Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4996

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
HD 200.169.184_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:883, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verzet. Misleidende mededelingen artikel 6:194 BW.

Behandeling in verzet is beperkt tot de door opposanten tegen het verstekarrest aangevoerde bezwaren. Appellante in de verstekprocedure is bevoegd om na de uitspraak op het verzet tegen het verstekarrest beroep in cassatie in te stellen. Stelling dat mededeling misleidend is onvoldoende onderbouwd waardoor bewijslastverdeling artikel 6:195 lid 1 BW en doorwerking daarvan in kort geding niet gelden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 194
Burgerlijk Wetboek Boek 6 195
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.169.184/01

arrest van 1 december 2015

in de zaak van

1 Robos Limburg B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. Robos Air B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

opposanten in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk aan te duiden als Robos c.s. en afzonderlijk
als Robos Limburg en Robos Air,

advocaat: mr. L.G.M. Delahaije te Breda,

tegen

Inno+ B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

geopposeerde in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Inno,

advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Venlo,

op het bij exploot van 22 april 2015 ingeleide verzet tegen het op 31 maart 2015 onder nummer HD 200.165.221/01 gewezen arrest van dit hof in kort geding tussen Inno als appellante en Robos c.s. als geïntimeerden in principaal hoger beroep.

1 Het arrest van 31 maart 2015

Bij genoemd arrest heeft het hof het vonnis van 3 februari 2015 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in kort geding onder zaaknummer C/03/200204/KG ZA 14/705 gewezen, vernietigd voor zover dit in conventie is gewezen en aan zijn oordeel was onderworpen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Robos c.s. alsnog afgewezen met veroordeling van Robos c.s. in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof heeft voornoemd vonnis voor zover in reconventie gewezen bekrachtigd.

2 Het geding in verzet in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de verzetdagvaarding van 22 april 2015, houdende de memorie van antwoord in principaal hoger beroep en memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties en eiswijziging;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de door partijen voorafgaand aan het pleidooi aan het hof toegezonden producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in verzet en in incidenteel hoger beroep

3.1.

Het gaat in dit geding om het volgende.

a. a) Veehouderijen in Nederland zijn van overheidswege verplicht om hun uitstoot van fijnstof en ammoniak te reguleren conform – onder meer – de Wet ammoniak en veehouderij en de Regeling ammoniak en veehouderij (hierna: Rav).

b) Een luchtwasser – ook wel gaswasser genoemd – filtert schadelijke stoffen zoals fijnstof, ammoniak en geuren uit de lucht van veestallen.

c) Ten behoeve van de naleving van de milieu-eisen door veehouders is een wettelijk systeem ontwikkeld waarbij uitsluitend luchtwassystemen die door een krachtens de Rav ingestelde Technische Adviescommissie (hierna: TacRav-commissie) zijn goedgekeurd, op de markt mogen worden gebracht. De Rav bevat een bijlage met categorieën stalsystemen en de daarbij behorende te gebruiken luchtwassystemen. Ieder toegelaten luchtwassysteem krijgt een eigen BWL-nummer, als eigen toelatingsnummer. Aan ieder afzonderlijk BWL-nummer is een “leaflet” verbonden, dat een specifieke technische beschrijving bevat van het betreffende luchtwassysteem.

d) Beide partijen fabriceren, leveren en onderhouden luchtwassers waarvan zij stellen dat die volgens het BWL-nummer 2009.12 (na openbaarmaking vernummerd tot 2009.12V1) zijn gebouwd. De bij deze BWL-nummers – het hof zal hierna alleen spreken van BWL-nummer 2009.12, ook indien tevens 2009.12.V1 wordt bedoeld – behorende leaflets (respectievelijk prod. 3 en 4 akte overlegging producties van Inno) bevatten naast een uitvoerige technische omschrijving ook een schematische tekening.
e) Inno adverteert op haar website met door haar aangeboden luchtwassers met (onder andere) het BWL-nummer 2009.12.

3.2.1.

