Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4836

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
20-000697-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:1690, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

'Shaken baby'. Voorwaardelijk opzet. Anders dan de rechtbank acht het hof poging tot doodslag bewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000697-14

Uitspraak : 30 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

25 februari 2014 in de strafzaak met parketnummer 04-850386-11 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Aan de verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan in de tenlastelegging nader omschreven geweldshandelingen tegen zijn dochtertje, gepleegd in een periode van circa twee maanden na haar geboorte. Dit is ten laste gelegd als poging tot doodslag (primair), zware mishandeling (subsidiair), mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (meer subsidiair), dan wel het door schuld veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel (meest subsidiair).

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag en zware mishandeling. De verdachte werd ter zake van mishandeling van zijn kind veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, poging tot doodslag bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een jaar met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van drie jaren.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof het vonnis zal bevestigen, met dien verstande dat de proeftijd op één jaar zou dienen te worden vastgesteld.

Vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen, nu het zich daarmee niet kan verenigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij in of omstreeks de periode van [2011] tot en met 11 oktober 2011 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] (geboortedatum [2011] ) van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [A] heeft geslagen en/of gewelddadig heeft vastgepakt en/of (vervolgens) gewelddadig/krachtig door elkaar heeft geschud, dan wel anderszins geweld heeft uitgeoefend op het hoofd, althans het lichaam, van die [A] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van [2011] tot en met 11 oktober 2011 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, aan [A] (geboortedatum [2011] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel en/of een bloeding onder het harde hersenvlies en/of fracturen) heeft toegebracht, door deze opzettelijk te slaan en/of gewelddadig vast te pakken en/of (vervolgens) gewelddadig/krachtig door elkaar te schudden, dan wel anderszins geweld uit te oefenen op het hoofd, althans het lichaam, van die [A] , zulks terwijl het misdrijf werd begaan tegen zijn, verdachtes, kind;


meer subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van [2011] tot en met 11 oktober 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk mishandelend [A] (geboortedatum [2011] ) heeft geslagen en/of gewelddadig heeft vastgepakt en/of (vervolgens) gewelddadig/krachtig door elkaar heeft geschud, dan wel anderszins geweld heeft uitgeoefend op het hoofd, althans het lichaam, van die [A] , ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel en/of een bloeding onder het harde hersenvlies en/of fracturen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl het misdrijf werd begaan tegen zijn, verdachtes, kind;


meest subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van [2011] tot en met 11 oktober 2011 in de gemeente Roermond grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig [A] (geboortedatum [2011] ) heeft geslagen en/of gewelddadig heeft vastgepakt en/of (vervolgens) gewelddadig/krachtig door elkaar heeft geschud, dan wel anderszins geweld heeft uitgeoefend op het hoofd, althans het lichaam, van die [A] , waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [A] zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of een bloeding onder het harde hersenvlies en/of fracturen, heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van [2011] tot en met 11 oktober 2011 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] (geboortedatum [2011] ) van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [A] gewelddadig heeft vastgepakt en vervolgens gewelddadig/krachtig door elkaar heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders primair is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hier bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van zijn dochtertje [A] .

Het hof ziet geen aanwijzingen dat de verdachte het oogmerk/de bedoeling heeft gehad om zijn dochtertje van het leven te beroven. Dat sluit echter niet uit dat de verdachte juridisch gesproken wel het (voorwaardelijk) opzet kan hebben gehad op de dood van [A] .

Ten aanzien van de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet op haar dood heeft gehad, overweegt het hof als volgt.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De gedragingen van de verdachte

De verdachte heeft op 18 oktober 2011 bij de politie onder meer verklaard (p. 15 van het dossier van de Politie Limburg Noord d.d. 1 december 2011, nr. PL233R 2011100452):

