Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:503

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
HD 200.134.163_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:5279
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering; beoordeling bezwaren tegen rapport arbeidsdeskundige; hof gelast meervoudige comparitie i.v.m. nadere toelichting door arbeidsdeskundige).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.163/01

arrest van 17 februari 2015

in de zaak van

Achmea Schadeverzekeringen N.V., h.o.d.n. Interpolis, voorheen genaamd N.V. Interpolis Schade,

gevestigd te [vestigingsplaats] alsmede te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als Interpolis (voor de eerste aanleg) c.q. (voor het hoger beroep) Achmea/Interpolis,

advocaat: mr. A. Robustella te Ede (Gelderland),

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 september 2013 ingeleide hoger beroep van de tussenvonnissen van de rechtbank Breda van 29 september 2010, 18 mei 2011, 29 juni 2011, 16 november 2011 en 30 mei 2012 en het eindvonnis van – thans - de rechtbank Zeeland - West-Brabant van 5 juni 2013, gewezen tussen Interpolis als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/221318/HA ZA 10-1242)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met twee producties;

- de memorie van antwoord met drie producties, waarbij tevens – zonder dat dit zoals voorgeschreven in het rolreglement in de kop van de memorie is vermeld – de eis is vermeerderd;

- de akte van Achmea van 13 mei 2014.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. In het door Achmea overgelegde (kopie)procesdossier ontbraken de bij de inleidende dagvaarding behorende producties en het deskundigenrapport van De Bonth. Nadat de griffie van het hof deze stukken had opgevraagd, heeft Achmea deze bij brief van 8 oktober 2014 alsnog in het geding gebracht.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft in r.o. 3.1 van het tussenarrest van 18 mei 2011 vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten, die niet zijn betwist, zijn ook in hoger beroep uitgangspunt. Hierna volgt een samenvatting van de feiten, voor zover in hoger beroep van belang.

  1. [geïntimeerde] heeft met ingang van 2 oktober 2000 bij Interpolis een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten. Op grond van deze verzekering is het risico van beroepsarbeidsongeschiktheid voor het op het polisblad vermelde beroep van ‘exploitant van een dierenhandel’ verzekerd indien het arbeidsongeschiktheidspercentage 25 of meer bedraagt. Op grond van de verzekering komt voorts een periode van één jaar voor risico van [geïntimeerde] en is de uitkering gelijk aan het arbeidsongeschiktheidspercentage.

  2. In de op de overeenkomst toepasselijke polisvoorwaarden is, voor zover van belang, vermeld:

Artikel 1 Begrippen

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

a arbeidsongeschiktheid

van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde beperkt is in zijn of haar functioneren. Het verzekeringsbewijs vermeldt welke van de hiervoor genoemde arbeidsongeschiktheidscriteria van toepassing is op deze verzekering:

1. Beroepsarbeidsongeschiktheid

Zonder iets af te doen aan de bepaling in artikel 1 lid 1 is arbeidsongeschiktheid aanwezig als de verzekerde voor ten minste het op het verzekeringsbewijs vermelde percentage ongeschikt is voor het verrichten van werkzaamheden die verbonden zijn aan het beroep of bedrijf, of die in het beroep of bedrijf in redelijkheid van de verzekerde verlangd kunnen worden. (…)

(…)

Artikel 26 Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid

1 Zolang de verzekerde arbeidsongeschikt is volgens artikel 8 en deze arbeidsongeschiktheid langer dan één jaar bestaat, verlenen wij vrijstelling van premiebetaling.

2 Het percentage premievrijstelling is gelijk aan het uitkeringspercentage dat van toepassing is.

Op 28 maart 2006 is [geïntimeerde] tijdens zijn werkzaamheden in de door hem geëxploiteerde dierenhandel een ongeval overkomen, waarbij hij een bicepsruptuur aan de onderzijde van zijn linker bovenarm heeft opgelopen.

In januari 2007 heeft [geïntimeerde] Interpolis verzocht om de hiervoor vermelde eigenrisicoperiode terug te brengen naar een maand. Dit verzoek is door Interpolis gehonoreerd per 29 januari 2007.

Bij brief van 13 oktober 2008 heeft [geïntimeerde] in verband met de gevolgen van voornoemd ongeval een beroep gedaan op de arbeidsongeschiktheidsverzekering .

