Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5029

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
28-01-2016
Zaaknummer
200.178.404/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling onder gelijktijdige opheffing van zijn faillissement met verbetering van de gronden op basis van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 1 december 2015

Zaaknummer : 200.178.404/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/15.222 F

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] , voorheen h.o.d.n. [park- en tuinmachines] Park- en Tuinmachines,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.M.A. Lensen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 6 oktober 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2015, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, op grond van artikel 15 b Faillissementswet (Fw) ten aanzien van hem, onder gelijktijdige opheffing van zijn faillissement, de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 november 2015. Bij die gelegenheid is [appellant] , bijgestaan door mr. Lensen, gehoord. De heer B.J. van Wijnckel, hierna te noemen: de curator, is, met bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 29 september 2015;

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 2 november 2015 en 5 november 2015;

- de brieven van de curator, in voorkomend geval met bijlagen, d.d. 23 oktober 2015 en 6 november 2015;

- de ter zitting door [appellant] overgelegde stukken, te weten: een handgeschreven uiteenzetting van zijn persoonlijke problemen van de laatste jaren.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om, onder gelijktijdige opheffing van zijn faillissement, de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de meest recente, door de curator bij zijn brief van 23 oktober 2015 overgelegde vorderingenlijst d.d. 22 oktober 2015 blijkt een totale schuldenlast van € 195.189. Uit de brief van de curator aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkt dat geen minnelijk traject is doorlopen voorafgaand aan het verzoek tot omzetting, omdat het faillissement niet op eigen aangifte is uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 3 Fw overwogen dat [appellant] niet binnen de in voornoemd artikel genoemde termijn een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft ingediend en op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“De rechtbank is van oordeel dat het aan verzoeker is toe te rekenen dat hij niet binnen de termijn van artikel 3 Faillissementswet een verzoek tot toepassing van de wettelijk schuldsaneringsregeling heeft ingediend. (…)

Verzoeker heeft, ondanks de mededeling van de griffier over de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, op geen enkele wijze te kennen gegeven dat hij van deze mogelijkheid gebruik wenste te maken. Verzoeker is niet bij de behandeling van het faillissementsrekest aanwezig geweest en heeft daarmee het risico genomen dat zijn faillissement zou worden uitgesproken zonder dat hij een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling had ingediend. (…)

