Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4749

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
HD 200.160.334_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldlening (minderjarige) zoon aan moeder; ouderlijk vruchtgenot; samengestelde rente overeengekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.160.334/01

arrest van 24 november 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [zoon 2] ,

advocaat: mr. A. Schippers,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [de moeder] ,

advocaat: mr. E.G. Karel,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2014, gewezen tussen [zoon 2] als eiser en [de moeder] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. c/10/432217 / HA ZA 13-95)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van 24 november 2014, waarbij de grosse van het arrest van hof Den Haag van 7 oktober 2014, waarin de zaak in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere behandeling is doorverwezen naar dit hof, aan [de moeder] is betekend;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

In een schuldbekentenis met als kenmerk WD5260051/kh (hierna: de schuldbekentenis) en met als datum van ondertekening 9-6-1996, staat onder meer:

“De ondergetekende:

mevrouw [de moeder] , (…)

hierna te noemen: “schuldenaar”;

in aanmerking nemende, dat bij akte van verdeling op 22 mei 1996 verleden voor [notaris] , notaris te standplaats [plaats] , aan haar is toebedeeld de navolgende registergoederen:

  1. de woning (…) aan [het adres] te [woonplaats] (..)

  2. (...)

tezamen hierna aan te duiden als “het registergoed”

verklaart ter verkrijging van bovengenoemd registergoed ter leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan:

  1. haar zoon, de heer [zoon 1] , een som van drieëntwintigduizend gulden (f 23.000,--);

  2. haar zoon, de heer [zoon 2] , een som van eenendertigduizend gulden (f 31.000,--),

hierna te noemen: “schuldeisers”,

onder de navolgende bepalingen:

  1. De hoofdsom is eerst opeisbaar op 22 mei 2006, zijnde 10 jaar na datum van ondertekening van bovenvermelde akte van verdeling, en daarna te allen tijde met een opzeggingstermijn van 6 maanden. (…)

  2. Van de hoofdsom of het restant daarvan is een rente verschuldigd van 6% per jaar, ingegaan op 22 mei 1996 en te voldoen op elke eerste dag van de maand januari voor het eerst op 1 januari 1997.

(…)

Onder aan deze schuldbekentenis is de naam van [de moeder] vermeld, voorzien van een handtekening. Voorts is daar vermeld “Getekend voor gezien en akkoord [de vader] ”, eveneens voorzien van een handtekening.

3.1.2.

Ten tijde van de ondertekening van de schuldbetekenis op 9 juni 1996 was [zoon 2] , geboren op 17 maart 1991, 5 jaar oud. Zijn moeder, [de moeder] , was op dat moment verwikkeld in een echt- en boedelscheiding met [de vader] , inmiddels haar ex-echtgenoot.

3.1.3.

[de vader] heeft bij brief van 15 mei 2012 “mede namens [zoon 2] ” (hof: [zoon 2] )

[de moeder] verzocht en voor zoveel nodig gesommeerd uiterlijk op 30 mei 2012 een bedrag van € 35.937,87 te voldoen op zijn bankrekening.

3.1.4.

[de moeder] heeft aan dit verzoek niet voldaan.

3.2.1.

Daarop heeft [zoon 2] bij inleidende dagvaarding van 27 mei 2013 de onderhavige procedure jegens [de moeder] aanhangig gemaakt en gevorderd, kort samengevat, dat [de moeder] wordt veroordeeld tot betaling van € 41.537,46. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Hoofdsom € 14.067,19

Rente t/m 31-12-2012 € 23.097,83 + PM

Buitengerechtelijke incassokosten € 2.557,44

Advocaatkosten € 1.815,00

Totaal € 41.537,46 + PM.

Voorts heeft [zoon 2] gevorderd de overeengekomen rente van 6% over € 37.165,02 (hoofdsom plus rente t/m 31-12-2012), vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening dan wel ingeval de overeengekomen rente niet toewijsbaar mocht zijn heeft hij aanspraak gemaakt op vergoeding van de wettelijke rente over € 17.000,00 vanaf 22 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, dit alles met veroordeling van [de moeder] in de proceskosten.

[zoon 2] heeft zich daarbij gebaseerd op de schuldbekentenis van 9 juni 1996 en zich voorts op het standpunt gesteld dat daarin is overeengekomen dat samengestelde interest zou worden berekend. Daarnaast heeft [zoon 2] gesteld buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt ter inning van het geleende bedrag.