In eerste aanleg heeft Robos c.s. gevorderd Inno te verbieden om in haar communicatie naar derden, aanbiedingen en reclame-uitingen met betrekking tot de Junior luchtwassers te vermelden dat haar inbouwluchtwassers gekwalificeerd zijn als biologische luchtwassers van het type BWL 2009.12 en dat deze door de overheid zijn erkend. Daarnaast heeft Robos c.s. gevorderd – kort gezegd – Inno te gelasten aan derden die door haar verkeerd zijn voorgelicht over de door Inno geproduceerde luchtwassers en over door Robos c.s. geproduceerde luchtwassers een rectificatiebrief te schrijven en aan Robos c.s. een lijst ter beschikking te stellen van de personen aan wie de brieven zijn verzonden met verzendbewijzen. Een en ander is gevorderd op straffe van een dwangsom. Aan deze vorderingen heeft Robos c.s. ten grondslag gelegd dat Inno onrechtmatig jegens haar handelt doordat zij luchtwassers volgens de technische omschrijving behorende bij BWL-nummer 2009.12 aanbiedt die als zodanig niet door de overheid zijn erkend en in feite niet voldoen aan die omschrijving. Voor zover dit de door Robos c.s. geproduceerde luchtwassers betreft heeft Robos c.s. gesteld dat Inno in strijd met de waarheid heeft meegedeeld dat een luchtwasser zonder spuiwater niet afdoende werkt en dat de overheid daartegen zal optreden. De door Robos c.s. geproduceerde luchtwasser is wel door de overheid erkend en heeft een BWL-nummer gekregen, zo stelt Robos c.s.

3.2.2.

Inno heeft in conventie verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat het Robos c.s. verboden wordt om aan derden, in woord en geschrift of anderszins, mede te delen dat er luchtwassers bestaan die geen spuiwater produceren en/of dat zij dergelijke luchtwassers verkoopt, zulks op straffe van een dwangsom. Inno voert hiertoe aan dat het niet mogelijk is en niet is toegestaan om een luchtwasser te verkopen die geen spuiwater uitstoot. Voor zover Robos c.s. hiermee wel adverteert, handelt zij onrechtmatig jegens Inno, aldus Inno.

3.2.3.

Robos c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie.

3.2.4.

De voorzieningenrechter heeft in conventie geoordeeld dat Robos c.s. het misleidende karakter van de mededelingen door Inno op haar website met betrekking tot de luchtwassers van het type BWL 2009.12 voldoende heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter heeft voorts geoordeeld dat op Inno de bewijslast rust van de juistheid van haar mededelingen en dat Inno hieraan niet heeft voldaan. Op die grond is de voorzieningenrechter van oordeel dat Inno onrechtmatig jegens Robos c.s. heeft gehandeld. In het dictum heeft de voorzieningenrechter Inno verboden om, totdat de bodemrechter ter zake heeft beslist, op haar website te vermelden dat zij luchtwassers aanbiedt van het type BWL 2009.12, zo lang en voor zover de door haar aangeboden luchtwassers op een aantal met name in het kortgeding vonnis genoemde punten afwijken van de luchtwassers van het type BWL 2009.12, zulks op straffe van een dwangsom. Voorts is Inno veroordeeld in de proceskosten van de procedure in conventie. De voorzieningenrechter heeft de overige vorderingen van Robos c.s. afgewezen.

3.2.5.

De voorzieningenrechter heeft de vordering in reconventie van Inno afgewezen omdat – kort gezegd – de stellingen van Inno en de deskundigenrapporten waarnaar zij verwijst niet de conclusie rechtvaardigen dat Robos c.s. onrechtmatig handelt door te beweren dat zij luchtwassers zonder spuiwater verkoopt en levert.

3.3.1.

Inno heeft in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen in conventie van Robos c.s. en het alsnog toewijzen van haar vordering in reconventie. De grieven 1 tot en met 4 richten zich tegen de veroordeling in conventie en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Grief 6 (grief 5 ontbreekt) richt zich tegen de afwijzing van de vordering van Inno in reconventie.

3.3.2.