De rechtbank oordeelt voorts dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de administratie over de jaren 2014 en 2015 van de onderneming niet zijn bijgehouden en dat de jaarrekeningen slechts zijn opgemaakt tot en met 2012. Voorts is gebleken dat niet is voldaan aan de aangifte- en afdrachtverplichting als gevolg waarvan een schuld aan de Belastingdienst is ontstaan welke een totaal beloopt van € 12.095,-, bestaande uit aanslagen omzetbelasting 3e en 4e kwartaal van 2014 en het 1e kwartaal van 2015, aanslagen inkomstenheffing 2011 en 2012, alsmede een aanslag zorgtoeslag en motorrijtuigenbelasting.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] stelt dat hij in het kader van zijn aangevraagde faillissement niet op de hoogte was van de mogelijkheid om binnen een termijn van twee weken een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen en dat hij daarvan om die reden dan ook geen gebruik heeft gemaakt. Hij heeft de curator dan ook niet medegedeeld dat hij geen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend, ook omdat hij nog tot voor vlak voor de behandeling van het faillissementsrekest op 14 april 2015 heeft getracht om met de aanvrager van zijn faillissement tot een regeling te komen. Daar komt bij dat [appellant] , zwaar aangegrepen door ernstig leed in de familiesfeer, vaak zo emotioneel was dat hij niet of nauwelijks aan zijn dagelijkse werkzaamheden kon toekomen. Dat hij, gelet op deze omstandigheden, niet binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 3 Fw een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft ingediend kan hem naar zijn idee dan ook niet worden verweten. Tot slot erkent [appellant] dat er met betrekking tot zijn eenmanszaak een aantal jaarstukken niet isn opgemaakt en dat er niet aan een aantal fiscale verplichtingen is voldaan. Het ontbrak [appellant] aan financiële middelen om zijn boekhouder werkelijk aan het werk te krijgen om de jaarcijfers over het boekjaar 2013 te vervaardigen en om zijn fiscale verplichtingen na te komen. Van opzet of schuld is naar zijn idee dan ook geen enkele sprake waarbij hij opmerkt dat het aandeel van zijn fiscale schulden afgezet tegen zijn totale schuldenlast bovendien relatief laag is, aldus [appellant] in zijn beroepschrift.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De griffier van de rechtbank heeft [appellant] een brief geschreven. Daarinwerd hem de mogelijkheid geboden om in het kader van zijn aangevraagde faillissement binnen een termijn van twee weken een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen, [appellant] stelt nu die brief nimmer te hebben ontvangen, althans zich de ontvangst ervan niet te kunnen herinneren. Ook na na recent uitvoerig administratief speurwerk heeft hij die niet kunnen vinden. Daarbij merkt hij op dat zijn echtgenote ook altijd de gezamenlijke post behandelde. Desgevraagd erkent [appellant] dat hij geen jaarstukken met betrekking tot de destijds door hem gedreven onderneming, [park- en tuinmachines] Park- en Tuinmachines, voorhanden heeft. Ook erkent [appellant] dat het overzicht van zijn schulden, nu daarop zowel de ontstaansdata als degeschiedenis van deze schulden ontbreken , weinig inzichtelijk is. Desgewenst verklaart [appellant] zich evenwel bereid om in een later stadium alsnog een volledig schuldenoverzicht te overleggen. [appellant] benadrukt wel dat de curator in zijn verslag heeft opgenomen dat er niet van paulianeus handelen is gebleken. Voorts stelt [appellant] dat er, niet alleen zakelijk maar zeker ook privé, in korte tijd zeer veel op hem af is gekomen en dat hij daardoor op enig moment niet meer in staat was om zijn zaken te overzien en naar behoren af te wikkelen. Achteraf bezien is [appellant] van mening dat hij voor de psychosociale problematiek die dit voor hem met zich meebracht ook professionele hulp had moeten inschakelen, maar hiervoor was hij naar eigen zeggen simpelweg te trots. Op dit moment gaat het naar zijn idee echter weer redelijk met hem. Desgevraagd erkent [appellant] voorts dat hij recentelijk geen sollicitaties heeft verricht. Dit heeft gedeeltelijk te maken met het feit dat hij samen met zijn echtgenote mantelzorger voor zijn schoonouders is. [appellant] beseft wel dat deze houding bij een eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling onhoudbaar is; alsdan zal hij zich naar eigen zeggen dan ook zeker gaan inspannen om een (fulltime) arbeidsbetrekking te verwerven. Tot slot stelt [appellant] dat hij destijds de aanvrager van zijn faillissement, ondanks het feit dat die maar een relatief beperkte vordering op hem had, niet heeft voldaan om daarmee het faillissement af te wenden omdat hij vreesde dat, indien dit bekend zou raken, ook andere schuldeisers zouden trachten om hem middels het aanvragen van zijn faillissement tot betaling van vorderingen te dwingen.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Het hof dient te beoordelen of een verzoeker volgens de criteria van de wet in aanmerking komt om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Ingevolge artikel 15 b lid 1 Fw kan een verzoek slechts worden toegewezen indien niet blijkt dat de schuldenaar wegens hem toerekenbare omstandigheden heeft nagelaten om binnen de in artikel 3 lid 1 Fw genoemde termijn een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te dienen. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.2.

Eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] de stelling opgeworpen , dat hij de brief van de griffier van de rechtbank waarin hij in het kader van de aanvraag (door een derde) van zijn faillissement wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen twee weken een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te doen nimmer heeft ontvangen, Het hof acht die stelling onvoldoende aannemelijk. Een dergelijke brief wordt immers zowel aangetekend als per reguliere post door de griffier van de rechtbank verzonden; dat dit ook in het geval van [appellant] is gebeurd volgt reeds uit de brief van de curator van 23 oktober 2015. Het hof merkt hierbij op dat [appellant] deze stelling ook eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren brengt. Immers, blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft hij bij gelegenheid van die zitting van het voorgaande in het geheel geen melding gemaakt en ook in zijn beroepschrift stelt [appellant] uitsluitend niet van deze mogelijkheid op de hoogte te zijn geweest en daarmee dus niet (expliciet) dat hij de brief van de griffier van de rechtbank waarin deze mogelijkheid uiteen wordt gezet nimmer zou hebben ontvangen. Verder ligt in de eerst in hoger beroep opgeworpen stelling de mogelijkheid besloten dat [appellant] weliswaar destijds de hier bedoelde brief van de griffier heeft ontvangen, maar dat die brief, mogelijk mede doordat zijn echtgenote ook gezamenlijk de post behandelde, thans (nog) niet is gevonden. Anders geformuleerd: [appellant] sluit ook naar eigen zeggen niet volledig uit dat de brief van de griffier destijds wel degelijk is ontvangen.