[geïntimeerde] is op 30 oktober 2008 in opdracht van Interpolis onderzocht door [adviserend arts van Interpolis], adviserend arts van Interpolis. Deze heeft Interpolis onder meer geadviseerd om met ingang van 1 november 2008 een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25% aan te houden.

Daarna is [geïntimeerde] in opdracht van Interpolis onderzocht door drs. [orthopaedisch chirurg], orthopaedisch chirurg. In zijn rapport van 30 maart 2009 is bij het antwoord op vraag 1 vermeld dat als gevolg van de bicepsruptuur sprake is van een “verklaarbare lichte bewegingsbeperking bij extensie en retroflexie en een verklaarbare krachtsvermindering in de biceps”. Bij het antwoord op vraag 2 is vermeld dat sprake is van “lichte tot matige beperkingen bij activiteiten die kracht vereisen van de linker arm of van beide armen bij geflecteerde elleboog en bij supinatiebewegingen”, terwijl er beperkingen zijn “bij werkzaamheden die met de linker arm hoog boven hoofdniveau moeten worden uitgevoerd.”

Vervolgens heeft in opdracht van Interpolis arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgehad door [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] (hierna: [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis]), arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis, naar het arbeidsgeschiktheidspercentage in de zin van de polis. In zijn rapport is vermeld dat [geïntimeerde] 83 uur per week zijn beroep uitoefende en dat de uitval als gevolg van het letsel 16,5 uur bedraagt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] vastgesteld op (afgerond) 20%.

Bij brief van 18 juni 2009 heeft Interpolis [geïntimeerde] meegedeeld dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid van 25% of meer, zodat er geen recht op uitkering bestaat. In een brief van 14 juli 2009 heeft Interpolis aangegeven dit standpunt te handhaven. [geïntimeerde] heeft bij brief van 23 juli 2009 laten weten niet akkoord te gaan met deze afwijzing.

3.2.1.

Daarop heeft [geïntimeerde] bij dagvaarding van 15 juni 2010 Interpolis in rechte betrokken en gevorderd, dat Interpolis op grond van de verzekeringsovereenkomst wordt veroordeeld:

- tot betaling vanaf 1 maart 2007 van een uitkering op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van tenminste 25%, vermeerderd met wettelijke rente vanaf ingang van deze verplichting;

- tot toekenning aan [geïntimeerde] van een premiekorting vanaf 1 maart 2007 naar rato van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage;

- tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 4.898,42, dan wel tot zodanig bedrag als de rechtbank meent te moeten toewijzen,

met veroordeling van Interpolis in de proceskosten en het nasalaris van € 250,00.

3.2.2.

Interpolis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In de kern komt het verweer van Interpolis erop neer dat [geïntimeerde] geen recht heeft op een uitkering op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, omdat uit de onderzoeken van Kortmann en [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] volgt dat de beperkingen aan de linker arm resulteren in een mate van arbeidsongeschiktheid van 20%. Dat percentage geeft geen recht op uitkering. Subsidiair betwist Interpolis dat zij per 1 maart 2007 een uitkering verschuldigd is en voorts betwist zij buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 29 september 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die op 9 december 2010 is gehouden.

3.3.2.

In het tussenvonnis van 18 mei 2011 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat gelet op het feit dat partijen verdeeld zijn over het percentage arbeidsongeschiktheid de rechtbank behoefte heeft aan voorlichting door een arbeidsdeskundige en verzekeringsarts. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling alsmede over de voorgestelde verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Nadat de rechtbank nog een aantal tussenvonnissen had gewezen in verband met verwikkelingen over de te benoemen deskundigen, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 30 mei 2012 de heer A. Broere (hierna: Broere), verzekeringsarts, en mevrouw J.E.W.M. de Bonth (hierna: De Bonth), registerarbeidsdeskundige, tot deskundigen benoemd.

3.3.3.

