Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4791

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
14-12-2015
Zaaknummer
14/00467
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1606, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1160
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het stakingsjaar 2008 heeft de Inspecteur, aldus het Hof, op grond van de foutenleer het verschil tussen de waarde in vrije staat en de aankoopprijs (waarde in verpachte staat) van de landbouwgrond op het moment van verwerving daarvan in het jaar 1990 terecht tot de stakingswinst van belanghebbende gerekend. Het Hof is daarbij van oordeel dat dit voordeel niet onder de landbouwvrijstelling valt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2626
V-N 2016/5.2.1
FutD 2015-3052
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00467

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] te Frankrijk,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 maart 2014, nummer AWB 13/3837, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag en beschikking heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 261.044 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.127. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en de heffingsrentebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 september 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [A] , bijgestaan door [B] .

1.6.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft blijkens een koopakte op [datum] een stuk bouwland van 22.41.70 hectaren (hierna: de landbouwgrond) en de hieraan toe te kennen heffingsvrije hoeveelheid melk (hierna: het melkquotum) gekocht, voor een bedrag van ƒ 450.000. In deze koopakte wordt belanghebbende aangeduid als “landbouwer”. De aanschafprijs is ten dele gefinancierd met een lening ter grootte van ƒ 400.000 van Algemene Bank Nederland N.V.. De leningsovereenkomst is op 12 maart 1990 gedateerd en vermeldt dat het te lenen bedrag uitsluitend bedoeld is voor de aanschaf van landbouwgrond. De landbouwgrond, die op 1 november 1990 aan belanghebbende is geleverd, werd op dat moment verpacht aan de vader van belanghebbende, die deze in zijn agrarische onderneming gebruikte. De pachtovereenkomst zou eindigen op 1 december 1993, maar is eerder geëindigd en wel op 1 april 1991, door afstand van het pachtrecht door de vader van belanghebbende.

2.2.

In het voorjaar van het jaar 1991 is belanghebbende feitelijk een onderneming in de vorm van een eenmanszaak gestart, bestaande uit de exploitatie van een akkerbouwbedrijf en een schapenhouderij.

2.3.

Uit de jaarstukken van belanghebbendes onderneming blijkt dat de beginbalans van de onderneming per 1 juni 1991 is opgemaakt en dat de landbouwgrond door belanghebbende in de onderneming is ingebracht en voor een bedrag van ƒ 900.000 is geactiveerd.

2.4.

Op 24 mei 1994 heeft [C] van Accountantskantoor [D] (hierna: [D] ) een brief aan de Inspecteur gestuurd. Bij deze brief was een machtiging van belanghebbende van 21 mei 1994 gevoegd, waarin hij [D] machtigt om:

“namens hem de fiskale zaken betreffende aangifte, bezwaar en beroep te verzorgen.”

2.5.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben een brief van 30 mei 1994 van voornoemde heer [C] voor akkoord getekend. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“Betreft: aanslag inkomstenbelasting 1991 t.n.v. [belanghebbende] (…).

Zoals overeengekomen treft u hierbij een schriftelijke weergave aan van hetgeen wij telefonisch zijn overeengekomen. (…)

Cliënt was op het moment van koop nog geen fiscaal ondernemer. (…)

Cliënt heeft wel een voordeel behaald bij de aankoop van de betreffende landerijen. Tussen partijen staat nog niet vast:

- of dit voordeel, bij latere realisatie, belast zal zijn met inkomstenbelasting.

- de omvang van het eventueel, bij realisatie, te belasten voordeel. (…)

Overeenkomstig bovenstaande werd voor dit melkquotum een prijs betaald van ƒ 114.000,-.

Wij zijn telefonisch overeengekomen dat cliënt deze helft van het melkquotum tegen voorgenoemd bedrag op zijn openingsbalans mag activeren. Cliënt mag vervolgens overeenkomstig de gebruikelijke afschrijvingstermijn afschrijven op dit deel van het melkquotum”

2.6.

Op 8 juni 1994 heeft de heer [C] een brief aan de Inspecteur gestuurd. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“Zoals overeengekomen treft u hierbij aan een schriftelijke uiteenzetting van ons standpunt inzake het door cliënt behaalde voordeel met betrekking tot de in 1990 aangekochte agrarische grond.

