Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4992

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
HD 200.165.652_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3998
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot meewerken aan onderzoek SFT op grond van de CAO en tot betaling van een forfaitair bedrag aan schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.165.652/01

arrest van 1 december 2015

gewezen in het incident in de zaak van

Stichting Sociaal Fonds Taxi,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. M.W.M. Heijlaerts te Amsterdam,

tegen

1 Stichting Personenvervoer [Stichting Personenvervoer] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , zonder bekend kantooradres in Nederland of daarbuiten,

2. [geïntimeerde 2],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. P.T.H. Janssen te Gennep,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 december 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter te 's-Hertogenbosch (rechtbank Oost-Brabant) gewezen vonnis van 25 september 2014 tussen appellante – de Stichting – als eiseres en geïntimeerden – [geïntimeerden] – als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2475073/CV EXPL 13-10188)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep houdende grieven;

  • -

    het herstelexploot van 6 januari 2015;

  • -

    het herstelexploot van 24 juni 2015;

  • -

    de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerden] van 22 september 2015;

  • -

    de antwoordconclusie in het incident van de Stichting van 6 oktober 2015.

Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De motivering

In het incident

3.1.1.

Bij appeldagvaarding van 18 december 2014 heeft de Stichting [geïntimeerden] opgeroepen te verschijnen ter rolzitting van dit hof van 6 januari 2015. Omdat van [geïntimeerden] geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders bekend was, is op de voet van artikel 54 Rv exploot gedaan (aldus het exploot:) "ten parkette van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Rechtbank 's-Hertogenbosch".

3.1.2.

Bij herstelexploot van 6 januari 2015 heeft de Stichting [geïntimeerden] aangezegd dat zij abusievelijk zijn gedagvaard tegen de rolzitting van 6 januari 2015 omdat een dagvaardingstermijn van drie maanden in acht moet worden genomen en heeft de Stichting [geïntimeerden] opgeroepen te verschijnen ter rolzitting van 7 april 2015. Exploot is gedaan "ten parkette van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Rechtbank 's-Hertogenbosch".

3.1.3.

Ter rolzitting van 7 april 2015 hebben [geïntimeerden] geen advocaat doen stellen. Het hof heeft geconstateerd dat het exploot van dagvaarding lijdt aan een gebrek dat nietigheid meebrengt en heeft de Stichting op de voet van artikel 121 lid 2 Rv bevel gedaan het gebrek bij exploot te herstellen met oproeping van [geïntimeerden] tegen de rolzitting van 11 augustus 2015.

3.1.4.

Bij exploot van 24 juni 2015 heeft de Stichting [geïntimeerden] opgeroepen tegen de rolzitting van 11 augustus 2015. Daarbij is [geïntimeerden] aangezegd dat abusievelijk is betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank 's-Hertogenbosch en dat in plaats daarvan moet worden gelezen: aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie van bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Op de rolzitting van 11 augustus 2015 hebben [geïntimeerden] advocaat doen stellen.

3.2.1.

[geïntimeerden] vorderen de Stichting niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten. Zij voeren daartoe aan dat de Stichting de wettelijke voorschriften niet juist heeft toegepast: betekening is geschied aan het parket van het openbaar ministerie bij de rechtbank in plaats van aan het parket van het openbaar ministerie bij het hof (1), naar aanleiding van het uitbrengen de appeldagvaarding heeft geen (tijdige) publicatie van dat exploot in een landelijk of streekdagblad plaatsgevonden (2) en de in artikel 115 lid 2 Rv voorgeschreven dagvaardingstermijn van drie maanden is niet in acht genomen, noch bij het uitbrengen van de appeldagvaarding van 18 december 2014, noch bij het uitbrengen van het herstelexploot van 24 juni 2015 (3).

3.2.2.

De Stichting voert verweer tegen de vordering in het incident.

Het hof overweegt als volgt.

3.3.

Het hof gaat ervan uit dat met het instellen van de vordering in het incident is beoogd de dagvaarding in hoger beroep nietig te doen verklaren; gebreken in de dagvaarding leiden in ieder geval niet tot niet-ontvankelijkheid.

Op grond van artikel 122 lid 1 Rv (jo. artikel 353 Rv) verwerpt de rechter een dergelijk beroep op nietigheid indien de gedaagde (geïntimeerde) in het geding verschijnt en hij naar het oordeel van de rechter door het gebrek niet onredelijk in zijn belangen is geschaad.

3.4.

[geïntimeerden] hebben niet aangevoerd dat zij worden bemoeilijkt in het voeren van verweer in de hoofdzaak als gevolg van gebreken in de dagvaarding. Het hof is dat ook niet anderszins gebleken. De enkele stelling van [geïntimeerden] (punt 6 van hun memorie) dat zij niet gedurende drie maanden in de gelegenheid zijn geweest om kennis te nemen van de onderhavige procedure, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij onredelijk in hun verdedigingsbelang zijn geschaad. Nu [geïntimeerden] in hoger beroep in het geding zijn verschenen, moet het beroep op nietigheid van de dagvaarding daarom worden verworpen. De vordering in het incident moet worden afgewezen.

3.5.

Het hof ziet aanleiding de proceskosten van het incident tussen partijen te compenseren.

In de hoofdzaak

3.6.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten van het incident, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 12 januari 2016 voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M.

Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 december 2015.

griffier rolraadsheer