3.6.2.1. In elk geval heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt althans onvoldoende gemotiveerd betwist de opmerking van de curator in zijn brief van 23 oktober 2015 dat “Uit het dossier blijkt dat gefailleerde door de griffier van de rechtbank middels brief d.d. 30 december 2014, zowel aangetekend als per gewone post verzonden, in de gelegenheid is gesteld om een verzoek te doen tot toepassing van de wsnp.” (zie in meer algemene bewoordingen ook het vonnis waarvan beroep, r.o. 2.2.). Uit de processtukken, zoals in voorkomend geval toegelicht tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, blijkt vervolgens ook dat [appellant] destijds op geen enkele wijze te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in te dienen. Het door [appellant] gedane beroep op diens persoonlijke situatie gaat naar het oordeel van het hof reeds daarom niet op, nu [appellant] in de periode nadat het faillissement op 29 december 2014 was aangevraagd door THR, ondanks de gestelde persoonlijke situatie vervolgens wel in staat bleek om in elk geval kort vόόr de faillissementszitting van 14 april 2015 te proberen met de aanvrager van het faillissement tot een regeling te komen waarmee hij dus ook, anders dan in het beroepsschrift wordt gesteld, in die periode feitelijk dus wél voor zijn belangen kon opkomen. Redelijkerwijs geoordeeld, was [appellant] dus even goed in staat geweest om in de periode na de faillissementsaanvraag een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering in te dienen, zo nodig met de hulp van derden. In elk geval ontbreken medische stukken waaruit van de (absolute) onmogelijkheid daartoe blijkt.

3.6.2.2. Uit het voorgaande, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, volgt naar het oordeel van het hof dan ook dat het aan [appellant] is toe te rekenen dat hij niet binnen de termijn van artikel 3 Fw een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft ingediend. Reeds hierop strandt het appel van [appellant] . Er is echter meer, waaronder het hiernavolgende.

3.6.3.

[appellant] heeft, zoals ook eerder de rechtbank in het vonnis waarvan beroep overwoog, de administratie over de jaren 2014 en 2015 van de onderneming niet bijgehouden, terwijl de jaarrekeningen slechts zijn opgemaakt tot 2012. Hierdoor is het hof, met eerder de curator en de rechtbank, niet in staat te beoordelen waaraan onder meer de omzet is besteed en waarom (bepaalde) schulden zijn ontstaan en onbetaald gelaten. Reeds daarom is [appellant] er niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat de schulden in de in artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw bedoelde periode te goeder trouw zijn ontstaan. Dit klemt temeer omdat het voeren en bijhouden van administratie in beginsel bijdraagt tot een juist en actueel overzicht van inkomsten- en uitgaven en, waar het een ondernemer betreft, tot een beter inzicht waar het de levensvatbaarheid van zijn bedrijf betreft. Zo [appellant] hiertoe niet in staat zou zijn geweest, had het op weg zijn gelegen tijdig hulp te zoeken. Dat [appellant] dit om hem moverende redenen – “trots” - destijds niet heeft gedaan c.q. dat hem de noodzakelijke middelen ontbraken om de boekhouder werkelijk aan het werk te krijgen, maakt in het systeem van de Faillissementswet nog niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden te goeder trouw is geweest.

3.6.4.

Blijkens de door [appellant] overgelegde schuldenlijst is er trouwens sprake van een belastingschuld. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Anders dan kennelijk [appellant] is het hof van oordeel dat (ook) de belastingschulden aan toelating tot de wettelijke schuldsanering in de weg staan.

3.6.5.

Daarbij komt verder nog bij dat [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling heeft verklaard dat hij vrij recent, in casu vorig jaar, kampte met een psychosociale problematiek waarvoor hij naar zijn eigen idee, achteraf bezien, beter professionele hulp in had kunnen schakelen. [appellant] heeft daaraan toegevoegd dat deze problematiek, hoewel er naar zijn idee wel sprake van enige verbetering is, feitelijk tot op de dag van vandaag voortduurt. Ingevolge artikel 5.4.3. van het toepasselijke procesreglement wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellant] evenwel niet overgelegd. Het hof hecht er, ook in meer algemene zin, overigens aan te benadrukken dat het hebben van psychosociale problemen als zodanig niet aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg behoeft te staan. Het gaat er echter wel om dat deze psychosociale problematiek beheersbaar is blijkens een (relevante) verklaring van een ter zake deskundige hulpverlener zoals de behandelend psychiater of psycholoog.

3.6.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen. Het hof merkt hierbij op dat er echter niets aan in de weg staat dat [appellant] , indien zijn faillissement bij gebrek aan baten zou worden opgeheven, opnieuw kan verzoeken te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling waarbij hij alsdan mogelijk in de gelegenheid zal zijn om de (formele) knelpunten zoals deze in onderhavig arrest thans door het hof zijn overwogen middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins te ondervangen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal - onder aanvulling van de gronden - worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, P.J.M. Bongaarts en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2015.