“ [A] was nog steeds aan het huilen. Ik heb toen [A] vastgepakt onder de armpjes. Ik heb haar toen stevig vastgepakt, vandaar dat zij de blauwe plekken onder de oksels en op haar schoudertjes had. Ik ben met [A] naar de kamer gelopen, omdat ik wilde dat [B] haar zou overnemen. Op het moment dat ik naar de kamer liep, had ik [A] nog steeds onder de oksels vast. Ik had haar voor mij vast en het gezichtje van [A] was gericht naar mij. Op dat moment heb ik één keer met haar naar achteren geschud, ik had haar op dat moment stevig vast.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 10 september 2013 (pagina’s 2-3) houdt als verklaring van de verdachte en waarneming van de rechtbank in:

“Ik heb [A] maar één keer geschud. (…) Ik heb [A] inderdaad stevig vastgepakt. (Waarneming van de rechtbank: De verdachte zegt: “Zo”, en strekt daarbij zijn armen op borsthoogte in een vloeiende, versnelde beweging naar voren.) Ik heb [A] niet geschud, ik heb haar overgegeven aan [B] .”

De lezing van de verdachte komt erop neer dat, terwijl hij [A] stevig onder haar armpjes vasthad met haar gezicht naar hem toe, hij zijn armen op borsthoogte in een vloeiende, versnelde beweging naar voren heeft gestrekt. Van daadwerkelijk schudden, in de zin van heen en weer bewegen, van [A] is volgens de verdachte geen sprake geweest. De verklaringen van de verdachte dat hij “één keer met haar naar achteren [heeft] geschud” (bij de politie) en dat hij [A] “maar één keer [heeft] geschud” (bij de rechtbank) moeten aldus worden verstaan.

Ten aanzien van de vraag of deze lezing van de verdachte geloofwaardig is, overweegt het hof als volgt.

Vaststaat dat bij [A] , naast andere vormen van in- en uitwendig letsel (bloeduitstortingen en drie breuken), hersenletsel en een bloeding onder het harde hersenvlies zijn geconstateerd. De deskundige S.G. Potgieter, behandelend kinderarts van [A] nadat zij op 11 oktober 2011 werd opgenomen in het Laurentius Ziekenhuis te Roermond, heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 februari 2014 verklaard dat op basis van de uitgevoerde CT-scan bij [A] een hersenbloeding, een subduraal hematoom, is vastgesteld (p. 2-3 van het proces-verbaal van die terechtzitting).

W.A. Karst, forensisch arts KNMG en verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), heeft onder meer het medisch dossier van [A] en het dossier van de politie, met daarin de door de verdachte afgelegde verklaringen, bestudeerd. Karst heeft het radiologisch beeldmateriaal betreffende [A] aangeboden aan R.R. van Rijn, kinderradioloog met forensische expertise aan het AMC te Amsterdam en als consulent verbonden aan het NFI.

De deskundige Van Rijn heeft op de terechtzitting van 11 februari 2014 verklaard dat bij [A] meerdere bloedingen in de hersenen zijn geconstateerd (p. 7 van het proces-verbaal van die terechtzitting).

Een door Karst opgemaakt deskundigenrapport van het NFI van 26 juni 2012 houdt onder meer het volgende in (p. 15-19 van dat rapport):

“6.3 Hersenletsel

[A] werd op 11 oktober 2011 ingestuurd naar het ziekenhuis omdat de (vervangend) huisarts onder meer een (dwang)stand naar rechts en snelle oogbewegingen constateerde, wat mogelijk kon wijzen op onderliggend hersenletsel. (…)

Op een MRI-scan van 20 oktober 2011 in het Academisch Ziekenhuis Maastricht werden aanwijzingen voor weefselversterf in de hersenen (atrofie) gezien.

Op een hersenfilm (EEG) van 20 oktober 2011 in het Academisch Ziekenhuis Maastricht werden afwijkingen nabij de linkerslaap en in mindere mate nabij de rechterslaap geconstateerd. (…)

De rapporteur concludeert dat waarschijnlijk sprake is geweest van schade van de

hersenen. (…)

Naast het geconstateerde (mogelijke) hersenletsel, is een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom) geconstateerd. Het harde hersenvlies is een vlies tussen het spinnenwebvlies dat over de hersenen heen gespannen ligt en de binnenzijde van de schedel ligt, en doorloopt in tussenschotten tussen hersendelen en langs het ruggenmerg.