Robos c.s. heeft in incidenteel hoger beroep grieven gericht tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van haar vorderingen in conventie en tegen de weigering door de voorzieningenrechter van haar eiswijziging tijdens het pleidooi in eerste aanleg. Zij heeft haar vorderingen in hoger beroep alsnog gewijzigd en vordert thans, op straffe van het verbeuren van een dwangsom, beknopt weergegeven:
1) Inno te verbieden om in haar communicatie naar derden in woord of geschrift, aanbiedingen en reclame-uitingen met betrekking tot haar luchtwassers te vermelden dat haar inbouwluchtwassers gekwalificeerd zijn als biologische gaswassers van het type BWL.2009.12.V1 en/of BWL.2009.12 en door de overheid zijn erkend;

2) Inno te bevelen aan allen aan wie door Inno in de periode 2009 tot en met heden een luchtwasser is verkocht als bouwpakket/bouwkundig geïntegreerd/module als zijnde gebouwd volgens BWL 2009.12/2009.12.V1 mede te delen dat die niet conform deze BWL-nummers zijn gebouwd;

3) Inno te verbieden luchtwassers als bouwpakket/bouwkundig geïntegreerd/module aan te bieden met als BWL-nummer 2009.12/2009.12.V1, terwijl deze niet aan die specificaties voldoen;

4) Inno te verbieden nog langer de markt te misleiden;

5) Inno te verbieden de markt mede te delen dat de luchtwassers van Robos c.s. lachgas veroorzaken;

6) Inno te verbieden nog langer de markt mee te delen dat een luchtwasser zonder spuiwater niet afdoende werkt en dat die niet mag worden ingezet en dat dit ook binnenkort door handhaving bekend zal worden gemaakt;

7) Inno te verbieden te beweren dat haar luchtwassers erkend zijn, voor zover die wassers niet uitdrukkelijk en met zo veel woorden erkend zijn;

8) Inno te gelasten om aan derden die door haar verkeerd zijn voorgelicht per aangetekende brief mede te delen dat onjuiste informatie is verstrekt;

9) Inno te gelasten aan derden die een Inno luchtwasser hebben volgens BWL 2009.12/BWL 2009.12V1 met een of meerdere afwijkingen, per aangetekende brief mede te delen dat die luchtwasser niet conform BWL 2009.12/BWL 2009.12V1 is;

10) Inno te bevelen aan Robos binnen veertien dagen na arrest een lijst ter beschikking te stellen waarin vermeld is aan wie de hierboven bedoelde brieven zijn verzonden, alsmede verzendbewijzen van die brieven.

Het hof begrijpt de conclusie van Robos c.s. aldus dat zij concludeert tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover haar vorderingen zijn afgewezen en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, zoals in hoger beroep gewijzigd.

3.4.

Het hof merkt allereerst op dat, anders dan waarvan Inno kennelijk uitgaat, de vordering van Inno in reconventie in deze procedure geen rol meer speelt. Het verzet is slechts gericht tegen de beslissing in het verstekarrest voor zover daarbij de vorderingen van Robos c.s. zijn afgewezen en de behandeling in verzet beperkt zich daartoe. Weliswaar vormt de verzetprocedure een voortzetting van de procedure die is geëindigd in het verstekarrest, maar die voortzetting heeft dus slechts betrekking op de vordering van Inno in conventie voor zover aan het oordeel van het hof in de verstekprocedure onderworpen. Artikel 401c lid 2 Rv geeft Inno wel de bevoegdheid na de uitspraak op het verzet alsnog tegen de verstekuitspraak beroep in cassatie in te stellen.

3.5.

Het hof acht een spoedeisend belang aanwezig voor de beoordeling van de vorderingen van Robos c.s.

3.6.1.

Volgens Inno heeft Robos c.s. in strijd met de artikelen 2.4 en 2.9 van het Procesreglement pilot civiel hof ’s-Hertogenbosch niet in de kop van de verzetdagvaarding en het toepasselijke H-formulier vermeld dat de verzetdagvaarding tevens als een memorie van grieven in incidenteel appel beschouwd dient te worden en dat Robos c.s. haar eis wijzigde. Volgens Inno is zij in haar procesbelang geschaad omdat zij daardoor geen gelegenheid heeft gehad om op de grieven in het incidenteel appel en de eiswijziging schriftelijk te reageren en moeten de grieven en de eiswijziging daarom buiten beschouwing blijven.

3.6.2.

Het hof verwerpt dit verweer. Tijdens het pleidooi, en wel aan het einde van de behandeling ter zitting, heeft Inno desgevraagd aangegeven dat zij voldoende in de gelegenheid is geweest om mondeling op de grieven in incidenteel hoger beroep en de eiswijziging te reageren. Inno moet daarom geacht worden niet in haar verdediging te zijn geschaad.

