Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4835

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
20-001739-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BW4011, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:318, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Easy Life. Hof veroordeelt directeur tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk ter zake van feitelijke leiding geven aan verduistering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001739-12

Uitspraak : 30 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 april 2012 in de strafzaak met parketnummer 01-997514-08 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman,
mr. M.M.H. Zuketto, advocaat te Maastricht, [adres] , [plaats] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd –:

  • -

    deelneming aan een criminele organisatie, terwijl hij van die organisatie leider is (feit 1) en

  • -

    het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (feit 2 primair),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest.

Van de onder 3. primair en subsidiair ten laste gelegde feiten is verdachte vrijgesproken.

Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de door hen ingediende vorderingen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde (deelname aan een criminele organisatie, terwijl hij daarvan leider is) en het onder 2. onder A. primair ten laste gelegde (het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd) zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in de door hen ingediende vorderingen.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat:

  • -

    de tenlastelegging partieel nietig zal worden verklaard;

  • -

    verdachte integraal zal worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

A.1

Gelet op de inhoud van het procesdossier heeft de steller van de tenlastelegging met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde belegger [belegger 3] onmiskenbaar het oog gehad op het bedrag van € 100.000,- dat [belegger 3] in 2007 als obligatielening heeft verstrekt aan [B.V. 1] en niet op het bedrag van
€ 280.000,- dat [belegger 3] in 2006 als deelnemer aan [C.V. 2] heeft ingelegd.

Het hof zal daarom de tenlastelegging verbeterd lezen, in dier voege dat het in het onder 1. en 2. ten laste gelegde voor de zinsnede “ [belegger 3] tot een bedrag van € 280.000 of daaromtrent” de zinsnede “ [belegger 3] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent” in de plaats stelt.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof in het onder 2. onder B. ten laste gelegd voorts voor de zinsnede “tot een totaalbedrag groot € 2.049.000 of daaromtrent” de zinsnede “tot een totaalbedrag groot € 1.869.000 of daaromtrent” in de plaats.

De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting door deze verbeteringen niet in zijn verdediging geschaad.

A.2

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en met inachtneming van het bovenstaande – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 25 augustus 2008, althans in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2007 tot en met de maand augustus 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van één of meer natuurlijke perso(o)n(en) genaamd [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of één of meer rechtsperso(o)n(en) genaamd [B.V. 2] en/of [B.V. 2] en/of [B.V. 3] en/of [B.V. 4] en/of [B.V. 1] en/of [B.V. 1] en/of [stichting] en/of [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] en/of één of meer andere rechtsperso(o)n(en) en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting en/of verduistering (jegens één of meer van de hierna genoemde beleggers in (obligaties uitgegeven door) [B.V. 1] , te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent)

terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van die organisatie was;

2.

A. primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 25 augustus 2008, althans vanaf de maand september 2007 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) één of meer van de hierna genoemde personen, verder te noemen de beleggers, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van één of meer bedrag(en) aan geld, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -:

(telkens) aan (één of meer van) die beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in [B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, te investeren, door afname van door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen Amerikaanse levenspolissen (life settlements), waarbij aan (één of meer van) die beleggers mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te geven obligaties en/of in de door die beleggers en de B.V. opgemaakte en/of ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of met die beleggers (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenspolissen (life settlements), (telkens) obligaties wenst uit te geven met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en/of

- dat de obligatieleningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenspolissen (life settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) een gedurende de looptijd van de obligatieleningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat de beleggers de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij de beleggers (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) de beleggers (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n);

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 25 augustus 2008, althans vanaf de maand september 2007 tot en met de maand augustus 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) één of meer van de hierna genoemde personen verder te noemen de beleggers, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

immers heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar mededader(s) toen daar
(telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -:

(telkens) aan (één of meer van) de beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in [B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, te investeren, door afname van door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen Amerikaanse levenspolissen (life settlements), waarbij aan (één of meer van) die beleggers mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te geven obligaties en/of in de door de beleggers en de B.V. opgemaakte en/of ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of met de beleggers (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenspolissen (life settlements), (telkens) obligaties wenst uit te geven met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en/of

