Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4837

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
20-001596-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:4316, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1304, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schieten op woonkamerraam. Voorwaardelijk opzet. Anders dan de rechtbank acht het hof poging tot doodslag bewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, 287, geldigheid: 2015-11-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/61

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001596-14

Uitspraak : 30 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

12 mei 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-720727-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis heeft de rechtbank:

 de dagvaarding ten aanzien van feit 1 partieel, namelijk voor zover inhoudende poging tot doodslag op [B] en [C] , nietig verklaard (blijkens de overweging op blz. 2 van het vonnis);

 de verdachte voor het overige vrijgesproken van feit 1 (poging tot doodslag op [A] );

 de verdachte voorts vrijgesproken van de feiten 2 en 5;

 de verdachte ter zake van feit 3 (vernieling en beschadiging), feit 4 (beschadiging) en feit 6 (voorhanden hebben van een semiautomatisch pistool en munitie) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest;

 het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

De officier van justitie heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De officier van justitie heeft bij akte van 23 mei 2014 onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Bij akte van 12 november 2015 heeft de advocaat-generaal het hoger beroep ingetrokken ten aanzien van de feiten 2, 3, 4, 5 en 6.

Door deze partiële intrekking van het hoger beroep is de veroordeling van de verdachte door de rechtbank tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest ter zake van de feiten 3, 4 en 6 onherroepelijk geworden.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op het gedeelte van het vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2015 is de tenlastelegging van feit 1 op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het – na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – ten laste gelegde feit 1 onder A primair (poging tot doodslag op [A] en [B] ) en onder B (bedreiging van [C] ) zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit 1 onder A primair (poging tot doodslag op [A] en [B] ) en onder A subsidiair (poging tot zware mishandeling van [A] en [B] ). Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreigingen heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en daarmee de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 1 – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2015 – ten laste gelegd dat:

A

hij op of omstreeks 12 mei 2013 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] en/of [B] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen heeft geschoten op een (woonkamer)raam van een woning, gelegen aan de [A-straat 1] te Hoensbroek, in welke woonkamer die [A] en/of [B] zich op dat moment bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en/of

B

hij op of omstreeks 12 mei 2013 in de gemeente Heerlen [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen geschoten op een (woonkamer)raam van een woning, gelegen aan de [A-straat 1] te Hoensbroek, in welke woning die [C] zich op dat moment bevond;

subsidiair althans, indien het vorenstaande onder A niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 mei 2013 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een en/of meerdere persoon/personen, genaamd [A] en/of [B] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen heeft geschoten op een (woonkamer)raam van een woning, gelegen aan de

[A-straat 1] te Hoensbroek, in welke woonkamer die [A] en/of

[B] zich op dat moment bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande (het hof begrijpt: onder A) niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 mei 2013 in de gemeente Heerlen [A] en/of

[B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen geschoten op een (woonkamer)raam van een woning, gelegen aan de [A-straat 1] te Hoensbroek, in welke woonkamer die [A] en/of [B] zich op dat moment bevonden.

Vrijspraak van het ten laste gelegde onder B

Volgens de tenlastelegging bestaat de bedreiging uit het schieten met een vuurwapen op het woonkamerraam van de woning, in welke [C] zich bevond.

Uit het bewijsmateriaal blijkt dat de verdachte met een vuurwapen heeft geschoten op het raam aan de straatzijde (voorzijde) van de woonkamer, die is gesitueerd op de begane grond, en dat de kogel op een hoogte van 1.40 meter door de ruit is gegaan en op een hoogte van 1.58 meter is ingeslagen in de zijwand van de woonkamer, terwijl [C] op dat moment lag te slapen in een slaapkamer op de eerste verdieping aan de achterzijde.

Naar het oordeel van het hof kan hierdoor bij [C] niet de redelijke vrees zijn ontstaan - ook niet achteraf - dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen, mede gelet op de aard van het gebruikte wapen.

De verdachte wordt daarom van dit feit vrijgesproken.

Bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder A

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (onder A primair) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 mei 2013 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] of [B] van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal met een vuurwapen heeft geschoten op een woonkamerraam van een woning, gelegen aan de [A-straat 1] te Hoensbroek, in welke woonkamer die [A] en [B] zich op dat moment bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde poging tot doodslag op [A] en [B] . Daartoe is aangevoerd dat de verdachte geen opzet, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, op hun dood heeft gehad. De verdachte heeft namelijk bewust geschoten op de (gezien vanuit de woning in de richting van de straatzijde) linker zijmuur van de woonkamer en zich zorgvuldig ervan vergewist dat niemand zich daar op dat moment bevond. Er heeft daarom geen aanmerkelijke kans bestaan op de dood van [A] en/of [B] , aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

1.

Vaststaat dat de verdachte in de nacht van 11 op 12 mei 2013 heeft gezien dat een aantal personen (volgens zijn verklaring bij de politie op pagina 107: vijf personen), onder wie [A] en [B] , de woning aan de [A-straat 1] te Hoensbroek zijn binnengegaan. De verdachte heeft gewacht tot zij binnen waren en is vervolgens in zijn busje langs de woning gereden.

Toen de verdachte even later nogmaals langs de woning reed, heeft hij tweemaal kort achter elkaar vanuit het passagiersraam van zijn busje op de woning geschoten. Het eerste schot loste hij op de gevel boven de deur van de woning; het tweede schot op het raam van de woonkamer. De verdachte bevond zich tijdens het lossen van het tweede schot niet recht voor de woonkamer, maar hij was die woonkamer al enigszins voorbijgereden.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 augustus 2013 verklaard dat hij wist dat er mensen in de woning waren. Blijkens zijn verklaring tijdens de schouw op 4 november 2013 en ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij bovendien verklaard gezien te hebben dat er licht in de woonkamer brandde en dat de televisie in de woonkamer aan stond.

Bij de politie heeft hij verklaard (p. 107) dat hij bij het voor de woning langsrijden “zag dat die jongen, [B] , achter het glas van de voordeur tegen mij stond te flippen. Zo van: kom dan, kom dan. De voordeur was dicht. Ik heb de auto aan het eind van de straat gekeerd en ben terug gereden. Toen heb ik geschoten.”

Uit het sporenonderzoek is gebleken dat de kogel van het tweede schot door een rolluik en daarna op een hoogte van ongeveer 140 centimeter vanaf de woonkamervloer door de woonkamerruit is gegaan en is ingeslagen in de (gezien vanuit de woning in de richting van de straatzijde) linker zijmuur van de woonkamer op een hoogte van ongeveer 158 centimeter vanaf de vloer (p. 38 en de constatering van senior forensisch onderzoeker van de politie [verbalisant] tijdens de schouw op 4 november 2013, p. 9-10 van het daarvan opgemaakte proces-verbaal).

Op het moment waarop de verdachte door de woonkamerruit schoot, bevonden zich vier personen in de woonkamer, onder wie [A] , [B] en [D] . [B] stond toen bij de rechterhoek van de L-vormige zitbank. [A] stond toen achter die bank aan de (gezien vanuit de woning in de richting van de straatzijde) rechterzijde van de woonkamer (pv zitting 4 november 2013, p. 6 en 7).

2.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 16 november 2015 verklaard dat zijn busje stilstond op het moment waarop hij door het woonkamerraam schoot.

Het hof stelt echter vast dat de verdachte bij de politie op 12 mei 2013, derhalve kort na het ten laste gelegde, het volgende heeft verklaard (p. 107-108):

“Ik heb geschoten vanuit de auto, ik ben niet gestopt. Ik heb geschoten boven de deur en boven het raam aan de voorzijde van de woning. (hof: Blijkens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 augustus 2013 (pv van die zitting, p. 3-4) bedoelde de verdachte met “boven het raam” dat hij bovenin het raam heeft geschoten.) Ik reed in de eerste versnelling en liet de auto rustig lopen. Ik schoot door het geopende bijrijdersportierraam. (…) Ik heb twee keer geschoten. Ik schoot vanuit de auto, zodat de hulzen in de auto terecht zouden komen.”

