Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4832

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
20-001636-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BW3958, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:324, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Easy Life. Hof veroordeelt directeur-grootaandeelhouder tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden ter zake van deelneming aan een criminele organisatie, verduistering en feitelijke leiding geven aan verduistering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001636-12

Uitspraak : 30 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 april 2012 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers
01-997512-08 en 01-820046-09, tegen:

[verdachte] ,

geboren te ' [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd –:

  • -

    deelneming aan een criminele organisatie, terwijl hij van die organisatie leider is (feit 1 in de zaak met parketnummer 01-997512-08),

  • -

    het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (feiten 2 primair en 4 primair in de zaak met parketnummer 01-997512-08), en

  • -

    het voorhanden hebben van een vuurwapen en de daarbij behorende munitie (feit 1 in de zaak met parketnummer 01-820046-09)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Van het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 3. primair en subsidiair en
5. primair en subsidiair ten laste gelegde alsmede het in de zaak met parketnummer
01-820046-09 onder 2. ten laste gelegde is verdachte vrijgesproken.

Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de door hen ingediende vorderingen.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 1. (deelname aan een criminele organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij daarvan leider is) en onder 2. onder A. primair en onder 4. onder A. primair ten laste gelegde (telkens: het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd) en het in de zaak met parketnummer 01-820046-09 onder 1. ten laste gelegde (het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie van categorie III), zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in de door hen ingediende vorderingen.

De verdediging heeft primair bepleit dat:

  • -

    de dagvaarding partieel nietig zal worden verklaard;

  • -

    verdachte integraal zal worden vrijgesproken van het hem in de zaak met parketnummer 01-997512-08 ten laste gelegde;

  • -

    de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte richt zich mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 3. en 5. en in de zaak met parketnummer 01-820046-09 onder 2. ten laste werd gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

A.1

Gelet op de inhoud van het procesdossier heeft de steller van de tenlastelegging met betrekking tot de in het onder 2. ten laste gelegde genoemde belegger [belegger 6] onmiskenbaar het oog gehad op het bedrag van € 100.000,- dat [belegger 6] in 2007 als obligatielening heeft verstrekt aan [B.V. 1] en niet op het bedrag van
€ 280.000,- dat [belegger 6] in 2006 als deelnemer aan [C.V. 2] heeft ingelegd.

Het hof zal daarom de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat het in het onder 2. ten laste gelegde voor de zinsnede “ [belegger 6] tot een bedrag van € 280.000 of daaromtrent” de zinsnede “ [belegger 6] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent” in de plaats stelt.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof in het onder 2. onder B. ten laste gelegde voorts voor de zinsnede “tot een totaalbedrag groot € 3.029.000 of daaromtrent” de zinsnede “tot een totaalbedrag groot € 2.849.000 of daaromtrent” in de plaats.

A.2

In het onder 1. ten laste gelegde heeft de steller van de tenlastelegging [belegger 6] twee maal opgenomen, te weten als belegger in (obligaties uitgegeven door) [B.V. 1] alsmede als belegger in deelnemerscertificaten van (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] . Gelet op de inhoud van het procesdossier heeft de steller van de tenlastelegging daarmee onmiskenbaar het oog gehad op respectievelijk het bedrag van € 100.000,- dat [belegger 6] in 2007 als obligatielening heeft verstrekt aan [B.V. 1] en het bedrag van € 280.000,- dat [belegger 6] in 2006 als deelnemer aan [C.V. 2] heeft ingelegd.

Voor zover de tenlastelegging ziet op [belegger 6] als belegger in (obligaties uitgegeven door) [B.V. 1] zal het hof, gelet op het hiervoor onder A.1 overwogene, het onder 1. ten laste gelegde verbeterd lezen in dier voege dat het voor de zinsnede “ [belegger 6] tot een bedrag van € 280.000 of daaromtrent” de zinsnede “ [belegger 6] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent” in de plaats stelt.

A.3

De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting door deze verbeteringen niet in zijn verdediging geschaad.

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en met inachtneming van het bovenstaande – ten laste gelegd dat:

parketnummer 01-997512-08:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 25 augustus 2008, althans in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2006 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van één of meer natuurlijke perso(o)n(en) genaamd [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of één of meer rechtsperso(o)n(en) genaamd [B.V. 2] en/of [B.V. 2] en/of [B.V. 3] en/of [B.V. 4] en/of [B.V. 1] en/of [B.V. 1] en/of [stichting] en/of [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] en/of één of meer andere rechtsperso(o)n(en) en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting en/of verduistering (jegens één of meer van de hierna genoemde beleggers in (obligaties uitgegeven door) [B.V. 1] , te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 55.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 130.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 250.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 80.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 75.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 290.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 14] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 15] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 16] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 17] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 18] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

en/of jegens één of meer van de hierna genoemde beleggers in deelnemerscertificaten van (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] , te weten:

 [benadeelde 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 19] tot een bedrag van € 180.000 of daaromtrent en/of

 [benadeelde 2] tot een bedrag van € 197.925 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 21] tot een bedrag van € 51.500 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 280.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 22] tot een bedrag van € 450.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 23] en/of [rechtspersoon 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent),

terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van die organisatie was;

2.

A. primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 25 augustus 2008, althans vanaf de maand september 2006 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) één of meer van de hierna genoemde personen, verder te noemen de beleggers, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van één of meer bedrag(en) aan geld, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 55.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 130.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 250.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 24] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 80.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 75.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 290.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 14] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 15] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 16] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 17] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 18] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -:

(telkens) aan (één of meer van) die beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen, om (nagenoeg) risicoloos in [B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, te investeren, door afname van door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen Amerikaanse levenspolissen (life settlements), waarbij aan (één of meer van) die beleggers mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te geven obligaties en/of in de door die beleggers en de B.V. opgemaakte en/of ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of met die beleggers (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenspolissen (life settlements), (telkens) obligaties wenst uit te geven met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en/of

- dat de obligatieleningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenspolissen (life settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) een gedurende de looptijd van de obligatieleningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat de beleggers de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij de beleggers (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) de beleggers (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n);

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 25 augustus 2008, althans vanaf de maand september 2006 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) één of meer van de hierna genoemde personen verder te noemen de beleggers, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 55.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 130.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 250.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 24] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 80.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 75.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 290.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 14] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 15] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 16] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 17] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 18] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

immers heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar mededader(s) toen daar
(telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -:

(telkens) aan (één of meer van) de beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen, om (nagenoeg) risicoloos in [B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, te investeren, door afname van door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen Amerikaanse levenspolissen (life settlements), waarbij aan (één of meer van) die beleggers mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te geven obligaties en/of in de door de beleggers en de B.V. opgemaakte en/of ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of met de beleggers (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenspolissen (life settlements), (telkens) obligaties wenst uit te geven met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en/of

