Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4999

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
HD 200.172.396_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wilsvertrouwensleer in verband met ‘kosten koper’ of ‘vrij op naam’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.172.396/01

arrest van 1 december 2015

gewezen in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van

de coöperatie Coöperatieve Rabobank [vestigingsnaam] U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. F.J. Laagland te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. A.J. van den Hoven te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 juni 2015 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 18 maart 2015 tussen appellante - de Rabobank - als gedaagde en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/262980/HAZA 13-358)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede naar de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 24 juli 2013 (waarbij een comparitie van partijen is gelast) en 21 mei 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep houdende grieven;

  • -

    de akte bewijsaanbod van de Rabobank;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens vordering in het incident;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident met producties van de Rabobank;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

3.1.

In de hoofdzaak gaat het kort weergegeven om het volgende.

3.1.1.

Aan (de maten van) de maatschap Glastuinbedrijf [Glastuinbouwbedrijf] te [vestigingsplaats] behoorde in eigendom toe een onroerende zaak aan de [adres] aldaar (hierna: de onroerende zaak). Ten gunste van de Rabobank was een recht van hypotheek op de onroerende zaak gevestigd. De maatschap, alsmede haar maten zijn in staat van faillissement verklaard.

3.1.2.

Op 27 november 2009 heeft [geïntimeerde] aan de Rabobank een bod op de onroerende zaak gedaan voor een bedrag van € 570.000,- k.k. Bij e-mail van 30 november 2009 (productie 5 bij inleidende dagvaarding) reageert de Rabobank als volgt: "Uw aanbod wordt, via onze advocaat, voorgelegd aan de curator".

3.1.3.

Tijdens een bijeenkomst op 3 december 2009 heeft de advocaat van de Rabobank aan [geïntimeerde] medegedeeld dat een derde, [de derde partij] , op 2 december 2009 een concurrerend bod op de onroerende zaak had uitgebracht van € 620.000,-.

3.1.4.

[geïntimeerde] heeft zijn bod - onder protest omdat hij zich op het standpunt stelde dat met de Rabobank reeds een overeenkomst tot stand was gekomen voor een prijs van € 570.000,- k.k. en de instemming van de curator slechts een formaliteit betrof - verhoogd tot € 630.000,- k.k. en uiteindelijk tot € 755.999,99. Dit laatste aanbod is aanvaard, waarna tussen de curator en [geïntimeerde] een overeenkomst van koop en verkoop tot stand is gekomen en de onroerende zaak vervolgens aan [geïntimeerde] is geleverd.

3.2.1.

[geïntimeerde] vordert in de hoofdzaak veroordeling van de Rabobank tot betaling van € 198.549,74 (primair), althans van € 49.749,75 (subsidiair), te vermeerderen met wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft aan zijn primaire vordering kort gezegd ten grondslag gelegd dat de Rabobank misbruik van omstandigheden heeft gemaakt, en aldus jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, door [geïntimeerde] , die naar de Rabobank bekend was de naast zijn bedrijf gelegen onroerende zaak nodig had voor de realisatie van een prestigieus project, een hogere prijs te laten betalen dan reeds op 30 november 2009 was overeengekomen. De Rabobank heeft, aldus [geïntimeerde] , misbruik van bevoegdheid gemaakt door zich louter formeel te beroepen op het ontbreken van de toestemming van de curator, alhoewel de curator geen actieve bemoeienis had met de verkoop van de onroerende zaak, de curator bij een hogere verkoopopbrengst geen belang had en [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de curator toestemming zou verlenen. [geïntimeerde] vordert schadevergoeding ter grootte van het verschil tussen zijn bod van € 570.000,- k.k. ofwel € 604.200,- inclusief kosten en het door hem uiteindelijk betaalde bedrag van € 802.749,74 inclusief kosten.

