Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:471

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
20-001970-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:68, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietpartij kickboksgala Zijtaart. Vrijspraak voor moord resp. poging tot moord. Bewezenverklaring van doodslag, poging tot doodslag en voorhanden hebben van wapen en munitie. Hof verwerpt beroep op noodweer: geen noodzakelijke verdediging door verdachte tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van vriend van verdachte. Ook verwerping van beroep op noodweerexces en putatief noodweer(exces). Hof legt wegens ernst van de feiten hogere straf dan geëist op, te weten 20 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001970-13

Uitspraak : 11 februari 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-889138-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [een datum in het jaar] 1980,

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord en van de onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord. De rechtbank heeft verdachte ter zake van doodslag (feit 1), poging tot doodslag (feit 2) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en over de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 (impliciet subsidiair: doodslag), onder 2 (impliciet subsidiair: poging tot doodslag) en onder 3 (het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie) is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vordering zal toewijzen tot een totaalbedrag van € 55.790,20.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vordering zal toewijzen tot een totaalbedrag van € 29.356,28, met vermeerdering met de kosten voor rechtsbijstand ten bedrage van € 1.200,00.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vorderingen telkens zal toewijzen tot een bedrag van € 5.000,00 als voorschot.

Ten aanzien van alle vorderingen geldt dat de advocaat-generaal zich op het standpunt heeft gesteld dat op de toe te wijzen bedragen de schadevergoedingsmaatregel zal worden toegepast. De benadeelde partijen dienen naar het oordeel van de advocaat-generaal voor het overige in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De verdediging heeft:

  • -

    integrale vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord en de onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord bepleit;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag, de onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag en het onder 3 ten laste gelegde feit;

  • -

    aangevoerd dat ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde sprake was van (putatief) noodweer dan wel (putatief) noodweerexces, zodat verdachte ten aanzien van deze feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging het hof primair verzocht om hen daarin niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair is aangevoerd dat behandeling van de vorderingen, met uitzondering van de materiële gedeelten (exclusief gederfde inkomsten), een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de benadeelde partijen daarin niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De advocaat-generaal en de verdediging hebben zich niet uitgelaten over de in beslag genomen voorwerpen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 11 november 2012 te Zijtaart, gemeente Veghel, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) op het lichaam van die [slachtoffer 1] afgevuurd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


2.
hij op of omstreeks 11 november 2012 te Zijtaart, gemeente Veghel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


3.
hij in of omstreeks de periode van 01 november 2005 tot en met 11 november 2012 te Zijtaart, gemeente Veghel, en/of Veghel en/of Roermond en/of een of meerdere plaatsen in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een Glock, type 19., kaliber 9 mm Parabellum, en/of munitie van categorie III, te weten 15 patronen, althans een of meerdere patro(o)n(en), CCI 9 mm Luger, voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte een vooropgezet plan heeft gehad om de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Evenmin kan worden vastgesteld dat er een moment van kalm overleg of rustig beraad aan het schieten is vooraf gegaan.

Nu niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zal het hof verdachte van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1] en van de onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 2] vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 11 november 2012 te Zijtaart, gemeente Veghel, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met een vuurwapen een kogel op het lichaam van die [slachtoffer 1] afgevuurd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


2.
hij op 11 november 2012 te Zijtaart, gemeente Veghel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


3.
hij in de periode van 1 november 2005 tot en met 11 november 2012 in Nederland een wapen van categorie III, te weten een Glock, type 19., kaliber 9 mm Parabellum, en munitie van categorie III, te weten 15 patronen, CCI 9 mm Luger, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof grondt dat oordeel op onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien.

