Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4760

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
HD 200.171.910_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; ontruiming woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.171.910/01

arrest van 24 november 2015

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellant] en [appellante] ,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

tegen

Stichting Woonbedrijf SWS.HHVL,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als SWS,

advocaat: mr. F.P.G.F. de Moel te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 juni 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 mei 2015, door de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] en [appellante] als gedaagden en SWS als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 4052474 rolnr. 15-4124)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellant] en [appellante] ; en

  • -

    de antwoordakte van SWS.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] en [appellante] huren van SWS met ingang van 23 oktober 2002 de woning aan [het adres] te [woonplaats] . Ingevolge artikel 5 van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst is het huurreglement van 1 januari 1978 van toepassing. In artikel 5 lid 4 van dat reglement is bepaald dat huurder aan buren of omwonenden geen overlast zal bezorgen.

De familie [familie] huurt vanaf 18 september 2013 van SWS de woning aan [het adres] te [woonplaats] . Deze woning ligt direct naast die van [appellant] en [appellante] .

Tussen [appellant] en [appellante] enerzijds en anderzijds de familie [familie] en andere buurtbewoners zijn spanningen ontstaan.

SWS heeft bij brieven van 19 en 24 februari 2014 [appellant] bericht dat SWS klachten over hem heeft ontvangen en het veroorzaken van overlast in strijd is met de wet, de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden.

Op 25 april 2014 heeft SWS wederom aan [appellant] geschreven dat zij, SWS, klachten over hem, [appellant] heeft ontvangen.

In haar brief van 22 oktober 2014 heeft SWS aan [appellant] bericht omtrent de afspraken die tussen hem en familie [familie] zijn gemaakt. Die afspraken hebben tot doel ervoor te zorgen dat het rustig wordt en blijft, aldus SWS in die brief. Tenslotte meldt SWS in die brief dat, indien [appellant] zich niet aan de afspraken houdt, SWS de rechter zal verzoeken om de huurovereenkomst te ontbinden.

SWS heeft [appellant] bij brief van 6 januari 2014 (het hof begrijpt: 2015) bericht dat het gedrag van [appellant] heeft geleid tot ernstige onveiligheidsgevoelens bij buurtbewoners en dat bij constatering van overlast de rechter verzocht zal worden de huurovereenkomst te ontbinden.

Bij brief van 3 april 2015 heeft SWS [appellant] en [appellante] gesommeerd om te stoppen met het veroorzaken van overlast en hinder.

3.2.

In de onderhavige procedure vordert SWS in kort geding – samengevat - ontruiming van de door haar aan [appellant] en [appellante] verhuurde woning.

3.3.

Aan deze vordering heeft SWS ten grondslag gelegd dat [appellant] en [appellante] ernstig tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichting zich als goede huurders te gedragen, omdat zij structureel ernstige overlast jegens hun omwonenden, onder wie de familie [familie] , veroorzaken. Volgens SWS heeft [appellant] zich structureel intimiderend, dreigend en treiterend gedragen. Hierdoor is een sfeer van angst ontstaan waardoor het rustig woongenot van omwonenden van [appellant] en [appellante] ernstig is verstoord en omwonenden zich niet meer veilig voelen. Bovendien veroorzaakt [appellant] geluidsoverlast door ’s ochtends vroeg of ’s avonds laat tegen de muur van de woning van de familie [familie] te bonken, door muziek heel hard te zetten, door te gillen en te schreeuwen en door zijn brommer heel vroeg te starten en langdurig luid de motor te laten draaien.

3.4.

[appellant] en [appellante] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5.

In het bestreden vonnis in kort geding heeft de kantonrechter [appellant] en [appellante] –kort gezegd- veroordeeld tot ontruiming.

3.4.

[appellant] en [appellante] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] en [appellante] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog –samengevat - afwijzen van de vorderingen van SWS.

3.5.