3.2.2.

[de moeder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft zij onder meer vraagtekens geplaatst bij de authenticiteit van de handtekening op de schuldbekentenis, betwist dat zij gelden uit hoofde van de geldlening heeft ontvangen en er voorts op gewezen dat de schuldbekentenis geen notariële akte betreft en geen goedschrift bevat. Verder heeft [de moeder] betwist zich verbonden te hebben tot betaling samengestelde interest. Voor het geval dat toch mocht komen vast te staan, heeft zij zich beroepen op dwaling. Ten slotte heeft zij zich beroepen op verrekening met haar vordering op [zoon 2] ter zake van vruchtgenot op zijn vermogen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 27 november 2013 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Voorafgaande aan deze comparitie heeft (de advocaat van) [zoon 2] bij brief van 23 januari 2014 nog een aantal producties overgelegd. De comparitie vond op 7 februari 2014 plaats en daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

3.3.2.

In het eindvonnis van 16 juli 2014 heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen:

i. i) dat de zich in het dossier bevindende kopie van schuldbekentenis weliswaar een stempel van een notaris bevat, maar dat voor het overige het stuk enig uiterlijk kenmerk van een notariële akte mist, dat aan het stuk evenmin op grond van artikel 157 lid 2 Rv dwingende bewijskracht toekomt nu het niet is voorzien van een goedkeuring die voluit in letters de geldsom vermeldt, zoals in artikel 158 lid 1 Rv vereist, zodat de rechtbank vrij is in de waardering van het bewijs dat de schuldbekentenis oplevert (r.o. 4.1);

ii) dat [de moeder] ter comparitie heeft verklaard dat zij de handtekening op de kopie herkent als haar handtekening, maar dat zij het origineel wil zien om te kunnen vaststellen of zij daadwerkelijk die handtekening daaronder heeft geplaatst; dat [zoon 2] heeft meegedeeld dat het origineel nog beschikbaar is, maar dat niet aan [de moeder] heeft getoond zodat zij dit niet heeft kunnen vaststellen; dat de rechtbank onder deze omstandigheden het standpunt van [de moeder] opvat als een betwisting dat zij de schuldbekentenis heeft getekend, dat op [zoon 2] de bewijslast van zijn stelling rust en dat [zoon 2] gezien de betwiste handtekening zijn stelling dat [de moeder] de schuld heeft erkend nader had dienen te onderbouwen en dat nu dat is uitgebleven, de enige grondslag onder de vordering wegvalt, zodat deze dient te worden afgewezen (r.o. 4.2).

Vervolgens heeft de rechtbank ten overvloede, voor het geval na het vonnis alsnog komt vast te staan dat de betreffende handtekening daadwerkelijk door [de moeder] is geplaatst of anderszins van haar schuld zal blijken, het volgende overwogen:

iii) dat haar de relevantie ontgaat van de - door [zoon 2] betwiste - stelling van [de moeder] dat zij de som waarvoor de schuldbekentenis is opgesteld nooit heeft ontvangen, aangezien het ook kan gaan om een wederprestatie in natura en de tekst van de schuldbekentenis aanwijzingen bevat dat [de moeder] de gelden te leen heeft ontvangen vanwege de toebedeling van een deel van een registergoed, te weten het aandeel van [de vader] in een tweede gezamenlijke woning waar [de moeder] na de echtscheiding zou gaan worden en dat daarom de gevorderde overlegging van bankafschriften geen beoordeling behoeft omdat [de moeder] daarbij geen belang heeft (r.o. 4.3.1.);

iv) dat, zoals [zoon 2] heeft erkend, de tekst van de schuldbekentenis geen grond geeft voor de stelling dat [de moeder] zich verplicht heeft tot betaling van samengestelde interest, dat het [de moeder] niet kan worden tegengeworpen dat derden daarvan zijn uitgegaan en dat overigens uit de stellingen van [zoon 2] niet valt op te maken dat het de bedoeling van partijen is geweest om een dergelijke verplichting overeen te komen (r.o. 4.3.2);

v) dat gezien het voorgaande het beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden in een eventueel toekomstig debat tussen partijen niet aan de orde hoeft te komen (r.o. 4.3.3).