Bewijsmiddelen

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Het hof acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:1

1. Het algemeen relaas, doorgenummerde dossierpagina’s 8-15, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

(pagina 8)

Het opsporingsonderzoek richtte zich op het onderzoek naar de dader(s) van de moord c.q. doodslag dan wel poging tot moord c.q. doodslag gepleegd op 11 november 2012 omstreeks 19.45 uur. Eén en ander vond plaats in een gemeenschapshuis-sportzaal gevestigd aan de Pastoor Clercxstraat 50 te Zijtaart, gemeente Veghel. Ter plaatse werd een zogenaamd kickboksgala georganiseerd. Ter plaatse aangekomen bleek dat er een chaotische situatie was en dat er in de zaal twee gewonden lagen die kennelijk schotwonden hadden opgelopen. Er bleken bij het kickboksgala enkele honderden personen aanwezig te zijn. Later bleek dat één van de slachtoffers, genaamd [slachtoffer 1], was overleden. Het tweede slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], werd opgenomen in het ziekenhuis. Omstreeks 21.03 uur, werd er aangebeld aan de voordeur van het bureau van politie te Veghel. Nadat er werd open gedaan bleek er een vrouw te staan die verklaarde dat zij met haar broer aan het bureau was en dat haar broer zichzelf wenste aan te geven ter zake een zojuist gepleegd misdrijf in Zijtaart. Er kwam een man aanlopen die later opgaf te zijn genaamd [verdachte], geboren te [geboorteplaats].

(pagina 9)

[verdachte] werd aangehouden als verdachte van moord cq doodslag cq poging daartoe.

(pagina 11)

Verdachte [verdachte] verklaarde tijdens verhoren dat hij geschoten heeft en wees een plek aan waar hij volgens zijn zeggen het vuurwapen had weggegooid. Het vuurwapen werd in een sloot aangetroffen en in beslag genomen.

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, d.d. 31 mei 2013, doorgenummerde pagina’s 1-16, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:

(pagina 3)

Op 11 november 2012 werd ik door [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1]) gebeld. Hij vroeg of ik meeging naar het kickboksgala. Ik heb voor de zekerheid een wapen naar het kickboksgala meegenomen.

(pagina 4)

[getuige 1] liep naar [slachtoffer 1] toe. Ik ben er naartoe gelopen. Ik had een wapen in mijn hand. Vervolgens kwam er een schot uit.

(pagina 7)

Ik heb op [slachtoffer 1] gericht en heb de trekker overgehaald. Ik schat dat ik op een afstand van 3 à 4 meter stond. Hij stond met zijn rug naar mij toe. Ik had vrij baan toen ik schoot. Er stond niemand tussen mij en [slachtoffer 1] in.

Ik heb in totaal twee keer geschoten. Ik richtte op de kont, het onderlichaam van [slachtoffer 2].

3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, d.d. 1 oktober 2014, doorgenummerde pagina’s 1-14, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:

(pagina 3)

Ik was niet bekend in de sportzaal in Zijtaart. Ik was daar vóór 11 november 2012 niet eerder geweest.

(pagina 4)

Ik heb bij de eerste rechter een verklaring afgelegd over de feiten 1 en 2. U houdt mij pagina 7 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 mei 2013 voor. Ik blijf bij die verklaring.

(pagina 5)

Het wapen zat achter in mijn broek, achter mijn riem.

(pagina 8)

Ik had het wapen die dag bij mij zoals ik het zeven jaar daarvoor had gekregen. Het was gebruiksklaar. Ik heb het wapen gepakt toen de vechtpartij begon.

(pagina 9)

Ik zat toen nog op mijn stoel op het podium. Ik liep vervolgens richting de vechtende partijen, de trap af. In een fractie van een seconde had ik het wapen in de lucht. Toen het wapen weer naar beneden kwam, schoot ik. Ik schoot richting [slachtoffer 1].

Mij wordt gevraagd of ik gericht op iemand schoot. Ja, richting [slachtoffer 1].

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 737-752, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:

(pagina 739/740)

Die [getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2]), hij is eigenlijk de oorzaak van alles. [getuige 2] hij heeft mij vaker bedreigd.