3.7.1.

Met het verzet en de grieven in het incidenteel appel wordt onder meer de vraag aan de orde gesteld of Inno luchtwassers aanbiedt onder BWL-nummer 2009.12, terwijl die luchtwassers niet aan de daarbij behorende eisen van de Rav voldoen.

3.7.2.

Robos c.s. stelt met een beroep op artikel 6:194 BW, naar het hof begrijpt, dat Inno deze luchtwassers zowel op haar website als in offertes aan veehouders aanbiedt (“door op die luchtwassers een BWL-nummer te plakken”) en dat zij met haar aanbieding suggereert dat deze luchtwassers voldoen aan de eisen die horen bij BWL-nummer 2009.12 als genoemd in de bijlagen bij de Rav. Zij stelt dat die mededeling (suggestie) misleidend is en dat Inno daardoor onrechtmatig jegens haar handelt nu die systemen op een aantal punten niet aan deze eisen voldoen en daarmee geacht moeten worden niet de daarmee corresponderende reductie van ammoniak, fijnstof of geur te realiseren. Volgens Robos c.s. voldoen de luchtwassers van Inno op de volgende punten niet aan die eisen:

- de luchtstroom loopt niet gelijk met de waterstroom (‘gelijkstroom’), maar passeert de waterstroom, onderaan bij de sproei-installatie, horizontaal (‘dwarsstroom’);

- het watergordijn is niet 1,5 meter lang, gelijk aan de lengte van het filterpakket;

- de luchtstroom komt niet aan de bovenkant binnen en wordt niet twee keer afgebogen in afgeronde hoeken (om werveling tegen te gaan), maar wordt slechts een keer afgebogen in een niet afgeronde hoek van 180 graden;

- het filterpakket heeft een te klein oppervlakte;

- de luchtwassers hebben geen voorruimte (drukkamer).

Ter onderbouwing van haar stelling dat de luchtwassystemen van Inno op deze punten niet aan de eisen van de systeembeschrijving van de Rav voldoen, verwijst Robos c.s. naar drie door haar overgelegde onderzoeksrapporten waarin deze conclusie met zo veel woorden is vermeld, te weten:

  1. een rapport van 14 november 2014 van Buro Blauw B.V. (prod. 2 inl. dagv.), opgemaakt naar aanleiding van een in opdracht van “Robos International” uitgevoerd onderzoek van een door Inno aan de veehouder [veehouder 1] verkochte luchtwasser;

  2. een rapport van 15 april 2015 van de heer [deskundige 1] (prod. 21 verzetdagv.), opgemaakt naar aanleiding van een in opdracht van Robos Air verricht onderzoek door [deskundige 1] van een door Inno aan de veehouder [veehouder 3] geleverde luchtwasser;

  3. een rapport van 1 september 2015 van Buro Blauw B.V. (tijdens pleidooi door Robos c.s. in het geding gebracht), opgemaakt naar aanleiding van een in opdracht van Robos Air verricht onderzoek van een door Inno aan - zoals tijdens pleidooi duidelijk is geworden, zie ook hierna - de veehouder [veehouder 2] geleverde luchtwasser.

3.7.3.

Inno bestrijdt dat de luchtwassers die zij aanbiedt onder BWL-nummer 2009.12 niet aan de wettelijke eisen voldoen. Ten aanzien van het rapport van 1 september 2015 heeft Inno tevens betoogd dat dit niet conform artikel 2.16 Procesreglement twee weken voor de zitting is aangereikt zodat het buiten beschouwing moet blijven, met name omdat Inno geen mogelijkheid heeft gehad om het rapport te bestuderen en te toetsen aan de feitelijke situatie op het bedrijf van de betreffende veehouder. Tijdens pleidooi is desgevraagd wel duidelijk geworden dat Inno vrijwel meteen wist welke veehouder was bezocht, maar dat deze zich na enig overleg met zowel Inno als Robos c.s. niet bereid heeft getoond Inno nog toe te laten op zijn terrein. Aldus kon Inno niet meer vaststellen hoe de betreffende luchtwasser er was gebouwd, aldus Inno. Robos c.s. heeft betwist dat een dergelijk onderzoek nodig was, omdat Inno geacht moet worden te weten wat er bij [veehouder 2] is geïnstalleerd. Na een korte schorsing heeft het hof de productie gelet op de geringe overschrijding van de termijn als genoemd in het Procesreglement toegelaten, waarbij het hof in het midden heeft gelaten of nader onderzoek door Inno bij [veehouder 2] nodig was om inhoudelijk op het rapport te kunnen reageren.