De landerijen werden door cliënt aangekocht in verpachte staat. Hij betaalde voor de grond de verpachte waarde ƒ 336.000,-. [voetnoot: ƒ 450.000 (totale prijs) -/- ƒ 114.000 (waarde melkquotum) (…)

Zoals telefonisch besproken is de aankoop van de gronden aan te merken als een van de eerste (ondernemers)handelingen die cliënt verricht in het kader van zijn op te starten onderneming.”

2.7.

Op 8 juli 1994 heeft de Inspecteur een brief aan de heer [C] gestuurd waarvan de tweede alinea als volgt luidt:

“In uw schrijven van 8 juni hanteert u de volgende uitgangspunten:

- aankoopwaarde van de grond ƒ 336.000;

- vrije waarde van de grond, op het moment van pachtontbinding, ƒ 900.000;

- vader kon op grond van leeftijd geen verlenging vragen van de pachtovereenkomst;

- er had in de plaatsstelling kunnen worden gevraagd door [belanghebbende] ;

- de aankoop van de gronden (in verpachte staat) was de eerste ondernemingshandeling van [belanghebbende] .

Met deze uitgangspunten ga ik akkoord, zodat daar geen verschil van mening over bestaat.”

2.8.

Op 11 oktober 1994 heeft de Inspecteur een brief aan de heer [C] gestuurd waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“De uitgangspunten zoals omschreven in mijn schrijven van 8 juli (2e alinea) worden door beide partijen onderschreven.”

2.9.

Belanghebbende heeft een brief van 27 oktober 1994 van de heer [C] aan de Inspecteur voor akkoord ondertekend. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“In antwoord op uw brief, d.d. 11 oktober jl, inzake bovengenoemde cliënt informeren wij u als volgt.

Cliënt gaat, middels ondertekening van deze brief, akkoord met de in bovengenoemde brief gegeven weergave van hetgeen is overeengekomen. Slechts het door u verwoordde standpunt van cliënt verdient enige toelichting onzerzijds.”

2.10.

In 2008 heeft belanghebbende zijn onderneming gestaakt. De grond is deels verkocht (19.01.30 hectare voor € 891.610) en deels naar het privévermogen van belanghebbende overgebracht (3.40.40 hectare voor € 187.000).

2.11.

De Inspecteur heeft, in afwijking van belanghebbendes aangifte, bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2008 op grond van de foutenleer meer stakingswinst (€ 255.932) belast. Ten gevolge van deze correctie heeft hij tevens minder buitengewone uitgaven (€ 3.719) in aanmerking genomen, waarna hij het belastbare inkomen uit werk en woning heeft vastgesteld op € 261.044. Het bedrag van de gecorrigeerde stakingswinst betreft het in euro’s uitgedrukte verschil tussen de in 2.7 vermelde vrije waarde van de landbouwgrond (ƒ 900.000) en de aankoopprijs (ƒ 336.000).

2.12.

Op 9 november 2012 is namens belanghebbende aan de Inspecteur geschreven dat belanghebbende altijd in los-vast verband werkzaamheden elders heeft verricht. Op het moment van aankoop van de landbouwgrond was hij in loondienst werkzaam. Vermeld is tevens dat hij nooit pensioen heeft opgebouwd en dat belanghebbende de aankoop als een mogelijkheid zag om een pensioengat te voorkomen.

2.13.

Op 3 december 2012 is op verzoek van de Inspecteur door [E] , taxateur bij de Belastingdienst, een taxatierapport opgesteld waarin de waarde van de grond per 5 november 1990 is bepaald op € 406.000 (ƒ 894.706).

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur in het jaar 2008 terecht en tot het juiste bedrag een voordeel op basis van de foutenleer tot de stakingswinst heeft gerekend. Dit voordeel is door de Inspecteur berekend op het verschil tussen de waarde in vrije staat en de aankoopprijs van de landbouwgrond op het moment van verwerving daarvan in het jaar 1990. In het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is het toegestaan om een aanslag van de vader van belanghebbende naar belanghebbende over te hevelen indien belanghebbendes handtekening ontbreekt?