(pagina 742)

Ik moest naar de wc. [getuige 2] trok aan mijn shirt en zei dat hij mij af ging maken. Ik ging terug naar de VIP ruimte. [getuige 1] vroeg wat er was. Ik zei dat ik net weer bedreigd was. [getuige 1] ging een half uur of een kwartiertje later naar de wc. Hij kwam [getuige 2] tegen. [slachtoffer 1] (het hof: [slachtoffer 1]) kwam erbij. [getuige 1] en [getuige 2] waren met elkaar aan het spreken. Ik ging er naar toe en werd gelijk door [getuige 1] weggestuurd. Ik liep terug en ben gaan zitten. De klapdeuren gingen open, [slachtoffer 1] kwam binnen. Hij zei: ”Ik maak jou en heel jouw familie af”. Twee drie minuten later kwam [getuige 1] er aan. Ik vertelde [getuige 1] wat er gebeurd was. [getuige 1] begreep er niets van. Hij had het net goedgemaakt met [getuige 2]. [getuige 1] zei dat hij even met [slachtoffer 1] zou gaan praten. [getuige 1] en volgens mij [getuige 3] ook, zij gingen naar [slachtoffer 1] toe. Ik zag dat [slachtoffer 1] gebaren maakte dat [getuige 1] moest gaan zitten. [getuige 1] deed dat niet. Ik zag dat [slachtoffer 1] opstond. Hij sloeg [getuige 1].

(pagina 743)

[getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1]) kwam mij (het hof begrijpt: op 11 november 2012) met de auto ophalen. Ik besloot een wapen voor de zekerheid mee te nemen. Ik had er een goed gevoel bij met dat wapen. Wij haalden [getuige 3] (het hof begrijpt:[getuige 3]) op en met zijn drieën gingen wij naar het gala.

V: Hoe draag jij dat wapen bij?

A: Ik had dat wapen in mijn broeksriem, aan de achterkant.

(pagina 750)

V: Wat heb jij voor ervaring met vuurwapens?

A: Ik wist dat het een pistool was. Ik wist dat als ik de trekker over zou halen, dat ik zou schieten. Die vriend van mij, van wie ik het wapen kreeg, had ook tegen mij gezegd dat het wapen zo klaar was. Die vriend die mij dat wapen zeven jaar geleden gaf, zei tegen mij dat het wapen zo goed was.

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 753-760, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:

(pagina 753)

V = vraag verbalisanten

A = antwoord verdachte

(pagina 756)

A: Toen gebeurde het. Ik had het wapen eruit gehaald richting hun. Die grote (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) stond met zijn rug naar mij toe. Ik schoot hem in zijn rug. Ik schoot hem in de richting van zijn rug. Ik kan wel zeggen…hij is groot. Ik kon hem niet missen. Ik heb 1 schot richting [slachtoffer 2] gegeven. Ik heb twee keer geschoten: 1 keer richting [slachtoffer 1] en 1 keer richting [slachtoffer 2].

V: Wij willen het met jou over het vuurwapen hebben. Jij hebt verklaard dit te hebben gekregen van een Iraniër. Wanneer is dit geweest?

A: Zeven jaar geleden, denk ik. Ik nam het wapen van hem over. Ik heb er 800 euro voor betaald. Er zaten kogels in. Hij zei dat het wapen helemaal klaar was.

6. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 636-640, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant 3]:

(pagina 636)

Op 11 november 2012 ben ik naar het kickboksgala te Zijtaart gegaan. Ik was die avond niet in dienst en was in burger gekleed.

(pagina 638)

Ik zag dat personen in het VIP-gedeelte slaags met elkaar raakten.

Ik zag dat de man ter hoogte van de DJ stil ging staan. Ik zag dat deze man een zwaaiende beweging maakte met zijn rechterarm en dat hij hierbij iets in zijn rechterhand had. Ik zag dat hij deze rechterarm tot boven zijn hoofd bewoog. Op dat moment zag ik dat deze man een vuurwapen in zijn rechterhand had.

Ik zag dat de man met zijn lichaam in de richting van de vechtende groep draaide. Ik zag dat hij hierbij beide handen aan het wapen bracht en deze voor zijn lichaam strekte en een schiethouding aannam.

Ik had het idee dat deze man zijn vuurwapen op iemand richtte. Dit doordat het zeker 5 seconden duurde voordat het wapen afging en hij het wapen leek mee te bewegen met een persoon uit de vechtende groep. Ik kon niet goed zien of hij specifiek op iemand richtte, maar uit zijn houding en gebaren maakte ik dit wel op. Ik zag dat hij vanuit zijn armen kleine bewegingen maakte, alsof hij met zijn vuurwapen iemand volgde. Ik zag dat de man wachtte met schieten totdat de vechtende groep enigszins uit elkaar liep. Direct hierop zag ik een flits uit het vuurwapen komen, hetgeen ik herken als mondingsvuur. Daarbij hoorde ik een harde knal.

