Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4778

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
20-000872-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:583, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor (o.m.) schietpartij op woonwagenkamp Rijnauwenstraat Breda waarbij 12-jarige jongen overleed. Rechtbank sprak verdachte vrij en veroordeelde medeverdachten voor doodslag. Hof komt tot bewezenverklaring van moord. Medeplegen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2015-11-26
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2015-11-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000872-13

Uitspraak : 27 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2013 in de strafzaak met parketnummer

02-811573-10 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1981,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank vrijgesproken van - kort gezegd - het medeplegen van moord dan wel doodslag op [slachtoffer 1] (feit 1), het medeplegen van de poging tot moord dan wel poging tot doodslag op [slachtoffer 2] (feit 2) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3). De verdachte is door de rechtbank voor het bezit van een vervalst paspoort (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ten laste van verdachte bewezen zal verklaren de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat met betrekking tot de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten telkens de primaire variant bewezen zal worden (medeplegen van moord op [slachtoffer 1] en medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer 2] ).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de feiten 1., 2. en 3. zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft zich voor wat betreft het onder 4. ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde feit heeft de verdediging bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is ter zake het bezit van een vervalst paspoort (het onder 4. ten laste gelegd) door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Weliswaar is door de officier van justitie - blijkens de appelakte d.d. 12 maart 2013 - onbeperkt appel ingesteld, maar uit de appelmemorie (d.d. 27 maart 2013) blijkt dat tegen de veroordeling voor dit feit door de officier van justitie geen grief is geformuleerd. Ook nadien zijn met betrekking tot dit feit geen grieven door het openbaar ministerie naar voren gebracht.

Het hof begrijpt daaruit dat het appel zich niet richt tegen deze veroordeling. Het hof zal het openbaar ministerie dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het voor wat betreft de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 juli 2010 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] ( [geboortedag] 1998) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) afgevuurd op die [slachtoffer 1] , althans de woonwagen waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.
hij op of omstreeks 14 juli 2010 te Breda ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op [slachtoffer 2] , althans de woonwagen waarin [slachtoffer 2] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2010 tot en met 12 april 2011, althans in of omstreeks de periode van 1 november 2010 tot en met 15 februari 2011 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Glock, type 26 van het kaliber 9 x 19 mm en een patroonhouder, merk Ruger en/of munitie van categorie III, te weten 22 patronen van het kaliber 9 x 19 mm, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het onder 3. ten laste gelegde feit een veroordeling kan volgen. Volgens de advocaat-generaal is - kort en zakelijk weergeven - bij verdachte sprake geweest van voldoende bewustheid van de aanwezigheid van het wapen en de munitie in de woning in Amsterdam alsmede van zijn beschikkingsmacht daarover, zodat bewezen verklaard kan worden dat verdachte het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad.

Het hof overweegt ter zake als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorhanden hebben' als bedoeld in artikel 26 van de Wet wapens en munitie dient onder meer sprake zijn van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie.

Bij de doorzoeking in de woning aan het Oeverpad 199 te Amsterdam op 12 april 2011 is in een kluis een vuurwapen, merk Glock, met munitie aangetroffen, alsmede een losse patroonhouder met twaalf patronen.

Het hof stelt op grond van het dossier vast dat verdachte sinds 15 februari 2011 was gedetineerd in Engeland. Vast staat aldus dat hij sinds 15 februari 2011 niet meer in de woning aan het Oeverpad 199 te Amsterdam is geweest. Medeverdachte [medeverdachte 1] verbleef op 12 april 2011 wel in de bewuste woning. Zoals de rechtbank terecht overwogen heeft, kan niet uitgesloten worden dat [medeverdachte 1] het vuurwapen en de munitie zonder medeweten van de verdachte in de kluis in de genoemde woning heeft gelegd. De bewustheid van verdachte omtrent de aanwezigheid van het ten laste gelegde wapen en de munitie kan dus niet in voldoende mate worden vastgesteld, zodat een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ naar het oordeel van het hof reeds om die reden niet kan volgen.

Het hof acht aldus - evenals de rechtbank - op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 14 juli 2010 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] ( [geboortedag] 1998) van het leven heeft beroofd, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels afgevuurd op de woonwagen waarin die

[slachtoffer 1] zich bevond, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 14 juli 2010 te Breda ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels heeft afgevuurd op de woonwagen waarin [slachtoffer 2] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Schietincident

Op 14 juli 2010, omstreeks 23.06 uur, is geschoten op de woonwagen van [getuige 1] , zijn vrouw [slachtoffer 2] en hun zoon [slachtoffer 1] , welke woonwagen gelegen is aan de Rijnauwenstraat [huisnummer] te Breda. [slachtoffer 1] en zijn moeder, [slachtoffer 2] , waren op dat moment op de benedenverdieping in de woonwagen aanwezig, aan de keukentafel.

