Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4741

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
HD 200.151.705_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Verdeling vaststellen (adjudicatie) of gelasten?

Federatie van Taxateurs Makelaars en Veilinghouders in roerende zaken; “Aanbevolen waardedefinities, versie oktober 2013”. Waarderingsmaatstaf inboedelgoederen en antiek.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 166
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/6 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
FJR 2016/24.7

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.151.705/01

arrest van 24 november 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. L.M. Bakker te Oss,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant (sector kanton) van 27 maart 2014, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 852109/410)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte overlegging productie van de vrouw;

  • -

    de antwoordakte van de man.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn op 7 februari 1992 in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd.

  2. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding gedaan, dat bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch is ingekomen op 14 maart 2011.

  3. Daarop is de echtscheiding uitgesproken op 2 september 2011.

  4. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 4 oktober 2011.

  5. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, met uitzondering van de inboedelgoederen, de persoonlijke zaken en de lijfsgoederen.

3.2.

In de onderhavige procedure heeft de vrouw “vaststelling van de verdeling gevorderd” (op een door haar aangegeven wijze). De man heeft – in reconventie – gevorderd “de verdeling te gelasten” (op een door hem aangegeven wijze). De kantonrechter heeft de vorderingen aldus opgevat dat: “beide partijen willen dat de kantonrechter: “de verdeling [van de gezamenlijke inboedelgoederen, persoonlijke zaken en de lijfsgoederen] vaststelt op de door hen aangegeven wijze” (rov. 4.1, vs 21 maart 2013). (onderstrepingen hof)

3.3.

Bij tussenvonnis van 21 maart 2013 heeft de kantonrechter bepaald “hoe deze goederen moeten worden verdeeld” (rov. 4.1, vs 21 maart 2013).

Het hof merkt op dat uit de rov. 4.2 tot en met 4.5 van dit vonnis blijkt dat het hierbij gaat om een vaststelling van de verdeling door de (kanton)rechter zelf, de zogenoemde adjudicatie, niet om het gelasten van de wijze van verdeling (beide genoemd in artikel 3:185 lid 1 BW).

3.4.

Bij tussenvonnis van 30 mei 2013 is vervolgens de heer Swagemakers tot deskundige benoemd om de waarde van de goederen te bepalen. Daarbij is de deskundige opgedragen aan de kantonrechter een rapport uit te brengen over de volgende vragen met bijbehorende toelichting, die het hof, ook om redenen van leesbaarheid van dit arrest, integraal weergeeft:

“Toelichting:

Partijen hebben de kantonrechter verzocht de inboedelgoederen te verdelen na hun echtscheiding omdat zij daar zelf niet uitkomen. De kantonrechter zal bij eindvonnis bepalen dat de inboedelgoederen tussen partijen moeten worden verdeeld zoals is aangegeven op de lijst van [de vrouw] (productie 3 bij dagvaarding), met dien verstande dat:

- de op pagina 1 van de lijst van [de vrouw] genoemde “secretair 3 lades” buiten beschouwing kan worden gelaten en dus niet getaxeerd hoeft te worden (zie r.o. 4. van het tussenvonnis van 21 maart 2013).

- de Tiffanylampen, het buikkastje, de playmobiel, de barbies, het speelgoed en de lego, de tienerkamer, de hobbyspullen van [de vrouw], de fiets, de tupperware, het wandkleed panda alpaca bont en het speelgoed van [de dochter van partijen] aan [de vrouw] zullen worden toebedeeld en dus – anders dan op de lijst vermeld – in de kolom van de vrouw moeten worden geplaatst (zie r.o. 4.2 van het tussenvonnis van 21 maart 2013).

- de cd’s en dvd’s geheel aan [de vrouw] zullen worden toebedeeld en dus – anders dan op de lijst vermeld – in de kolom van de vrouw moeten worden geplaatst (zie r.o. 4.4 van het tussenvonnis van 21 maart 2013).