Daarop heeft de rechtbank de vorderingen van [zoon 2] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[zoon 2] heeft in hoger beroep onder overlegging van producties drie grieven aangevoerd, zijn standpunten aangevuld en voor zover nodig bewijs aangeboden. [zoon 2] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen toewijsbaar zijn.

3.5.

Het hof stelt voorop dat [zoon 2] geen grieven heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank in r.o. 4.1, die kort samengevat, erop neer komt dat aan de schuldbekentenis van 9 juni 1996 vrije bewijskracht toekomt, omdat deze niet is vervat in een notariële akte en evenmin een goedschrift bevat zoals vereist op grond van artikel 158 lid 2 BW.

Dit - overigens juiste oordeel - is derhalve ook uitgangspunt in dit hoger beroep.

Het hof merkt voorts op dat, anders dan [de moeder] stelt, de schuldbekentenis in de vorm waarin deze is opgemaakt wel degelijk een akte is. Een akte is immers een ondertekend geschrift dat is opgemaakt om tot bewijs te dienen.

Grief 1 (totstandkoming geldlening)

3.6.

Grief 1 is gericht tegen r.o. 4.2 en komt er in de kern op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [zoon 2] zijn stelling dat [de moeder] de bewuste schuld heeft erkend nader had dienen te onderbouwen.

3.6.1.

Het hof overweegt als volgt.

In het midden kan blijven of [zoon 2] zijn stellingen in eerste aanleg voldoende had onderbouwd. Het hof is van oordeel dat [zoon 2] in ieder geval in hoger beroep zijn stellingen betreffende de ondertekening van de schuldbekentenis door [de moeder] , het ontvangen van de ter leen verstrekte gelden en - voor zover al vereist - het erkennen van de geldlening meer dan voldoende en gestaafd met een groot aantal producties heeft onderbouwd.

schuldbekentenis getekend door [de moeder]

3.6.1.1. Ten aanzien van de ondertekening van de schuldbekentenis merkt [zoon 2] op dat hij het origineel niet heeft kunnen achterhalen en dus niet in het geding kan brengen. [zoon 2] heeft een brief van een notaris, zijnde de opvolger van de notaris die destijds de schuldbekentenis heeft opgemaakt, van 18 februari 2014 overgelegd (prod. 18 MvG).

Daarin staat:

“De originele exemplaren van de schuldbekentenissen zijn door mijn ambtsvoorganger mr. [notaris] per post gezonden aan mevrouw [de moeder] .”

[zoon 2] wijst er op dat de notaris destijds de schuldbekentenis in tweevoud heeft laten ondertekenen en daarna de akte heeft laten registreren bij de belastingdienst. [zoon 2] legt een kopie over van de schuldbekentenis met daarop een stempel van belastingdienst: “Geregistreerd in enkel-voud te [plaats] d.d. 25-07-1996” (prod. 20 MvG).

Voorts legt [zoon 2] een verklaring over van de ouders van [de moeder] van 23 september 2014, waarin zij verklaren het origineel van de schuldbekentenis jarenlang in hun kluis bewaard te hebben en enkele jaren geleden het origineel aan hun dochter te hebben gegeven. Daarbij geven zij aan dat het ging om de schuldbekentenis die destijds door notaris [notaris] is opgesteld, dat daarvan een kopie bij hun verklaring is gevoegd en dat zij deze herkennen als een kopie van het origineel dat zij in bewaring hebben gehad (prod. 23 MvG).

Daarnaast beroept [zoon 2] zich op een verklaring van de ouders van [de moeder] van 12 september 2014. Deze luidt als volgt:

“De ondergetekenden, de ouders van mevrouw [de moeder] , verklaren dat de aankoop van het pand [het adres] te [woonplaats] door hun dochter op 22 mei 1996, financieël mogelijke is gemaakt door het verstrekken van een lening door de 2 kinderen ( [zoon 2] en [zoon 1] ) aan hun moeder.

Voorafgaand aan het verstrekken van deze lening is uitvoerig overleg geweest tussen onze dochter, onze toenmalige schoonzoon (de heer [de vader] ) en ons. Er is besproken welke bedragen de kinderen [zoon 2] en [zoon 1] zouden lenen aan hun moeder en onder welke voorwaarden. Er is afgesproken een schuldbekentenis door de notaris te laten opstellen, die de vader mede zou ondertekenen. Dit ten behoeve van alle partijen om misverstanden te voorkomen.”