- dat de obligatieleningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenspolissen (life settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) een gedurende de looptijd van de obligatieleningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat de beleggers de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij de beleggers (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) de beleggers (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n),

terwijl hij, verdachte, tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);

en/of

B. primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 25 augustus 2008, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2006 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk één of meer bedrag(en) aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 2.849.000 of daaromtrent, in elk geval één of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan één of meer van de hierna genoemde personen, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 55.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 130.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 250.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 24] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 80.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 75.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 290.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 14] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 15] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 16] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 17] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 18] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld, althans welk(e) goed(eren) verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van hun/zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur en/of bestuurder en/of werknemer van [B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, (telkens) als obligatielening(en) van door de B.V. aan de beleggers uitgegeven obligatie(s), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[B.V. 1] (voorheen genaamd [B.V. 1] ), verder te noemen ‘de B.V.’, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 25 augustus 2008, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2006 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (één of meer) bedrag(en) aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 2.849.000 of daaromtrent, in elk geval één of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan één of meer van de hierna genoemde personen, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 2] tot een bedrag van € 55.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 3] tot een bedrag van € 130.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 4] tot een bedrag van € 250.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 24] tot een bedrag van € 229.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 5] tot een bedrag van € 80.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 7] tot een bedrag van € 90.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 8] tot een bedrag van € 75.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 9] tot een bedrag van € 290.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 10] tot een bedrag van € 50.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 11] tot een bedrag van € 120.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 12] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 13] tot een bedrag van € 170.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 14] tot een bedrag van € 150.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 15] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 16] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 17] tot een bedrag van € 175.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 18] tot een bedrag van € 300.000 of daaromtrent

in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan de B.V. en/of haar mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld, althans welk(e) goed(eren) de B.V. en/of haar mededader(s) (telkens) als obligatielening(en) van door de B.V. en/of haar mededader(s) aan de beleggers uitgegeven obligatie(s) en aldus/in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

terwijl hij, verdachte, tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);

4.

A. primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 2 april 2008, althans vanaf de maand september 2006 tot en met de maand april 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) één of meer van de hierna genoemde personen (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van één of meer bedrag(en) aan geld, te weten:

 [benadeelde 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 19] tot een bedrag van € 180.000 of daaromtrent en/of

 [benadeelde 2] tot een bedrag van € 197.925 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 21] tot een bedrag van € 51.500 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 280.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 22] tot een bedrag van € 450.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 23] en/of [rechtspersoon 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - :

(telkens) aan die personen voorgesteld, althans doen of laten voorstellen, om (nagenoeg) risicoloos in (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] te investeren, door afname van door (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] uit te geven deelnamecertificaten, ter financiering van door (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] aan te kopen Amerikaanse levenspolissen (life settlements), waarbij aan die personen, mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van deelnamecertificaten verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] en/of over de door (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] uit te geven deelnamecertificaten en/of in de door [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] opgemaakte en/of ondertekende deelnamecertificaten is voorgehouden en/of met die personen (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] ter financiering van de beleggingen in levenspolissen (life settlements), (telkens) deelnamecertificaten wensen/wenst uit te geven en/of leningovereenkomsten wensen/wenst te sluiten met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar, met die personen, en/of

- dat de leningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenspolissen (life settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de leningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de leningen (telkens) een gedurende de looptijd van de leningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8,7% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat die personen de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij die personen (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) die personen (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n);

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 2 april 2008, althans vanaf de maand september 2006 tot en met de maand april 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met elkaar en/of met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) één of meer van de hierna genoemde personen (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld, te weten:

 [benadeelde 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 19] tot een bedrag van € 180.000 of daaromtrent en/of

 [benadeelde 2] tot een bedrag van € 197.925 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 21] tot een bedrag van € 51.500 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 280.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 22] tot een bedrag van € 450.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 23] en/of [rechtspersoon 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent,

immers hebben/heeft [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] en/of (één of meer van) hun/haar mededader(s), toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -:

(telkens) aan die personen voorgesteld, althans doen of laten voorstellen, om (nagenoeg) risicoloos in (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] te investeren, door afname van door (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] uit te geven deelnamecertificaten, ter financiering van door (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] aan te kopen Amerikaanse levenspolissen (life settlements), waarbij aan die personen, mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van deelnamecertificaten verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] en/of over de door (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] uit te geven deelnamecertificaten en/of in de door [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] opgemaakte en/of ondertekende deelnamecertificaten is voorgehouden en/of met die personen (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat (respectievelijk) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] ter financiering van de beleggingen in levenspolissen (life settlements), (telkens) deelnamecertificaten wensen/wenst uit te geven en/of leningovereenkomsten wensen/wenst te sluiten met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar, met die personen, en/of

- dat de leningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenspolissen (life settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de leningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de leningen (telkens) een gedurende de looptijd van de leningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8,7% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat die personen de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij die personen (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) die personen (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n),

terwijl hij, verdachte, tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);

en/of

B. primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 25 augustus 2008, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2006 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (één of meer) bedrag(en) aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 1.494.425 of daaromtrent, in elk geval één of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan één of meer van de hierna genoemde personen, te weten:

 [benadeelde 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 19] tot een bedrag van € 180.000 of daaromtrent en/of

 [benadeelde 2] tot een bedrag van € 197.925 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 21] tot een bedrag van € 51.500 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 280.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 22] tot een bedrag van € 450.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 23] en/of [rechtspersoon 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent,

in elk geval (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van hun/zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als feitelijk en/of al dan niet middellijk directeur en/of bestuurder en/of werknemer van/bij (de beherende besloten vennootschap van) [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] , als leningen van door [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] aan die perso(o)n(en) uitgegeven deelnamecertificaten, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 25 augustus 2008, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2006 tot en met de maand augustus 2008, in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (één of meer) bedrag(en) aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 1.494.425 of daaromtrent, in elk geval één of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan één of meer van de hierna genoemde personen, te weten:

 [benadeelde 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 19] tot een bedrag van € 180.000 of daaromtrent en/of

 [benadeelde 2] tot een bedrag van € 197.925 of daaromtrent en/of

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 21] tot een bedrag van € 51.500 of daaromtrent en/of

 [belegger 6] tot een bedrag van € 280.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 22] tot een bedrag van € 450.000 of daaromtrent en/of

 [belegger 23] en/of [rechtspersoon 1] tot een bedrag van € 100.000 of daaromtrent,

in elk geval (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander of anderen dan aan [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] en/of (één of meer van) haar/hun mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] en/of haar/hun mededader(s)

(telkens) als leningen van door [C.V. 1] en/of [C.V. 2] en/of [C.V. 3] aan die perso(o)n(en) uitgegeven deelnamecertificaten (en aldus) in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend,

terwijl hij, verdachte, tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);


parketnummer 01-820046-09

1.
hij op of omstreeks 2 september 2008 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, één of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk: FN Baby), en/of munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

B.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde wat betreft de zinsnede “één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en)” alsmede de zinsnede “één of meer andere rechtsperso(o)n(en)”. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de tenlastelegging op deze punten niet voldoet aan de eisen die gesteld worden in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, aangezien onduidelijk is wat het openbaar ministerie met deze zinsneden bedoelt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Mede gezien tegen de achtergrond van het dossier is voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich kan verdedigen.

Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep er blijk van heeft gegeven goed te hebben begrepen wat is ten laste gelegd en te weten waartegen verdachte zich moest verweren. Zo omvat haar pleidooi inhoudelijke verweren met betrekking tot de verschillende onderdelen van de tenlastelegging.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Vrijspraak

C.1

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat bij verdachte de bedoeling voorstond om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen op het moment dat de in de tenlastelegging genoemde personen werden bewogen te beleggen in de in de tenlastelegging genoemde vennootschappen. Voorts kan uit het voorhanden bewijs niet volgen dat verdachte op dat moment moet hebben geweten dat zijn handelen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht dat hij of een ander wederrechtelijk bevoordeeld werd of zou worden.

Gelet hierop schiet het voorhanden bewijs erin tekort dat verdachte het oogmerk had om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, zodat het hof reeds daarom niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het in de zaak met het oorspronkelijke parketnummer 01-997512-08 onder 2. onder A. primair en het onder 4. onder A. primair ten laste gelegde heeft begaan.

C.2

Evenmin is op grond van het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat op het moment dat de in de tenlastelegging genoemde personen werden bewogen te beleggen, [B.V. 1] , [C.V. 1] , [C.V. 2] dan wel [C.V. 3] het oogmerk had om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, zodat het hof reeds daarom niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het in de zaak met het oorspronkelijke parketnummer 01-997512-08 onder 2. onder A. subsidiair en het onder 4. onder A. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

C.3

Het hof zal de verdachte bijgevolg vrijspreken van het hem in de zaak met het oorspronkelijke parketnummer 01-997512-08 onder 2. onder A. primair en subsidiair, en het hem onder 4. onder A. primair en subsidiair, ten laste gelegde.

C.4

Voorts schiet het voorhanden bewijs erin tekort dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 gelden van in de tenlastelegging genoemde beleggers zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het hof acht dan ook niet bewezen dat verdachte in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 het onder 2. onder B. primair ten laste gelegde heeft begaan. Bijgevolg zal verdachte partieel, namelijk voor de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008, ook van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 ten laste gelegde

[Het bewijs]

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

D.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

E.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 2. onder B. primair en onder 4. onder B. primair ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte als (mede)pleger geld heeft verduisterd van de in de tenlastelegging genoemde beleggers. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet kan worden vastgesteld hoe de diverse gelden zijn aangewend en bovendien niet kan worden uitgesloten dat de ingelegde bedragen volledig zijn besteed aan de aankoop van life settlements en kosten die direct daarmee verband houden. Immers, in de periode dat verdachte actief was bij Easy Life zijn meer life settlements aangekocht dan geld is ingelegd door de in de tenlastelegging genoemde beleggers.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het opzet heeft gehad om de gelden van de in de tenlastelegging genoemde beleggers te verduisteren. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- verdachte altijd het geloof heeft gehad dat de afspraken met de beleggers zouden worden nagekomen;

- geen sprake was van het (voorwaardelijke) opzet op verduistering, omdat de kans dat de ingelegde gelden zouden worden verduisterd niet aanmerkelijk was en verdachte deze kans bovendien niet bewust heeft aanvaard.

E.2

Onder verwijzing naar hetgeen het hof heeft overwogen onder C.3 wordt verdachte partieel, te weten van het (mede)plegen van de onder 2. onder B. primair gepleegde verduisteringen in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008, vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 2. onder B. primair en onder 4 onder B. primair ten laste gelegde verduisteringen in de periode 1 januari 2007 tot en met 30 november 2007 overweegt het hof als volgt.

E.3

Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen hebben – naast de hierna in de bewezenverklaring onder 4. genoemde beleggers – ook andere beleggers geld ingelegd en middels leningovereenkomsten deelgenomen aan één van de C.V.’s van Easy Life. Tevens hebben meer beleggers – naast de hierna in de bewezenverklaring onder 2. genoemde beleggers – obligatieleningen afgesloten met en geld ingelegd in [B.V. 1] Op de rekeningen van de vennootschappen is het ingelegde geld van de hierna te noemen beleggers vermengd met geld van andere beleggers, met als gevolg dat niet meer per geïndividualiseerd ingelegd bedrag kan worden achterhaald waarvoor dit is aangewend. Het hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat op grond van de omstandigheid dat vermenging heeft plaatsgevonden, nog niet de conclusie kan worden getrokken dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat het geld van specifieke beleggers is toegeëigend.

Indachtig de omstandigheid dat vermenging heeft plaatsgevonden, staat de stelling van de verdediging dat in de betreffende periode meer life settlements zijn aangekocht dan geld is ingelegd door de in de tenlastelegging genoemde beleggers, niet aan een bewezenverklaring van verduistering in de weg.

E.4

De in de tenlastelegging onder 2. onder B. primair en onder 4. onder B. primair voorkomende uitdrukking ‘wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend’ moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht – in de vervoeging ‘wederrechtelijk zich toe-eigent’ – voorkomende uitdrukking. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.

Van een zodanig beschikken kan afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval (onder meer) ook sprake zijn (i) indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend dan wel (ii) indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.

E.5

Op basis van de bewijsmiddelen (zie onder de kopjes ‘contractuele verplichtingen met de beleggers in de C.V.’s’ en ‘contractuele verplichtingen met de beleggers in de B.V.’) – in onderling verband en samenhang bezien – stelt het hof vast dat:

- de C.V.’s middels de leningovereenkomsten met de beleggers de contractuele verplichtingen zijn aangegaan om (i) minimaal ter waarde van het leningbedrag life settlements aan te kopen, (ii) na het verstrijken van de looptijd het volledige leningbedrag (al dan niet aangevuld met het door sparen opgebouwde bedrag) terug te betalen aan de beleggers en (iii) over het geleende bedrag tot de datum van aflossing aan de beleggers periodiek een percentage aan rente te voldoen;

- [B.V. 1] door middel van de obligatieovereenkomsten met de beleggers de contractuele verplichtingen is aangegaan om (i) 70% van de obligatielening aan te wenden voor de aankoop van life settlements dan wel 100% van de obligatielening aan te wenden voor de financiering van de belegging in life settlements, (ii) aan het einde van de looptijd van de obligatielening de volledige inleg af te lossen op een bankrekening van de belegger en (iii) over het ingelegde bedrag tot de datum van aflossing (of de datum waarop een bedrag opeisbaar is) periodiek aan de beleggers een percentage aan rente te voldoen.