U wordt verzocht de waarde van de inboedelgoederen te bepalen, waarbij u voor wat betreft de goederen, ter voorkoming van onnodig hoge kosten, kunt volstaan met een opgave van het totaalbedrag voor de goederen, die met inachtneming van hetgeen hiervoor is vermeld, zijn toe te delen aan [de vrouw] en een totaalbedrag voor de goederen die, met inachtneming van hetgeen hiervoor is vermeld, zijn toe te delen aan [de man], met uitzondering evenwel van de op de lijst vermelde antieke servieskast, antieke eethoek, barok bankstel met 2 fauteuils en salontafel hangoor. Met betrekking tot deze goederen wordt u verzocht afzonderlijk te specificeren en te onderbouwen wat naar uw mening de waarde van deze goederen is. Daarbij gaat het (voor alle goederen) om de dagwaarde op de datum van 4 oktober 2011.

1. Kunt u, met inachtneming van hetgeen hiervoor in de toelichting is vermeld, aangeven wat de totale dagwaarde op de datum van 4 oktober 2011 is van de aan [de vrouw] toe te delen goederen?

2. Kunt u, met inachtneming van hetgeen hiervoor in de toelichting is vermeld, aangeven wat de totale dagwaarde is op de datum van 4 oktober 2011 van de aan [de man] toe te delen goederen?

3. Kunt u aangeven wat de afzonderlijke dagwaarde is op de datum van 4 oktober 2011 van de op de lijst vermelde antieke servieskast, antieke eethoek, barok bankstel met 2 fauteuils en salontafel hangoor en kunt u die waarde nader motiveren?”

3.5.

De deskundige heeft daarop een (eerste) rapport uitgebracht. Omdat de daarin opgenomen taxatie niet geheel conform de vragen van de kantonrechter was uitgevoerd, heeft de deskundige een tweede rapport uitgebracht. In dat tweede rapport heeft hij:

- de totale dagwaarde per 4 oktober 2011 van de aan de vrouw toe te delen goederen gewaardeerd op een bedrag van € 800,-;

- de totale dagwaarde per 4 oktober 2011 van de aan de man toe te delen:

(i) antieke servieskast, antieke eethoek, barok bankstel met 2 fauteuils en salontafel hangoor gewaardeerd op een totaalbedrag van € 1.300,-;

(ii) overige goederen gewaardeerd op een bedrag van € 1.800,-.

3.6.

De man kon zich vinden in de conclusies van het rapport van de deskundige. De vrouw heeft in haar reacties op het deskundigenrapport verschillende verweren aangevoerd, door de kantonrechter als volgt samengevat:

- de deskundige heeft niet de dagwaarde van de antieke voorwerpen vastgesteld, maar de waarde in het economisch verkeer en de getaxeerde waarde is veel te laag;

- de deskundige heeft niet aangegeven hoe de afzetmogelijkheden van de antieke voorwerpen waren op 4 oktober 2011 en heeft ook niets aangegeven over de afzetmogelijkheden buiten de regio;

- de deskundige heeft ten onrechte geen gebruik gemaakt van de beschikbare aankoopbonnen;

- de taxatie van de overige inboedelgoederen is niet realistisch;

- de deskundige heeft de glas-in-lood-ramen te laag getaxeerd.

3.7.

De kantonrechter heeft in zijn eindvonnis eerst alle verweren van de vrouw verworpen. Daarna heeft hij in herinnering gebracht dat hij over de verdeling van de goederen tussen partijen al had beslist in het tussenvonnis van 21 maart 2013. Die beslissing is hierboven weergeven in de deskundigenopdracht, waarnaar het hof kortheidshalve verwijst. Ten slotte heeft de kantonrechter geoordeeld dat:

- de waarde van de aan de vrouw toe te delen goederen € 800,- bedraagt;

- de waarde van de aan de man toe te delen goederen € 3.100,- bedraagt.

De man is daarmee overbedeeld voor een bedrag van € 1.150,- en de kantonrechter heeft de man uit dien hoofde veroordeeld dit bedrag aan de vrouw te betalen.

3.8.