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 augustus 2013 verklaarde de verdachte bovendien (pv zitting, p. 3):

“Ik reed stapvoets toen ik voor de eerste keer op de woning schoot en ik stond nagenoeg (onderstreping hof) stil toen ik voor de tweede keer schoot.”

Op grond van de verklaringen van de verdachte bij de politie op 12 mei 2013 en ter terechtzitting in eerste aanleg op 23 augustus 2013 stelt het hof vast dat het busje van de verdachte nog in beweging was toen hij op het woonkamerraam schoot.

3.

De verdachte heeft als volgt verklaard over de gemoedstoestand waarin hij zich bevond:

“Het was 04.19 uur toen zij thuiskwamen. (…) Mijn hartslag ging naar 180…”

(p. 107)

“Toen ik langs de woning reed, zag ik dat [A] en onder andere [B] de woning binnengingen, ik ontplofte.” (pv zitting 23 augustus 2013, p. 3)

“Ik stond onder spanning, had angst. Toen ik andermaal langsreed, werd de spanning me ineens te veel. Ik (…) heb geschoten.” (pv zitting 4 november 2013,

p. 3).

Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte onder aanzienlijke spanning stond toen hij het schot op het woonkamerraam loste.

4.

[B] heeft op 12 mei 2013, een paar uur na het gebeuren, bij de politie verklaard dat hij niet naar buiten kon kijken doordat het rolluik voor het woonkamerraam bijna volledig gesloten was. Het rolluik stond volgens hem circa 20 centimeter open (p. 25). Tijdens de door de rechtbank gehouden schouw van de woning op 4 november 2013 heeft de verdachte van binnenuit aangegeven op welke stand het rolluik volgens hem stond ten tijde van het lossen van de schoten. Na meting bleek dat het rolluik ongeveer 10,5 centimeter geopend was (pv zitting 4 november 2013, p. 4).

[A] heeft op 12 mei 2013, eveneens een paar uur na het incident, bij de politie verklaard dat het rolluik aan de voorkant van de woning gedeeltelijk dicht was, tot ongeveer 10 of 15 centimeter (p. 15). Tijdens de schouw heeft zij als getuige verklaard dat het rolluik op een stand stond waarbij er aan de onderkant nog een kleine rand open was (pv zitting 4 november 2013, p. 7).

[D] heeft tijdens de schouw als getuige verklaard dat het rolluik vrijwel dicht was op het moment dat er werd geschoten en dat hij er niet doorheen kon kijken (pv zitting 4 november 2013, p. 8).

De verdachte heeft ter terechtzitting van 23 augustus 2013 verklaard dat het rolluik vanaf de grond (het hof begrijpt: vanaf de vensterbank) ongeveer 20 tot 30 centimeter was opgetrokken (pv zitting, p. 3). Tijdens de schouw heeft hij aangegeven wat volgens hem de stand van het rolluik was tijdens het schieten. De stand van het rolluik is toen aangepast aan zijn verklaring en na meting bleek dat een strook van 29,5 centimeter aan de onderzijde open was (pv zitting 4 november 2013, p. 2).

Op grond van deze verklaringen stelt het hof vast dat het rolluik grotendeels gesloten was en dat aan de onderzijde een strook van ten hoogste circa 30 centimeter open was toen de verdachte op het woonkamerraam schoot. Het hof concludeert dat de verdachte hierdoor maar zeer beperkt zicht in de woonkamer had.

Het hof stelt daarnaast vast dat zich achter het woonkamerraam een luxaflex bevond. Dit zal – ook indien wordt aangenomen dat de lamellen opengedraaid, dat wil zeggen in horizontale stand, waren – voor verder verminderd zicht in de woonkamer hebben gezorgd.

5.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 23 augustus 2013 (proces-verbaal van deze zitting, p. 3) en in hoger beroep op 16 november 2015 verklaard dat hij kon zien of er mensen in de woonkamer waren, dat hij niemand in de woonkamer heeft gezien en dat hij het had gezien als er iemand op de bank had gezeten of gelegen. Nu echter vaststaat dat zich wel personen in de woonkamer bevonden, stelt het hof vast dat deze verklaring van de verdachte feitelijk onjuist is.