3.7.4.

Artikel 6:194 BW bepaalt voor zover hier van belang dat hij die omtrent goederen die door hem in de uitoefening van een bedrijf worden aangeboden, een mededeling openbaar maakt die in een of meer opzichten misleidend is, onrechtmatig handelt jegens een ander die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf. Volgens deze bepaling kan die misleiding onder meer betrekking hebben op de eigenschappen of gebruiksmogelijkheden van het goed (sub a) en op de door derden uitgebrachte beoordelingen of gedane verklaringen, of de gebezigde technische bevindingen (sub f). Een mededeling is misleidend indien deze onjuist of onvolledig is en redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling het economisch gedrag van de relevante afnemer van de betrokken goederen, de zogenaamde “maatman”, kan beïnvloeden.

3.7.5.

Indien een vordering ingevolge artikel 6:194 BW wordt ingesteld tegen iemand die de inhoud van de mededeling heeft bepaald, rust ingevolge artikel 6:195 lid 1 BW op hem de bewijslast ter zake van de juistheid of volledigheid van de feiten die in de mededeling zijn vervat of daardoor worden gesuggereerd en waarop het beweerde misleidende karakter van de mededeling berust. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat ook in kort geding, waarin de regels van bewijslastverdeling niet rechtstreeks toepasselijk zijn, met de speciale bewijslastverdeling van artikel 6:195 lid 1 BW rekening moet worden gehouden, in die zin dat wanneer gedaagde in kort geding niet de juistheid of volledigheid van de mededeling aannemelijk kan maken, de voorzieningenrechter in verband daarmee sneller geneigd zal zijn een verbod of rectificatiegebod uit te spreken. De voorzieningenrechter is daarbij niet gehouden om het criterium aan te leggen of waarschijnlijk is dat gedaagde in een bodemprocedure zal slagen in het bewijs van de juistheid van de beweerdelijk onjuiste mededelingen en hij is evenmin verplicht om de juistheid van de betrokken claim volledig althans grondig te onderzoeken en daartoe een deskundigenbericht te gelasten (HR 15 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2817, NJ 1999, 665). De hiervoor genoemde bewijslastverdeling en de doorwerking daarvan in kort geding gelden niet indien de eiser volstaat met te stellen dat hij een mededeling misleidend acht, zonder dit op een behoorlijke wijze te adstrueren. De rechter kan dan eisen, alvorens hij gedaagde belast met het bewijs van bepaalde feiten, dat eiser zijn stelling alsnog motiveert (MvA, p. 14).

3.7.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat Inno luchtwassers op haar website aanbiedt waarover zij, door deze aan te bieden onder BWL-nummer 2009.12, in het openbaar meedeelt (suggereert) dat die luchtwassers aan de eisen van het Rav voldoen. In het kader van dit kort geding dient Robos c.s. bij deze vaststelling voldoende gemotiveerd te stellen dat en waarom die mededeling (suggestie) misleidend is. Indien Robos c.s. aan haar stelplicht heeft voldaan, is het aan Inno om wat de gestelde onjuistheid van die suggestie of mededeling betreft, voldoende aannemelijk te maken dat de luchtwassers die zij aanbiedt op de door Robos c.s. genoemde punten wel aan de eisen van de Rav voldoen. Voor zover de vorderingen van Robos c.s. gebaseerd zijn op de aanbiedingen in de persoonsgerichte offertes van Inno aan de veehouders, is artikel 6:194 BW niet van toepassing nu de mededelingen in deze offertes niet als openbare mededelingen in de zin van deze bepaling kunnen worden aangemerkt. In zoverre mist artikel 6:195 BW toepassing en dient Robos c.s. op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv te stellen en, in het kader van dit kort geding bij betwisting voldoende aannemelijk te maken dat Inno luchtwassers aan veehouders levert van het type BWL 2009.12 terwijl die niet aan de daarmee samenhangende wettelijke eisen voldoen.

3.7.7.