Ter onderbouwing van zijn subsidiaire vordering heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat zijn bod van € 755.999,99 de koopprijs vrij op naam (all-in) betrof en niet de koopprijs kosten koper (k.k.), waarvan de Rabobank ten onrechte van is uitgegaan. Door desondanks betaling van laatstbedoelde prijs te verlangen - het was voor [geïntimeerde] "slikken of stikken" (punt 2.44 van zijn memorie) - heeft de Rabobank jegens [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld, aldus [geïntimeerde] .

3.2.2.

Bij het tussenvonnis van 21 mei 2014 heeft de rechtbank [geïntimeerde] ten aanzien van diens primaire vordering opgedragen te bewijzen dat de curator tussen 30 november 2009 en 3 december 2009 toestemming heeft gegeven voor de verkoopovereenkomst tussen de curator en [geïntimeerde] betreffende de onroerende zaak voor het bedrag van € 570.000,- kosten koper. Ten aanzien van de subsidiaire vordering is [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat zijn laatste bod van 7 december 2009 een bedrag van € 755.999,99 'vrij op naam' betrof.

3.2.3.

Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] ten aanzien van zijn primaire vordering niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat [geïntimeerde] heeft bewezen dat zijn bieding van € 755.999,99 'all-in' was. De rechtbank heeft de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] toegewezen, in die zin dat de Rabobank is veroordeeld tot betaling van € 46.749,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2010 tot de dag van voldoening.

in het incident

3.3.

[geïntimeerde] vordert op grond van artikel 843a Rv "afschrift en inzage van alle stukken en bescheiden betreffende de verkoop van de Onroerende Zaak, waaronder in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

- de concept koopovereenkomst die mr. Laagland de advocaat van de Rabobank] op donderdag 3 december 2009 bij zijn afspraak met [geïntimeerde] en [adviseur van geintimeerde] [de adviseur van [geïntimeerde] ] bij zich had en ook kort heeft getoond;

- de bieding van [de derde partij] voor het bedrag van € 620.000,-, welke bieding mr. Laagland op donderdag 3 december 2009 bij zijn afspraak met [geïntimeerde] en [adviseur van geintimeerde] bij zich had en ook kort heeft getoond;

- de bieding van [de derde partij] ter hoogte van het bedrag van € 705.000,- op maandag 7 december 2009".

[geïntimeerde] voert ter onderbouwing van zijn vordering in het incident aan dat deze stukken relevant zijn voor zijn rechtspositie omdat daaruit de feitelijke gang van zaken blijkt inzake de door [de derde partij] uitgebrachte biedingen, de eventuele toestemming van de curator, het verdere verloop van het biedingsproces, alsmede de vraag of de biedingen van [de derde partij] op basis van kosten koper dan wel vrij op naam zijn.

3.4.

Als productie 1 bij antwoordmemorie in het incident is een stuk in het geding gebracht dat volgens de Rabobank de conceptovereenkomst is die mr. Laagland tijdens de bespreking met [geïntimeerde] en [adviseur van geintimeerde] bij zich had (het in rechtsoverweging 3.3 onder het eerste gedachtestreepje vermelde stuk). Voor het overige voert de Rabobank verweer tegen de vordering in het incident. De Rabobank betwist dat [geïntimeerde] belang heeft bij afschrift van of inzage in de verlangde stukken en stelt zich voorts op het standpunt dat sprake is van een fishing expedition, dat de verlangde bescheiden niet een rechtsbetrekking aangaan waarbij [geïntimeerde] partij is, dat het vereiste van jegens [de derde partij] in acht te nemen vertrouwelijkheid zich tegen afgifte en inzage verzet en dat de verlangde stukken niet nodig zijn voor de waarheidsvinding.

3.5.

Het hof gaat ervan uit dat met het in geding brengen van productie 1 bij de antwoordmemorie in het incident is voldaan aan de incidentele vordering voor zover die ziet op van het in rechtsoverweging 3.3 achter het eerste gedachtestreepje genoemde stuk. In zoverre behoeft de vordering in het incident geen beslissing meer.

Met betrekking tot de overige door [geïntimeerde] verlangde stukken overweegt het hof als volgt.