Voorts overweegt het hof het volgende.

Het proces-verbaal van de door de rechtbank gehouden schouw houdt onder meer het volgende in (pv zitting 4 november 2013, p. 4):

“De voorzitter neemt plaats op de bestuurdersplaats in de auto om zelf het zicht vanuit de positie van de verdachte waar te nemen, van waaruit de verdachte het tweede schot heeft gelost. De voorzitter neemt waar dat vanaf dit punt, waar de verdachte het tweede schot zegt te hebben gelost, de televisie in de woonkamer zichtbaar is. Zodra iemand voor de televisie langs beweegt, is dit zichtbaar. Wanneer dit niet gebeurt, is het moeilijk personen waar te nemen.”

Op grond hiervan stelt het hof vast dat, vanuit de positie van waaruit de verdachte op het woonkamerraam heeft geschoten, het moeilijk is personen waar te nemen wanneer zij niet voor de televisie langs bewegen.

Hierbij merkt het hof op dat de waarneming van de voorzitter van de rechtbank tijdens de schouw vanuit het stilstaande busje is gedaan en voorts zonder de aanzienlijke spanning die de verdachte tijdens het schieten heeft ervaren. De omstandigheden waaronder de verdachte heeft geschoten en daarmee de mogelijkheid om zorgvuldig vast te stellen of zich personen in de woonkamer bevonden, waren dan ook nadeliger dan tijdens de schouw. Opmerking verdient voorts dat de stand van het rolluik tijdens de waarneming van de voorzitter van de rechtbank was aangepast aan hetgeen de verdachte tijdens de schouw had aangegeven, te weten een open strook van 29,5 centimeter aan de onderzijde, terwijl op grond van de verklaringen van [A] , [B] en [D] ermee rekening dient te worden gehouden dat het rolluik (nog) minder ver geopend was.

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte direct voor of tijdens het schieten op het woonkamerraam zich niet ervan heeft kunnen vergewissen – en zich dus ook niet ervan heeft vergewist – dat niemand zich in de woonkamer en/of in de schotbaan bevond.

6.

Het voorgaande samenvattend stelt het hof vast dat:

  1. de verdachte heeft gezien dat [A] en [B] kort vóór het schieten de woning waren binnengegaan;

  2. de verdachte heeft gezien dat er licht in de woonkamer brandde en dat de televisie in de woonkamer aan stond;

  3. de verdachte op het woonkamerraam heeft geschoten vanuit het passagiersraam van zijn nog uitrijdende busje;

  4. de verdachte op dat moment onder aanzienlijke spanning stond;

  5. de verdachte zich tijdens dat schot niet recht voor de woonkamer bevond, maar die woonkamer al enigszins voorbij was gereden;

  6. aan de buitenzijde van het raam zich een grotendeels gesloten rolluik bevond dat aan de onderzijde ten hoogste circa 30 centimeter open was, waardoor de verdachte maar zeer beperkt zicht in de woonkamer had, en er zich voorts een (naar het hof wil aannemen: geopend) luxaflex achter het raam bevond, hetgeen voor verder verminderd zicht in de woonkamer zal hebben gezorgd;

  7. tijdens de schouw door de rechtbank is gebleken dat, vanuit de positie van waaruit de verdachte op het woonkamerraam heeft geschoten, het moeilijk is personen in de woonkamer waar te nemen wanneer zij niet voor de televisie langs bewegen;

  8. op grond van hetgeen is vastgesteld onder iii, iv, v, vi en vii ervan uit dient te worden gegaan dat de verdachte zich niet ervan heeft vergewist dat niemand zich in de woonkamer en/of in de schotbaan bevond;

  9. de kogel op een hoogte van ongeveer 140 centimeter vanaf de woonkamervloer door de woonkamerruit is gegaan en is ingeslagen op een hoogte van ongeveer 158 centimeter vanaf de vloer in de (gezien vanuit de woning in de richting van de straatzijde) linker muur van de woonkamer;

  10. [A] en [B] zich op dat moment in die woonkamer bevonden.

