Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4770

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
F 200 169 478_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 november 2015

Zaaknummer: 200.169.478/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/283459/FA RK 14-4834

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S.E.H. Kehrens,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.A.M. Verkuijlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 mei 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de bijdrage van de man voor de hierna nader te noemen [minderjarige] wordt vastgesteld:

- op € 281,- per maand in de periode van 1 februari 2012 tot 1 januari 2013;

- op € 129,36 per maand in de periode van 1 januari 2013 tot 1 oktober 2013;

- op € 108,36 per maand in de periode van 1 oktober 2013 tot 1 november 2013;

- op € 94,36 per maand in de periode van 1 november 2013 tot 20 januari 2014;

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2015, heeft de vrouw verzocht de man in al het in hoger beroep verzochte niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep ongegrond te verklaren en het in hoger beroep door de man verzochte af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van de door de vrouw in eerste aanleg verzochte bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] over de periode van 18 december 2009 tot 1 februari 2012 en de nihilstelling van de bijdrage van de man over de periode na 20 januari 2014 en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] voor de periode van 18 december 2009 tot en met 1 februari 2012 vast te stellen op een bedrag van € 542,33 per maand, althans een door het hof vast te stellen bedrag over een door het hof te bepalen periode gelegen binnen deze data, te voldoen bij wijze van vooruitbetaling op een nader door de vrouw aan te duiden bankrekening;

  • -

    de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor de periode van 20 januari 2014 tot 20 mei 2014 vast te stellen op een bedrag van € 25,- per maand, te voldoen bij wijze van vooruitbetaling op een nader door de vrouw aan te duiden bankrekening;

  • -

    de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , voor de periode na 20 mei 2014 vast te stellen op een bedrag van € 581,72 per maand, althans een door het hof vast stellen bedrag over een door het hof te bepalen periode gelegen na 20 mei 2014, te voldoen bij wijze van vooruitbetaling op een nader door de vrouw aan te duiden bankrekening,

en voor het overige de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 31 juli 2015, heeft de man verzocht de vrouw in hetgeen zij in incidenteel appel heeft verzocht niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel appel ongegrond te verklaren en het door de vrouw verzochte af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Kehrens;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Verkuijlen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 december 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 5 oktober 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 9 oktober 2015;

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ;

De man heeft [minderjarige] erkend.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Nadat de vrouw bij verzoekschrift van 28 juni 2011 (een eerste) gerechtelijke vaststelling van kinderalimentatie had verzocht en de man verweer had gevoerd, heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 16 november 2011 (waarvan thans wijziging wordt gevraagd), gelet op de door partijen bereikte overeenstemming

  • -

    de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] per datum beschikking vastgesteld op nihil;

  • -

    deze bijdrage tot de datum van die beschikking vastgesteld op hetgeen de man aan de vrouw reeds heeft betaald;

  • -

    deze bijdrage onder verwijzing naar hetgeen in die beschikking is overwogen, met ingang van 1 februari 2012 vastgesteld op € 136,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, voormelde beschikking van 16 november 2011 gewijzigd en naar aanleiding van de wederzijdse verzoeken bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen:

- een bedrag van € 564,- per maand in de periode van 1 februari 2012 tot 1 januari 2013;

- een bedrag van € 245,- per maand in de periode van 1 januari 2013 tot 20 januari 2014,

en deze bijdrage met ingang van 20 januari 2014 op nihil bepaald,

en het meer of anders verzochte - onder meer het verzoek van de vrouw om alsnog een alimentatie van € 542,33 per maand over de periode 18 december 2009 tot 1 februari 2012 vast te stellen - afgewezen.

3.4.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van partijen betreffen – zakelijk weergegeven – :

- de behoefte van [minderjarige] ;

- de ingangsdatum van de wijziging van de onderhoudsbijdrage;

- de draagkracht van de man.

Behoefte kind

3.6.

De behoefte van [minderjarige] is in hoger beroep in geschil.

3.6.1.

Het hof zoekt voor de vaststelling van de behoefte aansluiting bij de ‘tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ als gehanteerd door de Expertgroep Alimentatienormen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenwoning, dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan het totaal netto besteedbaar inkomen.

3.6.2.

De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige] vastgesteld op € 542,33 per maand in 2009.

De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.543,11 per maand.

3.6.3.