- dat de obligatieleningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenspolissen (life settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) een gedurende de looptijd van de obligatieleningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat de beleggers de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij de beleggers (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) de beleggers (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n),

terwijl hij, verdachte, tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);

en/of

B. primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 25 augustus 2008, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2007 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (één of meer) bedrag(en) aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 1.869.000 of daaromtrent, in elk geval één of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan één of meer van de hierna genoemde personen, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld, althans welk(e) goed(eren) verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van hun/zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur en/of bestuurder en/of werknemer van [B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, (telkens) als obligatielening(en) van door de B.V. aan de beleggers uitgegeven obligatie(s), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 25 augustus 2008, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2007 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk één of meer bedrag(en) aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 1.869.000 of daaromtrent, in elk geval één of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan één of meer van de hierna genoemde personen, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan de B.V. en/of haar mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld, althans welk(e) goed(eren) de B.V. en/of haar mededader(s) (telkens) als obligatielening(en) van door de B.V. en/of haar mededader(s) aan de beleggers uitgegeven obligatie(s) en aldus/in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, terwijl hij, verdachte, tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

B.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde wat betreft de zinsnede “één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en)”. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet voldoende duidelijk is op welke personen deze passage doelt en verdachte zich daartegen onvoldoende kan verweren.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Mede gezien tegen de achtergrond van het dossier is het voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich kan verdedigen.

Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep er blijk van heeft gegeven goed te hebben begrepen wat is ten laste gelegd en te weten waartegen verdachte zich moest verweren. Zo omvat haar pleidooi inhoudelijke verweren met betrekking tot de verschillende onderdelen van de tenlastelegging.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Vrijspraak

C.1

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat bij verdachte de bedoeling voorstond om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen op het moment dat de in de tenlastelegging genoemde personen werden bewogen te beleggen in de tenlastelegging genoemde vennootschappen. Voorts kan uit het voorhanden bewijs niet volgen dat verdachte op dat moment moet hebben geweten dat zijn handelen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht dat hij of een ander wederrechtelijk bevoordeeld werd of zou worden.

Gelet hierop schiet het voorhanden bewijs erin tekort dat verdachte het oogmerk had om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, zodat het hof reeds daarom niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het onder 2. onder A. primair ten laste gelegde heeft begaan.

C.2

Evenmin is op grond van het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat op het moment dat de in de tenlastelegging genoemde personen werden bewogen te beleggen, [B.V. 1] , [C.V. 1] , [C.V. 2] dan wel [C.V. 3] het oogmerk had om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, zodat het hof reeds daarom niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het onder 2. onder A. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

C.3

Het voorhanden bewijs schiet er voorts in tekort dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, de gelden die toebehoorden aan de in de onder 2. onder B. primair ten laste gelegde beleggers zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het hof acht dan ook niet bewezen dat de verdachte het onder 2. onder B. primair ten laste gelegde heeft begaan.

C.4

Het hof is voorts van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte een samenwerkingsverband heeft gevormd met een van de in de tenlastelegging onder 1. genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, welke tot oogmerk had het plegen van oplichting en/of verduistering. Het hof acht dan ook niet bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan.

C.5

Het hof zal de verdachte bijgevolg vrijspreken van het hem onder 1, 2. onder A. primair en subsidiair alsmede het onder 2. onder B. primair ten laste gelegde.

[Het bewijs]

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

D.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

E.1

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [B.V. 1] het geld van de in de tenlastelegging genoemde beleggers ‘zich heeft toegeëigend’, nu geen of onvoldoende bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat de gelden van deze beleggers niet zijn aangewend voor een overeengekomen of voorgehouden doel. De raadsman heeft daartoe – zakelijk samengevat – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld hoe de diverse gelden zijn aangewend en bovendien niet kan worden uitgesloten dat de ingelegde bedragen volledig zijn besteed aan de aankoop van life settlements. Immers, in de periode dat verdachte actief was bij Easy Life zijn meer life settlements aangekocht dan geld is ingelegd door de in de tenlastelegging genoemde beleggers, terwijl ook nog een groot bedrag, bestemd voor de aankoop van life settlements, op een rekening in de Verenigde Staten stond.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

E.2

Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen hebben – naast de beleggers [belegger 2] , [belegger 3] , [belegger 4] , [belegger 5] , [belegger 6] , [belegger 7] , [belegger 8] , [belegger 10] en [belegger 11] – veel meer beleggers obligatieleningen afgesloten met en geld ingelegd in [B.V. 1] Op de rekeningen van de vennootschap is het ingelegde geld van de hiervoor genoemde beleggers vermengd met geld van andere beleggers, met als gevolg dat niet meer per geïndividualiseerd ingelegd bedrag kan worden achterhaald waarvoor dit is aangewend. Het hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat op grond van de omstandigheid dat vermenging heeft plaatsgevonden, nog niet de conclusie kan worden getrokken dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat het geld van specifieke beleggers is toegeëigend door [B.V. 1]

