Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5018

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-12-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
F 200 169 742_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 3 december 2015

Zaaknummer: F 200.169.742/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/277277 FA RK 14-990

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.H.P. de Jongh,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. L. Stam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 mei 2015, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man met ingang van 7 februari 2009 dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.250,00 bruto per maand, althans met ingang van een zodanige datum en met een zodanig bedrag als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 23 september 2015, heeft de man verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Tevens heeft de man hierbij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld en verzocht de partneralimentatie te limiteren tot 8 februari 2006 althans tot de datum van indiening van het verzoekschrift, althans tot een moment dat het hof juist acht.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. De Jongh;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Stam.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 16 oktober 2015;

  • -

    de door de advocaat van de man ter zitting overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

In het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 7 juli 1983 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren de thans meerderjarige zoon:

- [meerderjarige zoon] (hierna ook: [meerderjarige zoon] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

3.2.

Bij beschikking van 20 januari 2006 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 8 februari 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht waarbij is bepaald dat de man een onderhoudsbijdrage aan de vrouw moet voldoen.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.250,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, met ingang van 8 februari 2006 dan wel met ingang van 1 januari 2012, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, afgewezen.

3.4.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De man verzoekt bij wijze van voorwaardelijk incidenteel appel om limitering van de alimentatietermijn.

De man heeft ter zitting van het hof medegedeeld dat hij berust in het oordeel van de rechtbank dat artikel 1:160 BW in deze zaak niet van toepassing is en dat er geen sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van de vrouw.

3.5.

De vrouw voert - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de behoefte van de vrouw niet langer in overwegende mate dient te worden gerelateerd aan de staat en de stand die partijen tijdens hun huwelijk hadden, maar aan de mate van welstand waarin de vrouw de laatste jaren heeft geleefd. Het feit dat de vrouw in de afgelopen jaren in armoede heeft geleefd maakt niet dat haar behoefte minder is dan het bedrag becijferd volgens de zogenaamde hofformule, zijnde € 1.229,40 netto per maand.

De vrouw heeft in de voorbije periode geleefd van de aan haar toegekomen nalatenschap, van giften, leningen en een zeer beperkt inkomen uit het bezorgen van kranten. Het is de vrouw niet gelukt om na de echtscheiding op haar eigen niveau aan het werk te komen. Het door de vrouw opgerichte koeriersbedrijf is niet rendabel gebleken. De vrouw krijgt geen bijstandsuitkering, omdat zij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Zij heeft in ieder geval behoefte aan het voor haar geldende bijstandsnormbedrag. De rechtbank heeft in dit verband ten onrechte overwogen dat de vrouw haar behoefte niet met bewijsstukken heeft gestaafd noch een behoeftelijst heeft overgelegd. Uit de door de vrouw overgelegde stukken kan wel degelijk worden afgeleid wat de hoogte van haar inkomen is. In hoger beroep legt de vrouw alsnog een behoeftelijst over. De vrouw heeft vanaf de datum van de echtscheiding steeds behoefte gehad aan een partnerbijdrage van de man. Zij heeft pogingen gedaan om tot vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage te komen, maar dat is niet gelukt.

De man heeft voldoende draagkracht om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

De vrouw voert ten slotte aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in deze zaak sprake is van een situatie waarop artikel 1:403 BW van toepassing is.

3.6.

De man brengt daar - kort samengevat - het volgende tegen in. Nu de vrouw vanaf 2006 in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien, is haar huwelijksgerelateerde behoefte verbleekt. Voor zover de behoefte van de vrouw niet is verbleekt, komt deze - zo stelt de man - niet hoger uit dan het bijstandsniveau. De man betwist de door de vrouw in hoger beroep overgelegde behoeftelijst en is voorts van mening dat de door de vrouw volgens de hofformule berekende behoefte van € 1.229,40 netto per maand niet juist is. De man stelt zich bovendien op het standpunt dat in deze zaak de lotsverbondenheid tussen partijen in sterke mate is afgenomen, nu partijen al in 2005 feitelijk uit elkaar zijn gegaan.

Voor het vaststellen van de huidige behoefte van de vrouw dient te worden onderzocht wat haar welstand was direct voorafgaand aan de huidige procedure. De vrouw heeft echter nagelaten inzicht te verschaffen in haar inkomsten en lasten.

De man voert verder aan dat van de vrouw mag worden verlangd dat zij haar verdiencapaciteit benut om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft een opleiding op HBO-niveau en heeft ook ten tijde van het huwelijk gewerkt.

De man betwist niet dat hij op dit moment voldoende draagkracht heeft om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

De man stelt tot slot dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat artikel 1:403 BW in deze zaak van toepassing is.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding door een advocaat (mr. Swagemakers) is bijgestaan. Zonder toelichting, die ontbreekt moet het ervoor worden gehouden dat de vrouw destijds is geadviseerd over de juridische mogelijkheden om partneralimentatie te verzoeken. Nu de vrouw een dergelijk verzoek niet heeft gedaan, gaat het hof er vanuit dat zij ten tijde van de echtscheiding geen behoefte aan een partnerbijdrage had, omdat zij voldoende middelen van bestaan had om in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Het hof kan niet beoordelen of en in hoeverre er sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat deze situatie niet langer voortduurt. De vrouw heeft immers niet aan de hand van concludente stukken inzichtelijk gemaakt waarvan zij in de afgelopen jaren heeft geleefd. Zo heeft de vrouw nagelaten bewijsstukken in het geding te brengen waaruit kan worden afgeleid waaraan het bedrag van de aan haar toegevallen erfenis is besteed en hoeveel er nog resteert. De vrouw heeft voorts geen duidelijkheid verschaft over de hoogte van door haar gestelde ontvangen leningen en giften, waaraan deze zijn besteed en hoe hoog het restant hiervan is. De vrouw heeft eveneens niet inzichtelijk gemaakt welke lasten zij in de voorbije periode heeft gehad.

Daarbij komt dat een ieder de verplichting heeft om betaald werk te zoeken teneinde op die manier in het eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft op geen enkele wijze aangetoond dat het voor haar onmogelijk is geweest om aan die inspanningsverplichting te voldoen. Zo is niet gebleken dat de vrouw heeft gesolliciteerd. De vrouw heeft evenmin stukken in het geding gebracht over de resultaten van haar bedrijf.

Op grond van het voorgaande moet de vrouw naar het oordeel van het hof in staat worden geacht volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien, althans heeft zij onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zij daartoe niet in staat is of is geweest. Evenals de rechtbank zal het hof derhalve het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afwijzen.

3.8.

Aan het voorwaardelijk incidenteel appel van de man komt het hof niet toe, nu de daaraan gestelde voorwaarde niet is vervuld.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 februari 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.A.R.M. van Leuven en J.U.M. van der Werff en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2015.