Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4755

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
HD 200.165.583_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, executiegeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2322

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.165.583/01

arrest van 24 november 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als “ [appellant] ”,

advocaat: mr. R.E. Koopman te 's-Hertogenbosch,

tegen

[clothing] Clothing B.V., tevens handelende onder de naam Tramontana,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als “ [clothing] Clothing”,

advocaat: mr. Y.M. van Vliet te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 januari 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 3 oktober 2014 en 31 december 2014, in kort geding gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [clothing] Clothing als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer c/01/276222/kg za 14-182)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In de overwegingen 2.1. tot en met 2.12. van het bestreden vonnis van 3 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter de feiten vastgesteld, waarvan hij bij de beoordeling van het geschil tussen partijen is uitgegaan. Hiertegen zijn geen grieven gericht noch zijn deze feiten anderszins ter discussie gesteld, zodat deze door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten ook het hof tot uitgangspunt strekken. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zal het hof deze feiten hierna herhalen en – waar nodig – aanpassen en aanvullen. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. [appellant] is bij [clothing] Clothing in dienst geweest. Op 23 mei 2011 is [appellant] door [clothing] Clothing op staande voet ontslagen.

  2. Op 9 augustus 2011 heeft [appellant] [clothing] Clothing gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam. [appellant] heeft in deze procedure onder meer de rechtsgeldigheid van zijn ontslag weersproken en heeft – kort gezegd – gevorderd om [clothing] Clothing te veroordelen om een rectificatiebrief te verzenden aan de klanten en het personeel van [clothing] Clothing en om daarvan op controleerbare wijze bewijs van te leveren aan [appellant] .

  3. [clothing] Clothing heeft op 3 oktober 2011 een (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingediend bij de kantonrechter te Haarlem.

  4. Bij beschikking van 22 november 2011 van de kantonrechter te Haarlem is in laatstgenoemde procedure de arbeidsovereenkomst tussen partijen – voor zover rechtens vereist – met ingang van 1 december 2011 ontbonden en is een vergoeding van
    € 13.000,- aan [appellant] toegekend ten laste van [clothing] Clothing.

  5. Bij vonnis van 17 mei 2013 van de kantonrechter te Amsterdam is in de hierboven onder b) genoemde procedure voor recht verklaard dat het door [clothing] Clothing bij brief van 23 mei 2011 aan [appellant] verleende of bevestigde ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en dat [appellant] daarvan terecht de nietigheid heeft ingeroepen. [clothing] Clothing is hiernaast veroordeeld tot betaling aan [appellant] van loon, vakantiegeld, wettelijke verhoging, wettelijke rente en incassokosten en schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [clothing] Clothing is voorts bij dit vonnis veroordeeld om “binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan al haar klanten en personeelsleden een brief te versturen met als uitsluitende strekking dat de kantonrechter te Amsterdam in dit vonnis heeft bepaald dat [clothing] Clothing [appellant] ten onrechte heeft beschuldigd van diefstal en/of verduistering en op voor [appellant] controleerbare wijze aan hem bewijs te leveren van deze verzending, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of deel daarvan dat [clothing] Clothing in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, met bepaling dat boven € 25.000,00 geen dwangsommen meer worden verbeurd.” (productie 1 bij inleidende dagvaarding)

  6. Op 21 mei 2013 is genoemd vonnis van 17 mei 2013 aan [clothing] Clothing betekend (productie 4 bij brief van [appellant] van 16 april 2014), waardoor de daarin vermelde termijn voor versturing van vermelde brief op 4 juni 2013 eindigde.

  7. Op 31 juli 2013 (het hof leest 30 juli 2013) is [clothing] Clothing van genoemd vonnis van 17 mei 2013 in hoger beroep gekomen (productie 2 bij inleidende dagvaarding). Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 1 april 2014 genoemd vonnis van 17 mei 2013 bekrachtigd (op de beslissing ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten na) (productie 2 bij brief van [appellant] van 16 april 2014).

  8. Op 15 augustus 2013 heeft [appellant] aan [clothing] Clothing een exploot betekend waarin aan [clothing] Clothing bevel wordt gedaan tot betaling van verbeurde dwangsommen over de periode van 5 juni 2013 tot en met 15 augustus 2013 wegens het niet voldoen aan de hierboven weergegeven veroordeling sub IV van genoemd vonnis van 17 mei 2013 (productie 5 bij brief van [appellant] van 16 april 2014).