Op de CT-scan van 12 oktober 2011 in het Laurentius Ziekenhuis in Roermond werd de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies aan de linkerzijde van het hoofd geconstateerd. Bij de herbeoordeling in het Academisch Ziekenhuis Maastricht werd de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies aan beide zijden van het hoofd geconstateerd, met een verse bloeding onder het harde hersenvlies aan de linkerachterzijde.

Dr. Van Rijn oordeelde op basis van dezelfde CT-scan dat er links op het tussenschot tussen grote en kleine hersenen en langs het tussenschot tussen beide hersenhelften sprake was van een niet te dateren bloeding onder het harde hersenvlies. (…)

De rapporteur oordeelt dat er waarschijnlijk sprake is geweest van een bloeding onder het harde hersenvlies met een onduidelijke locatie.

Bloedingen onder het harde hersenvlies ontstaan als de zogenaamde ankervaten of brugvenen (af)scheuren. (…) De ankervaten kunnen (af)scheuren als sprake is van herhaalde voor-achterwaartse (en waarschijnlijk ook andere, bijvoorbeeld rotatoire) bewegingen van het hoofd. Een dergelijk mechanisme kan bijvoorbeeld optreden bij een ernstig auto-ongeval, bij een heftig acceleratie-deceleratie trauma (zoals een schudincident) en/of bij forse impact.

Een bloeding onder het harde hersenvlies kan een bevinding zijn bij toegebracht schedelhersenletsel, waarbij sprake is van contacttrauma, van schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of een combinatie van beide. Hierbij is veel kracht nodig. Krachten die ontstaan bij vallen van beperkte hoogte (1 tot 2 meter) en bij gebruikelijke huis-, tuin- en keukenongevallen zijn onvoldoende voor het ontstaan van een bloeding onder het harde hersenvlies.

De rapporteur concludeert dat de aangetroffen bloeding onder het harde hersenvlies, mits daadwerkelijk aanwezig geweest, in combinatie met hersenletsel, eveneens mits daadwerkelijk aanwezig geweest, veel waarschijnlijker is bij een niet-accidenteel contacttrauma, bij schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een medische oorzaak en/of een val van beperkte hoogte en/of gebruikelijke verzorgingshandelingen.

6.4

Combinatie van bevindingen in relatie met gemelde toedracht

Bij [A] zijn onder meer blauwe plekken in het gelaat, waarschijnlijk een ribbreuk, waarschijnlijk een metafysaire hoekfractuur, een breuk van het linkeropperarmbeen, waarschijnlijk hersenletsel en waarschijnlijk een bloeding onder het harde hersenvlies geconstateerd.

Deze combinatie van bevindingen is passend bij niet-accidenteel trauma (toegebracht letsel) met mogelijk toegebracht schedelhersenletsel door een schudincident (acceleratie-deceleratietrauma), door impact, of door de combinatie van beide. Er zijn geen medische aandoeningen geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren. De geconstateerde letsels zijn niet ontstaan door eigen toedoen of gedragingen van [A] , bij gebruikelijke verzorgingshandelingen, of bij de bevalling.

Vader verklaarde dat hij (…). Hierna zou hij haar hebben vastgepakt en haar, terwijl hij haar onder haar oksels vasthad met haar gezicht naar hem gericht, éénmaal hard naar achteren hebben geschud. (…)

Het hersenletsel in combinatie met de bloeding onder het harde hersenvlies, mits daadwerkelijk aanwezig geweest, is niet passend bij een enkele schudbeweging naar achteren. Een schudincident met meer bewegingen, mits voldoende van kracht, frequentie en/of duur, en/of forse impact zouden wel passend zijn.”

De deskundige Karst heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2015 nogmaals verklaard dat één schudbeweging van de verdachte dit letsel niet kan verklaren, maar dat om hersenletsel te kunnen veroorzaken waarvoor, zoals hier, medische hulp wordt ingeroepen, er sprake moet zijn geweest van ofwel een schudincident waarbij het kind minimaal twee keer per seconde heen en weer wordt geschud en dat minimaal vijf seconden lang, ofwel een forse impact waarbij grote krachten van buitenaf op het hoofd inwerken, ofwel een combinatie van beide.