De man stelt dat partijen hun relatie hebben verbroken in augustus/september 2008, maar dat hun samenleving pas eind 2009 is beëindigd. Vanaf het verbreken van de relatie hebben partijen een gescheiden huishouding gevoerd. Het inkomen van de vrouw ten tijde van de relatie bedroeg volgens de man naar schatting € 400,- netto per maand. De vrouw is na het verbreken van de relatie meer gaan werken, omdat zij vanaf dat moment voor zichzelf moest gaan zorgen. De man wist niets van het hogere inkomen van de vrouw in 2009, waarvan de rechtbank is uitgegaan. Partijen hebben nimmer hiervan geleefd.

De man stelt dat zijn netto salaris € 1.744,- per maand bedroeg in 2009, inclusief vakantietoeslag. Volgens hem dient gekeken te worden naar zijn salarisstroken en niet naar zijn jaaropgaaf, zoals de rechtbank heeft gedaan, aangezien de bijtelling van de auto van de zaak buiten beschouwing dient te worden gelaten en in de jaaropgaaf een ontslagvergoeding is opgenomen.

De behoefte van [minderjarige] dient volgens de man te worden vastgesteld op € 318,- per maand in 2012.

3.6.4.

De vrouw blijft bij haar standpunt dat partijen hun relatie in september 2009 hebben verbroken en toen ook hun gemeenschappelijke huishouding hebben beëindigd. De schriftelijke financiële afspraken van partijen dateren ook van 4 september 2009 en hebben hun werking na september 2009. De verbeterde inkomenssituatie was volgens de vrouw bestendig genoeg om daarvan bij de bepaling van de behoefte uit te gaan.

De vrouw stelt dat rekening dient te worden gehouden met de bijtelling vanwege de auto van de zaak, aangezien dit een vorm van inkomen in natura is. Het betreft een besparing omdat geen kosten voor een eigen auto hoeven te worden gemaakt, hetgeen direct besteedbaar is.

Volgens de vrouw is het zeer wel mogelijk dat naast het gewone loon ook andere inkomsten werden genoten.

3.6.5.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Het netto besteedbaar inkomen is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Geen rekening wordt gehouden met de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

3.6.6.

Het hof stelt vast dat partijen in september 2009 afspraken hebben gemaakt over financiële en materiële kwesties en over [minderjarige] . Het hof acht aannemelijk dat partijen eerst vanaf dat moment een gescheiden huishouding zijn gaan voeren.

Het hof stelt echter tevens vast dat de vrouw (pas) in februari 2009 meer is gaan verdienen. Er dient dan ook vanuit te worden gegaan dat partijen gedurende het grootste deel van de samenwoning van het lagere inkomen van de vrouw (en het inkomen van de man) hebben geleefd. Het hof stelt voorts vast dat het latere inkomen van de vrouw thans niet hoger is dan het totaal netto besteedbaar inkomen. Het hof ziet derhalve, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om van het hogere inkomen van de vrouw uit te gaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tot februari 2009 gemiddeld € 400,- netto per maand verdiende, zodat het hof daarvan uitgaat.

Aan de zijde van de man gaat het hof, evenals de rechtbank, uit van zijn inkomen zoals blijkt uit de jaaropgaaf 2009, met dien verstande dat, conform het advies van de Expertgroep Alimentatienormen, geen rekening wordt gehouden met de fiscale bijtelling met betrekking tot de auto van de zaak, af te leiden uit de loonstroken van de man. Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het hof ziet voorts geen aanleiding om, zoals de man heeft verzocht, uit te gaan van zijn salarisstroken. De man heeft onvoldoende geconcretiseerd op welke gronden en in hoeverre, afgezien van de hiervoor bedoelde fiscale bijtelling, zijn jaaropgaaf geen reëel beeld zou geven van het inkomen dat hij in 2009 heeft genoten. Het hof kan dit ook niet zelfstandig beoordelen, daar de jaaropgaaf 2008 en 2010 niet zijn overgelegd en uit de overgelegde salarisstroken niet blijkt of de man een eindejaarsuitkering heeft ontvangen, waarmee wel rekening moet worden gehouden, en wat de hoogte was van de vakantietoeslag. Bovendien fluctueerde het inkomen van de man maandelijks. Het hof gaat derhalve uit van een bedrag van € 36.709,- aan bruto loon.

3.6.7.

Op grond van al het voorgaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in 2009 vast op € 2.194,- per maand.

3.6.8.

Een en ander leidt tot een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.594,- per maand.

