Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:496

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
F 200.143.939-01 en F. 200.143.939-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

voorlopige voorziening in hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 februari 2015

Zaaknummers: F 200.143.939/01 en F. 200.143.939/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/261497 / FA RK 13-1840

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.P.V.W. Willems,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.D. van Koningsveld.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 maart 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man niet gehouden is tot betaling van een vergoeding aan de vrouw in verband met het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats], althans het verzoek van de vrouw dat ziet op de vaststelling van een gebruiksvergoeding alsnog af te wijzen, subsidiair, in het geval het hof van oordeel is dat de man een vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw verschuldigd is, te bepalen dat de man deze vergoeding eerst verschuldigd is vanaf het moment dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, en de hoogte van de vergoeding te bepalen op een bedrag dat het hof juist acht, alsmede het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud alsnog af te wijzen, subsidiair, de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te bepalen op een bedrag dat het hof juist acht.

2.2.1.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 mei 2014, heeft de vrouw verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn beroep ongegrond te verklaren met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.

2.2.2.

Tevens heeft de vrouw hierbij verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de man te veroordelen om met ingang van 1 mei 2013 tot aan de datum waarop de echtelijke woning aan een derde zal zijn verkocht en geleverd als gebruiksvergoeding een bedrag van

€ 498,33 per maand, aan de vrouw te betalen en de man te veroordelen om met ingang van 1 mei 2013 tot aan de dag der beschikking in hoger beroep aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.482,- bruto per maand als bijdrage in haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.3.

Bij verweerschrift tegen verzoek voorlopige voorzieningen, ingekomen ter griffie op 27 november 2014, heeft de man verzocht, verkort weergegeven, de vrouw in haar verzoeken ten aanzien van de gebruiksvergoeding en ten aanzien van de bijdrage in haar levensonderhoud niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar de verzoeken als onbewezen dan wel ongegrond te ontzeggen.

2.4.

Deze zaken zijn ter griffie geadministreerd onder de zaaknummers F 200. 143.939/01 (bodemzaak) en F 200.143.939/02 (voorlopige voorzieningen). Deze zaken worden gezamenlijk behandeld en beslist.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Willems;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Koningsveld.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 december 2013;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 3 april 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 19 mei 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 27 november 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 20 november te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geen thans nog minderjarige kinderen geboren.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking ten tijde van de mondelinge behandeling van het hof nog niet was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2013 tot de datum waarop de woning aan een derde zal zijn verkocht en geleverd als gebruiksvergoeding een bedrag van € 498,33 per maand aan de vrouw dient te voldoen en de man veroordeeld om met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag te voldoen van € 1.482,- per maand.

3.3.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning alsmede de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, in het bijzonder tegen de behoefte van de vrouw, haar behoeftigheid en de draagkracht van de man, dit laatste in het bijzonder met betrekking tot zijn inkomen en zijn lasten, althans de hypotheeklast van de echtelijke woning.

Echtscheiding

3.4.

Het hof stelt allereerst vast dat de man vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de man echter geen grief heeft aangevoerd tegen de daarbij uitgesproken echtscheiding en uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man zich niet wenst te verzetten tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, zal het hof het verzoek van de man in zoverre afwijzen.

Vergoeding gebruik echtelijke woning

3.5.

Voor zover er sprake zou zijn van een door de man te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats] zou daarvan slechts sprake zijn tot 1 september 2014, de datum waarop de man de woning heeft verhuurd. Dit is tussen partijen niet in geschil. Gelet op het geringe inkomen van de man en mede gelet op het feit dat de man, zoals hij onbetwist heeft gesteld, van meet af aan de hypotheekrente en de aan de woning verbonden lasten heeft voldaan en het hof ervan uitgaat dat hij deze blijft voldoen totdat de woning is verkocht, is het hof van oordeel dat de man over de periode van 1 mei 2013 tot 1 september 2014 naar redelijkheid en billijkheid aan de vrouw geen vergoeding verschuldigd is voor het gebruik van de echtelijke woning. Gelet op het vorenstaande is ook voor het treffen van een voorlopige voorziening op dit punt geen plaats.

Partneralimentatie

3.6.

Op grond van proceseconomische redenen behandelt het hof eerst de draagkracht van de man alvorens de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw te bespreken.

Draagkracht van de man

3.7.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw € 1.482,- per maand te voldoen.

3.8.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

3.9.1.

De man heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de rechtbank bij het berekenen van zijn draagkracht ten onrechte is uitgegaan van het (gebruikelijke dga) loon van € 43.000,- bruto per jaar dat Security Services [Security Services] BV aan de man als directeur-grootaandeelhouder had moeten uitkeren. Voorts heeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van inkomsten van de man uit taekwando lessen van € 7.320,- bruto per jaar.