Naar het oordeel van het hof heeft Robos c.s. onvoldoende onderbouwd dat en waarom de mededeling van Inno op haar website op de door Robos c.s. genoemde punten misleidend is en dat Inno in offertes aan veehouders luchtwassers van het type BWL 2009.12 aanbiedt die niet aan de daarmee samenhangende eisen voldoen. Die onderbouwing is, voor zover concreet – de als productie 22 verzetdagvaarding overgelegde lijst met uitsluitend NAW-gegevens van – klaarblijkelijk – diverse veehouders aan wie Inno luchtwassers zou hebben verkocht (en naar het hof aanneemt geleverd) is daartoe onvoldoende –, volledig gestoeld op de onderzoeken door Buro Blauw en de heer [deskundige 1] van de luchtwassers bij de veehouders [veehouder 1] , [veehouder 3] en [veehouder 2] .
Tijdens het pleidooi is als niet althans onvoldoende weersproken komen vast te staan dat de luchtwassers die Inno aan respectievelijk de veehouders [veehouder 1] en [veehouder 3] heeft geleverd, anders dan in de rapporten van Buro Blauw en [deskundige 1] is verondersteld, niet van het type BWL 2009.12 zijn, maar respectievelijk van de typen BWL 2007.02(V4) en BWL.2010.02, en dat deze niet als zijnde van het type BWL 2009.12 aan de betreffende veehouders zijn aangeboden. Ten aanzien van [veehouder 1] is voorts niet althans onvoldoende weersproken dat de aan [veehouder 1] voornoemd verleende vergunning uitgaat van een type BWL 2007.02 (V4), maar dat voor de door laatstgenoemde beoogde uitbreiding van zijn bedrijf te zijner tijd een type BWL 2009.12 nodig zal zijn, maar dat een dergelijke luchtwasser nog niet aan [veehouder 1] is geleverd.
Het voorgaande betekent dat de conclusies in de rapporten aangaande [veehouder 1] en [veehouder 3] geen betrekking hebben op luchtwassers van het type BWL 2009.12 en de rapporten mitsdien geen onderbouwing vormen voor de stelling dat de door Inno aangeboden en geleverde luchtwassers van het type BWL 2009.12 niet aan de eisen van de Rav voldoen. Het rapport van Buro Blauw van 1 september 2015 dient in dit verband naar het oordeel van het hof buiten beschouwing te blijven nu dit door Robos c.s. zo laat aan Inno is toegezonden (toegezonden aan het hof en Inno op 2 september 2015) dat moet worden aangenomen dat Inno, zoals zij tijdens het pleidooi naar voren heeft gebracht, onvoldoende in de gelegenheid is geweest om de bevindingen van Buro Blauw in het rapport te toetsen aan de feitelijke situatie bij de veehouder [veehouder 2] . In het kader van dit kort geding is geen plaats om Inno alsnog in de gelegenheid te stellen om op dat rapport te reageren.

3.7.8.

Nu de door Robos c.s. overgelegde rapporten, voor zover bij de beoordeling betrokken, niet zien op luchtwassers van het type BWL.2009.12, behoefde Inno ten aanzien van de in die rapporten genoemde afwijkingen van de regelgeving niet aannemelijk te maken dat de door haar aangeboden luchtwassers - met de vermelding dat zij van het type BWL.2009.12 zijn - op die punten wel aan die regelgeving voldoen. In ieder geval acht het hof gelet op het ontbreken van de onderbouwing en afwegende de belangen van partijen, in dit kort geding geen plaats voor een verbod of een rectificatiegebod wegens de afwijkingen die in de door Robos c.s. overgelegde rapporten zijn genoemd.

3.7.9.

Robos c.s. heeft voorts aangevoerd dat Inno op haar website vermeldt dat haar luchtwassers door de overheid zijn “erkend”. Daarmee wordt volgens Robos c.s. gesuggereerd dat die luchtwassers ieder afzonderlijk zouden zijn beoordeeld en goedgekeurd, hetgeen onjuist en misleidend is. De overheid erkent geen luchtwassers van Inno, maar staat toe dat luchtwassers, die exact volgens de beschrijvingen in de bijlagen van de Rav zijn gebouwd, mogen worden aangeboden met bepaalde BWL-nummers. Bij een nagebootst product kan men hooguit zeggen dat dit is gebouwd volgens een BWL-nummer (en beschrijving), maar niet dat het apparaat zelf is erkend, aldus steeds Robos c.s.