3.7.

Met inachtneming van de voor het jaar 2009 geldende ‘tabel eigen aandeel kosten kinderen’ en de leeftijd van [minderjarige] in 2009 kan de behoefte van de [minderjarige] in 2009 worden vastgesteld op circa € 380,98 per maand. De naar analogie van artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geïndexeerde behoefte van [minderjarige] bedraagt:

  • -

    € 398,36 per maand in 2012;

  • -

    € 405,13 per maand in 2013;

  • -

    € 408,78 per maand in 2014;

  • -

    € 412,05 per maand in 2015.

Ingangsdatum wijziging

3.8.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de onderhoudsbijdrage moet ingaan.

3.8.1.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende heeft gesteld om tot een wijziging van de bijdrage in de kosten van [minderjarige] over te gaan met ingang van 18 december 2009. De rechtbank heeft overwogen dat in dit verband gesteld noch gebleken is of en zo ja, voor welke bedragen en op welke grond er vanaf die datum een onderhoudsverplichting bestond. De vrouw wijst op de behoefte van [minderjarige] , haar draagkracht van € 25,- per maand en het feit dat de man sinds 18 december 2009 steeds een inkomen heeft gehad. Op het voorgaande en de wet baseert de vrouw de alimentatieverplichting van de man. Het ligt volgens de vrouw op de weg van de man om stukken in het geding te brengen waaruit zijn inkomen en lasten in die periode blijken. Uit het feit dat de man in 2011 voor een bedrag van € 1.796,- te veel aan huurtoeslag heeft ontvangen, blijkt al dat de man een substantieel inkomen heeft genoten, fors hoger dan de bijstandsnorm, aldus de vrouw.

3.8.2.

De man stelt dat partijen in 2009 overeengekomen zijn dat hij € 175,- per maand aan kinderalimentatie zou betalen. In de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 16 november 2011 zijn partijen overeengekomen dat de alimentatie over de periode tot 16 november 2011 met terugwerkende kracht diende te worden vastgesteld op hetgeen daadwerkelijk uit hoofde van alimentatie is bepaald en over de periode van 16 november 2011 tot 1 februari 2012 diende te worden vastgesteld op nihil. De man acht het ongepast dat de vrouw na jaren op deze overeenstemming terugkomt, door te stellen dat de kinderalimentatie vanaf 18 december 2009 niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven, dat van onjuiste gegevens is uitgegaan of zelfs dat de afspraken zijn gemaakt met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De man betwist dit en voert daarbij aan dat de vrouw zich bij het bereiken van de overeenstemming heeft laten bijstaan en informeren door haar toenmalige advocaat. Het zou in strijd zijn met de rechtszekerheid indien de vrouw op de eerder gemaakte afspraken zou kunnen terugkomen.

3.8.3.

Het hof overweegt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Het hof is van oordeel dat de vrouw volstrekt onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat partijen in 2011 voormelde afspraken hebben gemaakt met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De vrouw dient in dit kader aan te tonen dat de overeengekomen alimentatie door de miskenning in een evidente wanverhouding staat tot hetgeen op grond van de wettelijke maatstaven zou zijn bepaald. De enkele stelling dat de man, achteraf gezien, een hogere draagkracht had, is in dit verband onvoldoende.

Het hof stelt voorts - evenals de rechtbank - wel vast dat de man bij [bedrijfsnaam] B.V., waar hij in dienst is getreden op 1 februari 2012, een hoger inkomen is gaan genieten dan het inkomen waarvan partijen zijn uitgegaan bij het maken van de afspraken in 2011. In zoverre is sprake van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, die een herbeoordeling van de bestaande alimentatieverplichting rechtvaardigt. Het hof gaat derhalve uit van 1 februari 2012 als ingangsdatum van de eventuele wijziging van de bestaande alimentatieverplichting.

Draagkracht

Draagkracht man

3.9.

Het hof stelt vast dat de man van 1 februari 2012 tot 1 februari 2013 in loondienst was van [bedrijfsnaam] B.V. In de periode van 1 februari 2013 tot 20 januari 2014 ontving de man een Ziektewet-uitkering. Vanaf 20 januari 2014 ontvangt de man een bijstandsuitkering.