E.6

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 november 2007 het door beleggers ingelegde geld – waarvan de door de in de bewezenverklaring genoemde beleggers ingelegde bedragen deel uitmaakten – heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor dit geld door de beleggers naar de C.V.’s en/of [B.V. 1] was overgemaakt, namelijk de contractuele doelen zoals hiervoor onder E.5 weergegeven. Bovendien heeft verdachte door aldus te handelen de teruggave van de gelden aan het einde van de looptijd en de periodieke uitbetaling van rente aan de in de bewezenverklaring genoemde beleggers minstgenomen aanmerkelijk bemoeilijkt.

Verdachte heeft aldus als heer en meester beschikt over de in de bewezenverklaring genoemde gelden, zodat hij zich deze gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat verdachte heeft verklaard dat aankopen van onroerend goed in een aantal gevallen als zakelijk zou moeten worden aangemerkt. Het aanwenden van het door beleggers ingelegde geld voor de aankoop van onroerend goed was immers in strijd met de contractuele doelen waarvoor dit geld door de beleggers naar de C.V.’s en/of [B.V. 1] was overgemaakt. Ten overvloede merkt het hof nog op dat de eigendom van het met geld van beleggers aangekochte onroerend goed bovendien niet is verkregen door het Easy Life-concern, zodat in zoverre het voor de aanschaf gebruikte geld van beleggers tevens blijvend aan het vermogen van het Easy Life-concern is onttrokken.

E.7

Verdachte heeft verklaard dat in februari 2007 is besproken dat de gelden van [B.V. 1] niet konden worden aangewend voor de aankoop van onroerend goed. Bovendien was verdachte gelet op de gebezigde bewijsmiddelen bekend met de afspraken die voortvloeiden uit de met de beleggers aangegane overeenkomsten. Verdachte wist aldus dat het door beleggers ingelegde geld niet vrijelijk mocht worden besteed. Desondanks heeft verdachte aanzienlijke geldbedragen van de rekeningen van [C.V. 2] , [C.V. 3] en [B.V. 1] aangewend voor de aanschaf van onder meer onroerend goed en auto’s. Gelet hierop heeft verdachte het door beleggers ingelegde geld willens en wetens aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor dit geld door de beleggers naar de C.V.’s en [B.V. 1] was overgemaakt.

E.8

Gelet op het vorenoverwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 november 2007 de in de bewezenverklaring genoemde gelden van beleggers heeft verduisterd.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat verdachte naar eigen zeggen bedragen heeft terugbetaald, aangezien de verduistering reeds was voltooid op het moment dat verdachte het geld van beleggers aanwendde voor een ander doel dan waarvoor het naar de C.V.’s en/of [B.V. 1] was overgemaakt. Zulks heeft evenzeer te gelden voor de verklaring van verdachte dat hij dacht dat bedragen konden worden verrekend met commissiegelden.

E.9

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

F.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 2. onder B. subsidiair ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [B.V. 1] verduisteren van gelden van de in de tenlastelegging genoemde beleggers. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- niet kan worden vastgesteld hoe de diverse gelden zijn aangewend en bovendien niet kan worden uitgesloten dat de ingelegde bedragen volledig zijn besteed aan de aankoop van life settlements en de kosten die daarmee direct verband houden, aangezien in de periode dat verdachte bij Easy Life betrokken was meer life settlements zijn aangekocht dan geld is ingelegd door de in de tenlastelegging genoemde beleggers;

- voor zover verdachte al op de hoogte was van eventuele strafbare handelingen, hij deze niet heeft aanvaard, maar juist alles in het werk heeft gesteld om Easy Life weer op de rails te krijgen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

F.2

Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen hebben – naast de beleggers [belegger 24] , [belegger 6] , [belegger 7] , [belegger 10] , [belegger 11] , [belegger 12] , [belegger 13] , [belegger 15] en [belegger 16] – veel meer beleggers obligatieleningen afgesloten met en geld ingelegd in [B.V. 1] Op de rekeningen van de vennootschap is het ingelegde geld van de hiervoor genoemde beleggers vermengd met geld van andere beleggers, met als gevolg dat niet meer per geïndividualiseerd ingelegd bedrag kan worden achterhaald waarvoor dit is aangewend. Het hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat op grond van de omstandigheid dat vermenging heeft plaatsgevonden, nog niet de conclusie kan worden getrokken dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat het geld van specifieke beleggers is toegeëigend door [B.V. 1]

Indachtig de omstandigheid dat vermenging heeft plaatsgevonden, staat de stelling van de verdediging dat in de betreffende periode meer life settlements zijn aangekocht dan geld is ingelegd door de in de tenlastelegging genoemde beleggers, evenmin aan een bewezenverklaring van verduistering in de weg.

F.3

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen (zie hiervoor onder de kopjes ‘inleg’ en ‘aangekochte polissen’) stelt het hof vast dat in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 de polissen 30 tot en met 41 en 43 en 44 zijn aangekocht door het Easy Life-concern. In het voordeel van verdachte neemt het hof aan dat ook de polis 42 in deze periode is aangekocht, doch eerst op 3 september 2008 is verkregen. Aldus zijn in deze periode voor in totaal € 2.197.958,45 polissen aangekocht. Tevens zijn in deze periode voor € 957.274,75 betalingen gedaan in verband met de aankoop van polissen. Aldus is in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 in totaal (€ 2.197.958,45 + € 957.274,75 =) € 3.155.233,20 besteed aan de aankoop van polissen.

In die periode is door inleggers een bedrag van € 10.844.000,00 ingelegd.

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 (€ 3.155.233,20 : € 10.844.000,00 * 100% = (afgerond)) 29,1% van de inleg van beleggers door Easy Life is besteed aan de aankoop van polissen.

F.4

Zoals hiervoor overwogen, is gelet op de vermenging van de ingelegde gelden van de beleggers [belegger 24] , [belegger 6] , [belegger 7] , [belegger 10] , [belegger 11] , [belegger 12] , [belegger 13] , [belegger 15] en [belegger 16] met de gelden van de overige beleggers in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 niet meer vast te stellen hoe de gelden van de individuele beleggers zijn aangewend. Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof het alleszins redelijk om er vanuit te gaan dat 29,1% van de ingelegde gelden van voormelde beleggers is aangewend voor de aankoop van polissen.

