Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4767

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
F 200 161 943_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling;

verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW na wederbelegging letselschade uitkering.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0348
NJF 2016/24
JPF 2016/7 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 november 2015

Zaaknummer: 200.161.943/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/270460 / FA RK 13-5835

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. Appünn,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L. Stam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 september 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking onder punt 3.6. in samenhang met de overwegingen onder punt 2.7. te vernietigen wat betreft de alinea’s “het saldo van de verkochte caravan” en “De gouden handdruk/uitkering uit hoofde van letselschade” en opnieuw rechtdoende:

- voor recht te verklaren dat de man recht heeft op teruggave van zijn investering in de woning ter hoogte van € 21.553,39;

- te bepalen dat de vrouw haar medewerking verleent aan uitkering van € 21.533,39 uit het depot bij [notarissen] Notarissen te [standplaats] aan de man;

- te bepalen dat de verkoopopbrengst van de caravan toekomt aan de man zonder nadere verrekening van deze opbrengst met de vrouw,

Althans een zodanig bedrag aan de man toe te kennen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 februari 2015, heeft de vrouw verzocht alle grieven van de man af te wijzen, dan wel ongegrond te verklaren en de beschikking van 26 september 2014 te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Appünn;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Stam.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 13 januari 2015;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de man d.d. 23 januari 2015 met als bijlage het proces-verbaal van eerste aanleg;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 28 september 2015;

  • -

    de ter zitting van het hof door de advocaat van de man overhandigde en voorgedragen pleitnota.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 31 augustus 2001 te ’s-Hertogenbosch gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 12 april 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, de wijze van verdeling gelast zoals is overwogen in paragraaf 2.7 van die beschikking.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de man richten zich tegen de overweging van de rechtbank met betrekking tot het saldo van de opbrengst van de verkochte caravan en de overweging met betrekking tot de gouden handdruk/uitkering uit hoofde van letselschade en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.6.

De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen vaststaat dat de opbrengst van de verkochte caravan tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld en dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitkering uit hoofde van letstelschade tot de te verdelen huwelijksgemeenschap behoort. Tegen deze overwegingen richten zich de eerste en tweede grief van de man. De man voert het volgende aan.

Beide grieven zijn terug te voeren op de letselschade-uitkering die de man in 2003 ontving en het standpunt van de man dat deze uitkering verknocht is op grond van artikel 1:94 lid 3 BW en niet in de gemeenschap valt.

De man heeft op 6 juni 2003 een ongeval gehad waarbij hij gewond is geraakt. Met Interpolis, de verzekeraar van degene die aansprakelijk was voor het ongeval, is een vaststellingsovereenkomst gesloten en aan de man is een slotuitkering gedaan van € 40.000,--. In totaal is aan de man een bedrag van ongeveer € 112.000,-- uitgekeerd.

De man legt als productie 3 in hoger beroep een brief van Interpolis d.d. 10 januari 2007 over, waaruit blijkt op welke wijze de uitkering is opgebouwd. Er is een bedrag van € 12.500,-- aan smartengeld uitgekeerd en een uitkering van € 25.600,-- gedaan ter zake van toekomstig verlies van arbeidsvermogen. Een deel van die vergoeding heeft noodzakelijkerwijs betrekking op de na-huwelijkse periode. De man is niet meer in staat zijn voormalige werkzaamheden te doen en verricht aangepast werk, aangevuld door een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Met het geld van de vergoeding is een dakopbouw gebouwd op de toenmalige echtelijke woning van partijen. De totale kosten van de aanbouw kwamen op € 21.553,39.

Voorts is het geld van de vergoeding aangewend voor de aankoop van een caravan voor een bedrag van € 10.220,--. De rest van de uitkering is door partijen geconsumeerd tijdens het huwelijk.

De investering in de woning dient nominaal aan de man te worden vergoed. De echtelijke woning is inmiddels verkocht. De overwaarde bedroeg € 21.600,--. Op verzoek van de man is voornoemd bedrag in depot gebleven bij de notaris in afwachting van tussen partijen te bereiken onderlinge overeenstemming of een gerechtelijke uitspraak.

De caravan is inmiddels door de man verkocht. De opbrengst van de caravan komt in zijn geheel aan de man toe omdat de caravan volledig is betaald met geld uit de letselschade-uitkering.

Uit de brief van Interpolis van 10 januari 2007 blijkt dat zowel het bedrag van € 12.500,-- (smartengeld) als het bedrag van € 25.600,-- (toekomstig verlies van arbeidsvermogen vanaf 2007 tot aan het 65e jaar van de man) buiten de gemeenschap valt. De man maakt aanspraak op een bedrag ad € 21.533,39 uit hoofde van teruggave van de investering in de woning en op de opbrengst van de caravan. Hij kan hierop in alle redelijkheid aanspraak maken.