(pagina 639)

Ik wilde daar weg. Ik rende richting de als entree aangeduide ruimte. Ik ben toen door deze deuren naar buiten gerend. Net voordat ik door deze deuren naar buiten ging hoorde ik een tweede schot afgaan.

7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 513-522, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

(pagina 514)

Ik ben met mijn broertje [benadeelde 2] naar het kickboksgala in Zijtaart gegaan.

Op een gegeven moment komen [getuige 1] en zijn broer [getuige 3] naar ons

toegelopen. Ze kwamen rechtstreeks naar mijn broer [slachtoffer 1]. Opeens hoor ik een knal. Toen wist ik dat er geschoten werd. Ik zie mijn broer neervallen. Ik sta ongeveer 2 meter naast mijn broer en [getuige 1]. Ik zie dus mijn broer vallen. Ik weet al niet meer precies hoe, maar opeens

zie ik dat er een pistool op mij werd gericht. Dit werd gedaan door [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Ik zie dat hij met twee handen een geweer (het hof begrijpt: pistool) vast heeft en dit op mij richt. Ik probeer weg te komen, maar ik hoor een knal en ik ben gewond neergevallen.

(pagina 518)

Mijn broer had VIP kaartjes voor ons gekocht. Als VIP kon je bij twee zijkanten komen. Dat was bij een verhoging en beneden. Daar (het hof begrijpt: beneden) was ook het eten. Ik heb op het kickboksgala vrienden van mijn broer ontmoet. Die zaten aan de tafels beneden. De gebroeders [getuige 1 en getuige 3] waren ook in de zaal aanwezig. Ze heten [getuige 3] en [getuige 1]. Zij zaten op de verhoging van het VIP gedeelte. Bij [getuige 3] en [getuige 1] zaten nog drie andere mannen of meer. Ik kende alleen [verdachte]. Toen ik voor het eerst de zaal in kwam zal [getuige 3] op de verhoging van het VIP gedeelte. Ik ben de tafel van [getuige 3] voorbij gelopen en ben toen naar beneden gelopen naar de tafels waar mijn broer zat.

(pagina 520)

Mijn broer (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) en ik zitten aan een tafel in het VIP gedeelte waar het eten staat. Ik zag dat [getuige 1] en [getuige 3] naar mijn broer liepen en voor hem gingen staan. Ze kwamen vanaf de verhoging. Ik zag ze van de trap naar beneden lopen.

(pagina 521)

[getuige 1] liep voorop.

(pagina 522)

Ik zag [verdachte] met gestrekte armen een pistool vasthouden. Het pistool was op mij gericht. [verdachte] stond precies voor mij.

V: Hoe ver waren jullie van elkaar verwijderd?

A: Ongeveer 4 meter.

V: Wie bevonden zich tussen jullie beiden?

A: Niemand anders.

V: Jij zag dat [verdachte] het pistool op jou had gericht, wat deed je toen?

A: Toen ik mij wilde omdraaien en weg wilde lopen voelde ik dat ik geraakt werd in mijn rug. Ik viel op de grond. Ik wilde opstaan, maar dat ging niet.

V: Wat kun je vertellen over de houding van [verdachte] toen hij het pistool op jou had gericht?

A: Hij was heel rustig, hij was niet in paniek.

8. Een geneeskundige verklaring, doorgenummerde dossierpagina 772, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Medische informatie betreffende:

Naam: [slachtoffer 2]

Voornamen: [slachtoffer 2]

Geboren te: [geboorteplaats]

Geboren op: [geboortedatum]

1) Omschrijving van het letsel.