  9. Op 23 september 2013 heeft [appellant] zich bij dagvaarding in kort geding jegens [clothing] Clothing op het standpunt gesteld dat [clothing] Clothing niet aan laatstgenoemd onderdeel van voormelde veroordeling van 17 mei 2013 heeft voldaan (productie 7 bij inleidende dagvaarding). De met deze dagvaarding geëntameerde procedure is uitgemond in een vonnis van 23 oktober 2013 van de kantonrechter te Amsterdam, waarbij [clothing] Clothing – voor zover voor onderhavige procedure van belang – is veroordeeld om: “binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan al haar klanten die zij in dit verband nog niet eerder op een controleerbare wijze heeft bericht een brief dan wel een e-mailbericht te versturen met als uitsluitende strekking dat de kantonrechter in Amsterdam in dit vonnis heeft bepaald dat [clothing] Clothing ten onrechte heeft beschuldigd van diefstal en/of verduistering en op voor [appellant] controleerbare wijze aan hem bewijs te leveren van deze verzending, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of deel daarvan dat [clothing] Clothing in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, met bepaling dat boven de € 50.000,00 geen dwangsommen meer worden verbeurd.” (productie 9 bij inleidende dagvaarding).

  10. Op 24 oktober 2013 is genoemd vonnis van 23 oktober 2013 aan [clothing] Clothing betekend (productie 3 bij brief van [appellant] van 16 april 2014). Van genoemd vonnis van 23 oktober 2013 is geen hoger beroep ingesteld, zodat het thans onherroepelijk is.

  11. Bij brief van 29 oktober 2013 heeft [clothing] Clothing de kantonrechter te Amsterdam
    – voor zover thans van belang – gevraagd zich nader uit te spreken over wat onder “al haar klanten” moet worden verstaan (productie 12 bij inleidende dagvaarding).

  12. De kantonrechter te Amsterdam heeft hierop bij brief van 4 november 2013 aan partijen meegedeeld dat “de veroordeling van [clothing] Clothing tot – kort gezegd – berichtgeving aan al haar klanten in overeenstemming is met hetgeen daaromtrent in de rechtsoverwegingen is overwogen” (productie 13 bij inleidende dagvaarding).

  13. Op 12 maart 2014 heeft [appellant] [clothing] Clothing een exploot betekend waarin [appellant] aanspraak maakt op een bedrag aan verbeurde dwangsommen ter hoogte van € 50.000 (productie 10 bij inleidende dagvaarding).

  14. Op 25 maart 2014 heeft [appellant] executoriaal beslag gelegd ten laste van [clothing] Clothing (productie 21 bij akte vermeerdering eis)

  15. [clothing] Clothing heeft een bedrag van € 25.000 voldaan ter zake van op grond van genoemd vonnis van 17 mei 2013 verbeurde dwangsommen.

3.2.

In onderhavige procedure heeft [clothing] Clothing gevorderd – kort gezegd – in conventie na vermeerdering van eis

1. [appellant] te verbieden genoemde vonnissen van 17 mei 2013 en van 23 oktober 2013 te executeren, althans de executie van deze vonnissen te schorsen, in ieder geval totdat het hof Amsterdam in voormelde bodemzaak inzake voormeld ontslag op staande voet arrest heeft gewezen;
2. [appellant] te veroordelen tot opheffing van alle door hem ten laste van [clothing] Clothing gelegde beslagen en;

3. [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure.

Aan deze vordering heeft [clothing] Clothing – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat zij aan de veroordelingen van genoemde vonnissen van 17 mei 2013 en van 23 oktober 2013 heeft voldaan.

3.3.

[appellant] heeft weersproken dat [clothing] Clothing aan de veroordelingen van genoemde vonnissen van 17 mei 2013 en van 23 oktober 2013 heeft voldaan. [appellant] heeft voor het geval dat de vorderingen van [clothing] Clothing in conventie worden afgewezen – kort gezegd – in reconventie gevorderd
primair [clothing] Clothing te veroordelen aan al haar klanten en personeelsleden per brief mee te delen dat de kantonrechter te Amsterdam heeft bepaald dat [clothing] Clothing [appellant] ten onrechte heeft beschuldigd van diefstal en/of verduistering en op voor [appellant] controleerbare wijze aan [appellant] bewijs te leveren van verzending van de betreffende brieven op straffe van een dwangsom

subsidiair [clothing] Clothing te veroordelen op voor [appellant] controleerbare wijze aan [appellant] bewijs te leveren van de verzending van de brief aan al haar klanten en personeelsleden als bedoeld in genoemd vonnis van 17 mei 2013 op straffe van een dwangsom