Gelet op de verklaring van Karst ter terechtzitting in hoger beroep en de inhoud van zijn deskundigenrapport acht het hof de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij [A] niet daadwerkelijk heeft geschud, maar dat hij haar slechts naar achteren heeft bewogen (door Karst in zijn rapport aangeduid als “een enkele schudbeweging naar achteren”), niet geloofwaardig. Een dergelijke handeling kan het hersenletsel en de bloeding onder het harde hersenvlies van [A] immers niet hebben veroorzaakt.

Uit de verklaring van de verdachte dat hij [A] stevig heeft vastgepakt en met haar heeft geschud, in combinatie met het bij haar geconstateerde (hersen)letsel, leidt het hof af dat de verdachte [A] krachtig en gewelddadig door elkaar heeft geschud.

Aanmerkelijke kans op de dood

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het hof acht het een feit van algemene bekendheid op grond van algemene ervaringsregels dat een baby bijzonder kwetsbaar is en dat de kwetsbaarheid groter is naarmate de baby jonger is. Bij een baby zijn in de eerste levensmaanden spieren, weefsels en botten nog zo weinig ontwikkeld en draagkrachtig, dat bij het oppakken en in de omgang met een baby grote voorzichtigheid is geboden. Een babylichaam, en in het bijzonder het relatief grote en zware hoofd, dient zoveel mogelijk te worden ondersteund. Dit impliceert dat er een reële kans bestaat dat het krachtig schudden van het hoofd, als gevolg van schade aan de nek of in de hersenen, kan leiden tot de dood van een baby. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de deskundige Karst ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat van de hele jonge kinderen die in het ziekenhuis worden opgenomen en bij wie achteraf de diagnose wordt gesteld dat er sprake is geweest van mishandeling waarbij hersenletsel is toegebracht, ook wel ‘shaken baby syndroom’ genoemd, ongeveer een derde komt te overlijden. Volgens Karst was het hersenletsel bij [A] relatief mild, aangezien zij niet buiten bewustzijn was toen zij in het ziekenhuis aankwam en geen acute reanimatiebehoefte had. Daardoor schatte Karst de kans op overlijden van [A] iets lager dan een derde.

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de kans dat een baby in de leeftijd van [A] komt te overlijden aan de gevolgen van het krachtig door elkaar schudden, zoals hier blijkens het geconstateerde letsel moet zijn gebeurd, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten en dat dit een feit van algemene bekendheid is.

Bewustheid van de aanmerkelijke kans

Zoals hiervoor overwogen, was de kans dat [A] zou komen te overlijden aan de gevolgen van het krachtig door elkaar schudden een feit van algemene bekendheid. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel – hetgeen uit het psychologische rapport van drs. J.A.H.M. Kobussen van 19 januari 2012 is gebleken omtrent de persoon van de verdachte (zie hierna) kan naar het oordeel van het hof niet als zodanig gelden – dient te worden aangenomen dat ook de verdachte zich bewust was van deze aanmerkelijke kans.

Het hof neemt hierbij nog in aanmerking dat de verdachte zowel door de kraamzorg als door zijn toenmalige vriendin, thans echtgenote, [B] , de moeder van [A] , is gemaand voorzichtig om te gaan met [A] .

De verdachte heeft bij de politie immers verklaard (p. 22 en 24):

“V: Wat heeft de kraamzorg jou verteld over de verzorging en behandeling van [A] ?

A: Zij heeft me geleerd om rustig om te gaan met een kleine, dat je voorzichtig moest zijn met een baby.

[B] heeft mij heel vaak gezegd dat ik voorzichtiger moest zijn.”

[B] heeft hierover bij de politie verklaard (p. 31):

“ [verdachte] is ook zeer ruw in de omgang met [A] . Hij pakte haar wat ruwer op uit bed, hij ondersteunt dan bijvoorbeeld het hoofdje niet. (…) Ik heb [verdachte] daar ook vaker op aangesproken, dat hij voorzichtig moet zijn.”