De vrouw heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd als volgt:

1. Te vernietigen het vonnis waarvan beroep;

2. Primair:

Alsnog te bepalen dat ten aanzien van de door de kantonrechter vastgestelde verdeling [de man] is overbedeeld voor een bedrag van € 9.100,- en dat [de man] de helft van dit bedrag, aldus een bedrag van € 4.550,- aan [de vrouw] dient te betalen.

Subsidiair:

Opnieuw de verdeling van de gezamenlijke inboedelgoederen, lijfsgoederen en persoonlijke goederen vast te stellen, waarbij partijen ieder in waarde de helft van de antiek, de helft van het glas-in-lood en de helft van de overige inboedelgoederen toebedeeld krijgen.

Meer subsidiair:

In goede justitie een andere verdeling en een ander bedrag wegens overbedeling vast te stellen.

3. [De man] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.”

3.9.

De man concludeert tot verwerping van de grieven en bekrachtiging van het bestreden vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.

3.10.

Het hof komt nu tot een beoordeling van de grieven.

3.11.1.

Grief 1, die het hof eerst zal bespreken, bestaat uit drie onderdelen.

Het eerste onderdeel van grief 1 houdt in dat de deskundige – in strijd met de door de kantonrechter gegeven opdracht – niet de dagwaarde van de antieke voorwerpen heeft bepaald, maar de waarde in het economisch verkeer.

3.11.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.11.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Partijen zijn in het tussenvonnis van 21 maart 2013 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het specialisme en de persoon van de te benoemen deskundige. De vrouw heeft er toen op aangedrongen dat de heer Swagemakers als lid van de Federatie van Taxateurs Makelaars en Veilinghouders in roerende zaken zou worden benoemd. De heer Swagemakers is in het tussenvonnis van 30 mei 2013 ook benoemd tot deskundige.

Voor de waardering van de inboedelgoederen is de deskundige uitgegaan van de dagwaarde. In de “Aanbevolen waardedefinities, versie oktober 2013” (mvg, prod. 1), die voor leden van de Federatie gelden, dus ook voor de heer Swagemakers, is de dagwaarde als volgt omschreven:

“Dagwaarde

Onder dagwaarde wordt verstaan de nieuwwaarde onder aftrek van een bedrag voor waardevermindering door veroudering of slijtage.

Nieuwwaarde

Onder nieuwwaarde wordt verstaan het bedrag dat nodig is voor het verkrijgen van nieuwe zaken van dezelfde soort en kwaliteit. (alleen bij reguliere inboedel en/of huisraad).”

Voor de antieke zaken (in rov. 3.5, sub (i) hiervóór gespecificeerd) is de deskundige uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer, die in de “Aanbevolen waardedefinities” als volgt wordt omschreven:

“Waarde in het economisch verkeer

Onder waarde in het economisch verkeer in het kader van inkomstenbelasting, successie- en schenkingsrechten, onderlinge verdeling, boedelscheiding en bedrijfsovername, wordt verstaan het bedrag dat, bij aanbieding ter verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed dan wel door de verkoper zou zijn ontvangen.”

Anders dan de vrouw meent, mocht de deskundige in het onderhavige geval ook uitgaan van die waarde. Uit de “Aanbevolen waardedefinities” blijkt dat de berekening van de dagwaarde mede plaatsvindt op basis van de nieuwwaarde, en dat deze laatste waarderingsmaatstaf alleen wordt toegepast bij “reguliere inboedel en/of huisraad” en dus niet bij, kort gezegd, antieke voorwerpen zoals hier aan de orde. Zonder nadere toelichting, die de vrouw heeft nagelaten te geven, valt ook niet in te zien hoe ten aanzien van antiek sprake kan zijn van een nieuwwaarde, gelet op de hiervóór weergegeven definitie van dit waardebegrip. Voorts heeft de deskundige in zijn eerste rapport opgemerkt dat waardering van de inboedelgoederen op grond van de dagwaarde “dezelfde grondslag [heeft] als de waarde in het economisch verkeer, echter de afzetmogelijkheden heel beperkt [zijn] daar de traditionele kunstveilinghuizen deze [inboedelgoederen] niet opnemen.” Deze opmerking duidt er eerder op dat de door de deskundige gehanteerde waarde in het economisch verkeer in het voordeel van de vrouw is dan in haar nadeel. De slotsom van het voorgaande is dat grief 1 in zoverre faalt.