  2. Is het voordeel belast omdat dit binnen belanghebbendes onderneming is gerealiseerd?

  3. Heeft belanghebbende ondanks zijn in 2.9 vermelde akkoordverklaring met de Inspecteur géén vaststellingsovereenkomst gesloten, zodat hij er ook niet aan kan worden gehouden dat de aankoop van de landbouwgrond als een eerste ondernemingshandeling is te beschouwen?

  4. Heeft de Inspecteur het voordeel tot een te hoog bedrag berekend?

  5. Dient het voordeel door de werking van de landbouwvrijstelling vrijgesteld te zijn van belastingheffing?

  6. Mag, indien er een voordeel te belasten valt, dit voordeel tevens en voor hetzelfde bedrag als een boekverlies aangemerkt worden?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat de vragen C tot en met F bevestigend en A en B ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, alsmede tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2008 - en een dienovereenkomstige vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente - berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.393 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.127.

3.5.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

Ter zitting bij het Hof heeft belanghebbende aangegeven dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd omdat de Inspecteur na afloop van de zitting bij de Rechtbank, zonder dat belanghebbende hierbij betrokken is geweest, met de rechter (mr. W.A.P. van Roij), zou hebben overlegd en dat de Inspecteur ”nog stukken op de tafel zou hebben gelegd”. De Inspecteur heeft, hiernaar tijdens het onderzoek ter zitting gevraagd, dit uitdrukkelijk ontkend.

4.2.

Vaststaat dat belanghebbende bij de Rechtbank geen wrakingsverzoek heeft ingediend. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2005, nr. 40 066, ECLI:NL:HR:2005:AU7352, staat de omstandigheid dat bij de eerste rechter geen wrakingsverzoek is gedaan, niet eraan in de weg dat in de eerstvolgende instantie alsnog de onpartijdigheid van de betrokken rechter kan worden getoetst in het kader van een klacht over schending van het fundamentele recht op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter. Dit is anders indien belanghebbende kan worden tegengeworpen dat hij eerder een wrakingsverzoek had kunnen en moeten doen (vergelijk Hoge Raad 21 december 2001, nr. 36 314, ECLI:NL:HR:2001:AD7580).

4.3.

Uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, leidt het Hof af dat, zo er al sprake is geweest van een overleg na de zitting tussen de rechter en de Inspecteur en zo de Inspecteur na afloop van de zitting stukken op de tafel van de rechter heeft gelegd, belanghebbende de door hem gepretendeerde gang van zaken zelf heeft moeten waarnemen, aangezien behoudens belanghebbende en de inspecteurs [A] en [B] - en afgezien van de rechter en de griffier - blijkens het proces-verbaal van de zitting niemand anders bij de zitting aanwezig was. Daarvan uitgaande had belanghebbende een wrakingsverzoek bij de Rechtbank kunnen en moeten indienen. Door dit na te laten is het niet mogelijk om de onpartijdigheid van de rechter in eerste aanleg in hoger beroep aan een toets te onderwerpen. Dat belanghebbende, zoals hij ter zitting heeft verklaard geen wrakingsverzoek bij de Rechtbank heeft ingediend, omdat hij niet wist welke stappen in een situatie als de onderhavige mogelijk zijn, doet aan het vorenstaande niet af. Het is immers de keuze van belanghebbende om zich niet te laten bijstaan door een deskundige.

4.4.

Voor zover het er voor moet worden gehouden dat belanghebbende niet eerder dan ter zitting van het Hof de door hem veronderstelde onpartijdigheid van voormelde rechter aan de orde kon stellen heeft het volgende te gelden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. HR 16 november 1999, nr. 110.311, LJN ZD1502, NJ 2000, 335).

4.5.

Aangezien de Inspecteur geloofwaardig heeft ontkend dat hij na afloop van het onderzoek ter zitting bij de Rechtbank met rechter Van Roij zou hebben overlegd danwel stukken ter tafel zou hebben gelegd en belanghebbende de door hem gepretendeerde gang van zaken niet eerder dan ter zitting in hoger beroep aan de orde heeft gesteld, is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld. Belanghebbendes klacht treft derhalve geen doel.