In het eindvonnis van 5 juni 2013 heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen:

i. i) dat [geïntimeerde] zich kan verenigen met de bevindingen en conclusies van de deskundigen, dat Interpolis geen bezwaren heeft aangevoerd tegen het rapport van Broere en tegen de door De Bonth beschreven arbeidstijd van 63,5 uur per week, zodat kan worden uitgegaan van de bevindingen van Broere en de juistheid van de door De Bonth genoemde 63,5 uur per week (r.o. 2.4 en 2.5);

ii) dat Interpolis als bezwaar heeft aangevoerd dat geen uitval kan worden aangenomen voor het reinigen van de aquaria, maar dat dit bezwaar als onvoldoende gemotiveerd wordt verworpen (r.o. 2.6);

iii) dat De Bonth, anders dan Interpolis betoogt, de verschillende uitvalspercentages en haar uiteindelijke conclusie dat het arbeidsongeschiktheidspercentage 27,3 % is voldoende inzichtelijk en afdoende heeft onderbouwd (r.o. 2.8);

iv) dat de conclusie luidt dat bij [geïntimeerde] sprake is van een arbeidsongeschiktheidspercentage van ongeveer 27%, zodat [geïntimeerde] recht heeft op een uitkering op basis van dit percentage (r.o. 2.9);

v) dat [geïntimeerde] recht heeft op betaling van deze uitkering met ingang van 29 maart 2007 voor zover deze betaling niet reeds heeft plaatsgehad, waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen in r.o. 3.4 en 3.9 van het tussenvonnis van 18 mei 2011 omtrent het aanvangstijdstip is overwogen (r.o. 2.10);

vi) dat de wettelijke rente over het bedrag van de uitkering eerst toewijsbaar is vanaf het moment dat Interpolis met de betaling daarvan in verzuim is (r.o. 2.12);

vii) dat de vordering tot premiekorting als niet weersproken toewijsbaar is (r.o. 2.11);

viii) dat het in beginsel niet onredelijk is om met behulp van deskundigen te trachten een minnelijke regeling te bereiken door het uitwisselen van argumenten of nadere onderbouwing van standpunten ook al heeft een van partijen reeds een duidelijk standpunt ingenomen en dat niet gesteld is waarom dat in dit geval onredelijk is, zodat nu niet weersproken is dat kosten ten bedrage van € 4.898,42 zijn gemaakt, de vordering inzake de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is (r.o. 2.13 en 2.14).

3.4.

Achmea/Interpolis heeft bij memorie van grieven aangegeven dat zij geen grieven richt tegen de tussenvonnissen van 29 oktober 2010, 18 mei 2011, 29 juni 2011, 16 november 2011 en 30 mei 2012. Het hof zal Achmea/Interpolis in haar beroep tegen deze vonnissen niet-ontvankelijk verklaren. Het hoger beroep beperkt zich derhalve tot het eindvonnis van 5 juni 2013.

3.5.

Tegen dit vonnis voert Achmea/Interpolis acht grieven aan. Deze grieven komen er in de kern op neer dat de rechtbank ten onrechte bij haar beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] is uitgegaan van de bevindingen van de arbeidsdeskundige De Bonth en op grond daarvan ten onrechte de vorderingen van [geïntimeerde] heeft toegewezen. Daarmee liggen in hoger beroep de vorderingen van [geïntimeerde], voor zover door de rechtbank toegewezen, opnieuw en in volle omvang ter beoordeling voor.

3.5.1.

Het hof merkt op dat Achmea/Interpolis tegen het oordeel van de rechtbank van de juistheid van de door De Bonth beschreven arbeidstijd van 63,5 uren per week geen grieven heeft gericht (zie hiervoor 3.3.3 sub i). Derhalve wordt ook in hoger beroep bij de beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde] uitgegaan van een werkweek van 63,5 uren.

Tegen het oordeel van de rechtbank inzake de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en van de wettelijke rente (zie hiervoor 3.3. sub v en vi) heeft [geïntimeerde] geen grieven gericht, zodat ook daarvan wordt uitgegaan.

3.5.2.

Hierna wordt zo nodig op de afzonderlijke grieven ingegaan.

3.6.

Grief I is gericht tegen r.o. 2.6 van het beroepen vonnis waarin de rechtbank het bezwaar van Interpolis dat geen uitval kan worden aangenomen voor het reinigen van de aquaria als onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.6.1.