3.12.1.

In het tweede onderdeel van grief 1 betoogt de vrouw dat de verhouding tussen ex-echtgenoten wordt beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en dit kan meebrengen dat van een andere waarde moet worden uitgegaan dan de prijs die door derden wordt geboden. Door uit te gaan van de waarde in het economisch verkeer wordt de vrouw benadeeld, omdat de man de gebruikswaarde van het antiek heeft gekregen en hij geen kosten hoeft te maken, omdat hij het antiek niet verkoopt. De waarde van het antiek had begroot moeten worden op een bedrag € 4.550,-. Dat was redelijk geweest, aldus de vrouw.

3.12.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.12.3.

Het hof oordeelt als volgt.

De rechter dient ingevolge artikel 1:185 lid 1 BW, indien hij de wijze van verdeling gelast of (zoals hier) de verdeling tot stand brengt naar billijkheid rekening te houden zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. De parlementaire geschiedenis leert hierover het volgende:

“Dat volgens het eerste lid mede met de belangen van partijen rekening moet worden gehouden, impliceert dat de boedelrechter let op de omstandigheid, dat een goed een bijzondere waarde voor een deelgenoot heeft zo die omstandigheid hem bekend is. Het is aan zijn oordeel overgelaten of het billijk zou zijn om deze deelgenoot de toedeling van het goed voor een hogere waarde in rekening te brengen dan het, afgezien van deze omstandigheid, in het economisch verkeer heeft.” (MvA II op artikel 3:185 BW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 619)

De enkele omstandigheid, waarop de vrouw zich beroept, dat de man het gebruik heeft van het antiek is inherent aan de door de kantonrechter vastgestelde verdeling, waarbij de man het antiek is toegedeeld. Die verdeling maakt niet dat het goed “een bijzondere waarde” voor de man heeft. Van feiten en omstandigheden die wél op het bestaan van de bedoelde bijzondere waarde duiden, is het hof niet gebleken. Ook in zoverre faalt grief 1.

3.13.1.

Het derde onderdeel van grief 1 houdt in dat de antieke goederen in redelijkheid “bij helften” verdeeld hadden moeten worden, zodat ook de vrouw de (gebruiks)waarde krijgt van die goederen, die veel hoger is dan de door de deskundige getaxeerde waarde. Een billijke verdeling zou zijn dat de een de bank en de eethoek toegedeeld zou krijgen en de ander de twee fauteuils met tafel en de servieskast.

3.13.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.13.3.

Het hof oordeelt als volgt.

De kantonrechter heeft zelf de verdeling vastgesteld (zie rov. 3.3 hiervóór). Ook in hoger beroep gaat het om de vaststelling van de verdeling. Dit blijkt uit het hiervóór weergegeven petitum van de vrouw, en uit de memorie van antwoord van de man, waarin de man concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en hij overigens opmerkt dat “er geen andere verdeling dient te worden vastgesteld dan door de kantonrechter is vastgelegd”, (mva, pt. 39). Voor een nader begrip van deze vaststelling van de verdeling door de rechter zelf wijst het hof op de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 12 januari 2007, RvdW 2007, 88:

[2.5] (…) Indien vaststelling van de verdeling door de rechter wordt gevorderd — waartoe de eiser niet terstond een bepaalde wijze van verdeling behoeft voor te stellen — kan ieder van de betrokken partijen naar voren brengen hoe naar haar zienswijze de goederen moeten worden verdeeld, zonder dat de rechter gebonden is aan hetgeen partijen aldus voorstellen. Deze rechterlijke vrijheid wordt verklaard door de aard van de adiudicatio. Omdat partijen zelf er niet uitkomen, vragen zij de rechter om de verdeling van een gemeenschap voor hen vast te stellen. Als wijzen van verdeling komen in aanmerking: de toedeling van een gedeelte van het/de te verdelen goed(eren) aan ieder van de deelgenoten, een overbedeling van één of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde of de verdeling van de netto-opbrengst na verkoop van het goed of de goederen. Wil ooit een verdeling tot stand kunnen komen (…) dan heeft de rechter veel vrijheid nodig om zelf kavels vast te stellen, met de kavelindeling te schuiven en/of te switchen tussen een toedeling in gelijke delen en een overbedeling met vergoeding van de overwaarde, zonder al te zeer te zijn gebonden aan de voorstellen van partijen daaromtrent. Weliswaar bestaat ook hier een grens in de vorm van het verbod van zgn. “verrassingsbeslissingen”, maar in de regel dienen partijen op voorhand er rekening mee te houden dat de rechter naar eigen inzicht de verdeling maakt.” (voetnoten weggelaten, hof)

De vrouw heeft niet uitgelegd wat zij bedoelt met “(gebruiks)waarde”. Zij heeft voorts nagelaten haar stelling dienaangaande te onderbouwen. Het hof ziet indachtig zowel de aard van adjudicatie (waarover zojuist de conclusie van A-G Langemeijer), als zijn verplichting de verdeling vast te stellen “rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang” (artikel 3:185 lid 1 BW) geen reden over te gaan tot vaststelling van de verdeling zoals door de vrouw voorgesteld.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat grief 1 op alle onderdelen faalt.

3.14.1.

Grief 2 houdt in dat de taxatie van de glas-in-loodramen die in het eerste rapport van de deskundige als nr. 10 (€ 5,-) en nr. 12 (€ 100,-) zijn vermeld niet juist is en het verweer van de vrouw daartegen ten onrechte door de kantonrechter is verworpen. Bij akte overlegging productie, heeft de vrouw het e-mailverkeer tussen de vrouw en Foka overgelegd met daarbij een foto van de glas-in-loodramen.

De vrouw voert ter toelichting op haar grief het volgende aan.

De glas-in-loodramen worden door Foka geschat op een waarde van € 500,-. De waardering van de glas-in-loodramen staat verder ook in geen verhouding tot de waardering van de overige goederen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid had de waarde op een hoger bedrag begroot moeten worden.

Subsidiair hadden de glas-in-loodramen in redelijkheid “bij helften” verdeeld moeten worden, althans zoals voorgesteld in punt 20 van de memorie van grieven, zodat ook de vrouw de (gebruiks)waarde krijgt van die goederen, die veel hoger is dan de door de deskundige getaxeerde waarde.

3.14.2.

De man heeft verweer gevoerd, mede in zijn antwoordakte.

3.14.3.

Het hof overweegt als volgt.

Er moet worden voorbijgegaan aan de verklaring van Foka op de grond die de kantonrechter daarvoor reeds heeft aangevoerd (rov. 2.7 bestreden vonnis): uit de verklaring van Foka, valt niet af te leiden welke ramen voorwerp zijn geweest van de schatting door Foka zodat niet geconcludeerd kan worden dat het dezelfde ramen betreft. Ook uit het e-mailverkeer tussen de vrouw en Foka valt die conclusie niet af te leiden. Het e-mailverkeer bestaat slechts uit twee e-mails: een van Foka aan een zekere [persoon] (over wier rol het hof in het duister tast) en een van Foka aan de vrouw. Die laatste e-mail bevat geen bijlage met een foto (of aanwijzing anderszins), waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Foka de glas-in-loodramen op basis van een foto heeft gewaardeerd. Terecht heeft de kantonrechter voorts overwogen dat de verklaring van Foka in het geheel geen onderbouwing geeft van de geschatte waarde. Het e-mailverkeer dat in hoger beroep in het geding is gebracht, voegt op dit punt niets toe aan de (eerdere) verklaring van Foka. Ten slotte heeft Foka de waarde geschat op een bedrag van ca. € 500,- “voor particuliere verkoop”. Hiervan is niet duidelijk of dit hetzelfde is als de dagwaarde, laat staat de dagwaarde op de peildatum 4 oktober 2011.