3.7.10.

Het hof constateert dat Inno op haar website luchtwassers aanbiedt onder verschillende BWL-nummers die zijn vermeld in een kolom met als opschrift “Erkenning BWL nummer”. In de daarbij horende (naastgelegen) kolommen zijn de voor de verschillende luchtwassers kenmerkende aard en eigenschappen genoemd (chemisch of biologisch, capaciteit, diameter, hoogte, enz.). Anders dan Robos c.s. bepleit, is het hof van oordeel dat het gemiddelde publiek de vermelding van het woord ‘erkenning’ bovenaan in de kolom niet zo zal begrijpen dat de luchtwassers die Inno aanbiedt als zodanig door de TacRav-commissie zijn goedgekeurd. In de mededeling zal dit gemiddelde publiek redelijkerwijs niet meer lezen dan dat Inno luchtwassers aanbiedt onder de genoemde BWL-nummers en dat het gaat om door de overheid onder die nummers erkende systemen.

De website richt zich niet op het publiek in het algemeen, maar op veehouders die in het kader van hun bedrijfsvoering geacht moeten worden bekend te zijn met overheidsregels – en eisen in deze, waaronder de betekenis van BWL-nummers (vergelijk HR 30 mei 2008, ECLI;NL:HR:2008:BD2820, NJ 2010/622) – en die geïnteresseerd zijn in voor hun bedrijfsvoering noodzakelijke luchtwassers.

De stelling van Robos c.s. dat op dit punt sprake is van misleiding wordt verworpen.

3.7.11.

Verder stelt Robos c.s. nog dat Inno inpandige luchtwassers aanbiedt die ten onrechte van een BWL-nummer zijn voorzien. Zij stelt dat in de systeembeschrijving van BWL 2009.12 (gehecht aan het rapport van 14 november 2014 van Buro Blauw) verwezen wordt naar het Meetrapport [meetrapport] (prod. 32) en dat in dat rapport is opgenomen dat de luchtwasser één geheel dient te zijn met kunststof onderdelen.

3.7.12.

Inno heeft niet ontkend dat zij luchtwassers inbouwt in bestaande gebouwen, maar stelt dat geen wettelijk voorschrift bepaalt dat de normen voor luchtwassers uitsluitend van toepassing zijn op prefab-modules. Naar het oordeel van het hof is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat de door Inno aangeboden inpandige luchtwassers niet aan de wettelijke eisen zouden voldoen. De verwijzing naar het Meetrapport [meetrapport] in de systeemomschrijving is vermeld onder het kopje ‘gebruik van het systeem’. Zonder nadere onderbouwing of deskundige voorlichting – waartoe dit kort geding zich niet leent – is niet aannemelijk dat met deze verwijzing wordt beoogd een in het Meetrapport opgenomen beschrijving van een luchtwasser als eis voor de vormgeving daarvan te formuleren. In dit verband is tevens van belang dat Robos c.s. niet precies heeft aangegeven waar in het Meetrapport is aangegeven dat de luchtwasser één geheel dient te zijn en dat het Meetrapport in de Duitse taal is opgesteld, zonder dat een deugdelijke vertaling is overgelegd.

3.8.1.

De grieven in het incidenteel hoger beroep stellen voorts de vraag aan de orde of, zoals Robos c.s. aan een aantal van haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, Inno onrechtmatig handelt door veehouders mede te delen dat de luchtwassers van Robos c.s. lachgas veroorzaken, dat een luchtwasser zonder spuiwater niet afdoende werkt en dat die niet mag worden ingezet en dat dit ook binnenkort door handhaving bekend zal worden gemaakt. Robos c.s. verwijst in verband hiermee naar een e-mail van 9 februari 2014 van de heer [directeur verkoop Inno] , directeur verkoop van Inno, aan de heer [vertegenwoordiger Robos c.s.] , waarin het volgende is meegedeeld (inl. dagv. pagina 6):
“(…) Begreep dat je ook een wasser gekocht hebt zonder spuiwater! Let op [vertegenwoordiger Robos c.s.] voor je eigen, een luchtwasser zonder spuiwater kan niet. Ik weet precies wat er daar gebeurt, omdat dit niet kan en niet mag. Dit wordt ook binnenkort door handhaving bekend gemaakt!
Wasser zonder spuiwater heeft een lage PH, lage geleidbaarheid en de stikstof verdwijnt via NOx. Er is zeer weinig kennis in de markt en daarom worden mensen om de tuin geleid met het gevolg dat er straks handhaving ligt. (…)”

3.8.2.