A. Uitwendig waargenomen letsel:

Schotverwonding linker flank; bekken fractuur en weke delen letsel

D. Datum, waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 11-11-12

F. Geschatte duur van genezing: 3 mnd

Maatschap Chirurgie

Ziekenhuis Bernhoven

Locatie Veghel

9. Het rapport d.d. 30 januari 2013 van het Nederlands Forensisch Instituut, Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, pagina’s 235-250, welk deel uitmaakt van het Proces-verbaal van Technisch onderzoek van de Regiopolitie Brabant-Noord, Divisie Informatie en Opsporing, Forensisch Technische Opsporing, proces-verbaalnummer: 2012118572, op 26 maart 2013 in de wettige vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4], inspecteur van politie, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van de NFI deskundige P.M.I. Van Driessche, arts en patholoog:

1. Overledene

Naam: [slachtoffer 1]

Geboortedatum: [geboortedatum]

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

De overledene is overleden in het Catharina Ziekenhuis, Eindhoven, op 11 november 2012.

3. Vraagstelling

In opdracht van de rechter-commissaris in ’s-Hertogenbosch werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

5. Resultaten

Linksachter aan de linkerschouder was een rondovaal huiddefect van circa 1,2 x 0,5 cm met deels een omgevende rand van oppervlakkige huidbeschadiging en met omgevend bloeduitstorting. Het betreft een inschotletsel.

6. Interpretatie van resultaten

De letsels sub 6, 9 en 11 zijn bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geeld, zijnde schotletsels. Er was een inschotletsel aan de linkerschouder, met aansluitend een schotkanaal doorheen de borstkas, uitschot aan de rechteroksel en meteen weer inschot aan de rechteroksel en een projectieldeel in de spieren van de rechterbovenarm.

De schade aan inwendige organen (met name beide longen), de schade aan de lichaamsslagader, de opgetreden klaplong beiderzijds, belemmering van de ademhaling door inademing van bloed en het forse bloedverlies kunnen tezamen het overlijden zondermeer verklaren.

7. Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], wordt het intreden van de dood zondermeer verklaard door schade aan inwendige organen (met name beide longen en de lichaamsslagader), de opgetreden klaplong beiderzijds, belemmering van de ademhaling door inademing van bloed en fors bloedverlies, alle ten gevolge van schotletsel aan de romp.

10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 801-806, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

(pagina 802)

Ik ben bereid een verklaring af te leggen over het kickboksgala op 11 november 2012 te Zijtaart. Mijn roepnaam is [getuige 4].

(pagina 803)

Ik had met [slachtoffer 1] afgesproken dat ik rond twee of drie uur in Zijtaart zou zijn, maar ik ben daar pas later naar toegegaan. Ik denk dat ik, ongeveer tien minuten voordat de vechtpartij begon, ben aangekomen.

(pagina 804)

Ik zat naast [slachtoffer 1] aan de tafel in het lage VIP-gedeelte. Ik zag vanaf het verhoogde VIP-gedeelte twee mannen aan komen lopen. Ik zat op mijn stoel en zag dat die twee mannen op [slachtoffer 1] afliepen. De man met het baardje sprak [slachtoffer 1] aan. Hij zei zoiets van: “Je moet mee naar buiten komen”. [slachtoffer 1] reageerde met “Waarom moet ik naar buiten”.

11. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 481-488, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

(pagina 484)

Gisteren, zondag 11 november 2012, was er een kickboksgala in Zijtaart.

(pagina 485)

Ik was daar naartoe gegaan met mijn broer[getuige 3] en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte).

(pagina 486)

Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij zojuist door [slachtoffer 1] (hof: [slachtoffer 1]) was bedreigd. Ik kon dit niet geloven omdat we er net bij de trap over hadden gesproken. Ik ben toen rechtstreeks naar de tafel waar [slachtoffer 1] aan zat gelopen in het VIP gedeelte. Ik zei tegen [slachtoffer 1] dat ik met hem wilde praten. Ik hoorde hem op commanderende toon zeggen dat ik maar moest gaan zitten als ik wilde praten. Ik hoorde hem vervolgens zeggen dat hij helemaal niets met mij te bepraten had. Ik zag vervolgens dat hij op stond. Hij sloeg mij of probeerde mijn hoofd te pakken.