Aanvaarding van de aanmerkelijke kans

Naar het oordeel van het hof kan het krachtig door elkaar schudden van [A] , in het bijzonder gelet op de aard van deze gedraging, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan [A] , dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard.

Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [A] .

Het vorenstaande laat zich als volgt samenvatten:

Het bij [A] vastgestelde hersenletsel is een gevolg van krachtig heen en weer schudden. Het hof acht bewezen dat de verdachte [A] krachtig heen en weer heeft geschud, omdat er geen andere verklaring is voor dit letsel. De kans dat zulk krachtig heen en weer schudden van een zo jonge baby als [A] leidt tot de dood van het kind is aanmerkelijk.

De verdachte moet zich bewust zijn geweest van die aanmerkelijke kans en heeft die kwade kans op de koop toe genomen door [A] krachtig heen en weer te schudden. Juridisch uitgedrukt had de verdachte opzet op de dood van [A] .

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij art. 287 Sr juncto art. 45 Sr en wordt gekwalificeerd als:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn toen nog geen drie maanden oude dochtertje door haar krachtig door elkaar te schudden. Zij heeft hierdoor onder meer een bloeding onder het harde hersenvlies opgelopen. Als vader diende de verdachte zijn kind juist geborgenheid en bescherming te bieden. Met zijn handelen heeft de verdachte daarnaast het vertrouwen van zijn partner, de moeder van zijn dochtertje, zeer ernstig beschaamd. Het handelen van de verdachte ten opzichte van zijn weerloze dochtertje is een zeer ernstig strafbaar feit, waarbij in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is.

Anderzijds houdt het hof rekening met de persoon van de verdachte en zijn inmiddels in positieve zin gewijzigde persoonlijke omstandigheden.

Een Pro Justitia rapport van drs. J.H.A.M. Kobussen, klinisch psycholoog-psychotherapeut, van 19 januari 2012 (p. 21-22) houdt in dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag en van levensfaseproblematiek. Voorts is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid. Drs. Kobussen adviseert om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Het hof neemt dit advies over en houdt daarmee rekening in strafmatigende zin.

Een reclasseringsadvies van 30 september 2015 (p. 5-6) houdt in dat de verdachte gedurende de vier jaren na het bewezen verklaarde begeleiding heeft gehad vanuit verschillende instanties. Er was begeleiding vanuit Bureau Jeugdzorg en Rubicon gericht op het versterken van zijn vaardigheden als vader. Deze begeleiding werd positief afgerond nadat de begeleidingsdoelen behaald werden. Daarnaast was er begeleiding door MEE gericht op het versterken van persoonlijke vaardigheden, het leren omgaan met beperkingen en het op orde krijgen van praktische zaken. Ook deze begeleiding heeft de verdachte positief afgerond.

De verdachte en zijn partner, de moeder van [A] , hebben hun relatie weer opgepakt en zijn inmiddels getrouwd en hebben een tweede dochtertje gekregen. De reclassering schrijft dat de verdachte en zijn echtgenote een stabiele leefsituatie voor hun gezin hebben gerealiseerd. De moeder van [A] heeft dit op de zitting van het hof bevestigd.

De reclassering schat het recidiverisico laag in, aangezien de verdachte intensief begeleid is, zijn vaardigheden versterkt zijn en zijn leefsituatie op orde is, en ziet geen redenen verder in te zetten op gedragsverandering.

Het hof acht het onwenselijk dat de positieve ontwikkeling in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zou worden doorkruist door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Voorts houdt het hof rekening met het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde feit en het – behoudens een hier niet ter zake doende transactie – blanco strafblad van de verdachte.

Het hof ziet dan ook aanleiding om, hoewel het – anders dan de rechtbank – komt tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag, overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal te volstaan met oplegging van de door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Gelet op de door de verdachte positief afgeronde begeleiding en het feit dat de reclassering geen redenen ziet verder in te zetten op gedragsverandering, zal het hof afzien van het stellen van bijzondere voorwaarden. De proeftijd wordt bepaald op twee jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders primair is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 30 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.