[getuige 1] bevond zich op de bovenverdieping, op zijn slaapkamer.

Van de beschieting zijn camerabeelden gemaakt in het kader van [ander strafrechtelijk onderzoek] .

Uit de beschrijving van deze beelden blijkt het volgende:

  • -

    om 23.06.03 uur stopt een bestelbusje op de toegangsweg naar het woonwagenkamp aan de Rijnauwenstraat te Breda voor de woonwagen van [getuige 1] .

  • -

    om 23.06.11 uur stapt een persoon uit via het rechter voorportier en drie personen lopen aan de zijde van het rechter achterportier (schuifdeur) langs het voertuig.

  • -

    zij lopen richting het bordes met voordeur van de woonwagen.

  • -

    nog twee personen stappen uit en lopen achter de vier personen aan.

  • -

    via het linker voorportier van de bestelbus stapt een persoon uit.

  • -

    een persoon met een petje op loopt in de richting van de trappen aan de rechterzijde van het bordes.

  • -

    deze persoon loopt terug naar een persoon aan de kant.

  • -

    de persoon die aan de kant staat en waar de man met het petje naartoe kwam gelopen had een voorwerp in diens hand dat boven zijn rechterschouder uitstak.

  • -

    om 23.06.27 draait dezelfde persoon zich weer om en loopt weg bij de persoon waar hij naartoe was gelopen en liep in de richting van het bordes.

  • -

    gelijktijdig kijkt de persoon met het lange voorwerp in diens hand naar personen achter hem en loopt richting de voorzijde van de woonwagen.

  • -

    twee andere personen lopen gelijktijdig mee.

  • -

    de persoon met het petje loopt het bordes op met een voorwerp in diens linkerhand.

  • -

    drie personen gaan voor het bordes staan.

  • -

    te zien is dat de verlichting in de woonwagen ontstoken is.

  • -

    de persoon op het bordes pakt de deurklink vast en probeert die vermoedelijk, gelet op de bewegingen die hij maakt, te openen.

  • -

    de deur ging niet open, waarna deze persoon op het raam klopt.

  • -

    om 23.06.34 pakt de persoon het voorwerp over van de linkerhand in diens rechterhand, het is een voorwerp gelijkend op een vuistvuurwapen.

  • -

    de persoon op het bordes trekt zijn been op (en in) en schopt tweemaal met kracht met zijn voet tegen de toegangsdeur.

  • -

    inmiddels hebben zich nog twee personen bij de drie personen voor en rechts naast het bordes gevoegd.

  • -

    om 23.06.35 pakt de persoon met het lange voorwerp deze in beide handen en richt het op de voorzijde van de woning, het blijkt een geweer te zijn.

  • -

    om 23.06.37 kijkt de persoon naar diens vuurwapen en het ziet eruit alsof deze persoon met het wapen bezig was (mogelijk dat het vuurwapen een storing vertoonde of doorgeladen moest worden).

  • -

    om 23.06.38 waren vijf personen nabij het bordes en 1 persoon op het bordes te zien.

  • -

    om 23.06.40 richt de persoon dat vuurwapen, dat mogelijk een storing vertoonde, weer op de woning en vuurt een schot af, een lichtflits is te zien.

  • -

    de persoon met het petje loopt gelijktijdig het bordes af.

  • -

    om 23.06.41 lost dezelfde persoon nogmaals een schot terwijl hij achterwaarts loopt.

  • -

    om 23.06.42 schiet een tweede persoon van rechts gezien op de woonwagen.

  • -

    alle personen lopen in de richting van de toegang tot het kamp, in de richting van de bestelbus.

  • -

    ondertussen wordt geschoten bij het weglopen in de richting van de woonwagen, dwars door ramen.

  • -

    om 23.06.43 is een lichtflits van schoten te zien.

  • -

    tijdens het schieten zijn achter het raam, rechts naast de voordeur, silhouetten van bewegende personen te zien.

  • -

    om 23.06.45 is mondingsvuur te zien vanuit de richting waar de personen naar toe zijn gelopen.

  • -

    om 23.06.47 is te zien dat een persoon, uit de richting waar eerder genoemde zeven personen naar toe waren gelopen, al rennend, drie keer met een op een geweer gelijkend vuurwapen op de voorzijde van de woonwagen schiet.

  • -

    de personen stappen in de bestelbus.

