Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4735

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
HD 200.130.101_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen richtprijs ex art. 7:752 BW overeengekomen.

Bewijsopdracht meerwerk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 752, geldigheid: 2015-11-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.130.101/01

arrest van 24 november 2015

in de zaak van

[Grondwerken] Grondwerken B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. J.H. van Seters te Roermond,

tegen

[Bouwservice] Bouwservice B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.H. Beusker te Venlo,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 augustus 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond tussen appellante - [appellante] - als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie gewezen vonnis van 27 maart 2013. Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 27 augustus 2013, waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 oktober 2013;

  • -

    de memorie van grieven waarbij producties zijn overgelegd;

  • -

    de memorie van antwoord.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/04/114760 / HA ZA 12-89)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 27 maart 2013 en naar het daaraan voorafgaande vonnis van 18 juli 2012, tussen partijen gewezen door de toenmalige rechtbank Roermond, sector civielrecht.

7 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

8. De beoordeling

8.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 27 maart 2013 onder “2. De feiten” feiten vastgesteld. Het hof zal van die feiten, voor zover niet bestreden en voor zover van belang, uitgaan. Verder staan als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist nog enige feiten vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de vaststaande feiten.

a. Op basis van een tussen partijen gesloten overeenkomst van 26 mei 2009 heeft [appellante] voor [geïntimeerde] sloop-, grond- en funderingswerkzaamheden verricht inzake het project [bloembinders] Bloembinders te [plaats] .

b. In voornoemde overeenkomst (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg) hebben partijen onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Middels deze verstrekt [geïntimeerde] (…) u opdracht voor het grondwerk en sloopwerkzaamheden ten behoeve van de verbouwing winkel aan de [adres] te [plaats] .

(…)

De door u te leveren en uit te voeren werkzaamheden zijn als volgt te omschrijven:

 het verwijderen van de bestaande kas t.b.v. de nieuwbouw conform bestektekening;

 verwijderen en afvoeren van bielzen;

 opnemen bestrating winkel en binderij t.b.v. hergebruik, incl. herbestraten conform bestektekeningen;

 opnemen en afvoeren bestrating t.b.v. de nieuwbouw;

 ontgraven fundering conform tekening constructeur;

 aanvullen van de fundering uit depot;

 leveren en leggen van buitenriolering conform bestektekeningen;

 leveren en aanbrengen van bestrating conform bestektekeningen;

 het aanleveren van weekstaten met overzicht werkzaamheden en kosten conform afspraak.

 e.e.a. volgens uw technische omschrijving in uw offerte d.d. 27-02-09 en conform afspraak tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .

Alle uit dit werk voorvloeiende werkzaamheden dienen door u voorzien te zijn. Meerwerk is alleen mogelijk als de opdrachtgever een wijziging aanbrengt.

Prijs

De totaalprijs bedraagt circa € 38.000,00 (…) exclusief BTW. In de prijs zijn alle materialen, vrachtkosten, lonen, sociale lasten, risico, winst, reis- en verblijfkosten, verletten etc. begrepen.

Er vindt geen verrekening van prijzen of lonen plaats. De totaalsom wordt bepaald door de werkelijke hoeveelheden conform afspraak.

Meer- en minderwerk

Uitsluitend vooraf schriftelijk overeengekomen meer- en minderwerken komen voor verrekening in aanmerking.

(…)

De loonkosten betreffende bovenstaande aannemingssom bedraagt: € 12.500,00 (…) exclusief BTW. (…)”.

c. [appellante] heeft in totaal een bedrag van € 110.837,99 aan [geïntimeerde] in rekening gebracht. [geïntimeerde] heeft een bedrag van in totaal € 50.000,- aan [appellante] betaald.

d. Bij brief van 22 november 2011 van [geïntimeerde] aan DAS, de rechtshulpverlener van [appellante] (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg) schrijft [geïntimeerde] , voor zover relevant:

“(…)

Allereerst geeft u geen antwoord op mijn vraag zoals vermeld in mijn schrijven d.d. 21 september 2011. Hierbij kan ik opmaken dat u géén overeenkomsten kunt overleggen. Er is derhalve géén juridische grondslag omtrent het door u opgevoerde bedrag.

Het door u aangehaalde dat uw cliënt meerwerk heeft verricht kan en wil ik niet betwisten. Het komt in onze branche regelmatig voor dat een onderaannemer werkzaamheden moet verrichten die voor hem meerwerk zijn die niet voor verrekening in aanmerking komen gezien het feit dat dit tot zijn opdracht behoort. We zijn overeengekomen dat enkel schriftelijk overeengekomen meerwerk voor verrekening in aanmerking komt. (…)’`.