F.5

Zoals het hof hiervoor onder E.5 reeds heeft overwogen, stelt het hof vast dat [B.V. 1] door middel van de obligatieovereenkomsten met de beleggers de contractuele verplichtingen is aangegaan om (i) 70% van de obligatielening aan te wenden voor de aankoop van life settlements dan wel 100% van de obligatielening aan te wenden voor de financiering van de belegging in life settlements, (ii) aan het einde van de looptijd van de obligatielening de volledige inleg af te lossen op een bankrekening van de belegger en (iii) over het ingelegde bedrag tot de datum van aflossing (of de datum waarop een bedrag opeisbaar is) periodiek aan de beleggers een percentage aan rente te voldoen.

F.6

Zoals het hof hiervoor onder F.4 heeft overwogen, is slechts een beperkt deel van de inleg van de beleggers [belegger 24] , [belegger 6] , [belegger 7] , [belegger 10] , [belegger 11] , [belegger 12] , [belegger 13] , [belegger 15] en [belegger 16] door [B.V. 1] daadwerkelijk aangewend voor de aankoop van life settlements, namelijk 29,1%.

Hieruit kan bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dan dat [B.V. 1] de ingelegde gelden van voormelde beleggers in strijd met het contractuele doel om 70% van de obligatielening aan te wenden voor de aankoop van life settlements dan wel 100% van de obligatielening aan te wenden voor de financiering van de belegging in life settlements heeft beheerd en voor andere doeleinden heeft aangewend.

Voorts overweegt het hof dat door slechts een beperkt deel van de ingelegde gelden te investeren in life settlements, die zouden moeten renderen, de teruggave van de gelden aan het einde van de looptijd van de obligatieleningen en de periodieke uitbetaling van rente, minstgenomen, aanmerkelijk zijn bemoeilijkt.

F.7

Het hof is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat [B.V. 1] , zonder daartoe gerechtigd te zijn, als heer en meester heeft beschikt over de in de bewezenverklaring genoemde gelden, zodat de B.V. zich deze gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht, zulks terwijl deze gelden toebehoorden aan de in de bewezenverklaring genoemde beleggers. Immers, [B.V. 1] ontving deze gelden slechts teneinde deze voor 70 procent aan te wenden voor de aankoop van life settlements dan wel voor 100 procent aan te wenden voor de financiering van de belegging in life settlements.

F.8

Van feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen gepleegd door een rechtspersoon kan onder omstandigheden sprake zijn indien de desbetreffende functionaris – hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden – maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze situatie wordt de zojuist bedoelde functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen.

De bevoegdheid tot ingrijpen, bestaat indien de verdachte de feitelijke zeggenschap heeft gehad over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht.

De bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld kan zich te dezen voordoen, indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband houdt met de ten laste gelegde feiten.

F.9

Het hof stelt in dat kader ten aanzien van de gedragingen van verdachte en zijn betrokkenheid bij [B.V. 1] het navolgende vast.

i. Verdachte is in maart 2007 directeur-grootaandeelhouder geworden van het Easy Life-concern. Vanaf 24 januari 2008 is verdachte de enig directeur-grootaandeelhouder van het Easy Life-concern.

ii. Verdachte is eind oktober, begin november 2007 op de hoogte geraakt van ‘het gat’ (tussen de ingelegde gelden en de aangekochte polissen) en heeft toen samen met [medeverdachte 2] een telefoongesprek gevoerd met [getuige 2] , die via [B.V. 3] middels een beheerovereenkomst betrokken was bij de aankoop en het beheer van life settlements ten behoeve van Easy Life. [getuige 2] is toen medegedeeld dat er een liquiditeitstekort was bij Easy Life en dat hij te veel life settlements had gekocht. [getuige 2] heeft naar aanleiding van dit telefoongesprek een groot deel van de uitstaande biedingen op life settlements moeten intrekken.

iii. [medeverdachte 2] is per november 2007 aangesteld als operationeel directeur van Easy Life. [medeverdachte 2] is door verdachte aangesteld om de dagelijkse leiding op zich te nemen. [medeverdachte 2] was (onder meer) verantwoordelijk voor het financiële betalingsverkeer, waaronder de aankoop van life settlements. [medeverdachte 2] verklaarde daarover: “Ik had voortdurend ruggespraak met [verdachte] , onder meer over het reddingsplan. (…) Ik onderhield altijd overleg met de dga’s. (…) Ik ben een uitvoerend leidinggevende geweest. Ik gedroeg mij als de baas van de toko, maar feitelijk voerde ik opdrachten uit van de dga.

iv. Verdachte was in ieder geval op 1 december 2007 ten volle op de hoogte van het in de periode daarvoor ontstane ‘gat’ tussen het geld van beleggers dat besteed had moeten zijn aan de aankoop van life settlements en het geld dat daadwerkelijk was besteed aan de aankoop van life settlements.

v. Verdachte is vervolgens (direct en indirect) betrokken geweest bij de pogingen om het Easy Life-concern gezond te maken, onder meer door het saneren van personeels- en exploitatiekosten en het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met medeverdachte [medeverdachte 1] .

vi. Tevens is verdachte betrokken geweest bij de beslissing om € 810.000,- over te maken naar een Zwitserse bankrekening op naam van [rechtspersoon 2] in het kader van een poging om een grote investeerder aan te trekken (de ['deal']) alsmede de onderhandelingen met [rechtspersoon 3] over de aanschaf van een polisportefeuille.

vii. Volgens [getuige 1] is het in 2008 niet gelukt om minimaal 70 % van de ingelegde gelden te beleggen in life settlements, omdat [medeverdachte 2] zei dat hij eerst de zaak wilde saneren.

F.10

Uit het onder F.9 weergegevene blijkt dat verdachte in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 feitelijke zeggenschap heeft gehad over de gedragingen die [B.V. 1] heeft verricht.

F.11

Ten aanzien van verdachtes betrokkenheid bij en wetenschap van de verduisteringen gepleegd door [B.V. 1] overweegt het hof als volgt.

Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen was verdachte er op 1 december 2007 volledig van op de hoogte dat in de periode daarvoor te weinig life settlements waren gekocht door het Easy Life-concern. Bovendien wist verdachte, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, dat ingelegde gelden door [medeverdachte 1] en door hemzelf in hoge mate voor andere zaken waren gebruikt dan was overeengekomen met de beleggers. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [medeverdachte 2] tegen hem en verdachte heeft gezegd dat hij bezig was om hen uit de gevangenis te houden. Daarmee doelde [medeverdachte 2] , aldus [medeverdachte 1] , op de uitgaven die verdachte en [medeverdachte 1] hadden gedaan met de gelden van beleggers in strijd met de overeenkomsten met de beleggers. Gelet op het vorenstaande was verdachte op de hoogte van eerdere strafbare feiten begaan binnen [B.V. 1]

In de periode na 1 december 2007 heeft verdachte zich ingespannen om het concern weer levensvatbaar te maken. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben echter ook daarna bewust nagelaten om geld van beleggers die derhalve na 1 december 2007 hebben ingelegd voor een substantieel deel aan te wenden conform het contractueel vastgelegde doel, te weten 70% voor de aankoop van life settlements dan wel 100% voor de financiering van de belegging in life settlements. Zulks terwijl verdachte bekend was met de afspraken die voortvloeiden uit de obligatieovereenkomsten.