De man heeft recente uitkeringsspecificaties overgelegd waaruit blijkt dat hij weliswaar (incidenteel) werkt, maar dat dit inkomen tot de bijstandsgrens wordt aangevuld door de gemeente. Hoewel de vrouw stelt dat de man ook inkomsten uit andere werkzaamheden geniet, heeft zij dat op geen enkele manier geconcretiseerd of onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

3.9.1.

Het hof stelt reeds op grond van het voorgaande vast dat de man vanaf 20 januari 2014 geen financiële draagkracht heeft voor het betalen van enige kinderalimentatie.

3.9.2.

Op grond van het voorgaande zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van de volgende periodes:

  • -

    de periode van 1 februari 2012 tot 1 februari 2013 (periode 1);

  • -

    de periode van 1 februari 2013 tot 20 januari 2014 (periode 2).

3.9.2.

Evenals de rechtbank gaat het hof uit van een fiscaal jaarinkomen van € 30.942,- in periode 1 en € 28.049,- in periode 2.

3.9.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij de vaststelling van de draagkracht van de man voor wat betreft de periode van 1 februari 2012 tot 1 februari 2013 conform het tot 1 april 2013 geldende systeem dient te worden gerekend en dat voor wat betreft de periode van 1 februari 2013 tot 20 januari 2014 conform het vanaf 1 april 2013 geldende forfaitaire systeem dient te worden gerekend.

1 februari 2012 tot 1 februari 2013

3.10.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn maandelijkse woonlasten (huur ad € 557,- per maand), ziektekosten (ad € 150,- per maand), verblijfskosten verbonden aan de zorgregeling (ad € 40,- per maand) en aflossing op een schuld aan de belastingdienst (met € 20,- per maand).

3.10.1.

Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat de hoogte van genoemde vaste lasten, met uitzondering van de aflossing op de schuld, van haar zijde niet worden betwist.

De vrouw is van mening dat geen rekening mag worden gehouden met de aflossing op de schuld aan de belastingdienst vanwege te veel ontvangen huurtoeslag in 2012. De schuld is ontstaan na het uiteengaan van partijen en was vermijdbaar. Tevens is het aan de man te wijten dat hij deze schuld heeft laten ontstaan. Bovendien heeft de man de betreffende toeslagen op enig moment van de belastingdienst ontvangen, hetgeen zijn draagkracht op dat moment heeft verhoogd.

3.10.2.

Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man in deze periode rekening houden met voormelde redelijk woonlasten, ziektekosten en de aan de zorgregeling verbonden verblijfskosten.

3.10.3.

Het hof overweegt het volgende over de schuld van de man aan de belastingdienst waaraan hij in dit kader refereert, betreffende te veel ontvangen huurtoeslag in 2012, maar ook de andere schulden aan de belastingdienst betreffende te veel ontvangen huurtoeslag in 2011 en 2010, waarmee in de visie van de man bij de berekening van zijn draagkracht in de periode van 1 februari 2013 tot 20 januari 2014 rekening zou moeten worden gehouden.

De man heeft deze schulden laten ontstaan doordat hij niet tijdig bij de belastingdienst de wijziging van in zijn inkomenssituatie heeft doorgegeven, waardoor hij (uiteindelijk) gedurende drie jaar huurtoeslag heeft ontvangen waar hij geen recht op had. Deze bedragen heeft hij niet gereserveerd. Het hof is van oordeel dat de schulden aan de belastingdienst onnodig zijn aangegaan en dat zij hoe dan ook geen prioriteit behoren te krijgen boven de alimentatieverplichting van de man jegens [minderjarige] .

3.10.4.

Het hof houdt aldus rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent.

Het hof houdt voorts rekening met een bedrag van € 557,- per maand aan huur, € 150,- per maand aan basispremie ZVW en aanvullende premie, minus € 49,- per maand zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Tevens houdt het hof rekening met een bedrag van € 40,- per maand ter zake aan de zorgregeling verbonden verblijfskosten.

3.11.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 1.769,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de toepasselijke heffingskortingen (de algemene heffingskorting en de arbeidskorting) en de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.12.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 349,- per maand. Daarvan is 70% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage, zijnde een bedrag van € 244,- per maand.

3.13.

Met betrekking tot de voor het kind te betalen onderhoudsbijdrage heeft de man (mede in aanmerking nemende dat hij de hiervóór vermelde kosten zorgregeling maakt) tot 1 januari 2015 recht op persoonsgebonden fiscale aftrek

Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan het kind. Rekening houdend met dit (forfaitaire) fiscale voordeel, heeft de man in periode 1 de draagkracht om € 285,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

1 februari 2013 tot 20 januari 2014

3.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de man in periode 2 zoals hiervoor vermeld, correspondeert met een netto besteedbaar inkomen van € 1.614,- per maand.