4.6.

Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat de Inspecteur ten onrechte geen afschriften heeft overgelegd van correspondentie tussen de Inspecteur en belanghebbendes adviseur uit de jaren negentig van de vorige eeuw. De Inspecteur heeft daarop gereageerd met de stelling dat het gehele dossier is overgelegd en dat de behandelend ambtenaar in die tijd de voor de toekomst relevante brieven heeft geselecteerd en bewaard. Deze stukken zijn, aldus de Inspecteur, ook door hem overgelegd.

4.7.

Belanghebbendes grief houdt in dat de Inspecteur, in weerwil van het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb, niet het volledige dossier heeft overgelegd.

4.8.

Bij de beoordeling van deze grief heeft het volgende uitgangspunt te gelden. Indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de inspecteur. Die betwisting - evenals haar eventuele onderbouwing - berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat indien de inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 van de Awb. In het licht van een en ander dient artikel 8:42 van de Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (ECLI:NL:HR:2008:BA3823).

4.9.

In het licht van de eveneens geloofwaardige verklaring van de Inspecteur dat hij het gehele dossier heeft overgelegd, is belanghebbendes algemene verwijzing naar correspondentie uit de jaren negentig van de vorige eeuw te globaal. In dat geval kan naar het oordeel van het Hof niet geoordeeld worden dat belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. De Inspecteur heeft derhalve voldaan aan het in artikel 8:42 van de Awb bepaalde dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken dient te overleggen. Voor zover belanghebbendes uitlating ter zitting van het Hof “dat hij de eigendomsakte van de grond van [F] wil zien”, inhoudt dat de Inspecteur dit stuk op grond van het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb alsnog dient te overleggen wordt dit door het Hof verworpen. Ogenschijnlijk doelt belanghebbende op de verkrijging van die grond door [F] . Ook voor dit stuk geldt dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat dit stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.

Ten aanzien van het geschil

A. Overheveling van de aanslag van vader op belanghebbende

4.10.

Belanghebbende stelt in wezen dat een aanslag IB/PVV opgelegd aan zijn vader ten onrechte naar hem is overgeheveld, mede omdat een handtekening voor akkoord van belanghebbende ontbreekt.

4.11.

Belanghebbendes grief wordt verworpen. Terecht heeft de Rechtbank overwogen dat het afzien van het belasten van voornoemd voordeel bij de vader van belanghebbende er niet aan afdoet dat de Inspecteur ditzelfde voordeel bij belanghebbende in een ander jaar kan belasten (vergelijk Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38 122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, r.o. 3.1). Toestemming van belanghebbende is daarvoor niet nodig.

B. Is het voordeel in de privésfeer opgekomen?

4.12.

Vooropgesteld dient te worden dat de Inspecteur die een voordeel op grond van de foutenleer wil belasten, de bewijslast daarvoor heeft. Hij stelt in dit verband dat de aankoop van de landbouwgrond de eerste ondernemingshandeling van belanghebbende betrof en dat hij op grond van de bepalingen in de Pachtwet deze tegen de waarde in verpachte staat heeft kunnen verwerven. In de visie van de Inspecteur diende belanghebbende deze dan ook tegen de aankoopwaarde op de openingsbalans per 1 juni 1991 te activeren. Nu belanghebbende echter de landbouwgrond voor ƒ 900.000 heeft geactiveerd, is de stakingswinst voor het verschil tussen dit bedrag en de aankoopprijs van de grond tot een te laag bedrag aangegeven. Deze onjuiste waardering op de openingsbalans, aldus nog steeds de Inspecteur, dient per 1 januari 2008 op grond van de foutenleer hersteld te worden met verhoging van het belastbare inkomen uit werk en woning van evenbedoeld verschil als gevolg.

4.13.

Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat in ieder geval de aankoop van de landbouwgrond op [datum] de eerste ondernemershandeling van belanghebbende was. Voor dit oordeel acht het Hof relevant dat uit de koopakte van die datum blijkt dat belanghebbende daar reeds als “landbouwer” is aangeduid. Ook heeft belanghebbende reeds op 12 maart 1990 ten behoeve van de aanschaf van de landbouwgrond een geldleningsovereenkomst gesloten. Voorts acht het Hof aannemelijk dat de voorbereiding voor de start van belanghebbendes onderneming enige tijd in beslag heeft genomen nu belanghebbende niet de onderneming van zijn vader heeft overgenomen maar in het voorjaar van 1991 is gestart met een nieuw akkerbouwbedrijf en een schapenhouderij. Zoals blijkt uit de in 2.6 opgenomen brief van belanghebbendes belastingadviseur is ook hij van mening dat de aankoop van de landbouwgrond de eerste ondernemershandeling van belanghebbende betrof. Zoals belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard, heeft hij deze brief gezien en blijkbaar op dat moment geen aanleiding gevonden om dit in zijn ogen onjuiste uitgangspunt te herstellen.

4.14.

Belanghebbende heeft hiertegen in gebracht dat hij de landbouwgrond - in privé - als belegging reeds in 1989 op grond van een mondelinge overeenkomst heeft aangekocht teneinde een toekomstig pensioengat te voorkomen.

4.15.

Los van het feit dat van een mondelinge overeenkomst, anders dan belanghebbendes blote stelling, niets is gebleken, acht het Hof het onaannemelijk dat belanghebbende de landbouwgrond buiten het kader van zijn onderneming als een belegging zou hebben aangekocht. Belanghebbende zelf namelijk schrijft in zijn beroepschrift bij de Rechtbank dat de aankoop hem een goede gelegenheid leek om vermogen op te bouwen. Bovenal, aldus belanghebbende, omdat aan- en verkoop van agrarische grond vrijgesteld is van belasting. Belanghebbende verwijst hier ogenschijnlijk naar de toepassing van de landbouwvrijstelling. Aangezien deze vrijstelling alleen van toepassing is op ondernemers kan het niet anders zijn dan dat belanghebbende hiermee heeft gedoeld op de aanschaf van de landbouwgrond binnen zijn onderneming. Ook overigens acht het Hof belanghebbendes stelling dat de aanschaf van de landbouwgrond een belegging betrof onaannemelijk omdat hij hiervoor geen bewijs in het geding heeft gebracht en dit niet eerder dan in zijn brief van 9 november 2012 naar voren is gebracht.

4.16.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht het Hof het aannemelijk dat de landbouwgrond binnen de onderneming is verworven. Op de beginbalans per 1 juni 1991 had deze dan ook tegen de aanschafprijs geactiveerd dienen te worden. Nu de landbouwgrond echter tegen de (hogere) waarde in vrije staat voor ƒ 900.000 is geactiveerd, is de conclusie gerechtvaardigd dat deze tot een te hoog bedrag is geactiveerd.

4.17.

De foutenleer strekt ertoe te voorkomen dat, ingeval het eindvermogen van het voorafgaande jaar niet naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld, een stuk bedrijfswinst - in strijd met het in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) neergelegde beginsel dat de winst alle voordelen omvat die uit onderneming worden verkregen - onbelast blijft hetzij dubbel wordt belast (vgl. onder meer HR 22 oktober 1952, nr. 11064, B. 9293, en HR 13 maart 2009, nr. 44072, ECLI:NL:HR:2009:BB5878). Gelet op voormelde strekking van de foutenleer heeft de Inspecteur terecht de in 4.12 vermelde “fout” in het laatst openstaande jaar - 2008 - hersteld.

4.18.

Belanghebbendes stelling dat geen voordeel te belasten is omdat het verschil tussen de waarde in vrije staat en de waarde in verpachte staat van de landbouwgrond is opgekomen in de familiesfeer acht het Hof onjuist. Belanghebbende heeft de landbouwgrond namelijk alleen tegen een (lagere) waarde in verpachte staat kunnen verwerven omdat de Pachtwet het mogelijk maakt dat hij in plaats van zijn vader, die gezien zijn leeftijd geen verlenging van de pachtovereenkomst kon bedingen, de pacht zou kunnen overnemen. Een dergelijk voordeel is belast.