8.2.1

[appellante] heeft in conventie gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om aan haar, [appellante] , te betalen € 60.837,99, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten ad € 1.190,- en proceskosten.

8.2.2

[geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd samengevat - veroordeling van [appellante] tot betaling aan haar, [geïntimeerde] , van € 12.000,-, vermeerderd met rente en kosten.

8.2.3

De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen omdat, kort gezegd, partijen een overeenkomst tot aanneming van werk hebben gesloten voor een richtprijs van € 38.000,-. Die prijs mag, aldus de rechtbank, krachtens art. 7:752 BW met niet meer dan 10% worden overschreden, tenzij [appellante] als opdrachtnemer heeft gewaarschuwd. Nu van een dergelijke waarschuwing niet is gebleken, is de vordering afgewezen.

De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] afgewezen omdat, kort gezegd, niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] het door haar gevorderde bedrag zonder rechtsgrond heeft betaald.

De rechtbank heeft [appellante] in de proceskosten van de conventie veroordeeld en [geïntimeerde] in de proceskosten van de reconventie.

8.3

In dit hoger beroep vordert [appellante] onder het voordragen van vijf grieven dat het hof het vonnis van 27 maart 2013 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] zal veroordelen:

1. om aan [appellante] te betalen € 60.837,99, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur althans vanaf de datum der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 1.190,-;

2. in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen arrest (zoals het hof “vonnis” leest) aan de veroordeling in deze is voldaan.

8.4

[appellante] heeft geen grieven aangevoerd tegen het vonnis voor zover gewezen in reconventie. Voor zover het hoger beroep daartegen is gericht, wordt zij niet-ontvankelijk verklaard.

8.5.1

In grief I stelt [appellante] dat de overweging van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat er in de overeenkomst een richtprijs van € 38.000,- is overeengekomen, onjuist dan wel onvolledig is. Haar offerte, aldus [appellante] , is in de overeenkomst geïncorporeerd, en uit die offerte blijkt dat zij bij het uitbrengen daarvan over onvoldoende informatie beschikte, waardoor een aantal werkzaamheden door haar expliciet is uitgesloten (stutwerk, zaagwerk, het plaatsen van stofschotten en het uitgraven van zand en aanbrengen van schrale beton onder de fundering) en dat uitdrukkelijk is bedongen dat het werk zou worden afgerekend tegen de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden (zie nr. 15 van haar memorie van grieven).

8.5.2

Het hof stelt voorop dat geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de tussen partijen gesloten overeenkomst er een van aanneming van werk betreft, zodat het hof daarvan uitgaat.

8.5.3

[geïntimeerde] heeft in haar conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie in de nrs. 13-14 opgemerkt dat de overeenkomst op twee gedachten hinkt. Enerzijds is, aldus [geïntimeerde] , sprake van een aannemingsovereenkomst met een vaste prijs van € 12.540,- voor wat betreft de loonkosten. Anderzijds hebben partijen met betrekking tot de hoeveelheden bij de sloopwerkzaamheden, graafwerkzaamheden enz. afgesproken dat de werkelijke hoeveelheden maatgevend zouden zijn en dat op die basis zou worden afgerekend. Hierbij gingen, aldus [geïntimeerde] in nr. 15 conclusie van antwoord, partijen ervan uit dat de door [appellante] genoemde hoeveelheden bij benadering juist zouden zijn. Daarmee bestond de overeengekomen prijs uit een vast deel bestaande uit de loonkosten en de eenheidsprijzen, en uit een variabel deel voor wat betreft de hoeveelheden (materialen), aldus Willem in nr. 16 van zijn net genoemde conclusie. Met deze wijze van prijsbepaling is naar het oordeel van het hof geen richtprijs in de zin van art. 7:752 BW overeengekomen, zodat wat dat betreft de eerste grief slaagt.

8.6

Het hof zal de overige grieven tezamen behandelen in de sleutel van de door [appellante] bij memorie van grieven overgelegde producties A2, A3, A4 en A5 en de daarop door [appellante] gegeven toelichting in onder andere nr. 39 van haar memorie van grieven.