3.6.1.2. [de moeder] ontkent ook in de memorie van antwoord niet dat zij haar handtekening onder de schuldbekentenis heeft gezet, maar stelt dat zij de hele schuldbekentenis wenst aan te tasten. Voor zover [de moeder] zich daarbij heeft willen beroepen op vernietiging van de schuldbekentenis wegens dwaling dan wel heeft bedoeld te betogen dat haar verklaring niet overeenstemde met haar wil en dat bij haar wederpartij geen sprake was gerechtvaardigd vertrouwen, gaat het hof aan dit verweer voorbij. Het hof begrijpt dat de periode rondom de echtscheiding en de afwikkeling van de boedelverdeling een moeilijke periode is geweest voor [de moeder] . Dit doet er evenwel niet aan af dat zij heeft nagelaten ter onderbouwing van dit verweer - hetgeen een zelfstandig verweer is en dus heeft [de moeder] de stelplicht - voldoende concreet te stellen dat zij niet heeft geweten wat zij op 6 juni 1996 heeft getekend dan wel concrete omstandigheden aan te voeren die de conclusie rechtvaardigen dat de ondertekening van de schuldbekentenis onder invloed van dwaling of door misbruik van omstandigheden is gebeurd.

3.6.1.3. Daarbij neemt het hof allereerst in aanmerking dat, zoals [de moeder] bij memorie van antwoord erkent, zij bij de verdeling van de woning aan [het adres] is overbedeeld, dat zij te dier zake een betaling diende te verrichten aan haar ex-echtgenoot en dat voor die betaling mede de tegoeden op rekeningen van de beide zonen zijn aangewend. Daarmee volgt uit de eigen stellingen van [de moeder] dat uit het vermogen van de zonen ten bate van haar betalingen hebben plaatsgevonden teneinde haar in staat te stellen haar ex-echtgenoot te betalen. Dat uit de door [zoon 2] overgelegde bankafschriften niet blijkt dat het bedrag van (onder meer) fl. 31.000,00 niet (eerst) op haar bankrekening is betaald, doet daar, anders dan [de moeder] denkt, niet aan af. Uit die bankafschriften blijkt dat onder meer genoemd bedrag aan [de vader] is betaald en daarmee heeft [de moeder] , zoals ook in de schuldbekentenis is vermeld, het aandeel van [de vader] in de aan haar toebedeelde woning overgenomen. Om die reden bestond alle grond om - als bewijs van deze gang van zaken - de schuldbekentenis op te maken. Dat [de moeder] de schuldbekentenis heeft ondertekend, wordt door haar niet (langer) betwist (zie p. 3 MvA). Dat voor het ter beschikking stellen van de gelden een rente is bedongen, is in beginsel niet dermate bijzonder dat, in weerwil van de door ondertekening van de schuldbekentenis gebleken instemming met de inhoud van de akte, voorshands al een vermoeden van dwaling of misbruik van omstandigheden aangenomen zou kunnen worden. Ook het bedongen rentepercentage geeft daartoe naar het oordeel van het hof geen aanleiding: per 1 januari 1996 bedroeg de wettelijke rente 7%, per 1 juli 1996 5%.

3.6.1.4. Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel dat bij het overleg over het overnemen door [de moeder] van het aandeel van [de vader] in het pand [het adres] te [woonplaats] ook haar ouders betrokken waren, zoals valt af te leiden uit de brief van haar ouders van 12 september 2014 (prod. 22 MvG) en, wederom, de erkenning van [de moeder] bij memorie van antwoord, waar zij vermeldt dat haar ouders een bedrag hebben gefourneerd van ƒ 68.000,=. Het hof neemt aldus aan dat de financieringsconstructie, waarvan de schuldbekentenis onderdeel uitmaakt, in overleg met haar ouders tot stand is gekomen.

3.6.1.5. In het licht van het voorgaande had het op de weg van [de moeder] gelegen om feiten en/of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat en op welke onderdelen zij, ondanks de wetenschap van de gekozen financieringsconstructie, zou hebben gedwaald bij de ondertekening van de schuldbekentenis, dan wel dat haar instemming daarmee is verkregen door misbruik van omstandigheden of bedrog. Deze onderbouwing ontbreekt echter en het beroep op genoemde wilsgebreken faalt derhalve.

3.6.2.