  • -

    om 23.06.56 rijdt de bestelbus de toegangsweg van het kamp af.

Op grond van het onderzoek van de politie en de door de nationale recherche (in het kader van [ander strafrechtelijk onderzoek] ) gemaakte beeldopnamen van de woonwagen met daarop tevens het schietincident, stelt het hof vast dat een groep van zeven personen schoten heeft afgevuurd. De schietpartij resulteerde in 27 inslagen in de woonwagen. Beschadigingen van schoten zijn onder andere aangetroffen in de voordeur, ramen, spiegel, voorraadkast, haldeur, bronzen beeld, kastdeurtjes keuken, schilderij woonkamer, ruit voorgevel, kast, vaas, eettafel met stoelen en zijgevel schuifpui.

[slachtoffer 1] is door een van de schoten geraakt, ten gevolge waarvan hij is overleden, zo blijkt uit de sectie van diens stoffelijk overschot. [slachtoffer 2] is door een hagelkorrel gewond geraakt aan haar hoofd.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij boven op bed lag toen hij ineens een aantal harde klappen/knallen hoorde. Hij hoorde dat zijn vrouw meteen riep dat er werd geschoten. Toen hij naar beneden liep zag hij dat zijn vrouw bloedde aan haar voorhoofd en dat zijn zoon bloedde uit zijn zij.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij de voordeur op slot had gedaan en dat haar zoon [slachtoffer 1] nog ging computeren aan de keukentafel. Zij zaten samen aan de keukentafel toen zij iets hoorde aan de voordeur. Zij stond op en keek richting de voordeur en zag een persoon staan. Zij zag dat de persoon tegen de voordeur trapte. Direct daarop hoorde zij knallen en realiseerde zij zich dat iemand op de woonwagen aan het schieten was. Zij zag dat [slachtoffer 1] geraakt was.

Het gebruikte bestelbusje, een Volkswagen Transporter, is kort na het incident aangetroffen op de kruising Rijnauwenstraat/Amerongenstraat te Breda, op korte afstand van de woonwagen. In de genoemde Transporter zijn door de politie onder meer aangetroffen diverse wapens, waaronder een machinegeweer, merk Zastava (type AK-47), en een jacht/hagelgeweer, merk Browning, schietvesten, bivakmutsen, een strap extension set, handschoenen, jerrycans met benzine, handboeien en busjes pepperspray. Getuigen hebben waargenomen dat uit de bus mannen met bivakmutsen en zware wapens zijn weggerend.

Bij een zoekactie op de dag na het incident zijn in bosschages, gelegen tussen de Rijnauwenstraat ter hoogte van de uitgang van het woonwagenkamp en het parkeerterrein gelegen aan de achterzijde van de tegenoverliggende flat aan de Amerongenstraat, vuurwapens aangetroffen, onder meer een Riotgun, merk Maverick en een (tweede) machinegeweer, merk Zastava (type AK-47).

Getuigen hebben voorts waargenomen dat op een parkeerplaats in de nabijheid van de Rijnauwenstraat mannen in een gereedstaande Audi A2 zijn ingestapt. Bij de plaats waar de Audi heeft gestaan, is een handschoen aangetroffen.

Aangetroffen wapens in relatie tot het incident

Uit munitievergelijkend onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat de aangetroffen wapens (machinegeweer Zastava en jacht/hagel geweer Browning, beide aangetroffen in de Transporter, en het machinegeweer Zastava en de Riotgun Maverick, beide aangetroffen in de bosschages nabij de plaats delict) bij het schietincident zijn gebruikt.

[slachtoffer 1] is overleden door een schot, te relateren aan schootsbaan 34, zo blijkt uit het onderzoek van de Unit Forensisch Technische Ondersteuning (hierna: Unit FTO) van de politie. Op grond van de onderzoeksbevindingen van de Unit FTO met betrekking tot de in het lichaam van [slachtoffer 1] aangetroffen projectieldelen, in relatie met de aangetroffen hulzen en de aangetroffen wapens blijkt dat hij is geraakt door een schot afkomstig van het machinegeweer Zastava, aangetroffen in de Transporter.

Aanwezigheid van verdachte bij het schietincident

Verdachte heeft kortweg verklaard dat hij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij het ten laste gelegde schietincident. Hij heeft zich verder beroepen op zijn zwijgrecht.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1. en 2. ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachtes betrokkenheid niet kan worden afgeleid uit de telecommunicatiegegevens, en dat die evenmin kan worden gebaseerd op de aangetroffen DNA-sporen. De DNA-sporen die aan verdachte zijn te relateren, zijn aangetroffen op verplaatsbare voorwerpen, zodat het verband tussen de sporen en de ten laste gelegde feiten niet vaststaat, aldus de verdediging.

