekortkoming van [geïntimeerde] , zoals hierna zal worden overwogen.

[geïntimeerde] betoogt dat het heen en weer leveren van percelen, dat in de strafzaak centraal heeft gestaan, een bijvangst was van het FIOD-onderzoek en de gestelde schade niet heeft veroorzaakt (pln 2009 [geïntimeerde] , 28, mne [geïntimeerde] , 7-10, 29, 44, 49-54). Dit betoog faalt nu, ook indien inderdaad sprake zou zijn van een bijvangst, dit onverlet laat dat fouten zijn gemaakt en bekend zijn geworden waardoor de notarissen nadeel hebben geleden.

Grieven 2 en 4 (mvg, p. 15-16) en 5 slagen dan ook in zoverre.

De schade kan bij gebreke van exacte gegevens niet worden begroot. De schade zal dan ook moeten worden geschat. Het hof is alles in aanmerking genomen van oordeel dat de schade op de voet van het bepaalde in art. 6:97 BW moet worden geschat als volgt: € 1.062.000 (totale vordering notarissen ter zake overige schade in de zin van 6:277 lid 1 BW exclusief
€ 75.000 voor buitengerechtelijke kosten) -/- € 272.268 (totale prijs goodwill, gelijk aan
ƒ 600.000) = € 789.732 x ⅓ (gedeelte veroorzaakt door de tekortkoming van [geïntimeerde] ) = € 263.244 -/- ⅓ (aandeel Semper Diligentia) = € 175.496.

8.21.

Deze wijze van schatting van de schade wordt als volgt toegelicht.

De totale schade van € 1.062.000 is door de notarissen onderbouwd met een rapport. De notarissen hebben, naar het hof begrijpt, bedoeld dat alle posten (gederfde winst in de overgenomen praktijk, gederfde winst in de bestaande praktijk, reputatieschade, kosten van afwikkeling claims) met uitzondering van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten in dit bedrag van € 1.062.000 zijn verdisconteerd. Dit bedrag is berekend aan de hand van het positief contractsbelang in de zin van art. 6:277 lid 1 BW. [geïntimeerde] heeft geen steekhoudende bezwaren tegen dit rapport ingebracht. Hij heeft alleen opgemerkt dat het rapport abstract is gemotiveerd. Dat is juist, maar vloeit ook voort uit de aard van de schade en uit alle omstandigheden van het geval (8.15 hiervoor en 8.17 hiervoor). Partijen hebben geen aanwijzingen aangereikt voor een verwachting dat nader onderzoek leidt tot gegevens die een betere basis bieden voor een begroting of schatting van de schade. Het hof acht het genoemde bedrag van € 1.062.000 voldoende betrouwbaar voor de schatting van de schade (positief contractsbelang, art. 6:277 lid 1 BW). Daarbij neemt het hof in aanmerking de verklaring van de getuige [getuige 19] dat de jaren vanaf 2002-2007 in de praktijk van de notarissen redelijk gemiddelde jaren waren: de verwachte plus van de overname van de praktijk van [geïntimeerde] kwam er niet, maar voor het overige waren deze jaren niet bijzonder goed of slecht (proces-verbaal van 5 maart 2013, p. 9).

De koopovereenkomst is wat betreft de goodwill ontbonden en [geïntimeerde] zal de koopprijs voor de goodwill moeten terugbetalen. Bij de schatting van de schade moet de koopprijs van de goodwill dan ook in mindering worden gebracht. Het gaat om een vergelijking van enerzijds de situatie die zou zijn voortgevloeid uit een in alle opzichten onberispelijke nakoming van de koopovereenkomst (in deze situatie zou de koopprijs voor de goodwill moeten worden betaald) en anderzijds de situatie die zou resulteren uit een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieverbintenissen (in het bijzonder: de verbintenis tot restitutie van de koopprijs van de goodwill) (TM, Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 1036).
De factor van ⅓ is een weergave van de causale relatie tussen de tekortkoming van [geïntimeerde] (8.15 hiervoor) en de gestelde schade. Alles in aanmerking genomen, en gelet op de aard en het belang van de onder 8.15 en 8.17 geschetste omstandigheden, is het hof van oordeel dat de omstandigheden als omschreven onder 8.15 hiervoor een aanzienlijk en niet te verwaarlozen deel van de gestelde schade (positief contractsbelang, art. 6:277 lid 1 BW) hebben veroorzaakt, maar dat de oorzaak van deze schade in overwegende mate moet worden gevonden in de overige omstandigheden als omschreven onder 8.17 hiervoor. Dit leidt tot de factor van ⅓ (veroorzaakt door de tekortkoming van [geïntimeerde] ) waarbij de schade voor het overige moet worden aangemerkt als veroorzaakt door de overige omstandigheden (zie hierna). Het hof heeft kennis genomen van de opmerking in het rapport van SMAN Register Valuators dat bepaalde omstandigheden of verwachtingen (zoals beschreven onder 8.17 (g)) al in de berekening van het bedrag van € 1.062.000 in dat rapport zijn verdisconteerd (rapport, p. 18-19), maar niet toegelicht is hoe dat is gedaan, zodat het hof alles in aanmerking genomen de factor ⅓ juist en passend acht.

