Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4763

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
HD 200.174.355_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte of pacht? Bestemming: teelt van oesterzwamsubstraat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.174.355/01

arrest van 24 november 2015

in de zaak van

[appellante] [vestigingsnaam] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. K.D.C. Schemkes te Tiel,

tegen

Champignonkwekerij [champignonkwekerij] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. K.G.J. Boddaert te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, in kort geding gewezen vonnis van 6 juli 2015, tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak- en rolnummer C/03/206979/KG ZA 15-283)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met vijf grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellante] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De voorzieningenrechter heeft de volgende feiten vastgesteld. Deze zijn in hoger beroep niet betwist en dienen derhalve tot uitgangspunt.

2.1.

Tussen partijen heeft een overeenkomst bestaan waaraan partijen de titel “huurovereenkomst bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” hebben gegeven.

2.2.

Op grond van deze overeenkomst heeft [appellante] gedurende de periode van 1 mei 2013 tot 1 mei 2015 elf teeltcellen van [geïntimeerde] met behulp van de heftruck en oproldoorn van [champignonkwekerij] mogen vullen (en weer leeghalen) met haar oesterzwamsubstraatpakketten, tegen een huurprijs van € 32.000,00 per jaar en een vergoeding van € 100,00 per week voor de dagelijkse celleninspectie, de klimatologische besturing van de cellen en de controle van het groeiproces van de substraten van [appellante] door [geïntimeerde] . Daarnaast heeft [geïntimeerde] zich verplicht tot levering van de energie voor cellen die door [appellante] gevuld en in gebruik waren, tegen een vergoeding van € 35,00 per teelt.

2.3.

Tussen partijen is een conflict ontstaan over de vraag en de wijze waarop zij over en weer invulling hebben gegeven aan hun verplichtingen.

2.4.

[appellante] heeft drie facturen van [geïntimeerde] voor een totaalbedrag van € 9.383,55 betreffende de vergoeding voor afgesproken werkzaamheden en energiekosten, onbetaald gelaten.

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie betaling gevorderd van het bedrag van € 9.383,55 met handelsrente en verbeurde boetes. Deze zijn door de voorzieningenrechter toegewezen onder afwijzing van het beroep op verrekening.

In reconventie heeft [appellante] een voorschot op schadevergoeding ter hoogte van € 17.805,77 gevorderd. Deze vordering is afgewezen.

In conventie en in reconventie is [appellante] in de kosten veroordeeld.

3.3.

De grieven 1 en 4

3.3.1.

In grief 1 keert [appellante] zich tegen rechtsoverweging 4.1 waarin volgens haar ten onrechte geen inhoudelijk oordeel is gegeven omtrent de kwalificatie van de overeenkomst. Blijkens de toelichting op de grief handhaaft [appellante] haar standpunt dat sprake is van pacht. Zij doet dit beroep ter onderbouwing van haar stelling dat de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst niet van toepassing zijn, niet om de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter in te roepen. [appellante] onderbouwt haar standpunt onder andere stellende dat zij de vrije beschikking had over het bedrijfspand en naar eigen goeddunken de teeltcellen kon vullen en leeghalen. Zij controleerde het doorgroeiproces. De teelt van oesterzwamsubstraat ziet [appellante] als landbouw/tuinbouw.

3.3.2.

Ingevolge artikel 7:311 BW is pacht de overeenkomst waarbij de ene partij, de verpachter (hier: [geïntimeerde] ), zich verbindt aan de andere partij, de pachter (hier: [appellante] ) een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw en de pachter zich verbindt tot een tegenprestatie.

Artikel 7:312 BW bepaalt dat onder landbouw wordt verstaan, steeds voor zover bedrijfsmatig uitgeoefend: (…); tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen; (…).

Gelet op hetgeen in de feiten onder 2.2 onbetwist is vastgesteld is het hof voorshands van oordeel dat de gehuurde onroerende zaak niet ter beschikking was gesteld voor de uitoefening van landbouw. Daartoe dient in het bijzonder dat de dagelijkse celleninspectie, de klimatologische besturing van de cellen en de controle van het groeiproces van de substraten van [appellante] door [geïntimeerde] werden uitgevoerd en dat de werkzaamheden van [appellante] beperkt waren tot het vullen en leeghalen van de teeltcellen.

De grief raakt derhalve geen doel.

3.3.3.

Grief 4 bouwt voort op de onjuist bevonden stelling dat de huurvoorwaarden niet van toepassing zijn omdat sprake is van pacht, en dient derhalve het lot van grief 1 te delen.

3.4.

De grieven 2 en 3

3.4.1.

Grief 2 keert zich (expliciet alleen) tegen de eerste en tweede volzin van rov. 4.3 van het vonnis waarvan beroep; grief 3 (expliciet alleen) tegen de laatste (vijfde) zin van die rechtsoverweging.

Geen grief is gericht tegen de derde volzin waarin de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aanneemt. Het hof deelt overigens dit oordeel.

Evenmin is een grief gericht tegen de vierde volzin luidende:

Nu [appellante] erkent een bedrag ter hoogte van € 9.383,55 aan [geïntimeerde] verschuldigd te zijn kan de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen.

Bij grief 2 - dat gaat over door een deurwaarder geconstateerde schade veroorzaakt door [appellante] - heeft [appellante] geen belang. Er is geen beslissing gegeven op dit geschilpunt.

3.4.2.

Grief 3 heeft betrekking op de boete. In rov. 6.1 van het dictum is [appellante] veroordeeld om - naast het bedrag van € 9.383,55, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente dat in hoger beroep dus niet aan de orde is - de contractuele boete van € 300,- per kalendermaand te betalen.

Deze boete grondt [geïntimeerde] op artikel 18.2 van de algemene bepalingen behorende bij de huurovereenkomst. Deze luidt:

18.2

Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.

De grief is gegrond vanwege artikel 6:92 lid 2 BW: Hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is treedt in de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet. De wettelijke (handels)rente behelst een schadevergoeding op grond van de wet. Er kan dus niet én een boete én de wettelijke rente over hetzelfde bedrag verschuldigd zijn. Nu de beslissing ten aanzien van de wettelijke handelsrente in hoger beroep niet is bestreden en derhalve kracht van gewijsde heeft gekregen, is de boete niet meer toewijsbaar (zie ook HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, en de het onderliggende arrest van het hof ’s‑Gravenhage, die betrekking hebben op dezelfde contractuele bepaling).

3.5.

Grief 5

3.5.1.

Deze grief keert zich tegen de afwijzing van de reconventionele vordering en de daaraan ten grondslag rechtsoverweging 5.3.

Het hof is voorshands met de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op de betwisting door [geïntimeerde] (de voorzieningenrechter verwisselt inderdaad de partijnamen) de vordering in onvoldoende mate vaststaat om in kort geding te worden toegewezen. Dat geldt niet alleen voor de aansprakelijkheid, maar ook voor de hoogte van het gevorderde bedrag. [geïntimeerde] beroept zich immers (mede) op het exoneratiebeding. [appellante] biedt weliswaar bewijs aan van haar stellingen door het horen van getuigen, maar voor deze bewijslevering is in kort geding geen plaats.

3.6.

[appellante] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden verwezen (anderhalve punt, tariefgroep 2). Conform het gedane verzoek zal de proceskostenveroordeling in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, maar alleen voor zover daar in 6.1 van het dictum de contractuele boete is toegewezen;

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst de vordering af;

bekrachtigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 711,- aan verschotten

en op € 1.341,- aan salaris advocaat,

en

voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden

en

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

en

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.P. de Haan en M.E. Smorenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2015.

griffier rolraadsheer