Het hof overweegt met betrekking tot die verweren het volgende.

(DNA-sporen)

In de bij het schietincident gebruikte Volkswagen Transporter zijn DNA-sporen aangetroffen. Tussen de voor- en middenstoel is een reistas veiliggesteld. Op één van de handvatten van de tas is een DNA-spoor aangetroffen. Het uit dit spoor afgeleide DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. Door het NFI is berekend dat de kans dat het aangetroffen DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van een willekeurig ander persoon, 1 op 1 miljard is.

In de reistas zaten handschoenen en vier bivakmutsen. Op één van die bivakmutsen is aan de binnenzijde, ter hoogte van de mond, een speekselspoor aangetroffen, waaruit een DNA-mengprofiel is afgeleid. Dit DNA-profiel komt overeen met het DNA-profiel van verdachte, met een berekende matchkans van 1 op 380 miljoen.
Eveneens tussen de voor- en middenstoel in de Transporter is een paar schoenen aangetroffen, van welke medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige heeft verklaard dat die van hem zijn. [medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat hij aanwezig was bij het ten laste gelegde schietincident. In de linkerschoen trof de politie twee telefoons van het merk Nokia aan. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] van die twee telefoons de gebruiker was. In de rechterschoen trof de politie onder meer een opbergtasje met daarin twee batterijen van een Nokia telefoon aan. Op een van die batterijen is een DNA-spoor veiliggesteld, waarvan het DNA-profiel bleek te matchen met het DNA-profiel van verdachte. Door het NFI is berekend dat de kans dat het op de batterij (accu) aangetroffen DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van een willekeurig ander persoon, 1 op 1 miljard is.

Naar het oordeel van het hof zijn deze aangetroffen DNA-sporen in onderlinge samenhang en in verband met de overige bewijsmiddelen bezien redengevend voor het bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij het schietincident. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, de sporen zijn aangetroffen in de bij het schietincident gebruikte en kort nadien in de nabijheid van de plaats delict aangetroffen Volkswagen Transporter.

De door het NFI berekende frequentie van het aangetroffen DNA-profiel is, voor wat betreft het handvat van de reistas én de batterij in de schoen van de medeverdachte, kleiner dan 1 op 1 miljard, en voor wat betreft de bivakmuts, kleiner dan 1 op 380 miljoen. Die onderzoeksresultaten geven dus in (zeer) hoge mate steun aan de stelling dat het celmateriaal van de sporen afkomstig is van de verdachte. In het licht van de overige bewijsmiddelen, acht het hof een matchkans van 1 op 380 miljoen voldoende om bij te dragen aan het bewijs dat verdachte deze bivakmuts heeft gedragen en aldus met zijn mond c.q. speeksel de muts heeft aangeraakt bij het schietincident.

Het hof overweegt voorts dat de bovenstaande, tot het bewijs gebezigde DNA-sporen – zoals de verdediging terecht stelt – zijn aangetroffen op verplaatsbare voorwerpen. Een aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van die DNA-sporen, die zou kunnen leiden tot het oordeel dat die sporen geen verband houden met de schietpartij, is echter door verdachte niet gegeven. Verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij niet in Breda was, nooit in Breda is geweest, hij niks weet van het misdrijf, maar dat het mogelijk is dat hij met dingen in het busje in aanraking is geweest. In hoger beroep heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof acht de verklaring van verdachte afgelegd in eerste aanleg, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende om te spreken van een aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van de DNA-sporen op de voorwerpen zoals aangetroffen in de bus. Het dossier bevat ook overigens geen enkele aanwijzing dat de sporen daar op een andere manier of ander moment zijn ontstaan of terechtgekomen dan door het optreden van de leden van de groep die betrokken waren bij het schietincident.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat de aangetroffen DNA-sporen niet kunnen bijdragen aan het bewijs.

(telecommunicatiegegevens)

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft medeverdachte [medeverdachte 1] , gehoord als getuige in de zaak van verdachte, verklaard dat hij op 14 juli 2010 aanwezig is geweest op de Rijnauwenstraat, dat hij in de Volkswagen Transporter heeft gereden, dat zijn DNA-spoor te vinden is op de bestuurdersstoel en dat hij zich met de anderen voor de woonwagen van [getuige 1] heeft bevonden.

In de Volkswagen Transporter zijn in de linker Onitsuka veterschoen, onder meer twee Nokia telefoons aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit zijn schoen was.