Het hof stelt voorop dat een ingrijpende voorziening als door SWS in dit kort geding gevorderd, te weten ontruiming van de woning, naar het oordeel van het hof met terughoudendheid dient te worden toegepast. Wanneer gesteld wordt, zoals SWS doet, dat sprake is van een structureel tekortschieten door een huurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, biedt in het algemeen een bodemprocedure bij de kantonrechter, waarbij zowel de ontbinding van die huurovereenkomst als de ontruiming van het gehuurde gevorderd kunnen worden, de meest gepaste procedure, ook al omdat in een bodemprocedure de feitelijke omstandigheden van het geval voldoende diepgaand onderzocht kunnen worden en een veroordeling tot ontruiming verstrekkende gevolgen heeft voor de betrokkene. Slechts onder omstandigheden die acuut een voorziening vergen en wanneer over de feitelijke toedracht weinig twijfel behoeft te bestaan, is er aanleiding voor toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding (zie de uitspraak van dit hof van 20 december 2011: ECLI:NL:GHSHE:2011:BX2355).

3.6.

In het onderhavige geval doet zich echter niet de omstandigheid voor dat weinig twijfel bestaat over de feiten op grond waarvan ontruiming wordt gevorderd. Bij de beoordeling van de vordering in kort geding van SWS dient het hof zich te richten naar een in de bodemzaak te verwachten beslissing. In een bodemzaak heeft SWS de plicht voldoende concreet te stellen welk verwijten zij [appellant] en [appellante] maakt die een tekortkoming als bedoeld in artikel 6:265 lid 1 BW opleveren. In geval van betwisting van die verwijten rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op SWS de last de door haar gestelde verwijten aan te tonen, nu zij daaraan rechtsgevolgen wil verbinden. Aangezien in het kader van dit kort geding geen ruimte is voor bewijslevering, dient SWS haar verwijten voorshands aannemelijk te maken. Daarin is SWS naar het oordeel van het hof niet geslaagd.

3.7.

[appellant] en [appellante] erkennen dat er spanningen tussen huurders zijn gerezen, maar zij bestrijden, in de toelichtingen op hun grieven, dat deze spanningen, en de uitingen daarvan, door hen zijn veroorzaakt. Daarmee betwisten [appellant] en [appellante] dat zij tekort zouden zijn geschoten in de nakoming van hun verplichting om geen overlast voor omwonenden te veroorzaken.

3.8.

SWS heeft ter onderbouwing van haar stelling, dat [appellant] en [appellante] overlast veroorzaken, schriftelijke stukken overgelegd. Het hof betrekt hierbij alle stellingen van SWS in hoger beroep en in eerste aanleg, zo ook die ter zake de familie [familie] en de daarop betrekking hebbende schriftelijke stukken.

Voormelde stellingen en stukken worden hierna besproken.

3.9.

[verbalisant] heeft als verbalisant op 5 januari 2015 een mutatierapport opgemaakt met betrekking tot de situatie op [het adres] in [woonplaats] .

3.9.1.

Uit dat rapport blijkt dat [appellante] op 15 maart 2014 aan de politie heeft gemeld dat tussen [appellant] en [familie] woorden zijn gevallen en er sprake is geweest van duwen en trekken.

Voorts is naar aanleiding van een melding op 1 juni 2014 door [appellant] tegenover de politie verklaard dat een handgemeen heeft plaatsgevonden tussen hem, [appellant] en [de buurman] .

Op 21 augustus 2014 wordt anoniem melding gedaan van geluidoverlast en last van een groep van acht à negen personen voor de woning van [appellant] en [appellante] . Op verzoek van de politie die ter plaatse kwam, werd de muziek uitgezet.

Volgens een mutatie van 17 oktober 2014 heeft de politie tien personen aangetroffen in de voortuin, naar het hof begrijpt: daar aanwezig vanwege [appellant] .

Uit een mutatie van 15 december 2014 blijkt dat de politie ter plaatse duidelijk geluidsoverlast door muziek heeft geconstateerd en dat zij [appellant] een officiële waarschuwing heeft gegeven.

Voormelde waarnemingen van politieambtenaren neemt het hof als voorshands aannemelijk gemaakt aan.

Voor het overige bevat dit rapport geen eigen waarnemingen van politiemensen van gedragingen van [appellant] of [appellante] die als overlast kunnen worden beschouwd.

3.9.2.

Het rapport bevat voor het overige meldingen van buurtbewoners over overlast die door [appellant] en [appellante] zou zijn veroorzaakt. Die meldingen zijn anoniem gedaan (op 18 en 25 oktober 2014) en door familie [familie] (op 3 oktober en 28 november 2014). De juistheid van die meldingen is genoegzaam door [appellant] en [appellante] bestreden, zodat die meldingen niet als voorshands aannemelijk gemaakt kunnen worden aangemerkt.