Indachtig de omstandigheid dat vermenging heeft plaatsgevonden, staat de stelling van de verdediging dat in de betreffende periode meer life settlements zijn aangekocht dan geld is ingelegd door de in de tenlastelegging genoemde beleggers en tevens geld bestemd voor de aankoop van life settlements nog aanwezig was, evenmin aan een bewezenverklaring van verduistering in de weg.

E.3

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen (zie hiervoor onder de kopjes ‘inleg’ en ‘aangekochte polissen’) stelt het hof vast dat in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 juli 2008 de polissen 30 tot en met 40 en 43 en 44 zijn aangekocht door het Easy Life-concern. In het voordeel van verdachte neemt het hof aan dat ook de polissen 41 en 42 in deze periode zijn aangekocht, doch eerst op 20 augustus 2008 respectievelijk 3 september 2008 zijn verkregen. Aldus zijn in deze periode voor in totaal € 2.197.958,45 polissen aangekocht. Tevens zijn in deze periode voor (€ 957.274,75 – € 474.126,25 =) € 483.148,50 betalingen gedaan in verband met de aankoop van polissen. Aldus is in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 juli 2008 in totaal (€ 2.197.958,45 + € 483.148,50 =)
€ 2.681.106,95 besteed aan de aankoop van polissen.

In die periode is door inleggers een bedrag van € 10.676.000,00 ingelegd.

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 juli 2008 (€ 2.681.106,95 : € 10.676.000,00 * 100% = (afgerond)) 25,1% van de inleg van beleggers door Easy Life is besteed aan de aankoop van polissen.

E.4

Zoals hiervoor overwogen, is gelet op de vermenging van de ingelegde gelden van de beleggers [belegger 2] , [belegger 3] , [belegger 4] , [belegger 5] , [belegger 6] , [belegger 7] , [belegger 8] , [belegger 10] en [belegger 11] met de gelden van de overige beleggers in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 juli 2008 niet meer vast te stellen hoe de gelden van de individuele beleggers zijn aangewend. Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof het alleszins redelijk om er vanuit te gaan dat 25,1% van de ingelegde gelden van voormelde beleggers is aangewend voor de aankoop van polissen.

F.1

De raadsman heeft – zakelijk samengevat – ten verweer betoogd dat de onder 2. onder B subsidiair ten laste gelegde verduisteringen niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, omdat het eigendom van de ingelegde geldbedragen van de obligatiehouders is overgegaan naar [B.V. 1] Reeds om die reden kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de ingelegde gelden toebehoorden aan de in de tenlastelegging genoemde beleggers dan wel aan (een) ander(en).

F.2

Voorts heeft de raadsman bepleit dat, indien het hof wel van oordeel is dat het geld niet is gaan toebehoren aan [B.V. 1] , niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat het uitgeleende geld wederrechtelijk is toegeëigend door de vennootschap. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat een ontvanger van geleende geldbedragen de bevoegdheid heeft om als heer en meester te beschikken over deze geldbedragen, zolang de ontvanger maar handelt in overeenstemming met het doel van de lening (de zogenoemde doelbinding). Ten aanzien van deze doelbinding heeft de raadsman aangevoerd dat per belegger andere afspraken zijn gemaakt en het bewijs tekort schiet voor de conclusie dat zozeer in strijd is gehandeld met de (per belegger verschillende) doelbinding dat gesproken kan worden over het als heer en meester beschikken over de ingelegde bedragen en daarmee handelen zonder daartoe gemachtigd te zijn.

F.3

Het hof overweegt ten aanzien van de onder F.1 en F.2 weergegeven verweren als volgt.

F.4

Het hof stelt voorop dat door de obligatielening het eigendom van het ingelegde geld van de belegger weliswaar – in civielrechtelijke zin – is overgegaan naar [B.V. 1] , maar daarmee het geld nog niet zonder meer is gaan toebehoren – in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht – aan de vennootschap.

F.5

De in de tenlastelegging onder 2. onder B. subsidiair voorkomende uitdrukking ‘wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend’ moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht – in de vervoeging ‘wederrechtelijk zich toe-eigent’ – voorkomende uitdrukking. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.