7.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Aanmerkelijke kans op de dood

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het hof overweegt dat de hoogte van de kogelinslag in het raam van dien aard was dat de kogel vitale lichaamsdelen van de in de woonkamer aanwezige [A] of [B] had kunnen treffen. Naar het oordeel van het hof bestond er dan ook een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat [A] of [B] door de kogel dodelijk zou worden getroffen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, doet hieraan niet af dat – achteraf gezien – is gebleken dat [A] en [B] zich aan de rechterzijde van de woonkamer en dus niet in de schotbaan bevonden. Dit laatste is immers een toevallige en gelukkige omstandigheid. Gelet op de hoogte van het schot en het feit dat [A] en [B] geen statische objecten waren, maar mensen die zich plegen te verplaatsen, bestond er een aanmerkelijke kans dat de zich op het moment van schieten in de woonkamer bevindende [A] of [B] zich wel in die schotbaan hadden bevonden.

Aan die aanmerkelijke kans doet evenmin af dat de verdachte een geoefend schutter is, reeds nu hij zich niet ervan heeft vergewist dat niemand zich in (de nabijheid van) de schotbaan bevond.

Bewustheid van de aanmerkelijke kans

Nu de verdachte heeft gezien dat [A] en [B] kort vóór het schieten de woning waren binnengegaan, hij voorts zag dat er licht in de woonkamer brandde en de televisie in de woonkamer aan stond – hetgeen de kans vergrootte dat [A] en [B] zich in de woonkamer bevonden – en verdachte zich daarbij niet ervan heeft vergewist dat zij zich niet in (de nabijheid van) de schotbaan bevonden, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte zich ten tijde van het schieten op de woonkamer bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat [A] of [B] dodelijk zou worden getroffen.

Aanvaarding van de aanmerkelijke kans

Naar het oordeel van het hof kan de gedraging van de verdachte – het schieten op een woonkamerraam, zonder dat hij zich ervan heeft vergewist dat [A] en [B] zich niet in (de nabijheid van) de schotbaan bevonden – gelet op de aard van deze gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan [A] of [B] , dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard.

Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [A] en [B] heeft gehad.

8.

De raadsman heeft voorwaardelijk – te weten indien het hof op grond van de verklaring die [verbalisant] tijdens de schouw als deskundige heeft afgelegd, op basis van de glassporen in de lamellen ervan uitgaat dat de lamellen van het luxaflex dichtgedraaid waren – verzocht om een andere deskundige hierover te bevragen. Dit voorwaardelijke verzoek behoeft geen beslissing, nu de daaraan verbonden voorwaarde niet is vervuld.

De raadsman heeft voorts het hof in overweging gegeven om zelf een schouw te houden, dan wel vragen te stellen aan de kamer van de rechtbank die de schouw op 4 november 2013 heeft gehouden. Het hof ziet daartoe echter geen noodzaak, nu het zich – mede gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de rechtbank van 4 november 2013 – voldoende ingelicht acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij art. 287 Sr juncto art. 45 Sr en wordt gekwalificeerd als:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een semiautomatisch pistool te schieten op het raam van een woonkamer, terwijl hij kort tevoren zijn ex-vriendin, haar nieuwe vriend en andere personen de betreffende woning had zien binnengaan.

Een dergelijk gewelddadig feit veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving. De ervaring leert dat feiten als de onderhavige daarnaast nog lange tijd psychische gevolgen voor de slachtoffers met zich kunnen brengen. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring van [A] d.d. 11 juli 2013 heeft zij als gevolg van het bewezen verklaarde te kampen gehad met angstgevoelens en slaap- en concentratieproblemen en heeft zij zich onder behandeling van een psycholoog gesteld.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarna zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Met oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van deze duur wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 als feit B is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 als feit A primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 als feit A primair is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 30 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.