Eén van de mobiele telefoons was voorzien van het IMEI [nummer] , met daarin een sim-kaart met het telefoonnummer [telefoonnummer X] (ibn nummer 24).

Deze telefoon, met dit telefoonnummer kwam op 13 juli 2010 te 16.38 uur voor het eerst voor op het Nederlandse mobiele telefoonnetwerk. Het laatst geregistreerde contact met de sim-kaart met dit telefoonnummer was op 14 juli 2010.

Uit het onderzoek aan de twee telefoontoestellen, de opgevraagde historische telecomgegevens van de bijbehorende Imei-nummers en de daaropvolgende opgevraagde historische telecomgegevens van diverse telefoonnummers, is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1] de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer X] .

In de contactenlijst van deze telefoon (ibn nummer 24), in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 1] , stonden drie telefoonnummers en namen, waaronder:

  • -

    “ [bijnaam A] ” met nummer [telefoonnummer A] (hierna te noemen: [bijnaam A-nummer] );

  • -

    “ [bijnaam B] ” met nummer [telefoonnummer B] (hierna te noemen: [bijnaam B-nummer] ).

Uit onderzoek is gebleken dat er in de periode van 13 juli 2010 tot en met 14 juli 2010 in deze telefoon alleen bovenstaande sim-kaart met telefoonnummer [telefoonnummer X] had gezeten. Uit de printgegevens is voorts gebleken dat er op beide dagen veelvuldig telefonische contacten waren met het telefoonnummer [telefoonnummer A] ( [bijnaam A-nummer] ).

Genoemde twee nummers zijn pre-paidnummers waarvan de naam, adres en woonplaats bij de provider niet bekend zijn, maar het hof stelt op grond van de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de nummers [telefoonnummer A] ( [bijnaam A-nummer] ) en [telefoonnummer B] ( [bijnaam B-nummer] ) vast dat in voldoende mate is komen vast te staan dat verdachte de gebruiker was van die beide telefoonnummers. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Uit het dossier blijkt dat verdachte op 9 februari 2010 aangifte heeft gedaan van diefstal van een auto, welke geparkeerd stond op het adres [straatnaam X] te Rotterdam, de woning van zijn vriendin [naam vriendin] . Als telefoonnummer is toen opgegeven [telefoonnummer W] . Uit het dossier blijkt dat dit nummer in gebruik is bij [naam vriendin] . Het [bijnaam A-nummer] [telefoonnummer A] komt op 26 mei 2010 in Nederland op het netwerk via een zendmast in Capelle a/d IJssel, 600 meter van de [straatnaam X] in Rotterdam. Tussen het nummer van [naam vriendin] en het [bijnaam A-nummer] is tussen 26 mei 2010 en 14 juli 2010 frequent contact: op vijf avonden na, tien keer per dag. Op die vijf avonden zijn de nummers allebei in de omgeving [straatnaam X] in Rotterdam. Ook blijkt uit het dossier van contacten tussen het [bijnaam A-nummer] en de vader en broers van [naam vriendin] . Op 28 mei 2010 is vanaf het [bijnaam A-nummer] een foto van verdachte verzonden naar het nummer van [naam vriendin] .

Voorts blijkt uit het dossier dat het [bijnaam A-nummer] op woensdag 14 juli 2010 in de ochtend gebruik maakte van zendmasten in Capelle a/d IJssel. Daarna verplaatste het [bijnaam A-nummer] zich naar zendmasten in Amsterdam en vervolgens naar Amstelveen waar het nummer [telefoonnummer X] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , zich rond diezelfde tijd op een aantal dezelfde zendmasten bevond. In de tijd dat het [bijnaam A-nummer] zich op de zendmasten in Amstelveen bevond, had dat telefoonnummer geen contact met het telefoonnummer [telefoonnummer X] , in gebruik bij [medeverdachte 1] .

Vanaf een zendmast in Amstelveen vond er op woensdag 14 juli 2010 omstreeks 15.30 uur nog een gesprek plaats tussen het [bijnaam A-nummer] en het telefoonnummer [telefoonnummer W] , in gebruik bij [naam vriendin] . Daarna had het [bijnaam A-nummer] alleen nog contact met het telefoonnummer [telefoonnummer X] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , waarbij het [bijnaam A-nummer] zich weer terug verplaatste richting Capelle a/d IJssel.