3.7.

De vrouw voert verweer.

De vrouw betwist dat de uitkering aan de man verknocht is in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW. De vrouw stelt (subsidiair) dat, mocht er al sprake zijn van enige bijzondere verknochtheid, deze inmiddels teniet is gegaan. Zij voert hiertoe het volgende aan.

Het “toekomstige schade” element ontbreekt, nu de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de uitkering mede strekt ter compensatie van blijvend leed en blijvend verlies aan verdiencapaciteit.

Voorts is de in geld ontvangen letselschade uitkering niet meer te identificeren. Het geld is in de gemeenschap gevloeid en geconsumeerd.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de beantwoording van de vraag of een goed wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:194 lid 2BW, aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW - afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Indien een der echtgenoten vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op artikel 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013,141).

Het hof stelt vast dat de brief van Interpolis van 10 januari 2007, waaruit volgens de man blijkt dat een bedrag van € 12.500,-- ziet op immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 25.600,-- op toekomstig verlies van arbeidsvermogen, een voorstel van Interpolis betreft dat niet door de man is geaccepteerd. Het voorstel dat uiteindelijk door de man is geaccepteerd betrof een totaalbedrag, en gesteld noch gebleken is dat en in hoeverre een uitsplitsing heeft plaatsgevonden in immateriële schade, verschenen schade, verschenen verlies aan arbeidsvermogen en toekomstig verlies aan arbeidsvermogen. Het is voor het hof derhalve niet vast te stellen welk deel van de totale vergoeding ziet op immateriële schade en toekomstig verlies aan arbeidsvermogen, en om die reden eventueel als verknocht in de zin van artikel 1:94 lid 3 is aan te merken.

3.8.1.

Het hof is voorts van oordeel dat – zelfs indien wel zou komen vast te staan dat het deel van de vergoeding dat is geïnvesteerd in de aanbouw van de woning en de aanschaf van de caravan immateriële schadevergoeding en/of toekomstig verlies aan arbeidsvermogen betreft, en om die reden aan de man verknocht is – de man zal dienen te stellen op grond waarvan van verknochtheid van het goed waarin met de verknochte schadevergoeding is geïnvesteerd, sprake is.

Dit volgt uit HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295,NJ 2009,40. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de opvatting dat bij wederbelegging van goederen en/of gelden die door verknochtheid buiten de gemeenschap van goederen vallen, als sprake is van volledige financiering door en levering van deze goederen aan degene aan wie het verknochte goed toebehoorde, het nieuw verkregen goed op grond van zaaksvervanging eveneens buiten de gemeenschap blijft, onjuist is. Het antwoord op de vraag op een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht, hangt immers af van de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Hieruit vloeit reeds voort dat niet ieder goed dat in de plaats treedt van een verknocht goed, eveneens of op dezelfde wijze als aan een van de echtelieden verknocht kan worden beschouwd.

3.8.2.

In de onderhavige zaak heeft de man ter zitting desgevraagd verklaard dat de dakopbouw aan de echtelijke woning noodzakelijk was om voor de beide kinderen van partijen een eigen slaapkamer te realiseren en dat de caravan is aangeschaft voor gebruik door het gezin. Gelet op deze eigen verklaring van de man, heeft de man onvoldoende gesteld waaruit kan worden afgeleid dat en waarom de overwaarde van de woning – voor zover deze al (volledig) zou zijn gevormd door de dakopbouw – alsmede de opbrengst van de caravan als aan de man verknocht moeten worden aangemerkt.

3.8.3.

Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de man nog verwezen naar de recente uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199. Het hof is van oordeel dat de vergelijking met de onderhavige kwestie niet opgaat omdat het in die zaak niet ging om de kwestie of sprake is van een verknocht goed in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW, maar om de kwestie of de aankoop van een gemeenschappelijke woning met een lening die is kwijtgescholden onder uitsluitingsclausule, buiten de gemeenschap valt.

Het hof verwijst in dit verband voorts naar de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad van 7 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0957), waarin de Hoge Raad (in rov. 3.5.2), onder verwijzing naar de conclusie van de A-G, overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 18 april 2011 (welke wet in werking is getreden op 1 januari 2012 en waarbij in artikel 1:94 lid 4 BW een regeling omtrent de zaaksvervanging werd opgenomen) niet beoogt wijziging te brengen in het door de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 1:94 lid 3 BW ontwikkelde criterium op het punt van de verknochtheid van goederen en schulden alsmede de gevolgen daarvan.

3.9.

De grieven van de man falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 september 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs M.J. van Laarhoven, W.Th.M. Raab, en G.J. Vossestein, en is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2015.