3.9.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. De vrouw heeft gesteld dat partijen altijd in luxe hebben geleefd, dat de man deze luxe altijd heeft kunnen bekostigen en dat het inkomen van de man nog steeds gelijk is aan zijn inkomen tijdens het huwelijk. De vrouw heeft gesteld dat zij na het uiteengaan van partijen contante gelden in de woning van de man heeft aangetroffen. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat de man ‘zwart geld’ heeft en dat hij grote spaartegoeden heeft op een bankrekening in Zwitserland, hetgeen de man gemotiveerd heeft betwist.

3.9.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Aan de vrouw kan worden toegegeven dat de man in het verleden een goed inkomen uit Security Services [Security Services] BV heeft gegenereerd, doch uit de door de man overgelegde brief van de Belastingdienst Kantoor [plaats] van 8 april 2014 aan de man blijkt dat de inspecteur zich voor het jaar 2014 akkoord heeft verklaard met een loon in geld van de man als directeur-grootaandeelhouder van Security Services [Security Services] BV van € 512,- bruto per maand, zodat het hof daarvan uitgaat. Het inkomen van € 512,- bruto per maand blijkt ook uit de door de man overgelegde salarisstroken van januari tot en met oktober 2014, de jaaropgaaf 2013 en de aangifte inkomstenbelasting 2013 van de man. Van inkomsten uit overige ondernemingen waaraan de man (mogelijk) verbonden is geweest, is het hof niet gebleken. Uit de brief van de heer[administrateur], van [Administratiekantoor] Administratiekantoor te [plaats], van 25 juni 2014 aan de man, blijkt dat de werkzaamheden in [Bedrijf] BV te [plaats] sedert 1 januari 2011 gestaakt zijn. Voorts stelt de heer [administrateur] geheel onbekend te zijn met de door de vrouw genoemde onderneming Brain & Body Switch en dat deze onderneming niet staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel, hetgeen de vrouw niet heeft betwist. Het hof houdt wel rekening met een bedrag van € 7.320,- bruto per jaar ter zake inkomsten van de man uit het geven van taekwondo lessen, nu de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze inkomsten niet meer genereert dan wel kan genereren.

Ter zitting heeft de man gesteld dat de echtelijke woning weliswaar te koop staat doch dat hij deze met ingang van 1 september 2014 heeft verhuurd tegen een huurprijs van € 1.600,- per maand, waarmee hij grotendeels de lasten verbonden aan die woning kan voldoen. Nu de huurinkomsten wegvallen tegen de kosten verbonden aan de woning zal het hof daarmee geen rekening houden. Het hof overweegt ten slotte dat de man de stelling van de vrouw dat er sprake is van “zwart geld” en forse spaartegoeden op een Zwitserse bankrekening gemotiveerd heeft betwist. Nu de vrouw die stelling op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd en zij overigens geen bewijs daarvan heeft aangeboden, gaat het hof aan die stelling van de vrouw voorbij. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de man een inkomen heeft van € 13.464,- bruto per jaar hetgeen, daarbij rekening houdende met de niet betwiste lasten van de man, onvoldoende is om ook nog een bijdrage aan de vrouw te kunnen voldoen.

De grieven voor zover betrekking hebbende op behoefte en behoeftigheid van de vrouw behoeven om voornoemde redenen geen verdere bespreking.

Voorlopige voorzieningen partneralimentatie

3.10.

Met betrekking tot de door de vrouw verzochte bijdrage in haar levensonderhoud bij wege van een voorlopige voorziening overweegt het hof het volgende. Ingevolge vaste jurisprudentie heeft in het algemeen als uitgangspunt te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden. Daarbij overweegt het hof dat een voorlopige voorziening het karakter heeft van een noodverband en constateert het hof dat de vrouw feitelijk heeft geleefd van de middelen die haar ter beschikking hebben gestaan. Het hof is in dit geval van oordeel dat de eerste dag volgend op de datum van indiening van het verzoek tot vaststelling van voorlopige partneralimentatie als ingangsdatum heeft te gelden (1 juni 2014), nu de man met ingang van die datum rekening heeft kunnen houden met de betaling van een voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Rekenend met de cijfers over het jaar 2014, heeft de man met ingang van 1 juni 2014 geen draagkracht om een voorlopige bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw te voldoen.

Proceskosten

3.11.

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

3.12.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel alsmede op het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2014 voor zover het betreft de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de door de man te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats],

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af de inleidende verzoeken van de vrouw voor zover betrekking hebbende op een bijdrage in haar levensonderhoud alsmede het verzoek van de vrouw tot betaling door de man aan haar van een vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.L. Schaafsma-Beversluis en

M.K. de Menthon Bake en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2015.