Met betrekking tot het [bijnaam B-nummer] blijkt uit het dossier als volgt. Het [bijnaam B-nummer] bleek op woensdag 14 juli 2010 te 19.48 uur voor het eerst op het Nederlandse netwerk te komen, waarbij gebruik werd gemaakt van de zendmast, gelegen aan de [straatnaam Y] te Rotterdam. Hierbij werd het beltegoed opgewaardeerd. Op woensdag 14 juli 2010 te 19.42 uur werd het telefoonnummer [telefoonnummer X] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , gebeld door het [bijnaam A-nummer] , in gebruik bij verdachte. Er vond ook daadwerkelijk een gesprek plaats, zo blijkt uit de duur, weergegeven op de printlijst. Het [bijnaam A-nummer] maakte daarbij gebruik van de zendmast aan de [straatnaam Z] te Rotterdam. De [straatnaam Z] en de [straatnaam Y] liggen hemelsbreed slechts enkele honderden meters van elkaar verwijderd.

Op woensdagavond 14 juli 2010 om 20.07 uur probeerde het telefoonnummer [telefoonnummer X] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , contact te krijgen met het [bijnaam A-nummer] . Dit lukte niet.

Vanaf 19.48 uur tot 20.08 uur maakte het [bijnaam B-nummer] gebruik van zendmasten gelegen in het centrum van Rotterdam.

Het [bijnaam B-nummer] maakt op 14 juli 2010 vervolgens een reisbeweging van Rotterdam naar Breda en is vanaf één uur voor het schietincident tot de uitschakeling kort daarna, blijkens de zendmastgegevens in de omgeving van de Rijnauwenstraat te Breda. Het [bijnaam B-nummer] had vanaf activering om 19.28 uur tot de uitschakeling om 22.59 uur, zo blijkt uit de printlijsten, slechts contact met één telefoonnummer. Dat nummer is samen met drie andere telefoonnummers op 14 juli 2010 kort voor 18.00 uur te Amsterdam actief geworden. De desbetreffende vier telefoonnummers straalden kort voor en na het schietincident eveneens zendmasten aan in de nabijheid van de Rijnauwenstraat [huisnummer] . Voorts blijkt uit het dossier dat de voornoemde telefoonnummers alle vier, zoals blijkt uit de printlijsten, op 14 juli 2010 tussen 22.58 uur en 23.37 zijn uitgeschakeld. De laatst gebruikte zendmast was steeds in de onmiddellijke nabijheid van de plaats delict aan de Rijnauwenstraat te Breda.

Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden te weten:

  • -

    de aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte 1] bij de woonwagen van [getuige 1] op 14 juli 2010;

  • -

    het gegeven dat het [bijnaam A-nummer] en het [bijnaam B-nummer] in de contactenlijst van de telefoon in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] met het telefoonnummer [telefoonnummer X] (ibn nummer 24) stonden;

  • -

    de contacten van [medeverdachte 1] met het [bijnaam A-nummer] ;

  • -

    het gegeven dat aangenomen kan worden dat verdachte de gebruiker is van het [bijnaam A-nummer] en het [bijnaam B-nummer] ;

  • -

    de reisbewegingen van het [bijnaam A-nummer] en het [bijnaam B-nummer] ;

  • -

    het contact tussen het [bijnaam B-nummer] en de samenhang voor wat betreft de zendmastlocaties met de andere drie ten tijde en ter plekke van het ten laste gelegde in de lucht gekomen nummers;

concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de gebruikers van die laatstbedoelde vier telefoonnummers tezamen met medeverdachte [medeverdachte 1] op 14 juli 2010 ter plaatse van de Rijnauwenstraat zijn geweest.

Bezien in samenhang met de aangetroffen DNA-sporen van verdachte op goederen in de bij het schietincident betrokken Transporter, is het hof van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte betrokken was bij het ten laste gelegde incident, in die zin dat hij op de ten laste gelegde datum aanwezig is geweest op de Rijnauwenstraat [huisnummer] alwaar hij samen met anderen betrokken was bij de schietpartij.

Voorbedachte raad

De vragen die vervolgens aan het hof ter beoordeling voorliggen zijn hoe het incident moet worden gekwalificeerd (moord of doodslag) en of verdachtes betrokkenheid moet worden gekwalificeerd als medeplegen dan wel medeplichtigheid. Daaromtrent overweegt het hof het volgende.

Voor bewezenverklaring van moord is vereist dat voorbedachte raad bewezen kan worden.