[de moeder] voert verder nog als verweer aan dat kort nadat zij de schuld van haar zoon [zoon 1] had betaald, [zoon 2] haar heeft meegedeeld een soortgelijk bedrag van zijn vader op zijn bankrekening te hebben ontvangen (p. 6 MvA). Volgens [de moeder] is door deze betaling haar schuld aan [zoon 2] teniet gegaan.

Ook dit betreft een zelfstandig verweer waarvan de stelplicht op [de moeder] rust.

[de moeder] stelt wel dat [de vader] een betaling aan [zoon 2] heeft gedaan, volgens haar was de rechtsgrond een natuurlijke verbintenis, maar deze stelling is naar het oordeel van het hof louter speculatief. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke betaling, voor zover die al zou zijn gedaan, is verricht met het oogmerk om de betalingsverplichtingen van [de moeder] uit de schuldbekentenis van 1996 te voldoen. Het op dit punt gevoerde verweer wordt daarom gepasseerd. Om die reden komt het hof niet toe aan een beoordeling van het verzoek van [de moeder] ex artikel 843a Rv.

Hetgeen [de moeder] overigens in haar memorie van antwoord en in eerste aanleg ten verweer heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

3.6.3.

De conclusie is dan ook dat [zoon 2] is geslaagd in het bewijs van de geldlening als ook dat daarbij een rente van 6% is overeengekomen. Grief 1 slaagt derhalve.

Grief 2 (samengestelde rente)

3.7.

Grief 2 is gericht tegen r.o. 4.3.2 van het beroepen vonnis. In deze overweging heeft de rechtbank, ten overvloede, geoordeeld dat de tekst van de schuldbekentenis geen grond geeft voor de stelling dat [de moeder] verplicht is tot betaling van samengestelde interest en overigens uit de stellingen niet is op te maken dat het de bedoeling van partijen is geweest een dergelijke verplichting overeen te komen.

3.7.1.

[zoon 2] merkt in de toelichting op deze grief op dat partijen - hof: [de moeder] en [de vader] - de bedoeling hadden dat het rentebedrag ieder jaar op een aparte rekening zou worden geparkeerd ten behoeve van de kinderen. In dat geval, zo was de bedoeling van partijen, zou samengestelde interest verschuldigd worden. Over het initieel apart te zetten rentebedrag zou immers ook rente worden verkregen, aldus [zoon 2] . Dat partijen bedoeld hebben dat [de moeder] samengestelde interest zou vergoeden, blijkt volgens [zoon 2] uit de berekeningen van de accountant van [de moeder] . De berekeningen van de accountant komen voor rekening en risico van [de moeder] , aldus [zoon 2] . Daarnaast blijkt uit het feit dat [de moeder] aan de broer van [zoon 2] het bedrag heeft betaald dat is berekend door de accountant, inclusief samengestelde interest, dat [de moeder] instemde met de berekening van haar accountant. Volgens [zoon 2] heeft [de moeder] besloten dat niet te doen en de (rente)betalingen uit te stellen.

3.7.2.

[de moeder] heeft gemotiveerd betwist dat partijen een samengestelde interest verschuldigd zijn. Zij stelt dat in de schuldbekentenis niets staat over samengestelde interest en dat zo’n ernstige verzwaring van de schuldplichtigheid daarin op zijn minst tot uitdrukking had moeten worden gebracht. Voorts betwist zij dat zij de boekhouder heeft geïnstrueerd tot het maken van de berekeningen. Daarover besliste haar vader en haar ex-man, zoals ook valt af te leiden uit de amicale brief van de boekhouder aan haar ex.

[de moeder] wijst er voorts op dat zij gedurende de minderjarigheid van [zoon 2] van rechtswege het ouderlijk vruchtgenot over zijn vermogen heeft (artikel 1:253l BW) en dat hij vanaf 18 jaar tot zijn vertrek omstreeks augustus 2011 verplicht was bij te dragen in de kosten van de huishouding. Pas bij het verlaten van de woning zou er een aanspraak op rente kunnen zijn ontstaan en dan niet samengesteld, aldus [de moeder] .

3.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen en ook [zoon 2] heeft erkend, volgt uit de schuldbekentenis niet dat partijen een samengestelde rente zijn overeengekomen. In de schuldbekentenis staat immers enkel (zie hiervoor r.o. 3.1.1) dat over de hoofdsom of over het restant daarvan een rente is verschuldigd van 6% per jaar en dat deze voor het eerst op 1 januari 1997 verschuldigd is.