en [clothing] Clothing te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.4.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de kern van het geding is de vraag of, en zo ja, in hoeverre door [clothing] Clothing dwangsommen zijn verbeurd en dat in dat kader beoordeeld dient te worden of [clothing] Clothing aan voormelde vonnissen van 17 mei 2013 en 23 oktober 2013 heeft voldaan. De voorzieningenrechter is er daarbij kennelijk voorshands van uitgegaan dat de kantonrechter op alle klanten en alle personeelsleden van [clothing] Clothing op 17 mei 2013 heeft gedoeld. Voorts heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat voor [appellant] controleerbaar is dat degenen die volgens [clothing] Clothing klanten dan wel personeelsleden van [clothing] Clothing waren op 17 mei 2013 al dan niet zijn aangeschreven, maar dat voor [appellant] het klanten- en personeelsbestand van [clothing] Clothing zelf niet controleerbaar was. De voorzieningenrechter heeft [clothing] Clothing een verklaring van een accountant in de procedure doen brengen betreffende door [clothing] Clothing opgestelde klanten-, personeels- en verzendingslijsten per 17 mei 2013. Accountant [accountant] AA van accountantskantoor [accountantskantoor] Accountants heeft hierop na onderzoek op 27 oktober 2014 een accountantsmededeling gedaan. Genoemde accountant komt in deze mededeling naar de vaststelling van de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [clothing] Clothing heeft voldaan aan haar verplichting tot mededeling conform het bepaalde in voormelde vonnissen. De voorzieningenrechter heeft de bevindingen van genoemde accountant overgenomen en daarbij overwogen dat [appellant] zijn stelling dat genoemde accountant zijn werk niet goed heeft gedaan niet aannemelijk heeft gemaakt. [clothing] Clothing heeft daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen dwangsommen (meer) verbeurd. In conventie is vervolgens de verdere executie van genoemde vonnissen van 17 mei 2013 en 23 oktober 2013 verboden, het door [appellant] op 25 maart 2014 gelegde executoriaal beslag opgeheven en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft verstaan dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie was ingesteld niet in vervulling is gegaan.

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [clothing] Clothing en het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellant] . [appellant] heeft betoogd dat [clothing] Clothing niet heeft voldaan aan voormelde vonnissen van 17 mei 2013 en 23 oktober 2013. De door [clothing] gestelde verzendingen zijn naar de stellingen van [appellant] niet controleerbaar voor [appellant] en de daaraan ten grondslag liggende lijsten van klanten en personeel van [clothing] Clothing ontbreken, zijn onvolledig dan wel evenmin controleerbaar. Reeds uit het feit dat ook de voorzieningenrechter nadere informatie behoefde om tot zijn oordeel te komen, blijkt dat [appellant] evenmin voldoende was geïnformeerd. Aan de veroordelingen waren termijnen verbonden, waarbinnen [clothing] Clothing volgens [appellant] de rectificatie diende te verzenden en op controleerbare wijze bewijs daarvan diende te leveren. Uit voormelde accountantsmededeling blijkt dat 653 e-mails van de in totaal verzonden 998 e-mails na 31 oktober 2013 – derhalve buiten de opgelegde termijn – zijn verzonden. [appellant] kan de verzendingen alleen maar controleren door aan klanten te vragen of zij bericht hebben ontvangen. Dit is niet overeenkomstig de strekking van de veroordelingen. Zeer veel klanten hebben geen bericht ontvangen, er zijn onjuiste e-mailadressen gebruikt en de personeelslijst is onjuist. De aan voormelde accountantsmededeling ten grondslag liggende overeenkomst van opdracht is niet in de procedure gebracht. Er kan daarom niet worden bezien hoe de opdracht aan de accountant heeft geluid. De accountantsmededeling is niet conform de toepasselijke richtlijnen tot stand gekomen en er kleven ook andere gebreken aan de inhoud, aldus nog steeds [appellant] .

3.6.

[clothing] Clothing heeft naar voren gebracht dat [appellant] geen grieven heeft geformuleerd en [appellant] daarmee het grievenstelsel heeft miskend. [appellant] dient daarom naar de mening van [clothing] Clothing niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep. Voor zover wel grieven aanwezig worden geacht, voldoen deze naar de stellingen van [clothing] Clothing niet aan de eisen van duidelijkheid. Naar het oordeel van het hof zijn evenwel de – hierboven weergeven – punten waarop [appellant] de bestreden vonnissen aanvecht, voldoende kenbaar voor [clothing] Clothing, zoals ook blijkt uit het door haar hierop gevoerde inhoudelijke verweer. Niet-ontvankelijkheid op deze door [clothing] Clothing opgevoerde grond is derhalve niet aan de orde.