Partijen zijn het erover eens dat de in de tien bullets opgesomde omschreven werkzaamheden zoals vermeld in r.o. 8.1 sub b een samenvatting vormen van de 32 punten zoals opgesomd in de (ook) als productie 1 bij inleidende dagvaarding overgelegde offerte van [appellante] (zie nr. 16 memorie van grieven en nr. 18 memorie van antwoord). Het hof begrijpt dat [appellante] met het als productie A2 bij memorie van grieven overgelegde stuk aan de hand van de 32 in haar offerte genoemde posten heeft aangegeven wat de werkelijk verwerkte hoeveelheden zijn en heeft berekend welk bedrag per post dient te worden betaald zoals partijen volgens haar zijn overeengekomen. In die productie A2 komen de werkzaamheden zoals genoemd in post 29 in haar offerte niet voor, en zijn de in de offerte als nr. 30, 31 en 32 genoemde werkzaamheden vernummerd tot 29, 30 en 31. Het hof begrijpt verder dat de zwart aangeduide vermeldingen in productie A2 bij de posten genummerd 26 (Lev en aanbrengen opsluitbanden 8x20 in beton € 339,25) en 27 (Lev en aanbrengen opsluitbanden 6x20 bochtband in bet € 139,95) in de visie van [appellante] (hoewel aangeduid als afwijking van hoeveelheden) in feite meerwerk vormen, evenals de in zwart onder nr. 31 in productie A2 toegevoegde posten “Leveren dub klinker € 13.450,00”, “Straten dub klinker binnen € 4.599,90” en “leveren en aanbrengen tegels schellevis bij ingang € 297,00”. Het hof wijst er hierbij op dat [appellante] blijkens het proces-verbaal van comparitie tijdens de comparitie heeft verklaard dat de meerprijs voor de post bestrating € 18.000,- bedroeg en dat de optelsom van de posten “Leveren dub klinker € 13.450,00” en “Straten dub klinker binnen € 4.599,90” € 18.049,- bedraagt, en dus nagenoeg gelijk is aan het tijdens de comparitie na conclusie van antwoord genoemde bedrag.

Optelling van de meerwerkzaamheden levert op een bedrag van € 18.826,10. Volgens [appellante] in haar productie A2 bedraagt de totaalsom van alle in die productie A2 genoemde werkzaamheden € 59.742,70. Indien daarvan wordt afgetrokken het bedrag aan meerwerkzaamheden van € 18.826,10 blijft over € 40.916,60 Dit bedrag komt in voldoende mate overeen met het bedrag van “circa € 38.000,00” zoals in de overeenkomst is vermeld. Het hof merkt hierbij nog op dat [geïntimeerde] in nr. 15 conclusie van antwoord heeft opgemerkt dat partijen er beiden van uitgingen dat [appellante] bij benadering de juiste hoeveelheden in haar offerte heeft vermeld.

Het hof acht de met productie A2 bij memorie van grieven gegeven specificatie zoals hiervoor uitgelegd, zodanig duidelijk en inzichtelijk dat van [geïntimeerde] bij memorie van antwoord een voldoende feitelijke en duidelijke reactie mocht worden verwacht, mede gelet op het feit dat de hiervoor in r.o. 8.1 onder sub d genoemde brief van 22 november 2011 van [geïntimeerde] aan DAS, de rechtshulpverlener van [appellante] onder meer inhoudt “(…) Het door u aangehaalde dat uw cliënt meerwerk heeft verricht kan en wil ik niet betwisten”. Een dergelijke feitelijke reactie is uitgebleven, zodat in elk geval toewijsbaar is € 40.916,60 op grond van de conform de tien bullets verrichte werkzaamheden en ad € 18.826,10 voor verricht meerwerk waarvan onvoldoende gemotiveerd is betwist dat dit is opgedragen. [geïntimeerde] heeft tot op heden in totaal € 50.000,- betaald, zodat in elk geval toewijsbaar is € 9.742,70.

Het hof merkt hierbij nog het volgende op:

- gesteld noch gebleken is dat partijen met de opmerking “Uitsluitend vooraf schriftelijk overeengekomen meer- en minderwerken komen voor verrekening in aanmerking”, een bewijsovereenkomst hebben willen sluiten inhoudende dat gesteld meerwerk enkel met een geschrift kan worden bewezen;

- het hof gaat voorbij aan de opmerking van [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord dat zij zich het recht voorbehoudt om op de individuele werkzaamheden specifiek en puntsgewijs te reageren. Niet alleen heeft zij in beginsel niet een dergelijk recht in hoger beroep waar een procespartij slechts één conclusie mag nemen, maar gelet op al hetgeen reeds in eerste aanleg aan stukken is overgelegd en verder is gesteld, was zij ook in staat om bij memorie van antwoord specifiek en puntsgewijs te reageren op in elk geval deze productie A2.