3.15.

De draagkracht van de man is volgens de in dit verband te hanteren formule € 196,- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel ad € 49,- per maand, derhalve in totaal € 245,- per maand.

Draagkracht vrouw

3.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand bedraagt.

3.16.1.

Op grond van het onder 3.9.1 overwogene, komt het hof niet toe aan de beoordeling van de stelling van de man ter zitting dat met ingang van 1 januari 2015 bij het inkomen van de vrouw het kindgebonden budget dient te worden opgeteld.

Draagkrachtvergelijking

3.17.

Nu de totale draagkracht van partijen in beide periodes lager is dan de behoefte van [minderjarige] , komt het hof niet toe aan een draagkrachtvergelijking.

Zorgkorting

3.18.

De man maakt wat betreft de periode van 1 februari 2013 tot 20 januari 2014 aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 25% op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage.

De vrouw maakt daartegen bezwaar. Zij heeft haar bezwaren echter niet nader gemotiveerd.

3.19.

Het hof volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Nu de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige] , geldt een percentage van 25%. Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] in de betreffende periode € 405,13 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 101,30 per maand.

3.20.

Nu de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig hun eigen aandeel in de kosten van [minderjarige] te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting. Het tekort bedraagt omstreeks € 135,- per maand, zodat de door de man te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 245,- – (€ 101,30 – € 67,56) = € 211,- (afgerond).

Schuld aan [schuldeiser]

3.21.

De man verzoekt in de periode van 1 februari 2013 tot 20 januari 2014 voorts een correctie van zijn draagkracht door rekening te houden met zijn betalingsverplichting uit hoofde van een schuld aan een kennis, de heer [schuldeiser] , ad € 6.000,-, waarop de man sinds oktober 2013 aflost met € 30,- per maand;

3.21.1.

De vrouw maakt hiertegen gemotiveerd bezwaar. De vrouw stelt dat de door de man in het geding gebrachte verklaring van de heer [schuldeiser] , en ook de later in het geding gebrachte stukken, vals zijn. De overeenkomst is niet ondertekend. De man heeft niet aangegeven waarom hij deze schuld heeft gemaakt en waarom dat noodzakelijk was. De vrouw is van mening dat de schuld niet bestaat. De bankafschriften van de man laten zien dat hij maandelijks € 30,- overmaakt naar fysiotherapie Airborne met de omschrijving “lening”. De vrouw stelt dat het gaat om betalingen van behandelingen die de man heeft genoten, maar die hij valselijk als aflossing op de gestelde lening kenmerkt. De vrouw leest in de schriftelijke leningsvoorwaarden dat is afgesproken is dat rente door middel van werkzaamheden wordt voldaan. De vrouw stelt (subsidiair) dat de man niet daadwerkelijk op de schuld aflost, dan wel dat hij dat doet door het verrichten van werkzaamheden (de terugbetaling zou anders zestien jaar vergen). Tevens betreft het een lening die na het ontstaan van de onderhoudsverplichting is ontstaan, zodat daarmee geen rekening mag worden gehouden bij het vaststellen van de draagkracht van de man, aldus de vrouw.

3.21.2.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft naar het oordeel van het hof, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd waarom hij de schuld aan de heer [schuldeiser] is aangegaan en derhalve of deze financiële last/verplichting, mede gelet op zijn zwaarwegende onderhoudsverplichting jegens [minderjarige] , noodzakelijk was. Die last/verplichting kan derhalve niet leiden tot verhoging van het forfaitaire bedrag voor de kosten van levensonderhoud dat in aanmerking moet worden genomen.

3.22.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding in periode 2 derhalve vast op € 211,- per maand.

3.23.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep op grond van het voorgaande in zijn geheel vernietigen, zulks omwille van de overzichtelijkheid van de beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 februari 2015

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 16 november 2011 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , zal voldoen een bedrag van:

  • -

    € 285,- per maand in de periode van 1 februari 2012 tot 1 februari 2013;

  • -

    € 211,- per maand in de periode van 1 februari 2013 tot 20 januari 2014;

stelt deze bijdrage met ingang van 20 januari 2014 nader vast op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2015.