Van een zodanig beschikken kan afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval (onder meer) sprake zijn (i) indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend dan wel (ii) indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.

F.6

Op basis van de bewijsmiddelen (zie onder het kopje ‘contractuele verplichtingen’) stelt het hof vast dat [B.V. 1] door middel van de obligatieovereenkomsten met de beleggers de contractuele verplichtingen is aangegaan om (i) 70% van de obligatielening aan te wenden voor de aankoop van life settlements dan wel 100% van de obligatielening aan te wenden voor de financiering van de belegging in life settlements, (ii) aan het einde van de looptijd van de obligatielening de volledige inleg af te lossen op een bankrekening van de belegger en (iii) over het ingelegde bedrag tot de datum van aflossing (of de datum waarop een bedrag opeisbaar is) periodiek aan de beleggers een percentage aan rente te voldoen.

F.7

Zoals het hof hiervoor onder E.4 heeft overwogen, is slechts een beperkt deel van de inleg van de beleggers [belegger 2] , [belegger 3] , [belegger 4] , [belegger 5] , [belegger 6] , [belegger 7] , [belegger 8] , [belegger 10] en [belegger 11] door [B.V. 1] daadwerkelijk aangewend voor de aankoop van life settlements, namelijk 25,1%.

Hieruit kan bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dan dat [B.V. 1] de ingelegde gelden van voormelde beleggers in strijd met het contractuele doel om 70% van de obligatielening aan te wenden voor de aankoop van life settlements dan wel 100% van de obligatielening aan te wenden voor de financiering van de belegging in life settlements heeft beheerd en voor andere doeleinden heeft aangewend.

Zelfs indien, zoals betoogd door de raadsman, ‘de financiering van de belegging in life settlements’ ruim wordt uitgelegd, in dier voege dat daarbij kosten die gemaakt worden om life settlements aan te kopen worden betrokken, dan nog zijn de obligatieleningen niet aangewend conform het contractuele doel. Daarvoor staat het percentage dat is besteed aan de aankoop van life settlements (25,1 %) te ver verwijderd van het contractuele doel om deze voor 100% aan te wenden voor de financiering van de belegging in life settlements.

Voorts overweegt het hof dat door slechts een beperkt deel van de ingelegde gelden te investeren in life settlements, die zouden moeten renderen, de teruggave van de gelden aan het einde van de looptijd van de obligatieleningen en de periodieke uitbetaling van rente, minstgenomen, aanmerkelijk zijn bemoeilijkt.

F.8

Het hof is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat [B.V. 1] , zonder daartoe gerechtigd te zijn, als heer en meester heeft beschikt over de in de bewezenverklaring genoemde gelden, zodat de B.V. zich deze gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht, zulks terwijl deze gelden toebehoorden aan de in de bewezenverklaring genoemde beleggers. Immers, [B.V. 1] ontving deze gelden slechts teneinde deze voor 70 procent aan te wenden voor de aankoop van life settlements dan wel voor 100 procent aan te wenden voor de financiering van de belegging in life settlements.

G.1

De raadsman heeft voorts – op gronden als in de pleitnota verwoord – ten verweer betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan verboden gedragingen begaan door [B.V. 1] De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat op het moment dat verdachte bevoegd was om in te grijpen, hij dat heeft gedaan. Daarnaast heeft hij nimmer willens en wetens de aanmerkelijke kans op het plegen van verduisteringen door de rechtspersoon aanvaard, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

G.2

Van feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen gepleegd door een rechtspersoon kan onder omstandigheden sprake zijn indien de desbetreffende functionaris – hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden – maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze situatie wordt de zojuist bedoelde functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen.

De bevoegdheid tot ingrijpen, bestaat indien de verdachte de feitelijke zeggenschap heeft gehad over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht.

De bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld kan zich te dezen voordoen, indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband houdt met de ten laste gelegde feiten.