In de toelichting op deze grief herhaalt Achmea/Interpolis de in eerste aanleg aangevoerde bezwaren en licht zij deze mede aan de hand van een nader rapport van [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] van 8 juli 2013 (prod. 2 bij MvG) nader toe. Aan de conclusie na deskundigenbericht van 23 januari 2013 was een aanvullend advies van [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] gehecht, waarin hij had opgemerkt medewerkers van een soortgelijk bedrijf te hebben gevraagd hoe zij wanden van aquaria reinigen en dat beide medewerkers hadden aangegeven dat met de rechterhand te doen. In aanvulling daarop heeft [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] van het reinigen van de wanden door genoemde personen een opname gemaakt en deze vastgelegd op USB-stick, die als productie 1 bij MvG is overgelegd. Op grond daarvan concludeert Achmea dat De Bonth komt tot een aanname die niet proefondervindelijk op juistheid is getoetst als ook feitelijk onjuist is, omdat uit het deskundigenbericht niet volgt dat het reinigen door [geïntimeerde] door De Bonth is waargenomen. Tegen de achtergrond van de overgelegde aanvullende rapportage van [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] is volgens Achmea/Interpolis onbegrijpelijk dat de rechtbank dit bezwaar onvoldoende gemotiveerd achtte. Ten onrechte heeft de rechtbank het standpunt van Interpolis, dat voorbijgaande aan een uitval van 5,4 uren voor het schoonhouden van de aquaria met levende waar moet worden uitgegaan van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 18,8%, gepasseerd.

3.6.2.

[geïntimeerde] legt in reactie op het nader rapport van [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] een rapport van 13 maart 2014 over van mevrouw drs. [register arbeidsdeskundige bureau Radar] (hierna: [register arbeidsdeskundige bureau Radar]), register arbeidsdeskundige bij arbeidsdeskundig bureau Radar, waarbij een cd-rom met beeldopnamen van het reinigen van aquaria door [geïntimeerde] is gevoegd. [geïntimeerde] heeft van deze arbeidsdeskundige ook in eerste aanleg een rapport overgelegd (zie prod. bij akte van 26 januari 2011). [geïntimeerde] stelt dat op grond van deze rapportage op vakkundige wijze het derde advies van [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] (hof: genoemd rapport van 8 juli 2013) onderuit is gehaald.

3.6.3.

Het hof heeft alvorens op deze bezwaren te kunnen beslissen, behoefte aan een nadere toelichting van De Bonth. Het hof zal daartoe een meervoudige comparitie gelasten. De Bonth zal gelet op de bezwaren van Achmea/Interpolis onder meer worden gevraagd de in haar rapport voor het reinigen van de aquaria aangenomen uitval van 5,4 uur per week nader toe te lichten. Het gaat daarbij met name om de volgende passage in haar rapport (p. 11/12 onder C):

Het schoonhouden van de bakken met levende waar

Wekelijks worden de binnenramen van alle bakken 1 x gereinigd. Hiervoor gaat men met een schuurspons langs alle ramen en de onderkant van de bak, waarbij men de nodige druk zet om aanslag en vuil te verwijderen. De keutels en/of overige vervuiling worden afgezogen met behulp van een geautomatiseerd zuigsysteem. Bij het reinigen en afzuigen werkt men met gebogen arm, en veelal een getordeerd bovenlichaam. Het betreft fysiek matig belastend werk, waarbij in ongemakkelijke houding wordt gewerkt. Zowel rechts- als linkshandig werken is nodig; immers de rechterbinnenkant van de ramen kan niet met de linkerhand-/arm worden gereinigd. Een goede handmotoriek is vereist, waarbij een redelijke druk moet kunnen worden gezet. Bij deze taak is het gebruik van een huishoudtrap voor meer dan de helft van de werkzaamheden noodzakelijk, nu niet alleen voor de hoger gelegen kleine bakken, maar ook voor de grotere bakken vanwege het moeten kunnen bereiken van alle plaatsen.

Deze taak neemt gemiddeld 18 uur per week in beslag.”