3.7.

[clothing] Clothing heeft voorts aangevoerd dat [appellant] ook niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat [appellant] geen spoedeisend belang zou hebben bij zijn vordering. Het hof oordeelt dat [appellant] voor zover zijn beroep de toewijzing van de vordering van [clothing] Clothing betreft, geen spoedeisend belang hoeft te stellen bij zijn aanvechting van de op vordering van [clothing] Clothing jegens hem uitgesproken veroordeling. [appellant] verweert zich immers slechts daartegen. Voor zover het hoger beroep ziet op de vordering van [appellant] , is het door [appellant] naar voren gebrachte belang van onderhavige rectificatie voor zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt voldoende spoedeisend van karakter. [clothing] Clothing heeft de stelling van [appellant] dat [appellant] thans parttime werkt niet weersproken. [appellant] is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

3.8.

[clothing] Clothing heeft ook overigens verweer gevoerd, waarbij zij voormelde stellingen van [appellant] heeft weersproken.

3.9.

Uit de inhoud van de processtukken volgt dat onderhavige procedure slechts voormelde veroordelingen van [clothing] Clothing tot – kort gezegd – rectificatie en de daaraan gekoppelde dwangsommen betreft, derhalve niet de overige veroordelingen die bij deze vonnissen zijn uitgesproken. Zoals hierboven reeds is vastgesteld (op grond van onweersproken stellingen van [appellant] ), zijn de dwangsommen uit hoofde van voormeld vonnis van 17 mei 2013 reeds tot het maximaal te verbeuren bedrag van € 25.000 voldaan. Gesteld noch gebleken is enig belang dat [clothing] Clothing nog zou hebben bij een verbod op executie van de dwangsom die is verbonden aan de rectificatie waartoe [clothing] Clothing bij laatstgenoemd vonnis is veroordeeld. Het door [clothing] Clothing sub 1 gevorderde zal derhalve voor zover ziende op genoemd vonnis van 17 mei 2013 bij gebrek aan belang worden afgewezen. Het bestreden vonnis van 31 december 2014 zal in zoverre worden vernietigd.

3.10.

Het hof stelt vast dat het dictum van genoemd vonnis van 23 oktober 2013 slechts spreekt van “klanten”. Voor wat betreft de vordering van [clothing] Clothing heeft geen van partijen in hun betoog specifiek aandacht besteed aan hun kennelijke uitgangspunt dat ondanks de formulering van dit dictum toch ook op grond van genoemd vonnis van 23 oktober 2013 nog een rectificatie jegens de personeelsleden aan de orde zou zijn. Hoe dit ook zij, reeds de (door bovenstaande ambtshalve afwijzing aan de orde komende) reconventionele vordering van [appellant] maakt dat een voorlopig oordeel dient te worden gegeven betreffende de vraag of [clothing] Clothing met de rectificaties jegens haar klanten én haar personeelsleden en het leveren van het bewijs daarvan aan [appellant] aan de inhoud van de veroordelende vonnissen heeft voldaan. Daarbij geldt dat die inhoud door uitleg moet worden vastgesteld.

3.11.

Ten aanzien van deze vraag heeft te gelden dat [appellant] , indien hij hieromtrent een bodemprocedure zou aanspannen jegens [clothing] Clothing, in die procedure dient te stellen en – zo nodig – te bewijzen dat [clothing] Clothing niet aan de veroordelende vonnissen heeft voldaan. In onderhavig kort geding moet worden beoordeeld in hoeverre voorshands kan worden vastgesteld dat [appellant] in een bodemprocedure in dit bewijs zal slagen. Indien niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [clothing] Clothing niet aan genoemde rectificatieverplichting heeft voldaan, zoals door [appellant] gesteld, maar door [clothing] Clothing weersproken, dient de toewijzing van het resterende deel van de conventionele vordering van [clothing] Clothing te worden bekrachtigd en de reconventionele vordering van [appellant] te worden afgewezen.

3.12.