Door aldus te handelen heeft verdachte minstgenomen – hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden – maatregelen ter voorkoming dat [B.V. 1] opnieuw de ingelegde gelden in strijd met contractuele afspraken zou beheren en voor andere doeleinden zou aanwenden, achterwege gelaten en bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verduisteringen door [B.V. 1] zich zouden voordoen. De verduisteringen heeft verdachte bovendien bevorderd. Immers, verdachte en [medeverdachte 2] hebben [getuige 2] te kennen gegeven dat hij geen nieuwe life settlements mocht kopen en hebben een deel van de uitstaande biedingen laten intrekken.

F.12

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 feitelijke leiding heeft gegeven aan verduisteringen gepleegd door [B.V. 1]

F.13

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

G.1

De raadslieden hebben tevens bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1. ten laste gelegde – kort gezegd – deelname aan een criminele organisatie. De verdediging heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat in de periode na 1 maart 2007 tot het moment dat verdachte is aangehouden weliswaar sprake was van een samenwerkingsverband met een duurzaam karakter, maar dat deze organisatie niet het oogmerk heeft gehad op het plegen van oplichting en/of verduistering.

G.2

Voorts hebben de raadslieden ten verweer betoogd dat, indien het hof bewezen acht dat er verboden gedragingen zijn gepleegd door een criminele organisatie, verdachte niet heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie. Verdachte heeft volgens de verdediging niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen en evenmin heeft verdachte opzettelijk deze gedragingen bevorderd. De raadslieden hebben in dit verband – zakelijk samengevat - aangevoerd dat verdachte te goeder trouw is ingestapt in het Easy Life-concern, zonder wetenschap dat mogelijk strafbare feiten in de organisatie zouden worden gepleegd. In de periode na november 2007 was verdachte weliswaar op de hoogte van ‘het gat’, echter toen heeft hij juist getracht om te voorkomen dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.

G.3

Het hof overweegt ten aanzien van de onder G.1 en G.2 weergegeven verweren als volgt.

G.4

Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen.

De organisatie dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben. Het is echter niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft misdrijven te plegen. Voor het bewijs van het oogmerk kan betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Er is sprake van deelnemen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht indien de verdachte behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, te weten: het plegen van misdrijven. Hij dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.

G.5

Het hof trekt uit de gebezigde bewijsmiddelen het gevolg dat verdachte in de periode van 1 februari 2007 tot en met 30 november 2007 buiten het kader van de onderneming structureel en duurzaam heeft samengewerkt met andere personen binnen en buiten het Easy Life-concern, onder wie [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Dit samenwerkingsverband had blijkens de gebezigde bewijsmiddelen tot oogmerk het verduisteren van door beleggers in het Easy Life-concern ingelegd geld.

G.6

Voorts blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat verdachte een aandeel had in gedragingen die strekten tot, dan wel rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van dat samenwerkingsverband, te weten: het verduisteren van door beleggers in het Easy Life-concern ingelegd geld. Het hof leidt uit het vorenstaande ook af dat verdachte wist dat dit samenwerkingsverband tot oogmerk had het plegen van deze misdrijven. Aldus acht het hof het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

G.7

Het hof verwerpt de verweren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 1., onder 2. onder B. primair, onder 2. onder B. subsidiair en onder 4. onder B. primair ten laste gelegde alsmede het in de zaak met parketnummer 01-820046-09 onder 1. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Parketnummer 01-997512-08

1.

hij in de periode van 1 februari 2007 tot en met 30 november 2007 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een natuurlijke persoon genaamd [medeverdachte 1] en andere natuurlijke personen en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van verduistering jegens de hierna genoemde beleggers in obligaties uitgegeven door [B.V. 1] , te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 100.000 en

 [belegger 2] tot een bedrag van € 55.000 en

 [belegger 3] tot een bedrag van € 130.000 en

 [belegger 4] tot een bedrag van € 250.000 en

 [belegger 5] tot een bedrag van € 80.000 en

 [belegger 8] tot een bedrag van € 75.000 en

 [belegger 9] tot een bedrag van € 290.000,

en jegens de hierna genoemde beleggers in deelnemerscertificaten van respectievelijk [C.V. 2] en [C.V. 3] , te weten:

 [belegger 19] tot een bedrag van € 180.000 en

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 en

 [belegger 21] tot een bedrag van € 51.500 en

 [belegger 22] tot een bedrag van € 450.000.

2.

B. primair

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 november 2007 in Nederland telkens opzettelijk bedragen aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 980.000, die toebehoorden aan de hierna genoemde personen, te weten:

 [belegger 1] tot een bedrag van € 100.000 en

 [belegger 2] tot een bedrag van € 55.000 en

 [belegger 3] tot een bedrag van € 130.000 en

 [belegger 4] tot een bedrag van € 250.000 en

 [belegger 5] tot een bedrag van € 80.000 en

 [belegger 8] tot een bedrag van € 75.000 en

 [belegger 9] tot een bedrag van € 290.000 en

en welke bedragen aan geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair

[B.V. 1] , verder te noemen ‘de B.V.’, in de periode van
1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 in Nederland telkens opzettelijk bedragen aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 1.109.000 of daaromtrent, die toebehoorden aan de hierna genoemde personen, te weten:

 [belegger 24] tot een bedrag van € 229.000 en

 [belegger 6] tot een bedrag van € 100.000 en

 [belegger 7] tot een bedrag van € 90.000 en

 [belegger 10] tot een bedrag van € 50.000 en

 [belegger 11] tot een bedrag van € 120.000 en

 [belegger 12] tot een bedrag van € 150.000 en

 [belegger 13] tot een bedrag van € 170.000 en

 [belegger 15] tot een bedrag van € 100.000 en

 [belegger 16] tot een bedrag van € 100.000,

welke bedragen aan geld de B.V. als obligatieleningen en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedragingen;

4.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 november 2007 in Nederland telkens opzettelijk bedragen aan geld, zoals hierna vermeld, tot een totaalbedrag groot € 1.014.425, die toebehoorden aan de hierna genoemde personen, te weten:

 [belegger 19] tot een bedrag van € 180.000 en

 [benadeelde 2] tot een bedrag van € 197.925 en

 [belegger 20] tot een bedrag van € 135.000 en

 [belegger 21] tot een bedrag van € 51.500 en

 [belegger 22] tot een bedrag van € 450.000,

en welke bedragen aan geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 01-820046-09 ten laste gelegde

Bewezenverklaring 1

Het hof acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg2 en in hoger beroep3 en het proces-verbaal van politie4 wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 september 2008 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: FN Baby), en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven telkens is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 1. bewezen verklaarde levert op:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 2. onder B. primair en onder 4. bewezen verklaarde levert telkens op:

verduistering, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 2. onder B. subsidiair bewezen verklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van verduistering, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-820046-09 onder 1. bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

H.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat vormen zijn verzuimd, als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  1. het openbaar ministerie op een aantal momenten de rechtbank en de verdediging niet volledig dan wel onjuist heeft voorgelicht;

  2. door het openbaar ministerie onvoldoende zorgvuldig met geheimhoudersstukken is omgesprongen;

  3. de verdediging geheimhoudersstukken niet heeft kunnen openbaren.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

I. Met betrekking tot het hiervoor onder H. 1. gestelde:

I.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat het uitgangspunt is dat het openbaar ministerie op een zo evenwichtig mogelijke wijze zorgdraagt voor de samenstelling van het dossier, waarbij zowel belastende als ontlastende stukken dienen te worden toegevoegd voor zover deze van belang zijn voor de oordeelsvorming en de beslissingen die een rechter op enig moment moet nemen, terwijl het openbaar ministerie op twee punten hierin tekort geschoten is, te weten:

  • -

    de berekening van het rekening-courant saldo van verdachte;

  • -

    de toevoeging van diverse stukken aan het dossier, welke stukken eerst na een zoekslag in het beslag door de verdediging aan het dossier konden worden toegevoegd.

I.2

Het hof stelt voorop dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend betrekking heeft op onherstelbare vormverzuimen. Ingeval het vormverzuim is hersteld of alsnog kan worden hersteld, is deze bepaling niet van toepassing.

I.3

Voor zover de onjuiste en/of onvolledige informatieverschaffing door het openbaar ministerie al het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift en dus een vormverzuim oplevert, is het hof van oordeel dat dit vormverzuim is hersteld – zoals ook door de verdediging naar voren is gebracht – door enerzijds het deskundigenonderzoek door KPMG en anderzijds de gelegenheid die de verdediging is geboden om te zoeken in de in beslag genomen stukken en relevante stukken in het dossier te voegen. Het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering mist derhalve toepassing.

J. Met betrekking tot het hiervoor onder H.2. gestelde:

J.1

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdediging, onder de in beslag genomen stukken, stukken heeft aangetroffen waarvan door de raadsheer-commissaris in dit gerechtshof is vastgesteld dat deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd. Deze in 2008 in beslag genomen stukken, zijn kennelijk niet vernietigd.

J.2.1

Artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in:

“Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.”

J.2.2

Artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in:

Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent voorschriften gegeven. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld in de eerste volzin behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.”

J.2.3

Bij het vernietigen van de hier bedoelde stukken dienen de voorschriften en aanwijzingen te worden nageleefd die zijn neergelegd in het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken. Het eerste en tweede lid van artikel 4 van dit besluit hielden ten tijde van het in beslag nemen van de onderhavige stukken het volgende in:

“1.De opsporingsambtenaar die door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc van het Wetboek van Strafvordering, kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een geheimhouder, stelt hiervan de officier van justitie onverwijld in kennis.

2.Indien de officier van justitie vaststelt dat de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, mededelingen zijn als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, beveelt hij terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voorzover zij deze mededelingen behelzen. Het bevel tot vernietiging is schriftelijk. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt gezonden aan de officier van justitie.”

J.2.4

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering volgt dat mededelingen van of aan een geheimhouder, zoals hier bedoeld, in beginsel niet aan het procesdossier mogen worden toegevoegd. Zij moeten zo spoedig mogelijk worden vernietigd. In dit verband is tijdens de behandeling van deze wetsbepaling in de

Tweede Kamer uitdrukkelijk aan de orde geweest dat het verschoningsrecht illusoir zou worden als geen spoedige vernietiging zou plaatsvinden en deze stukken gedurende een onbepaalde periode bewaard zouden worden.5

J.3.1

Aan het in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in het algemeen moet wijken voor een ander maatschappelijk belang, te weten dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de zogenaamde “geheimhouders” kan wenden. Een hulpzoekende moet er op kunnen rekenen dat hetgeen hij toevertrouwt aan een verschoningsgerechtigde, zoals zijn advocaat en zijn arts, niet alleen voor de politie en het openbaar ministerie, maar ook voor de strafrechter geheim blijft. Alle informatie die aan de verschoningsgerechtigde in die hoedanigheid is toevertrouwd, valt daaronder. Er is geen grond om één en ander te beperken tot “vertrouwelijke” en/of “inhoudelijke” informatie. De wetgever acht dit verschoningsrecht in het algemeen van hogere orde dan het belang dat gemoeid is met de waarheidsvinding in een strafzaak. Met dit, in onze rechtsorde verankerde beginsel, houdt direct verband de in artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verplichting tot vernietiging van processen-verbaal die mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering zou kunnen verschonen (“geheimhouder”), indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, alsmede de verplichting om processen-verbaal die andere mededelingen behelzen gedaan door of aan een geheimhouder niet dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris bij de processtukken te voegen.

J.3.2

Het hof is van oordeel dat de FIOD-ECD en het openbaar ministerie door de in beslag genomen stukken, zoals hiervoor beschreven onder J.1, niet te vernietigen, de onder J.2.2 en J.2.3 genoemde wettelijke voorschriften hebben geschonden. Het hof acht de schending van deze regels, die strekken ter bescherming van het verschoningsrecht, even ernstig als een directe schending van het verschoningsrecht zelf. Gelet op het belang dat aan een strikte handhaving van het verschoningsrecht moet worden toegekend, is naar het oordeel van het hof sprake van een ernstig verzuim. Aldus is naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

J.3.3

Het hof ziet evenwel aanleiding om te volstaan met de enkele constatering van dit vormverzuim. Immers is gesteld noch anderszins aannemelijk geworden dat verdachte als gevolg van dit vormverzuim zelfs maar enigszins in zijn belangen is geschaad. De betreffende stukken zijn niet aan het procesdossier toegevoegd en voorts is niet aannemelijk geworden dat de stukken een sturende werking hebben gehad in het onderzoek of anderszins operationeel zijn gebruikt in het vooronderzoek.