Het hof vraagt zich af of De Bonth zich niet vergist waar zij schrijft dat de rechterbinnenkant niet met de linkerhand/-arm kan worden schoongemaakt. Naar het hof uit de reactie van (de advocaat van) Interpolis op het conceptrapport afleidt, stelde De Bonth daarin namelijk dat het onmogelijk is de rechter wanden c.q. het rechter deel van de bakken met de rechterhand schoon te maken. Interpolis merkt vervolgens in haar reactie op het conceptrapport op dat de stelling dat de rechterzijde van de bakken met de linkerarm moet worden gereinigd bespreking behoeft omdat het met de linkerarm reinigen tot een minder natuurlijke stand van de linkerarm en overstrekking van de linkerpols leidt. De reactie daarop van De Bonth luidt als volgt (p. 21):

“Ik kan de stelling niet plaatsen dat het met de linkerarm reinigen van de rechterzijde van de bakken zou leiden tot een minder natuurlijke stand van de linkerarm en overstrekking van de linkerpols. De aquaria zijn gevuld met water en toebehoren en moeten van bovenaf (door een smalle vulopening) worden schoongemaakt. Hiervoor moet een arm dus in deze opening worden gestoken om vervolgens schoonmaakbewegingen te maken. Mijn mening is dat een ieder met twee goed functionerende armen het grootste deel (2/3) van de bak met zijn dominante arm schoonmaakt (het gedeelte waar men goed en nog redelijk bij kan), en het overige deel met de niet-dominante arm (toevoeging hof: voor [geïntimeerde] de linkerarm). Het is niet mogelijk om alle zijden met een zelfde arm uit te voeren, aangezien men dan de schouder en bovenlijf forceert, en de uiterste hoeken niet eens kan bereiken. Het uitvoeren van de werkzaamheden aan alle zijden met alleen de dominante arm is onwenselijk en zelfs onmogelijk.”

3.6.4.

Zoals gezegd hebben beide partijen beeldopnamen van het reinigen van aquaria overgelegd. Het hof heeft deze beeldopnamen bekeken. Op de door [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] gemaakte opname is te zien dat het schoonmaken van aquaria geheel met de rechter arm gebeurt en op de door [register arbeidsdeskundige bureau Radar]. gemaakte opname van het reinigen door [geïntimeerde] is te zien dat hij bij het reinigen van het rechtergedeelte zijn linker arm gebruikt. Het komt het hof dienstig voor dat De Bonth voorafgaande aan de te bepalen comparitie beide beeldopnamen kan bekijken. Achmea/Interpolis en [geïntimeerde] wordt daarom verzocht uiterlijk twee weken voorafgaande aan de comparitie de namens hen gemaakte opnamen toe te sturen aan De Bonth. Indien nodig zullen voornoemde opnames ook tijdens de comparitie worden bekeken.

3.7.

Met grief II bestrijdt Achmea/Interpolis het oordeel van de rechtbank in r.o. 2.8 dat, kort gezegd, De Bonth de verschillende uitvalpercentages en haar uiteindelijke conclusie voldoende inzichtelijk heeft onderbouwd.

3.7.1.

Ook in de toelichting op deze grief herhaalt Achmea/Interpolis de in eerste aanleg tegen het rapport van De Bonth opgeworpen bezwaren. Volgens Achmea/Interpolis kan en mag een arbeidsdeskundige niet volstaan met een overall percentage op onderdelen respectievelijk het hanteren van globale aanduidingen om te komen tot het uiteindelijke uitvalpercentage. Het ligt op de weg van de arbeidsdeskundige zo exact mogelijk te duiden of, en zo ja, in welke mate sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt in dit geval temeer daar de uitkomst (27%) leidt tot een uiterst geringe overschrijding van de arbeidsongeschiktheidsdrempel. Daarnaast wijst Achmea/Interpolis erop dat dit zeker niet volstaat ingeval op wezenlijke onderdelen door de verzekeringsarts in de vastgestelde FML geen beperking is aangenomen, zoals in dit geval bij het op- en afgaan van een huishoudtrap. De stelling van De Bonth dat bij het op- en afgaan van de huishoudtrap sprake zou zijn van risico en/of aanzienlijk tempoverlies is in het geheel niet onderbouwd of nader toegelicht, aldus Achmea/Interpolis.

3.7.2.