G.3

Het hof stelt ten aanzien van de gedragingen van verdachte en zijn betrokkenheid bij [B.V. 1] het navolgende vast.

i. Verdachte is op 1 september 2007 in dienst getreden bij Easy Life. Zijn werkzaamheden bestonden uit de organisatie intern op orde brengen en relaties binnen brengen.

ii. Verdachte heeft medio september 2007 de indruk gekregen dat er geen goede balans bestond tussen de aangekochte life settlements en de door de beleggers geïnvesteerde gelden. Vervolgens heeft verdachte aan [betrokkene] de opdracht gegeven om middels een managementrapportage meer inzicht in (onder meer) deze disbalans te verkrijgen.

iii. Verdachte heeft eind oktober/begin november 2007 samen met [medeverdachte 2] een telefoongesprek gevoerd met [getuige 1] , die via [B.V. 3] middels een beheerovereenkomst betrokken was bij de aankoop en het beheer van life settlements ten behoeve van Easy Life. [getuige 1] is toen medegedeeld dat er een liquiditeitstekort was bij Easy Life en dat hij te veel life settlements had gekocht. [getuige 1] heeft naar aanleiding van dit telefoongesprek een groot deel van de uitstaande biedingen op life settlements moeten intrekken.

iv. Per november 2007 is verdachte aangesteld als operationeel directeur van Easy Life. Hij omschrijft zichzelf als uitvoerend leidinggevende. Verdachte was (onder meer) verantwoordelijk voor het financiële betalingsverkeer, waaronder de aankoop van life settlements.

v. Verdachte was in ieder geval op 1 december 2007 ten volle op de hoogte van het in de periode daarvoor ontstane ‘gat’ tussen het geld van beleggers dat besteed had moeten zijn aan de aankoop van life settlements en het geld dat daadwerkelijk was besteed aan de aankoop van life settlements.

vi. In de periode daarna is verdachte (direct dan wel indirect) betrokken geweest bij het benaderen van (juridisch) deskundigen, teneinde vast te stellen of Easy Life levensvatbaar kon worden en zo ja, welke stappen daartoe genomen moesten worden.

vii. Mede op basis van de ingewonnen adviezen is verdachte vervolgens betrokken geweest bij de pogingen om het Easy Life-concern gezond te maken (onder meer) door het saneren van personeels- en exploitatiekosten, het laten opstellen en toezien op de uitvoering van een vaststellingsovereenkomst tussen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en samen te werken met [bedrijf] om gelden van beleggers los te laten koppelen van Easy Life.

viii. Tevens is verdachte betrokken geweest bij meerdere gesprekken om een grote investeerder aan te trekken (de ['deal'] ). Om dat mogelijk te maken heeft verdachte een aparte vennootschapsstructuur opgericht ( [groep] ).

ix. Volgens [getuige 2] is het in 2008 niet gelukt om minimaal 70 procent van de ingelegde gelden te beleggen in life settlements, omdat verdachte zei dat hij eerst de zaak wilde saneren.

G.4

Reeds uit het hiervoor onder iv. tot en met ix. weergegevene blijkt dat verdachte in de periode 1 december 2007 totdat hij op 1 augustus 2008 het Easy Life-concern heeft verlaten, feitelijke zeggenschap heeft gehad over de gedragingen die [B.V. 1] heeft verricht.

G.5

Ten aanzien van verdachtes betrokkenheid bij en wetenschap van de verduisteringen gepleegd door [B.V. 1] overweegt het hof als volgt.

Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen (zie periode 4 en 5 van de reconstructie) was verdachte er op 1 december 2007 volledig van op de hoogte dat in de periode daarvoor te weinig life settlements waren gekocht door het Easy Life-concern. Verdachte wist bovendien dat ingelegde gelden door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in hoge mate voor andere zaken waren gebruikt dan was overeengekomen met de beleggers. Zo wist verdachte dat ingelegde gelden waren gebruikt voor de aanschaf van auto’s en panden, hetgeen zoals verdachte heeft verklaard, niet overeenkomstig de afspraken was zoals beschreven in de toenmalige obligatieovereenkomst en prospectus. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte tegen hem en [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij bezig was om hen uit de gevangenis te houden. Daarmee doelde verdachte, aldus [medeverdachte 3] , op de uitgaven die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hadden gedaan met de gelden van inleggers in strijd met de overeenkomsten met de beleggers. Gelet op het vorenstaande was verdachte op de hoogte van eerdere verboden gedragingen van (de directeuren-grootaandeelhouders van) [B.V. 1]

In de periode na 1 december 2007 heeft verdachte zich ingespannen om het concern levensvatbaar te maken. Verdachte heeft echter ook daarna bewust nagelaten om geld van beleggers die derhalve na 1 december 2007 hebben ingelegd voor een substantieel deel aan te wenden conform het contractueel vastgelegde doel, te weten 70% voor de aankoop van life settlements dan wel 100% voor de financiering van de belegging in life settlements. Zulks terwijl, zoals onder meer blijkt uit zijn verklaringen, verdachte bekend was met de afspraken die voortvloeiden uit de eerdere obligatieovereenkomsten.