[zoon 2] stelt in dit hoger beroep wel dat het de bedoeling van partijen is geweest om een samengestelde rente overeen te komen, maar uit de door hem gegeven nadere toelichting volgt dat niet. Dat de rente ieder jaar op een aparte bankrekening zou worden gestort en dat over het initieel apart te zetten rentebedrag dan ook rente zou worden verkregen, ondersteunt niet de gestelde partijbedoeling over een samengestelde interest, te betalen door [de moeder] .

Ook heeft [zoon 2] in het licht van de gemotiveerde betwisting van [de moeder] onvoldoende concrete aanknopingspunten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [de moeder] zelf ten tijde van de ondertekening van de schuldbekentenis de bedoeling had zich te verplichten tot betaling van samengestelde rente. Om die reden kan uit de berekening van haar accountant en haar betaling van de schuld van [zoon 1] de gestelde bedoeling niet worden afgeleid.

Het hof is van oordeel dat [zoon 2] op dit punt niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Derhalve is niet komen vast te staan dat partijen een samengestelde rente zijn overeengekomen.

3.7.4.

De vraag is vervolgens vanaf welk moment [de moeder] de jaarlijkse rente van 6% verschuldigd is. In dat verband is haar beroep op art. 1:253l BW van belang.

Het beroep van [de moeder] op het ouderlijk vruchtgenot slaagt. [zoon 2] heeft zich daar weliswaar tegen verweerd door te stellen dat [de moeder] door het aangaan van de verplichting om hem rente te betalen heeft afgezien van het recht op het ouderlijk vruchtgenot (zie p. 2 van het proces-verbaal van de comparitie), maar dit verweer faalt. Dit verweer komt er immers op neer dat [de moeder] impliciet afstand heeft gedaan van haar (wettelijk) recht op het ouderlijk vruchtgenot, maar voor het doen van afstand is een overeenkomst vereist. Nu [zoon 2] niet heeft gesteld dat het doen van afstand van dit (wettelijk) recht destijds is overeengekomen dan wel dat sprake is geweest van gerechtvaardigd vertrouwen dat daarvan afstand is gedaan, wordt dit verweer bij gebrek aan voldoende onderbouwing gepasseerd. Dit betekent dat [de moeder] zich in dit verband terecht heeft beroepen op verrekening. Om die reden is zij tot de leeftijd van 18 jaar van [zoon 2] , dus tot 17 maart 2009, geen rente verschuldigd.

3.7.5.

Daarentegen faalt het verweer van [de moeder] dat [zoon 2] vanaf 18 jaar diende bij te dragen in de kosten van de huishouding. [de moeder] heeft namelijk niet gesteld en ook niet met stukken onderbouwd dat [zoon 2] vanaf 18 jaar anders dan incidenteel inkomen uit arbeid genoot, hetgeen op grond van genoemd artikel een vereiste is. Om die reden valt er niets te vereffenen (zie p. 3 van de memorie van antwoord), zodat dit beroep op verrekening faalt.

3.7.6.

Dit betekent dat [de moeder] eerst vanaf de meerderjarigheid van [zoon 2] , dus vanaf 17 maart 2009, over het bedrag van € 14.067,19 de overeengekomen rente van 6% per jaar verschuldigd is.

3.8.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.577,44 zijn door [de moeder] niet betwist en worden daarom toegewezen. Voor zover ten aanzien van de advocaatkosten een bedrag van € 1.815,00 (incl. btw) is gevorderd, wordt dit afgewezen. Zoals te doen gebruikelijk worden de advocaatkosten toegewezen conform het liquidatietarief.

3.9.

Dit alles leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de vordering van [zoon 2] op na te melden wijze zal worden toegewezen.

3.10.

[de moeder] wordt als in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [de moeder] uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van mei 1996 om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [zoon 2] te betalen een bedrag van € 14.067,19, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 6% per jaar over dit bedrag dan wel het onbetaald gebleven deel daarvan met ingang van 17 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [de moeder] om aan [zoon 2] te betalen een bedrag van € 2.557,44 wegens buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [de moeder] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [zoon 2] voor wat betreft de eerste aanleg worden begroot op € 1.031,58 aan verschotten en op € 1.788,00 aan salaris advocaat en voor wat betreft het hoger beroep op € 872,01 aan verschotten en op € 1.631,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M. van Ham en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2015.

griffier rolraadsheer