K. Met betrekking tot het hiervoor onder H.3. gestelde:

K.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is geschonden, aangezien:

 - door de verdediging in het beslag stukken zijn aangetroffen die kunnen worden aangemerkt als geheimhoudersstukken;

 - de beslissing van het hof dat het geen kennis neemt van de inhoud van deze stukken betekent dat belangrijke, ontlastende informatie niet aan het dossier kan worden toegevoegd, waardoor de verdediging in een nadelige positie komt;

 - het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Natunen v. Finland heeft overwogen: “In some cases it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest.”;

 - de verdediging het niet kunnen openbaren van de geheimhoudersstukken aanmerkt als een “public interest”;

 - de verschoningsgerechtigden zich als getuigen op hun verschoningsrecht hebben beroepen, zodat de verdediging op geen enkele wijze is gecompenseerd noch kan worden.

K.2

Het hof stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering wordt bedoeld heeft te oordelen. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

K.3

Voor zover al sprake was van het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift en dus van een vormverzuim, is het hof van oordeel dat dit vormverzuim niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten, zodat het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering reeds daarom toepassing mist.

K.4

Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat verdachte in zijn verdediging is geschaad doordat zij geheimhoudersstukken niet heeft kunnen overleggen, terwijl deze stukken informatie bevatten die een (nog beter) licht werpt op alle inspanningen dien onder andere de verdachte heeft verricht om het ‘gat’ te dichten, merkt het hof op dat uit het onderzoek ter terechtzitting reeds voldoende is gebleken – zoals ook volgt uit tot het bewijs gebezigde verklaringen (zie de reconstructie periodes 4 en 5) – dat door verdachte inspanningen zijn verricht om het ‘gat’ te dichten, terwijl het hof bij de strafoplegging daarmee ook rekening zal houden. Gelet hierop kan het verweer verdachte niet baten.

L.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

M.1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de mate waarin het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 bewezen verklaarde tot financiële schade heeft geleid voor de gedupeerden. Uit de verklaringen van de gedupeerden blijkt dat zij naar alle waarschijnlijkheid het door hen ingelegde (vaak met hypotheken beleende) vermogen grotendeels zijn kwijtgeraakt. Zulks met veel financiële problemen en ongemak voor de gedupeerden tot gevolg. Bovendien staat dit in schril contrast met hetgeen de gedupeerden zijn overeengekomen met het Easy Life-concern, namelijk dat zij na de looptijd hun volledige inleg terug zouden ontvangen en gedurende de looptijd periodiek hoge rentes zouden ontvangen;

  • -

    het feit dat verdachte het door de gedupeerden in het Easy Life-concern gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad;

  • -

    de mate waarin door het bewezen verklaarde het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in zijn algemeenheid gesteld moet kunnen worden in financiële instellingen schade heeft opgelopen;

  • -

    de mate waarin het bewezen verklaarde tot persoonlijk voordeel voor verdachte heeft geleid, waarbij het hof mede acht heeft geslagen op de omstandigheid dat verdachte naar eigen zeggen gelden heeft terugbetaald aan het Easy Life-concern;

- de rol van verdachte binnen de criminele organisatie;

- de omstandigheid dat verdachte zich gedurende langere tijd met de in de zaak met parketnummer 01-997512-08 bewezen verklaarde strafbare feiten heeft beziggehouden;

- de omstandigheid dat het bezit van een vuurwapen en munitie een groot risico voor de algemene veiligheid van personen veroorzaakt en dat dit – illegale – bezit vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad is dat ernstig dient te worden bestraft.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
7 augustus 2015, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- het hem betreffend reclasseringsadvies d.d. 26 maart 2013 van Reclassering Nederland, opgemaakt door A. Pierot;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles afwegende neemt het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren tot uitgangspunt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, behoudens hetgeen hierna zal worden overwogen met betrekking tot de redelijke termijn, niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken.

M.2

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de redelijke termijn is overschreden, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf

4 september 2008, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 26 april 2012. Aldus is er sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen. Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat hoewel een deel van het tijdsverloop zijn oorzaak vindt in de onderzoekswensen van de verdediging, niet het gehele tijdsverloop daaruit kan worden verklaard.

De verdachte heeft op 26 april 2012 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 43 maanden na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof onvoldoende omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen. Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat hoewel een deel van het tijdsverloop zijn oorzaak vindt in de onderzoekswensen van de verdediging, niet het gehele tijdsverloop daaruit kan worden verklaard.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden op te leggen.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1. De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van € 295.667,20. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Naar het oordeel van het hof staat artikel 26 van de Faillissementswet aan indiening van een civiele vordering als benadeelde partij bij de strafrechter jegens een gefailleerde in de weg: een benadeelde partij dient zich dan tot de curator te wenden. In de onderhavige zaak is vastgesteld dat verzoeker op 3 december 2008 persoonlijk failliet is verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit faillissement niet is opgeheven. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Het hof zal de proceskosten compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

2. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van € 121.324,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, in verband met artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering, kan de benadeelde partij niet in deze vordering worden ontvangen, omdat verdachte van het hem ten laste gelegde, voor zover betrekking hebbend op de belegging van [benadeelde 1] , wordt vrijgesproken.

Het hof zal de proceskosten compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft ter terechtzitting de opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte verzocht. Het hof wijst het verzoek af, aangezien – gelet op de duur van de door het hof op te leggen gevangenisstraf – het geval van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet en ook overigens de verdenking, bezwaren en gronden die tot het laatstelijk verleend bevel tot gevangenhouding hebben geleid, ook thans nog onverkort aanwezig zijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 51, 57, 140 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 3. en 5. en in de zaak met parketnummer 01-820046-09 onder 2. ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 2. onder A. primair dan wel subsidiair en onder 4. onder A. primair dan wel subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 2. onder B. primair ten laste gelegde heeft begaan in de periode van 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008 en spreekt hem in zoverre daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-997512-08 onder 1., onder 2. onder B. primair (ten aanzien van de periode 1 januari 2007 tot en met 30 november 2007), onder 2. onder B. subsidiair (ten aanzien van de periode 1 december 2007 tot en met 25 augustus 2008), en onder 4. onder B. primair en het in de zaak met parketnummer 01-820046-09 onder 1. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. drs. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide en mr. R.P. van der Pijl, griffiers,

en op 30 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

[Bijlage]

1 Hierna wordt met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 01-820046-09 ten laste gelegde feit (onder meer) verwezen naar dossierpagina’s van ambtsedige processen-verbaal van politie, opgenomen in het proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, dossiernr. PL2233/08-008000, sluitingsdatum 4 september 2008.

2 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 januari 2010.

3 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2014.

4 Het ambtsedig proces-verbaal, proces-verbaalnr. PL2233/08-162986, d.d. 19 november 2008, dossierpagina’s 141-142, opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie.

5 Kamerstukken II 1996-1997, 25 403, nr. 3, pagina 82-83.