Door aldus te handelen heeft verdachte minstgenomen – hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden – maatregelen ter voorkoming dat [B.V. 1] opnieuw de ingelegde gelden in strijd met contractuele afspraken zou beheren en voor andere doeleinden zou aanwenden, achterwege gelaten en bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verduisteringen door [B.V. 1] zich zouden voordoen. De verduisteringen heeft verdachte bovendien bevorderd. Immers, verdachte en [medeverdachte 2] hebben [getuige 1] te kennen gegeven dat hij geen nieuwe life settlements mocht kopen en hebben een deel van de uitstaande biedingen laten intrekken. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [getuige 2] dat verdachte eerst wilde saneren en schulden wilden aflossen, waardoor in 2008 [B.V. 1] niet 70% van de ingelegde gelden heeft kunnen aanwenden voor de aankoop van life settlements dan wel 100% van de ingelegde gelden heeft kunnen aanwenden voor de financiering van de belegging in life settlements.

G.6

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 juli 2008 feitelijke leiding heeft gegeven aan verduisteringen gepleegd door [B.V. 1]

H.

Het hof verwerpt de verweren in al hun onderdelen.

I.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep – onder verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van

30 juni 2009 in de zaak Natunen tegen Finland – aangevoerd dat:

  • -

    de verdediging het hof heeft gevraagd kennis te nemen van ontlastende geheimhoudersstukken – die door de verdediging in het beslag zijn aangetroffen
    en – waaruit blijkt dat verdachte zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd en is blijven uitvoeren na en op advies van daartoe aangezochte juristen, op welk advies verdachte kon en mocht vertrouwen, en waaruit blijkt dat verdachte te goeder trouw was;

  • -

    de beslissing van het hof ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 januari 2015, dat deze geheimhoudersstukken geen onderdeel kunnen of mogen uitmaken van de stukken van het geding, betekent dat het hof geen acht slaat op relevant, ontlastend bewijsmateriaal, waardoor verdachte beperkt wordt in zijn recht op een eerlijk proces;

  • -

    volgens vaste rechtspraak van het EHRM de verdachte gecompenseerd dient te worden wanneer door het niet toelaten van bepaald bewijs hij beperkt wordt in zijn recht op een eerlijk proces, zulks terwijl compensatie in deze zaak niet mogelijk is, anders dan dat het hof ervan uitgaat dat wat verdachte ter zake verklaard heeft, waar is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

I.2

Het recht op een procedure op tegenspraak en het beginsel van “equality of arms” vormen fundamentele aspecten van het recht op een eerlijk proces ex artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich dat zowel het openbaar ministerie als de verdediging het recht hebben om nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging te overleggen. Dat recht is evenwel niet absoluut. Een beperking van de rechten van de verdediging is op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM toegestaan wanneer die beperking strikt noodzakelijk is ter bescherming van fundamentele rechten van anderen of vanwege een zwaarwegend algemeen belang.

Bovendien moeten, ter waarborging van het recht van de verdachte op een eerlijk proces, alle beletsels die voor de verdediging worden veroorzaakt door een beperking van haar rechten voldoende worden gecompenseerd in de door de gerechtelijke autoriteiten gevolgde procedures.

Artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, EVRM bepaalt dat eenieder die vervolgd wordt voor een strafbaar feit recht heeft op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van zijn verdediging. Dat brengt met zich dat een verdachte de mogelijkheid moet hebben om zijn verdediging op een passende wijze te organiseren, zonder dat hij wordt beperkt in zijn mogelijkheid om alle relevante verweren aan de rechter voor te leggen en dus om de uitkomst van de procedure te beïnvloeden.

Wanneer een verdachte de mogelijkheid wordt onthouden om nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen die hem in staat zouden stellen om zich vrij te pleiten of een lagere straf te krijgen, wordt de verdachte de faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging geweigerd, hetgeen een schending is van het hiervoor genoemde recht van verdachte op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, EVRM. Van een verdachte mag in dat kader evenwel worden verwacht dat hij specifieke argumenten opgeeft voor zijn verzoek om nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen en de rechter is bevoegd de redelijkheid van die argumenten onderzoeken.