[geïntimeerde] wijst er allereerst op dat op het geneeskundig onderzoek van de verzekeringsarts het nodige valt af te dingen omdat Broere ten onrechte niet op de namens [geïntimeerde] gemaakte op- en aanmerkingen op zijn concept-rapport is ingegaan, maar heeft volstaan met het aanhechten van de brief van de raadsman aan zijn rapport. [geïntimeerde] vraagt zich af of dit duidt op instemming met de inhoud van de brief of dat de deskundige niet wist wat te antwoorden. Van enige weerlegging of andere reactie is geen sprake geweest, hetgeen in strijd is met par. 5.3 van de Leidraad Deskundigen in Civiele zaken volgens [geïntimeerde].

[geïntimeerde] stelt dat Achmea/Interpolis ten onrechte betoogt dat de verzekeringsarts ten aanzien van klimmen geen beperking heeft aangenomen, want in de FML staat: “Klimmen: Licht beperkt, kan tenminste huishoudtrap op en af.” De uitleg van De Bonth, dat gelet op het feit dat [geïntimeerde] de huishoudtrap gebruikt om werkzaamheden te verrichten en dat daarbij het gebruik van twee handen vereist is om dit zonder risico en/of tempoverlies te kunnen doen, is volgens [geïntimeerde] logisch en plausibel. Achmea/Interpolis lijkt te miskennen dat bij de beschrijving van de afzonderlijke taken in de rapportage van De Bonth steeds sprake is van een combinatie van handelingen/belastende factoren. Daarnaast merkt [geïntimeerde] op dat van het vijftal bevindingen van de deskundige dat Interpolis in randnummer 43 van de MvG noemt in het rapport van [arbeidsdeskundige in dienst van Interpolis] van 12 juni 2009 voor een aantal activiteiten min of meer gelijke percentages worden genoemd.

3.7.3.

Nog daargelaten dat [geïntimeerde] aan zijn opmerking over het rapport van de verzekeringsarts geen conclusie verbindt, volgt het hof [geïntimeerde] niet in zijn stelling dat de verzekeringsarts niet op de op- en aanmerkingen van zijn raadsman heeft gereageerd.

Broere schrijft immers in zijn begeleidende brief van 6 augustus 2012:

“De juridische reactie op mijn, op medische gronden opgestelde, FML neem ik voor kennisgeving aan en zie daarbij tevens opmerkingen in arbeidsdeskundige zin; wetende dat ik niet de kennis heb van deze professie lijkt mij deze discussie eerder aan de orde NA arbeidsdeskundige evaluatie.”

Hieruit blijkt dat de verzekeringsarts in de opmerkingen van de raadsman van [geïntimeerde] geen aanleiding heeft gezien zijn rapport bij te stellen, terwijl het ten aanzien van een aantal opmerkingen gelet op de – arbeidsdeskundige - aard van die opmerkingen niet op zijn weg lag daarop te reageren. Dit betekent dat hierna bij de beoordeling van dit rapport – tegen welk rapport Achmea/Interpolis geen grieven heeft gericht – en van de daarbij gevoegde Functionele Mogelijkhedenlijst (hierna: FML), kan worden uitgegaan. Overigens ontbreekt in het overgelegde kopie procesdossier een aantal pagina’s van genoemde FML. Achmea/Interpolis wordt daarom verzocht voorafgaande aan de comparitie in viervoud een volledige kopie daarvan over te leggen.

3.7.4.

Voor zover Achmea/Interpolis bedoelt te betogen dat gelet op de uiterst geringe overschrijding van het arbeidsongeschiktheidspercentage dat percentage door de arbeidsdeskundige beter dan wel uitvoeriger moet worden onderbouwd, gaat het hof aan dat standpunt voorbij. Op grond van de algemene voorwaarden heeft een verzekerde immers recht op een uitkering ingeval van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25% of meer. Niet in te zien valt waarom ingeval die drempel net is overschreden aan de onderbouwing van dat percentage zwaardere eisen zouden moeten worden gesteld dan ingeval sprake is van een ruimere mate van overschrijding daarvan.

3.7.5.

Wat betreft het standpunt van Achmea/Interpolis dat een arbeidsdeskundige niet kan volstaan met een overall percentage op onderdelen respectievelijk het hanteren van globale aanduidingen om te komen tot het uiteindelijke uitvalpercentage, heeft het hof eveneens behoefte aan een nadere toelichting van De Bonth. Haar reactie op een vergelijkbare opmerking van Interpolis naar aanleiding van het conceptrapport luidt als volgt (p. 20 definitief rapport):

“Ik ben van mening dat ik zeer specifiek de afzonderlijke taken heb aangegeven, met zowel een beschrijving van de inhoud als de daarbij optredende belasting. Per taakonderdeel is er altijd sprake van een combinatie van handelingen c.q. belastende factoren. Bij elk onderdeel kom ik tot een beoordeling of de samenhangende belasting afgezet tegen de door de heer Broere benoemde beperkingen leidt tot geringe, matige of ernstige uitval, waaraan ik een percentage verbind.”