Voorop staat dat volgens vaste jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat een verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier heeft het hof vastgesteld dat verdachte aanwezig is geweest bij een groep die in een bus naar de woonwagen aan de Rijnauwenstraat [huisnummer] is gereden. De betreffende groep heeft aldaar geschoten op de woonwagen van [getuige 1] . De groep had zich voorzien van tenminste acht wapens, waaronder een afgezaagd jachthagelgeweer merk Browning, twee aanvalsgeweren merk Zastava, twee pistolen merk Sig Sauer, twee pistolen merk Walther, een riotgun merk Maverick. Voorts bevonden zich in de bus bivakmutsen, handschoenen, gehoorbeschermingsdoppen, handboeien, pepperspray, twee jerrycans met benzine, schietvesten en een strap extension set. De bus was voorzien van valse kentekenplaten en de ramen waren geblindeerd. Uit het dossier blijkt dat de leden van de groep beschikten over mobiele telefoons die eerst in de lucht kwamen op 14 juli 2010, enkele uren voorafgaand aan het incident, en die na afloop van het schietincident weer werden uitgeschakeld. Voorts blijkt dat de groep de beschikking had over nog minstens één ander voertuig dat in de buurt van het incident door getuigen is gezien.

Het hof leidt hieruit af dat de personen die op 14 juli 2010 bij de woonwagen van [getuige 1] aanwezig waren zich te voren hadden voorbereid op hun actie en dat sprake was van een vooropgezet plan. Het hof stelt voorts vast dat die voorbereiding mede omvatte tenminste acht wapens waaronder wapens van zwaar kaliber en mede omvatte beschermende kleding tegen vuurwapengeweld. Het hof leidt hieruit af dat de groep zich mede geprepareerd had op het gebruik van vuurwapens. Op de beelden van het schietincident is voorts waar te nemen dat de groep zich voor de woning opstelt en dat dat wapens gereed worden gehouden en dat de eerste man die gaat schieten zijn wapen op de woning heeft gericht.

Naar het oordeel van het hof kan uit deze feitelijke omstandigheden worden afgeleid dat in het kader van de voorbereiding van de actie niet alleen is nagedacht over het ontvoeren van de persoon die het doel was van de actie, maar dat ook rekening is gehouden met het gebruik van vuurwapens en dat derhalve sprake is geweest van gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van het gebruik van vuurwapens en zich daarvan rekenschap te geven. Dat levensberoving niet in eerste instantie het doel van de actie zou zijn geweest staat, anders dan de kennelijke opvatting van de verdediging, naar het oordeel van het hof niet in de weg aan het aannemen van voorbedachte raad, nu immers de groep bewapend voor de woonwagen is gaan staan en er derhalve vanuit gegaan kan worden dat rekening is gehouden met het gebruik van die vuurwapens.

Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier om aan te nemen dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Uit de beschrijving van de camerabeelden van het schietincident blijkt dat de persoon met het petje het bordes van de woonwagen opgaat, de deur tracht te openen, daarop klopt en vervolgens krachtig tegen die deur trapt. In zijn hand is een voorwerp dat lijkt op een vuistvuurwapen zichtbaar. Anderen staan voor het bordes. Terwijl de persoon op het bordes tegen de deur trapt, richt de man met het geweer, die zich voor het bordes bevindt zijn vuurwapen op de woonwagen. Hij kijkt naar zijn wapen, richt opnieuw op de woning en vuurt een schot af. Hij lost nogmaals een schot. Een seconde later schiet een tweede persoon op de woonwagen. De groep begeeft zich richting de bus en schiet ondertussen door de ramen van de woonwagen. Vervolgens schiet een persoon uit de richting waar de personen naar toe zijn gelopen, nogmaals op de voorzijde van de woonwagen, waarna men de bus in stapt en zich verwijdert.

Uit het dossier is verder gebleken dat vanuit de woonwagen niet is geschoten. Volgens de verklaring van [slachtoffer 2] werd er direct nadat tegen de voordeur was getrapt geschoten. Een aanleiding om, uit paniek of ter verdediging, te gaan schieten is het hof derhalve niet gebleken.

Voorts passen de omstandigheden dat persoon 2 (evenals persoon 1) is gaan schieten, dat tijdens het vertrek bij het bordes is geschoten en dat nog steeds wordt geschoten op de woonwagen, nadat men al richting de bus is gegaan, niet in een scenario dat de groep is weggevlucht na het horen van een onverwacht, ongepland schot. Eerder wijst dit naar het oordeel van het hof op een keuze van de groep om, nadat het niet gelukt is om binnen te komen, de woonwagen te beschieten.

Het schieten op een woonwagen, van welke de rolluiken open zijn en waarin de verlichting is aangestoken, met het kaliber wapens als waarvan is gebleken en met het aantal schoten dat onder meer op lichaamshoogte en van korte afstand is afgevuurd op voor- en zijgevel van de woonwagen, waaronder de voordeur en de ramen daarvan, kan naar het oordeel van het hof niet anders worden aangemerkt dan als een handeling die onmiskenbaar gericht is op de dood van personen die zich in die woonwagen bevinden.