I.3

Ter terechtzitting van 19 januari 2015 heeft het hof als volgt beslist:

Ter terechtzitting van 18 december 2014 heeft de raadsman een aantal stukken overgelegd waaronder zich – blijkens zijn mededeling ter terechtzitting – geheimhoudersstukken bevinden. De raadsheer-commissaris mr. Pfeil heeft alle overgelegde stukken beoordeeld. In de envelop bevinden zich de stukken die moeten worden aangemerkt als geheimhoudersstukken.

Ingevolge artikel 414, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering zijn de advocaat-generaal en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Met de wettelijke regeling omtrent geheimhoudersstukken is beoogd het belang te beschermen dat eenieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan – onder anderen – de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, een advocaat te raadplegen. Verzekerd dient te zijn dat gegevens die vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Sv, geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces, dus ook in het eindonderzoek ter terechtzitting, geen acht wordt geslagen.

Wat er zij van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent het ontlastend karakter van de over te leggen stukken: indien de geheimhouder geen verdachte is, is in artikel 126aa Sv noch in enige andere bepaling voorzien in de mogelijkheid om mededelingen die onder het verschoningsrecht vallen niettemin aan het dossier toe te voegen op de grond dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het overleggen van deze stukken in strijd is met beginselen van een behoorlijke procesorde en bepaalt dat de betreffende stukken niet aan het dossier worden toegevoegd.

Ten overvloede overweegt het hof dat, indien stukken aan het dossier zouden worden toegevoegd die mededelingen behelzen die onder het verschoningsrecht vallen, het hof die mededelingen niet aan enige beslissing ten grondslag zou mogen leggen. Het hof mag in een geval als het onderhavige, waarin het niet gaat om een onderzoek tegen een geheimhouder die zelf verdachte is, die gegevens niet gebruiken op de grond dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven dat van het verschoningsrecht.

Het hof zal geen kennis nemen van de stukken die zich in de envelop bevinden. Deze envelop wordt teruggegeven aan de raadsman.

I.4

Naar het oordeel van het hof is de verdediging in haar rechten beperkt doordat zij niet in de gelegenheid is geweest geheimhoudersstukken aan het dossier toe te voegen. Deze beperking is strikt noodzakelijk ter bescherming van een zwaarwegend algemeen belang, te weten het belang dat eenieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan – onder anderen – de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, een advocaat te raadplegen.

Voorts is deze beperking gedurende de behandeling van de zaak in hoger beroep voldoende gecompenseerd. Bij dat oordeel neemt het hof allereerst in aanmerking dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad om getuigen te ondervragen over hetgeen de stukken zouden inhouden, van deze gelegenheid heeft de verdediging ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Daarnaast heeft de verdediging de gelegenheid gehad om andere stukken, niet zijnde geheimhoudersstukken, met betrekking tot de advisering door deskundigen aan het hof over te leggen. Van deze gelegenheid heeft de verdediging eveneens gebruik gemaakt. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op het stuk getiteld “ [tijdlijn] ”.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat artikel 6, eerste lid, EVRM niet is geschonden.

I.5

Door de verdediging is bovendien meer in het bijzonder betoogd dat uit de geheimhoudersstukken – zoals ook volgt uit tot het bewijs gebezigde verklaringen (zie de reconstructie periodes 4 en 5) – zou blijken dat verdachte zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd en is blijven uitvoeren na en wellicht op advies van daartoe aangezochte juristen. Het hof is evenwel van oordeel, gelet op het hiervoor onder G.5 overwogene, dat wat er ook zij van de inhoud van de adviezen, verdachte daar hoe dan ook niet op had mogen vertrouwen.

Verdachte wist immers dat het niet in life settlements beleggen van de gelden – die met die reden ter beschikking waren gesteld – strafbaar handelen opleverde. Dat handelen is voor iedere gewone burger – en dus ook voor verdachte – als vanzelfsprekend laakbaar te achten. Voor zover verdachte zou menen dat hem desondanks een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van zijn handelen zou toekomen omdat hij meende te mogen vertrouwen op het advies van één of meerdere juristen, is het hof van oordeel dat hij niet tegen beter weten in daarop mocht vertrouwen.

Gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de geheimhoudersstukken, betreffen het dan ook geen stukken die de verdachte in staat zouden stellen om zich vrij te pleiten of een lagere straf te krijgen, zodat het niet kunnen overleggen van deze stukken geen schending van artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, EVRM oplevert.