3.6.

Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van het vierde lid van dat artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige, door deze partij aan te voeren redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd.

In het algemeen kan van een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv reeds sprake zijn indien degene die afschrift verlangt dat stuk niet tot zijn beschikking heeft maar wel bekend is met het bestaan ervan en dat stuk in de procedure zou willen overleggen. Voldoende is dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer.

De verlangde stukken moeten voldoende bepaald zijn; voldoende concreet moet worden aangegeven dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, zulks teneinde een 'fishing expedition' te voorkomen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen.

3.7.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de incidentele memorie van [geïntimeerde] niet méér dan dat hij slechts de hoop heeft dat uit de verlangde stukken steun zal zijn te vinden voor één of meerdere van zijn stellingen. Concrete aanknopingspunten daarvoor heeft [geïntimeerde] in het geheel niet aangedragen. Met betrekking tot het in rechtsoverweging 3.3, tweede gedachtestreepje, bedoelde stuk (het bod van [de derde partij] voor een bedrag van € 620.000,-), dat [geïntimeerde] tijdens de bespreking op 3 december 2009 kort onder ogen heeft gehad, merkt [geïntimeerde] in punt 2.19 van zijn incidentele memorie op dat het een "summier faxbericht" betreft, "zonder de vermelding van 'vrij op naam' of 'kosten koper'." [geïntimeerde] zich er in het geheel niet over uitgelaten welke informatie ten behoeve van de waarheidsvinding dan wel uit deze summiere fax zou kunnen blijken. Hetzelfde geldt voor het stuk bedoeld in rechtsoverweging 3.3, derde gedachtestreepje (het bod van [de derde partij] ad € 705.000,-).

3.8.

In ieder geval valt zonder (nadere) toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat (de inhoud van) het schriftelijke bod van [de derde partij] voor het bedrag van € 620.000,- en/of diens bod voor het bedrag van € 705.000,-, van welke biedingen [geïntimeerde] in dit incident afschrift verlangt, bewijs zou kunnen bieden voor de stellingen van [geïntimeerde] dat de curator al had ingestemd met het eerdere bod van [geïntimeerde] voor het bedrag van € 570.000,- k.k. (in het kader van de primaire vordering) en/of dat het bod van [geïntimeerde] voor het bedrag van € 755.999,99 'all-in' dan wel 'kosten koper' betrof (in het kader van de subsidiaire vordering).

3.9.

De stelling van [geïntimeerde] in punt 4.3.2, onder ii, van zijn memorie dat van hem niet kan worden verwacht dat hij het belang bij kennisneming van de verlangde stukken vooraf motiveert, is in zoverre onjuist dat van hem wel mag worden verlangd dat hij motiveert dat en waarom de verlangde stukken van belang zijn voor zijn rechtspositie. [geïntimeerde] heeft dat niet, althans in onvoldoende mate gedaan. Enkele belangstelling voor stukken is onvoldoende om te kunnen spreken van een rechtmatig belang bij inzage of afgifte daarvan.

3.10.

Voor zover de vordering in het incident, afgezien van de hiervoor bedoelde conceptkoopovereenkomst en de twee biedingen van [de derde partij] , ziet op afschrift van of inzage in alle stukken en bescheiden betreffende de verkoop van de onroerende zaak, is de vordering te onbepaald.

3.11.

Op grond van het hiervoor overwogene moet de vordering in het incident worden afgewezen.

3.12.

Eerst bij antwoordmemorie in het incident heeft de Rabobank het in rechtsoverweging 3.3 onder het eerste gedachtestreepje vermelde stuk in het geding gebracht, terwijl daarom reeds in eerste aanleg was gevraagd. Daarin ziet het hof aanleiding de proceskosten van het incident tussen partijen te compenseren.

in de hoofdzaak

3.12.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor partijberaad (art. 2.22 van het Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch). Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten van het incident, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 15 december 2015 voor beraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en M.G.W.M.

Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 december 2015.

griffier rolraadsheer