Tot slot komt het aandeel van Semper Diligentia niet voor vergoeding in aanmerking (8.13 hiervoor).

8.22.

Voor het overige komt de door de notarissen gestelde schade (positief contractsbelang, art. 6:277 lid 1 BW) niet voor vergoeding in aanmerking omdat voldoende duidelijk is geworden dat deze schade niet door de tekortkoming van [geïntimeerde] , maar door andere omstandigheden is veroorzaakt (8.17 hiervoor). Niet voldoende duidelijk is geworden dat, indien de tekortkoming van [geïntimeerde] (bijvoorbeeld het heen en weer leveren van percelen) niet zou hebben plaatsgevonden, de gestelde schade niet zou zijn geleden (conditio sine qua non). De sterke culturele verschillen tussen de bestaande praktijk en de overgenomen praktijk, de onmin die tussen partijen is ontstaan, de keuze van [de klerk van geintimeerde] om na de overname niet langer in de praktijk werkzaam te zijn, het landelijke FIOD-onderzoek op instigatie van de staatssecretaris en de snel veranderende marktomstandigheden in het notariaat (8.17 hiervoor) kunnen in belangrijke mate een verklaring bieden voor de omstandigheid dat de overgenomen praktijk niet heeft gebracht wat de notarissen daarvan hadden verwacht. Al deze omstandigheden zijn niet te wijten aan de tekortkoming van [geïntimeerde] , maar aan de overige ontwikkelingen die voor rekening van de notarissen komen. Het geleden nadeel moet in zoverre worden aangemerkt als het ondernemersrisico van de notarissen. [geïntimeerde] heeft er terecht en onweersproken op gewezen dat het landelijke FIOD-onderzoek en de daarop volgende naheffingen en procedures (anders dan een paar zaken die moeten worden beschouwd als incidentele beroepsfouten) niet hebben geleid tot het vaststellen van ongeoorloofde praktijken.

[geïntimeerde] betoogt dat de naheffingen alle gestelde schade kunnen verklaren. Dit betoog is ongegrond. Ook [geïntimeerde] erkent dat het heen en weer leveren van percelen ongeoorloofd was. Hij heeft duidelijk gemaakt dat dat onderwerp, waar de strafzaak over ging, van een andere orde van grootte was dan de naheffingen: hij heeft verklaard dat de ernst van de situatie pas is gebleken tijdens zijn gesprek bij de voorzitter van de Kamer van Toezicht op 1 juli 2006 (proces-verbaal van 7 maart 2013, p. 9).

De notarissen stellen dat [de klerk van geintimeerde] is weggegaan en bij mr. [getuige 17] is gaan werken omdat hij begreep dat onoorbare praktijken na de overname niet langer zouden worden gedoogd, maar deze stelling is onvoldoende toegelicht in het licht van de verklaring van de getuige [getuige 17] dat het Bureau Financieel Toezicht onderzoek heeft gedaan naar alle kavelruiltransacties die onder zijn verantwoordelijkheid in de periode 2002 tot en met 2005 zijn behandeld door [de klerk van geintimeerde] en dat bij dit onderzoek geen onregelmatigheden zijn aangetroffen (proces-verbaal van 5 maart 2014, p. 3). Het moet er bij gebreke van een nadere toelichting voor worden gehouden dat deze keuze van [de klerk van geintimeerde] is gebaseerd op zijn persoonlijke wensen, de culturele verschillen tussen de kantoren of andere omstandigheden die niet voor rekening van [geïntimeerde] komen.

Grieven 2 en 4 (mvg, p. 15-16) en 5 falen dan ook in zoverre.

8.23.

Het hof heeft in aanmerking genomen dat de positie van de notarissen door alle gebeurtenissen ernstig is geschaad, zowel professioneel als privé en emotioneel, en dat de notarissen onder buitengewoon moeilijke omstandigheden na het bekend worden van het FIOD-onderzoek en de naheffingen hebben getracht naar eer en geweten te handelen en hun vak zo goed mogelijk te beoefenen. Het hof is van oordeel dat het geleden nadeel in voldoende mate wordt geredresseerd en vergoed door de schatting van schade (positief contractsbelang, art. 6:277 lid 1 BW) die hiervoor aan de orde is gekomen.

8.24.