De Bonth zal bij gelegenheid van de comparitie worden gevraagd haar werkwijze, althans de vanuit arbeidsdeskundig perspectief gebruikelijke werkwijze, nader toe te lichten.

3.7.6.

De Bonth zal voorts om een nadere toelichting worden gevraagd voor het aannemen van uitval bij het op- en afgaan van een huishoudtrap door [geïntimeerde]. Meer in het bijzonder zal haar worden gevraagd haar reactie op een opmerking van Interpolis naar aanleiding van haar conceptrapport toe te lichten. Deze reactie houdt het volgende in (p. 20/21):

“De heer Broere geeft aan: klimmen is licht beperkt; betrokkene kan tenminste een huishoudtrap op en af.

Het op en af gaan van een huishoudtrap, zonder dat hierbij activiteiten hoeven worden ondernomen, acht ik voor betrokkene mogelijk tot meerdere keren per dag. Hij kan dan beide handen gebruiken om voldoende steun te vinden. Echter; hij gaat altijd deze trap op in het kader van werkzaamheden; wegzetten producten, producten op hogere schappen plaatsen alsook het aanvullen van de aquaria met kwetsbare waar, zoals vis, koraal, planten. Hierbij dient hij voorbereidende handelingen te verrichten (deksel aquaria losmaken, de zakken water openen, plantjes plaatsen e.d.). Het gebruik van twee goed functionerende handen/armen is hierbij vereist om dit zonder risico en/of aanzienlijk tempoverlies te kunnen doen.”

3.8.

Het hof wijst partijen erop dat de comparitie tevens zal worden benut om te bezien of een minnelijke regeling mogelijk is. Indien dat niet mogelijk is, zal met (de advocaten van) partijen de voortgang van het geding worden besproken.

3.9.

De zaak wordt in verband met de dagbepaling van de comparitie verwezen naar de rol voor de opgave van verhinderdata. De deskundige De Bonth zal door het hof worden uitgenodigd. Het hof heeft De Bonth gevraagd naar de hoogte van het voorschot en zij heeft laten weten dat – uitgaande van een dagdeel inclusief reistijd – een voorschot van € 2.693,46 (incl. BTW) toereikend is. Het hof ziet aanleiding dit voorschot voorshands ten laste van Achmea te brengen. Achmea dient genoemd bedrag te betalen op de wijze als in het dictum bepaald.

3.10.

In afwachting van de comparitie wordt de beoordeling van de grieven I en II en de beoordeling van de overige grieven aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart Achmea/Interpolis niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de (tussen)vonnissen van 29 oktober 2010, 18 mei 2011, 29 juni 2011, 16 november 2011 en 30 mei 2012;

bepaalt dat partijen – Achmea/Interpolis deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is en [geïntimeerde] in persoon – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.6.3, 3.6.4, 3.7.5, 3.7.6 en 3.8 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 3 maart 2015 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van Achmea/Interpolis bij zijn opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier in drievoud zal overleggen;

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen en de deskundige daarvoor zal uitnodigen;

verzoekt Achmea/Interpolis een volledige kopie van de FML als omschreven in onderdeel 3.7.3 van dit arrest in drievoud uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan het hof;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan De Bonth

(p/a Arbeidsdeskundig Bureau Radar B.V., Postbus [postbusnummer], [postcode] [plaats]) toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken van het hoger beroep, waaronder de in onderdeel 3.6.3 van dit arrest genoemde beeldopnamen, aan mevrouw De Bonth ter beschikking zullen stellen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 2.693,46 (inclusief btw), tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat Achmea/Interpolis laatstgenoemd bedrag binnen twee weken na heden zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeek-van der Weijden, H.A.W. Vermeulen en M.J.H.A. Venner-Lijten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 februari 2015.

griffier rolraadsheer