Inno heeft gesteld dat haar mededelingen juist zijn, met verwijzing naar door haar overgelegde verklaringen van dr. ir. [deskundige 2] van de Universiteit Wageningen en dr. [deskundige 3] van het Deutsche Landwirtschaftgesellschaft (respectievelijk prod. 14 en prod. 15 en 16 akte overlegging producties van Inno) en naar de overgelegde bladzijden uit het ‘Technisch Informatiedocument Luchtwassystemen voor de veehouderij’ (prod. 10 akte Inno). Naar het voorlopig oordeel van het hof kan uit die verklaringen worden afgeleid dat een luchtwasser zonder spuiwater ten tijde van de mededelingen door Inno niet mogelijk was en dat een luchtwasser met een denitrificatiemodule niet zonder meer is toegestaan, terwijl in het Technisch Informatiedocument is opgenomen dat het tot op heden (hof: lees oktober 2013, zijnde het moment van publicatie) niet is toegestaan om water terug te voeren naar de luchtwasser omdat daarbij het broeikasgas / lachgas (N2O) kan vrijkomen. Robos c.s. heeft hiertegenover aangevoerd dat zij geen gebruik maakt van denitrificatiemodules maar van waterzuiveringsinstallaties die achter de luchtwasser worden geplaatst (de zogenaamde X-box) en die dus geen onderdeel uitmaken van de luchtwasser, maar dat maakt de mededeling van Inno in 2014 dat een luchtwasser zonder spuiwater niet kan en niet mag en dat een dergelijke luchtwasser lachgas kan veroorzaken op zichzelf nog niet onjuist. Dat voorts inmiddels Robos c.s. wel erkenning zou hebben gekregen voor een luchtwasser zonder spuiwater (type BWL 2011.11), net zoals klaarblijkelijk Inno (met type BWL 2015,04.V1), maakt het voorgaande niet anders. In het kader van dit kort geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat Inno mededelingen doet over luchtwassers van Robos c.s. die onjuist zijn en onrechtmatig.

3.9.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van Robos c.s. moeten worden afgewezen.

Het verzet in het principaal hoger beroep is ongegrond en het verstekarrest dient te worden bekrachtigd. Robos c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de verzetprocedure, welke kosten tot op heden aan de zijde van Inno worden begroot op € 1.788,00 (2 punten van het toepasselijke liquidatietarief) wegens salaris advocaat.

De grieven in het incidenteel hoger beroep falen en het vonnis waarvan beroep dient, voor zover het hof daarover niet reeds in het verstekarrest heeft geoordeeld, bekrachtigd te worden. Bij het deel van de grief van Robos c.s. dat gericht is tegen de weigering van de voorzieningenrechter om de eiswijziging van Robos c.s. in eerste aanleg toe te staan, heeft zij geen belang nu Robos c.s. haar eis in hoger beroep heeft gewijzigd en deze gewijzigde eis thans is beoordeeld. Robos c.s. zal in het incidenteel hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld, welke tot op heden aan de zijde van Inno worden begroot op € 894,00 (de helft van het principaal appel, zijnde 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief) wegens salaris advocaat.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het verstekarrest van dit hof van 31 maart 2015;

bekrachtigt het vonnis in conventie d.d. 3 februari 2015 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, voor zover dit niet aan het oordeel van het hof in de verstekprocedure was onderworpen en daarop niet in het verstekarrest van 31 maart 2015 is beslist;

veroordeelt Robos c.s. hoofdelijk in de kosten van de verzetprocedure in hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Inno worden begroot op € 1.788,00 wegens salaris advocaat;

veroordeelt Robos c.s. hoofdelijk in de kosten van het incidenteel hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Inno worden begroot op € 894,00 wegens kosten advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, L.W. Louwerse en M.R. van Zanten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 december 2015.

griffier rolraadsheer