Partijen twisten over de precieze inhoud van de uit voormelde veroordelingen voor [clothing] Clothing voortvloeiende verplichtingen betreffende het door [clothing] Clothing aan [appellant] te leveren bewijs van verzending. Naar het voorlopig oordeel van het hof kunnen de stellingen van [appellant] betreffende de wijze waarop deze bewijslevering diende te geschieden vooralsnog niet worden gevolgd. Een redelijke uitleg van onderhavige veroordelingen brengt naar het voorlopig oordeel van het hof mee dat [clothing] aan [appellant] bewijsstukken diende te geven van de verzending van de door haar aan de klanten en personeelsleden gezonden brieven. Dat [clothing] op grond van die veroordelingen meer dan dat diende te doen is in het kader van dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden.

3.13.

Dat [clothing] Clothing één of meer verzendingen waartoe zij verplicht was, geheel achterwege heeft gelaten, valt niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen. De uitlatingen van genoemde accountant vormen naar het voorlopig oordeel van het hof geen afdoende bewijs van de verzendingen waartoe [clothing] Clothing is veroordeeld. [clothing] Clothing draagt echter – zoals hierboven overwogen – geen bewijslast. De uitlatingen van genoemde accountant weerleggen het door [appellant] ter zake naar voren gebrachte voorshands wel zodanig, dat daar in onderhavige procedure niet van uit kan worden gegaan. De door [appellant] genoemde punten van kritiek op deze uitlatingen doen hier vooralsnog onvoldoende aan af.

3.14.

Of de verzendingen niet tijdig zijn verricht valt evenmin vast te stellen, althans niet in die mate van tijdsoverschrijding dat voorshands dient te worden geoordeeld dat [clothing] Clothing daardoor de bij voormeld vonnis van 23 oktober 2013 opgelegde dwangsommen (tot het maximum van € 50.000,-) heeft verbeurd. Voor zover [clothing] Clothing geacht kan worden te hebben erkend dat sommige verzendingen niet binnen de daarvoor bij de veroordeling van 23 oktober 2013 opgelegde termijn zijn verricht – dit was volgens [clothing] Clothing gerechtvaardigd –, betrof deze termijnoverschrijding naar haar stellingen slechts enkele dagen. Van een termijnoverschrijding die aansluit bij het maximaal te verbeuren bedrag aan dwangsommen waarop [appellant] thans aanspraak maakt is daarmee geen sprake geweest. Hetzelfde geldt vooralsnog voor eventueel gebruik van onjuiste e-mailadressen. Voor de concrete vaststelling van de verbeurte van een lager bedrag aan dwangsommen zijn onvoldoende aanknopingspunten naar voren gekomen. Bovendien is voorshands niet onaannemelijk dat een rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de termijnoverschrijding voor het verzenden van brieven die volgens [clothing] Clothing gericht zijn aan Nederlandse en buitenlandse klanten voor wie [appellant] een onbekende is, gelet op de strekking van het gegeven bevel (eerherstel) niet leidt tot overtreding van het bevel.

3.15.

[appellant] heeft derhalve onvoldoende naar voren gebracht op grond waarvan de bestreden vonnissen voor het resterende deel van de conventionele vordering van [clothing] Clothing dienen te worden vernietigd. Ook de reconventionele vordering van [appellant] dient te worden afgewezen bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de onderliggende stelling dat [clothing] Clothing nog niet heeft voldaan aan de haar opgelegde rectificatieverplichting. Het hof ziet geen aanleiding in de ambtshalve gedeeltelijke vernietiging de proceskostenveroordeling in de procedure in conventie in eerste aanleg te vernietigen, aangezien de kernvraag in die procedure – of [clothing] Clothing voormeld bedrag van
€ 50.000,- aan verbeurde dwangsommen verschuldigd zou zijn geworden – onveranderd ten nadele van [appellant] beslist blijft. De bestreden vonnissen zullen derhalve voor het overige worden bekrachtigd.

3.16.

[appellant] zal als de ook in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 31 december 2014 voor zover daarbij de verdere executie van genoemd vonnis van 17 mei 2013 is verboden en daarbij is verstaan dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie was ingesteld niet in vervulling is gegaan;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vordering van [clothing] Clothing in conventie [appellant] te verbieden genoemd vonnis van 17 mei 2013 te executeren, althans de executie van dit vonnis te schorsen;

wijst af de vordering van [appellant] in reconventie;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in reconventie in eerste aanleg, tot op heden begroot op € 408,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [clothing] Clothing begroot op € 711,- aan griffierecht en € 1.631,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, L.W. Louwerse en J.J. Verhoeven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2015.

griffier rolraadsheer