8.7

Als productie A4 bij memorie van grieven heeft [appellante] overgelegd een omschrijving van de volgens haar “onbenoemde werkzaamheden (…) die zijn uitgesloten van de offerte waarbij wordt verwezen naar de uitgangspunten van de offerte (het stutwerk, zaagwerk, het plaatsen van stofschotten en het uitgraven van zand en aanbrengen van schrale beton onder de fundering” (zie nr. 39 memorie van grieven, en ook nr. 15 van die memorie), waarvoor zij € 23.312,17 heeft gefactureerd. Het hof begrijpt dat [appellante] hiermee bedoelt te zeggen dat de werkzaamheden die in productie A4 (in andere lay-out ook in eerste aanleg reeds overgelegd als productie 7 bij dagvaarding) zijn genoemd, opgedragen meerwerk betreft. Het hof wijst er hierbij ook op dat [appellante] in haar offerte wat dit betreft onder het hoofd “Uitgangspunten” heeft vermeld “excl uitgraven zand en aanbrengen schrale beton onder fundering, is niets bekend over de grondslag” alsmede “exclusief stutwerk, zaagwerk en stofschotten”, waarmee zij deze werkzaamheden, zo begrijpt het hof, niet heeft geoffreerd. In de hiervoor in r.o. 8.1 sub b weergegeven overeenkomst zijn deze werkzaamheden niet onder de tien bullets vermeld, waarbij het hof begrijpt dat de in de bullets 5 en 6 opgesomde werkzaamheden in de overeenkomst (“ontgraven fundering conform tekening constructeur” en “aanvullen van de fundering uit depot”) enkel een omschrijving vormen van de in de nrs. 17 en 18 van de offerte genoemde werkzaamheden (“Ontgraven poeren en funderingen t.b.v. nieuwbouw ter plaatse in depot zetten” en “Aanvullen funderingen en poeren met zand uit depot”).

Gelet op de grondslag van haar vordering kan [appellante] slechts betaling van deze werkzaamheden vorderen indien deze haar zijn opgedragen en indien deze door haar zijn verricht. Uit de algemene opmerking in de brief van 22 november 2011 van [geïntimeerde] inhoudende “(…) Het door u aangehaalde dat uw cliënt meerwerk heeft verricht kan en wil ik niet betwisten”, kan niet worden afgeleid dat ook deze specifieke werkzaamheden haar zijn opgedragen. Bij betwisting door [geïntimeerde] van de stelling van [appellante] dat zij thans betaling vordert van haar door [geïntimeerde] opdragen meerwerk, dient [appellante] op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv een en ander te bewijzen. [geïntimeerde] heeft een en ander voldoende betwist. Uit de stellingen van [appellante] dat zij de eindafrekening heeft gespecificeerd en toegelicht kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] de betreffende meerwerkopdrachten heeft gegeven en het met de facturering ook eens was. Aan de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] niet heeft geprotesteerd tegen de facturen kan in zoverre niet veel betekenis worden gegeven omdat het recht niet de verplichting op de ontvanger van een factuur legt om te protesteren indien de ontvanger het niet met die factuur eens is, waarbij het hof nog daarlaat dat een reden voor niet-betaling van facturen kan zijn dat de ontvanger het daar niet mee eens is. Het hof laat ook nog daar dat [geïntimeerde] bij brief van 31 januari 2012 (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg) de advocaat van [appellante] heeft laten weten de factuur niet akkoord te hebben bevonden en dat direct te hebben gecommuniceerd. Het hof weegt verder mee dat een achterliggende gedachte van de bepaling dat uitsluitend vooraf schriftelijk overeengekomen meer- en minderwerken voor verrekening in aanmerking komen, tevens zal zijn dat niet lichtvaardig tot de conclusie moet worden gekomen dat meer- of minderwerk is overeengekomen.

Gelet op de betwisting door [geïntimeerde] (zie onder meer nr. 19 conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, haar stelling tijdens de comparitie dat de opdracht zelf een paar meter fundering betrof, en maximaal een paar meter extra fundering en nr. 43 memorie van antwoord) zal het hof [appellante] in staat stellen te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat [appellante] de werkzaamheden die door haar zijn genoemd in productie A4 bij memorie van grieven als meerwerk zou verrichten en heeft verricht, dan wel dat [geïntimeerde] bij enige bespreking een en ander heeft geaccordeerd.