Het hof concludeert dat opzettelijk en met voorbedachte raad is geschoten.

Medeplegen

Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de vereisten voor medeplegen, in die zin dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Uit het dossier blijkt dat de groep, waaronder verdachte, goed voorbereid was, dat verdachte bij de uitvoering betrokken was en zich samen met de groep heeft verwijderd. Op grond van de camerabeelden is voor het hof niet vast te stellen wie van de zeven personen verdachte of zijn medeverdachten zijn. Of verdachte al dan niet een wapen heeft gedragen en zo ja, of hij daarmee heeft geschoten kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven. Het hof houdt alle leden van de groep als medeplegers gelijkelijk verantwoordelijk voor het handelen van de groep.

De verweren van de verdachte worden verworpen.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] en het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 2] .

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten. en heeft verdachte ter zake van het onder 4. ten laste gelegde feite veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van medeplegen van moord en poging tot moord, alsmede ter zake van het onder 3. ten laste gelegde feit, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij samen met anderen de 12-jarige [slachtoffer 1] met voorbedachten raad heeft gedood en heeft geprobeerd om diens moeder, [slachtoffer 2] , te doden. Hij is samen met zes andere personen op 14 juli 2010 laat op de avond naar het woonwagenkamp aan de Rijnauwenstraat te Breda gegaan, in een bus met diverse wapens, bivakmutsen, handschoenen en andere goederen geschikt voor een gewelddadige actie. Bij de woonwagen van [slachtoffer 1] en zijn ouders is de groep uitgestapt en is met zware wapens, te weten twee aanvalsgeweren, type AK-47, een riotgun en een jachtgeweer geschoten op de woonwagen, hetgeen resulteerde in 27 inslagen.

[slachtoffer 1] is getroffen door munitiedelen afkomstig uit één van de AK-47’s. Hij raakte ernstig gewond en overleed kort nadien aan deze verwondingen.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] op jonge leeftijd zijn meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Hij heeft geen enkel respect getoond voor het menselijk leven.

[slachtoffer 2] , zelf gewond geraakt, en haar man hebben hun meest kostbare bezit, hun kind, verloren. Verdachte heeft hen en andere dierbaren van [slachtoffer 1] onherstelbaar leed aangedaan.

Met de rechtbank overweegt het hof dat een schietpartij van dit kaliber niet alleen bij betrokkenen, maar ook in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid heeft veroorzaakt. De rechtsorde is door de gewelddadige dood van een onschuldig kind ernstig geschokt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met hetgeen daaromtrent ter terechtzitting is gebleken alsmede met hetgeen uit het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 oktober 2015 blijkt, te weten de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is vanwege de in stand blijvende veroordeling door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2013, ter zake het bezit van een vervalst paspoort. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte in Groot-Brittannië eerder is veroordeeld voor onder meer vermogensdelicten.

De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf . Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf houdt het hof rekening met de wijze waarop de schietpartij is begaan: zeer gewelddadig, met zware wapens, in een georganiseerd verband met diverse vuurwapens en, blijkens de aangetroffen goederen: goed voorbereid. Bovendien heeft het incident plaatsgevonden bij de woning van de slachtoffers, de plaats waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten kunnen voelen.

Het hof is, alle omstandigheden afwegende, van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren passend en geboden is.

Beslag

Met betrekking tot de onder verdachte in beslag genomen en nog niet terug gegeven voorwerpen zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Bevel tot voorlopige hechtenis

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de gevangenneming van verdachte zal bevelen. De verdediging heeft op de vordering geen verweer gevoerd.

Aangezien ten laste van verdachte het medeplegen van moord en het medeplegen van een poging tot moord bewezen zijn verklaard - feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt - is sprake van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert. Ook overigens is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een bevel tot voorlopige hechtenis, zoals die blijken uit de artikelen 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof zal dan ook - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - de gevangenneming van verdachte bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 63, 67, 67a en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4. ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaar.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van verdachte met ingang van 27 november 2015, welk bevel afzonderlijk zal worden geminuteerd.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 accu, Nokia BL-4c (334113)

  • -

    1 accu, Nokia BL-4c (334123)

  • -

    1 Apple Ipod (334201)

  • -

    1 Apple Ipod (334212)

  • -

    1 mobiele telefoon, Nokia (335661)

  • -

    1 mobiele telefoon, Nokia (335662).

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman-Dieleman, griffier,

en op 27 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.