I.6

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het 2. onder B subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

[B.V. 1] , verder te noemen ‘de B.V.’, in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 juli 2008, in Nederland, telkens opzettelijk bedragen aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 1.109.000, die toebehoorden aan de hierna genoemde personen, te weten:

 [belegger 2] tot een bedrag van € 229.000 en

 [belegger 3] tot een bedrag van € 100.000 en

 [belegger 4] tot een bedrag van € 90.000 en

 [belegger 5] tot een bedrag van € 50.000 en

 [belegger 6] tot een bedrag van € 120.000 en

 [belegger 7] tot een bedrag van € 150.000 en

 [belegger 8] tot een bedrag van € 170.000 en

 [belegger 10] tot een bedrag van € 100.000 en

 [belegger 11] tot een bedrag van € 100.000,

welke bedragen aan geld de B.V. als obligatieleningen en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedragingen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van verduistering, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

J.1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof enerzijds in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de mate waarin het bewezen verklaarde tot financiële schade heeft geleid voor de gedupeerden. Uit de verklaringen van de gedupeerden blijkt dat zij naar alle waarschijnlijkheid het door hen ingelegde (vaak met hypotheken beleende) vermogen grotendeels zijn kwijtgeraakt. Zulks met veel financiële problemen en ongemak voor de gedupeerden tot gevolg. Bovendien staat dit in schril contrast met hetgeen de gedupeerden zijn overeengekomen met het Easy Life-concern, namelijk dat zij na de looptijd hun volledige inleg terug zouden ontvangen en gedurende de looptijd periodiek hoge rentes zouden ontvangen;

  • -

    het feit dat verdachte het door de gedupeerden in het Easy Life-concern gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad;

  • -

    de mate waarin door het bewezen verklaarde het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in zijn algemeenheid gesteld moet kunnen worden in financiële instellingen schade heeft opgelopen.

Anderzijds heeft het hof ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde en de rol van verdachte daarbij in het bijzonder gelet op:

- de omstandigheid dat het bewezen verklaarde niet tot persoonlijk voordeel voor verdachte heeft geleid;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte zich ten opzichte van de medeverdachten gedurende een kortere tijd met het bewezen verklaarde feit heeft beziggehouden;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte naar eigen zeggen de bedoeling had om het bedrijf te redden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
7 augustus 2015, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld;

- het hem betreffend reclasseringsadvies d.d. 30 mei 2013 van Reclassering Nederland, opgemaakt door M.J. van Cleef;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles afwegende neemt het hof een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk tot uitgangspunt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, behoudens hetgeen hierna zal worden overwogen met betrekking tot de redelijke termijn, niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken.

J.2

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de redelijke termijn is overschreden, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 2 september 2008, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 26 april 2012. Aldus is er sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen. Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat – behoudens het laatste woord van verdachte – de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen verdachte reeds in januari 2010 was afgerond toen de rechtbank in maart 2010, naar aanleiding van het verhandelde in de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , ambtshalve besloot het onderzoek van de zaak te schorsen en de stukken in handen te stellen van de rechter-commissaris teneinde een deskundigenonderzoek te laten verrichten naar de rekening-courantverhouding van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Als gevolg daarvan is de behandeling van de zaak eerst in maart 2012 hervat.

De officier van justitie en de verdachte hebben respectievelijk op 8 mei 2012 en 10 mei 2012 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 43 maanden na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof onvoldoende omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen. Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat hoewel een deel van het tijdsverloop zijn oorzaak vindt in de onderzoekswensen van de verdediging, niet het gehele tijdsverloop daaruit kan worden verklaard.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk op te leggen.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van € 295.667,20. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 415 van die wet, kan de benadeelde partij niet in deze vordering worden ontvangen omdat aan de benadeelde partij door verdachtes bewezen verklaarde handelen geen rechtstreekse schade is toegebracht.

Het hof zal de proceskosten compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

2. De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van € 121.324,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 415 van die wet, kan de benadeelde partij niet in deze vordering worden ontvangen omdat aan de benadeelde partij door verdachtes bewezen verklaarde handelen geen rechtstreekse schade is toegebracht.

Het hof zal de proceskosten compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 2. onder A. primair dan wel subsidiair en onder 2. onder B. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2. onder B. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering tot schadevergoeding
niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. drs. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide en mr. R.P. van der Pijl, griffiers,

en op 30 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

[Bijlage]