8.8

De vordering van [geïntimeerde] bedraagt in totaal € 110.837,99. Hiervoor is van deze vordering beoordeeld werkzaamheden voor een bedrag van € 59.742,70 en € 23.312,17, dus in totaal € 83.054,87. Blijft over € 27.783,12. Het hof begrijpt dat dit bedrag en de daarvoor verrichte werkzaamheden (door [appellante] in nr. 39 onder sub 3 genoemd “de daadwerkelijk aan het werk bestede uren en overige kosten”) zijn te destilleren uit de opsomming in bijlage A5 bij memorie van grieven (ook overgelegd als productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg). Die bijlage geeft echter in een opsplitsing van ongeveer 255 posten alle werkzaamheden weer waarvan [appellante] stelt dat zij die in opdracht van [geïntimeerde] heeft verricht. De opsomming besluit immers met het bedrag van € 110.837,99. Het is allereerst aan [appellante] om het debat wat dit betreft inzichtelijk te maken en aan de hand van deze ongeveer 255 posten te vermelden welke posten meerwerk betreffen en welke posten vallen onder de in de tien bullets van de overeenkomst verrichte werkzaamheden en binnen het bereik van de bepaling dat werkelijke hoeveelheden zullen worden gefactureerd. Zij heeft dit nagelaten, zodat haar vordering wat dat betreft onvoldoende duidelijk is onderbouwd. Een voldoende te individualiseren bewijsopdracht valt niet te geven, alleen al niet omdat het niet aan het hof is om vast te stellen welke van deze 255 posten vallen binnen het bereik van de werkzaamheden waarvan de gevorderde betaling hiervoor onder r.o. 8.6 is toegewezen, dan wel onder de werkzaamheden waarvan het hof hiervoor in r.o. 8.7 [appellante] heeft toegelaten te bewijzen dat deze zijn overeengekomen en verricht. Het antwoord op de vraag of bij deze bepaling art. 7:752 lid 2 BW van toepassing is, kan in het midden blijven. Dit betekent dat in elk geval zal worden afgewezen € 27.783,12.

8.9

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

9 De uitspraak

Het hof:

Laat [appellante] toe te bewijzen dat aan haar zijn opgedragen en dat door haar zijn verricht de volgende werkzaamheden:

26 mei 2009: Aanbrengen grondverbetering, afvoeren puinhoudende grond;

27 mei 2009: Aanbrengen grondverbetering, afvoeren puinhoudende grond, leveren stampbeton;

28 mei 2009: Aanbrengen grondverbetering, afvoeren puinhoudende grond, leveren stampbeton;

29 mei 2009: Aanbrengen grondverbetering, afvoeren puinhoudende grond, leveren stampbeton;

30 mei 2009: Vrijgraven leidingen;

15 juni 2009: Graven leidingen incl vrijkappen uit bestaande fundering;

16 juni 2009: Sleuven graven tbv leidingen;

25 juni 2009: Lev en aanbrengen stabilisatie tbv vloerverwarming;

24 juli 2009: Aanbrengen grondverbetering tbv bestrating, afvoer zeefgrond, lev k-mix tpv voorzijde oude kasfundatie;

27 juli 2009: Aanbrengen grondverbetering;

30 juli 2009: Lev en aanbrengen teelaarde;

24 augustus 2009: Verwijderen beton onder klinkers winkel;

25 augustus 2009: Verwijderen beton onder klinkers winkel;

26 augustus 2009: Verwijderen beton onder klinkers winkel;

3 september 2009: Verwijderen beton onder klinkers winkel;

7 september 2009: Aanbrengen grondverbetering voorzijde, afvoeren puinhoudende grond, leveren stampbeton;

8 september 2009: Aanbrengen grondverbetering voorzijde, leveren stampbeton;

17 september 2009: Aanbrengen stabilisatie tbv vloerverwarming;

29 september 2009: Aanbrengen k-mix;

12 oktober 2009: Afvoer zeefgrond;

14 oktober 2009: Afvoer zeefgrond, levering teelaarde (verwerking in bestek);

19 oktober 2009: Afvoer zeefgrond;

en/of dat betaling van genoemde werkzaamheden op enig moment door [geïntimeerde] is toegezegd;

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Milar als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 22 december 2015 voor opgave van het aantal getuigen (zijdens [appellante] ) en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest (zijdens beide partijen);

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.R. Sijmonsma en Th.J.A. Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2015.

griffier rolraadsheer