Bij al het voorgaande moet worden opgemerkt dat het in dit geding niet gaat om een beoordeling van twee op zichzelf adequate oorzaken, die allebei de gehele schade hadden kunnen veroorzaken, waarbij kan worden berekend hoe groot de kans is dat de ene of de andere oorzaak tot de schade heeft geleid (proportionele aansprakelijkheid). Het gaat in dit geding om talrijke factoren waarbij iedere factor een groter of kleiner deel van de schade heeft veroorzaakt. Het hof heeft dit in aanmerking genomen bij de beoordeling van het causaal verband en bij de schatting van schade zoals hiervoor is overwogen.

8.25.

De stellingen van de notarissen over dwaling en bedrog (mvg, 56, 59) kunnen onbesproken blijven (tussenarrest van 9 juli 2013, 4.3).

8.26.

[geïntimeerde] heeft in zijn memorie na enquête kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met enkele bindende eindbeslissingen (over de klachtplicht en verjaring) in het tussenarrest, maar dit kan verder onbesproken blijven nu hij niet gemotiveerd heeft verzocht van die eindbeslissingen terug te komen.

8.27.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal tot een bedrag van € 30.000 worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen. Voldoende duidelijk is geworden dat de notarissen in redelijkheid kosten hebben gemaakt voor het begroten van hun schade (het rapport van SMAN Register Valuators) en dat een bedrag van € 30.000 redelijk is voor het opmaken van het overgelegde rapport, dat van belang is voor de beoordeling van het geschil tussen partijen. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat, zoals hiervoor is overwogen, niet de gehele door de notarissen gestelde schade door [geïntimeerde] is veroorzaakt.

8.28.

De slotsom van al het voorgaande en hetgeen is overwogen in het tussenarrest is dat de grieven 2 tot en met 5 slagen, dat de bestreden vonnissen, voor zover gewezen tussen de notarissen en [geïntimeerde] , moeten worden vernietigd en dat het gevorderde alsnog moet worden toegewezen tot een bedrag van € 387.008 (= € 181.512 + € 175.496 + € 30.000) en voor het overige moet worden afgewezen. De overige grieven behoeven verder geen behandeling. De wettelijke rente zal zoals gevorderd worden toegewezen over € 181.512 vanaf 1 april 2002 (de datum van betaling: cva, 44, vonnis 16 januari 2008, 2 b, waartegen geen grief is gericht) nu het gebrek in de prestatie toen reeds aanwezig was en ook onherstelbaar was, zodat het verzuim toen reeds is ingetreden. De wettelijke rente over € 175.496 zal vanaf de dag van de dagvaarding (20 oktober 2006) worden toegewezen. In het rapport van SMAN Register Valuators is gemeld dat de geschatte schade contant is gemaakt per 1 april 2002 (p. 16), maar niet voldoende is toegelicht hoe dit is gedaan en dat en waarom voor de aanvang van de renteberekening een andere datum moet worden gehanteerd dan de dag van de dagvaarding. De wettelijke rente over € 30.000 zal vanaf de dag van de memorie van grieven (9 december 2008) worden toegewezen nu het rapport van SMAN Register Valuators bij die memorie is overgelegd.

8.29.

[geïntimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde notarissen begroot op € 71,32 voor exploot dagvaarding, € 4.570 voor vast recht en € 6.422 voor salaris advocaat (tarief € 3.211 x 2 punten: dagvaarding 1, repliek 1) in eerste aanleg en in hoger beroep € 71,80 voor exploot dagvaarding, € 503,40 voor getuigentaxe ( [getuige 2] € 65; [getuige 3] € 38,40; [getuige 6] € 200; [getuige 9] € 150; [getuige 10] € 50), € 5.981 voor vast recht en € 43.510 voor salaris advocaat (tarief € 4.580 x 9,5 punten: grieven 1, pleidooi 2009 2, akte na verwijzing ½, eerste zitting enquête 1, vijf vervolgzittingen enquête/contra-enquête 2,5, memorie na enquête ½, pleidooi 2015 2). De kosten van het incident (art. 843a Rv) in eerste aanleg zullen tussen partijen worden gecompenseerd nu iedere partij op enkele punten in het ongelijk worden gesteld. Over de proceskosten van het incident (art. 843a Rv) in hoger beroep is beslist in het arrest van 30 september 2008, welk arrest niet is gecasseerd. Over de proceskosten van het beroep in cassatie is beslist bij het arrest van de Hoge Raad.

9 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen van 11 juli 2007 en 16 januari 2008 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, voor zover gewezen tussen de notarissen en [geïntimeerde] ;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] € 387.008 aan de notarissen te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 181.512 vanaf 1 april 2002, over € 175.496 vanaf 20 oktober 2006 en over € 30.000 vanaf 9 december 2008, telkens tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de notarissen begroot op € 4.641,32 voor verschotten en € 6.422 voor salaris advocaat in eerste aanleg en € 6.556,20 voor verschotten en € 43.510 voor salaris advocaat in hoger beroep;

compenseert de proceskosten van het incident in eerste aanleg tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen- van Dijk , S. Riemens en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 december 2015.

griffier rolraadsheer