De omstandigheid, waarop de vrouw zich nog lijkt te beroepen, dat de man zaken met een hogere waarde toegedeeld krijgt, wordt, zoals ook bepaald in artikel 3:185 lid 2 sub b BW, gecompenseerd door de verplichting voor de man de overwaarde van die zaken te vergoeden. Dit kan op zichzelf niet leiden tot een hogere waardering van de glas-in-loodramen.

Het subsidiaire onderdeel van grief 2 kan evenmin slagen. Het hof verwijst hiervoor kortheidshalve naar hetgeen het hiervóór overwoog ten aanzien van het antiek (rov. 3.12) welke overwegingen van overeenkomstige toepassing zijn op de glas-in-loodramen.

3.15.1.

Grief 3 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte het verweer van de vrouw heeft verworpen dat de deskundige de inboedelgoederen te laag heeft getaxeerd en geen rekening heeft gehouden met de aankoopnota’s.

3.15.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.15.3.

Het hof oordeelt als volgt. De deskundige heeft de inboedelgoederen, in overeenstemming met de opdracht aan hem, gewaardeerd tegen dagwaarde. Uit de “Aanbevolen waardedefinities, versie oktober 2013”, blijkt dat de berekening van de dagwaarde plaatsvindt op basis van de nieuwwaarde (zie rov. 3.11.3, hiervóór) en niet zoals de vrouw lijkt te veronderstellen op basis van de historische waarde of oorspronkelijke aanschafprijs. De deskundige kon – in zoverre – dus voorbijgaan aan de aankoopnota’s. De waardevermindering door veroudering of slijtage (dit bedrag moet worden afgetrokken van de nieuwwaarde om op de dagwaarde uit te komen), is door de deskundige, mede gelet op zijn bijzondere expertise, voldoende toegelicht met de vaststelling dat het hier gaat om een zogenoemde gebruiksinboedel van circa twintig tot dertig jaar oud. Hierbij neemt het hof nog in aanmerking dat de opdracht aan de deskundige inhield om de waarde van de inboedelgoederen te bepalen, en hij ter voorkoming van onnodig hoge kosten kon volstaan met een opgave van het totaalbedrag voor de goederen, en de deskundige dus niet is gevraagd om de taxatie van alle afzonderlijke voorwerpen te motiveren. Hetgeen de vrouw voorts nog heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Grief 3 faalt mitsdien.

3.16.

In grief 4 voert de vrouw aan dat de kantonrechter het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen wegens overbedeling niet op een lager bedrag dan € 1.500,- had mogen worden vastgesteld, omdat de man zelf in reconventie heeft gevorderd dat hij een bedrag van € 1.500, aan de vrouw zou betalen wegens overbedeling.

Het hof benadrukt dat partijen hebben gevorderd dat de rechter de verdeling zelf vaststelt. Daarbij kan ieder van de betrokken partijen naar voren brengen hoe naar haar zienswijze de goederen moeten worden verdeeld, zonder dat de rechter evenwel gebonden is aan hetgeen partijen aldus voorstellen. Dit geldt ook voor het voorstel van de man om hem over te bedelen tegen vergoeding van de overwaarde (in zijn voorstel € 1.500,-) aan de vrouw. In zoverre faalt grief 4. Aangezien grief 4 van de vrouw voorts het slagen van (een van) grieven 1 tot en met 3 veronderstelt, en aan die voorwaarde niet is voldaan, faalt grief 4 ook voor het overige.

3.17.

Gelet op het voorgaande komt het hof aan het door de partijen aangeboden bewijs niet toe.

3.18.

Het hof zal met toepassing van artikel 237 jo. artikel 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

3.19.

Op grond van het voorgaande wordt thans als volgt beslist.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant (sector kanton) van 27 maart 2014;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, W.Th.M. Raab en M.J. van Laarhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2015.

griffier rolraad