3.9.3.

In het rapport komen ook meldingen voor over de periode 1 tot en met 30 november 2014 van de senior klantbeheerder van SWS. Die meldingen zijn echter niet gebaseerd op eigen waarnemingen, maar op hetgeen de senior klantbeheerder gehoord heeft van anderen. Bovendien zijn die meldingen niet geconcretiseerd en betreffen die meldingen ook andere personen. Ook deze meldingen kunnen dus niet als voorshands aannemelijk gemaakte overlast door [appellant] en [appellante] worden beschouwd.

3.10.1.

SWS heeft ter onderbouwing van haar stelling, dat [appellant] en [appellante] overlast veroorzaken schriftelijke verklaringen overgelegd. Onder die schriftelijke verklaringen bevinden zich verklaringen afgelegd ten overstaan en opgemaakt door een notaris, waarbij telkens de belofte is afgelegd dat de verklaring de waarheid bevat. De door SWS overgelegde verklaringen hebben voornamelijk betrekking op overlast voor de familie [familie] die door [appellant] zou zijn veroorzaakt.

3.10.2.

[appellant] en [appellante] hebben de inhoud van de door SWS overgelegde verklaringen gemotiveerd weersproken en van hun zijde schriftelijke verklaringen ingebracht. Die schriftelijke verklaringen komen erop neer dat door de familie [familie] overlast voor [appellant] en [appellante] werd veroorzaakt.

3.10.3.

Voorts wordt ten aanzien van de schriftelijke verklaringen die SWS heeft ingebracht opgemerkt dat sommige verklaringen, althans onderdelen daarvan, kwalificaties bevatten en niet voldoende concreet de gedragingen van [appellant] beschrijven, noch de ernst daarvan. Voorts blijkt uit sommige verklaringen niet of het om ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg actuele gedragingen van [appellant] en [appellante] gaat. Tenslotte blijkt uit sommige verklaringen niet dat hetgeen wordt verklaard is gebaseerd op eigen waarneming.

3.10.4.

Het hof merkt nog op dat productie 47, een dvd, door SWS niet is overgelegd in hoger beroep.

3.10.5.

Slechts op grond van de schriftelijke verklaring van [de gebiedsbeheerder] , gebiedsbeheerder van SWS, kan op grond van de eigen waarneming van [de gebiedsbeheerder] voorshands worden aangenomen dat op 3 februari 2015 tussen 15.00 en 16.30 uur vanuit de woning van [appellant] en [appellante] voortdurend op de muur van de familie [familie] werd gebonkt.

3.11.

De slotsom op grond van het voorgaande is dat, alle omstandigheden in aanmerking nemende, SWS in het kader van dit kort geding niet voorshands aannemelijk heeft gemaakt, dat [appellant] en [appellante] aan de familie [familie] , andere buren of omwonenden zodanig ernstige overlast hebben bezorgd welke acuut noopte tot ontruiming. Slechts de in 3.9.1 en 3.10.5 genoemde gedragingen van [appellant] en [appellante] worden voorshands aannemelijk geacht. Voormelde gedragingen worden niet als voldoende ernstige overlast voor buren of omwonenden in de zin van artikel 5 lid 4 van het huurreglement opgevat die acute ontruiming noodzakelijk maakt, dit mede gelet op het woonbelang van [appellant] en [appellante] . Voor een verder onderzoek naar de juistheid van de gestelde tekortkomingen is in een kort geding als dit geen plaats. De grieven van [appellant] en [appellante] slagen derhalve, het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en de vorderingen van SWS zullen alsnog worden afgewezen.

3.12.

SWS zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep van [appellant] en [appellante] dienen te dragen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] en [appellant] zullen worden vastgesteld op € 452,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (mondelinge behandeling: 1 punt x € 452,-). De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] en [appellante] zullen worden vastgesteld op explootkosten van € 94,19, griffierecht € 311,- en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief € 1.341,- (1,5 punten voor memorie van grieven en akte x € 894,-). In totaal dient SWS aan [appellant] en [appellante] te betalen ter zake van proceskosten € 1.877,19.

4
4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

wijst het door SWS gevorderde af;

veroordeelt SWS aan [appellant] en [appellante] hun proceskosten te betalen, welke tot op vandaag worden begroot op € 1.877,19;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, O.G.H. Milar en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2015.

griffier rolraadsheer