C. Heeft belanghebbende een vaststellingsovereenkomst gesloten?

4.19.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft de vraag of belanghebbende een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten waaraan hij gehouden kan worden geen behandeling meer.

D. Heeft de Inspecteur het voordeel tot een te hoog bedrag berekend?

4.20.

Bij de bepaling van de stakingswinst heeft de Inspecteur de geactiveerde waarde van de landbouwgrond (ƒ 900.000) verlaagd naar de aanschafprijs van - in zijn ogen - ƒ 336.000. Met het verschil van ƒ 564.000 (€ 255.932) heeft hij de aangegeven stakingswinst verhoogd.

4.21.

Voor het geval de Inspecteur terecht de foutenleer heeft toegepast, stelt belanghebbende dat de aanschafprijs van de landbouwgrond niet ƒ 336.000, maar ƒ 450.000 bedroeg. Hij verwijst in dat verband naar de in 2.1 vermelde koopovereenkomst, waarin is opgenomen dat de landbouwgrond voor laatstgenoemd bedrag door hem is gekocht. Zijn stelling dat ten tijde van de aankoop de waarde in onverpachte staat niet ƒ 900.000, maar ƒ 772.000 bedroeg heeft hij ter zitting van het Hof ingetrokken. Naar zijn mening dient de aangegeven stakingswinst dan met slechts ƒ 900.000 minus ƒ 450.000 = ƒ 450.000 (€ 204.257) te worden verhoogd.

4.22.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur het juiste bedrag heeft gecorrigeerd. Aannemelijk is namelijk dat de aanschafprijs van de landbouwgrond ƒ 336.000 bedroeg omdat belanghebbende met dit bedrag akkoord is gegaan ( 2.9), uit de koopakte (2.1) blijkt dat zowel de landbouwgrond als ook een melkquotum is verkregen en dat belanghebbende (2.5) ook voor het verschil tussen ƒ 450.000 en ƒ 336.000 over het melkquotum ten laste van de winst heeft afgeschreven. Alhoewel dit in hoger beroep niet meer in geschil is, acht het Hof aannemelijk dat op het aanschafmoment de waarde van de landbouwgrond in onverpachte staat ƒ 900.000 bedroeg. Belanghebbende heeft namelijk zelf dit bedrag op de openingsbalans van zijn onderneming geactiveerd en hij heeft tevens zich met dit bedrag akkoord (2.9) verklaard.

E. Is de landbouwvrijstelling van toepassing?

4.23.

Belanghebbende is van mening dat het door de Inspecteur gecorrigeerde bedrag door toepassing van de landbouwvrijstelling (artikel 3.12 van de Wet IB 2001) niet belast kan worden.

4.24.

Ingevolge artikel 3.12 van de Wet IB 2001 behoren tot de winst niet voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden - daaronder begrepen ondergrond van gebouwen - voor zover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economisch verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van het landbouwbedrijf, en die waardeveranderingen derhalve niet zijn ontstaan in de uitoefening van het bedrijf. Het door belanghebbende genoten prijsvoordeel, dat bestaat uit het verschil tussen de waarde in vrije staat en het bedrag waarvoor belanghebbende de grond heeft kunnen verwerven, zijnde de waarde in verpachte staat, betreft geen waardeverandering van de grond als bedoeld in art. 3.12 van de Wet IB 2001. Genoemd (pachters)voordeel komt belanghebbende toe als gevolg van het feit dat belanghebbende zich in de plaats van de pachter (zijn vader) kon stellen.

F. Is er ruimte voor het nemen van een boekverlies?

4.25.

Belanghebbende wenst als gevolg van het corrigeren van € 255.932 op grond van de foutenleer een even groot bedrag als boekverlies ten laste van zijn stakingswinst te brengen. Dit standpunt wordt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, verworpen omdat de Wet IB 2001 hier, naar het oordeel van het Hof, geen ruimte voor biedt.

Slotsom

4.26.

Nu de in 2.11 vermelde correctie buitengewone uitgaven niet in geschil is, luidt de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.27.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.28.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 26 november 2015 door A.J. Kromhout, P.A.M. Pijnenburg en F.P.G. Pötgens, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.