Ten aanzien van feit 3

Het hof zal, nu verdachte het onder 3 bewezen verklaarde feit heeft bekend, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:2

- het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, d.d. 1 oktober 2014, doorgenummerde pagina’s 1-14, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte op doorgenummerde pagina 4;

  • -

    het proces-verbaal van Regionaal Bureau Wapen en Munitie, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5], inspecteur van politie, doorgenummerde dossierpagina’s 196-199;

  • -

    het proces-verbaal Sporenonderzoek plaats-delict kickboksgala, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 6], brigadier van politie, [verbalisant 7], hoofdagent van politie, [verbalisant 8], brigadier van politie, [verbalisant 9], brigadier van politie, en [verbalisant 10], brigadier van politie, doorgenummerde dossierpagina’s 32-41;

  • -

    het coördinatie proces-verbaal technisch onderzoek, in te wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4], inspecteur van politie, ongenummerde dossierpagina’s, onder 7.1 (omschrijving en strafbaarstelling vuurwapen en munitie).

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bekend dat hij op 11 november 2012 zijn vuurwapen op [slachtoffer 1] heeft gericht en vervolgens heeft geschoten. Verdachte heeft tevens bekend dat hij vervolgens zijn vuurwapen op [slachtoffer 2] heeft gericht en ook op hem heeft geschoten. Daarbij geldt telkens dat hij op een korte afstand van de slachtoffers vandaan stond toen hij een kogel op hen afvuurde. Deze handelwijze, waarbij op korte afstand in de richting van vitale delen van het lichaam van personen is geschoten, brengt het hof tot het oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd en dat hij heeft getracht om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven.

Het hof acht de onder 1 ten laste gelegde doodslag en de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ook het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie in de onder 3 ten laste gelegde periode acht het hof, gelet op hierboven opgesomde bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Standpunten van de verdediging t.a.v. feiten 1 en 2

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat verdachte een gerechtvaardigd beroep op (putatief) noodweer dan wel (putatief) noodweerexces toekomt.

Daartoe is – kort gezegd en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens [getuige 1] en[getuige 3]. In elk geval verkeerde verdachte gerechtvaardigd in de veronderstelling dat zijn twee vrienden bijna dood werden geslagen en geschopt. Aldus vond verdachte dat het schieten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de gegeven situatie en omstandigheden geboden was ter noodzakelijke verdediging van zijn vrienden [getuige 1] en[getuige 3] en impliciet ter bescherming van zichzelf. Er was sprake van een (putatieve) noodweersituatie. In een dergelijke situatie kon niet van verdachte worden gevergd dat hij zich aan de situatie zou onttrekken. Verder was het gebruik van het wapen niet disproportioneel, aldus de verdediging.

Voor zover het hof van oordeel is dat het handelen van verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, heeft de verdediging aangevoerd dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een eerdere aanranding van de groep van [slachtoffer 1] ten opzichte van [getuige 1] en[getuige 3]. Daarbij speelt ook een rol een bedreiging die is geuit aan het adres van verdachte, hetgeen de hevige gemoedsbeweging heeft versterkt. Verdachte was bang en in paniek. Hierbij heeft de verdediging verwezen naar de inhoud van de rapportage van psychiater [deskundige].

Gelet hierop, heeft de verdediging het hof verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Overwegingen hof

Voor de beoordeling van het door de verdediging gevoerde verweer gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 11 november 2012 heeft in Zijtaart een kickboksgala plaatsgevonden. Verdachte is hier samen met de [getuige 1] en[getuige 3] naartoe gegaan. Verdachte heeft een geladen vuurwapen meegenomen en droeg dat in zijn broeksriem, aan de achterkant.

In de zaal waar het kickboksgala werd gehouden, was een hoger gelegen VIP-podium en een laag VIP-gedeelte. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten met vrienden aan tafels in het lage VIP-gedeelte. Verdachte en de broers [getuige 1 en getuige 3] zaten op het VIP-podium. Via een trap kon men vanaf het VIP-podium het lage VIP-gedeelte bereiken.

Verdachte is op het kickboksgala door [getuige 2], een andere aanwezige, bedreigd (dossierpagina 744 e.v.). [getuige 1] heeft hierover met [getuige 2] gesproken (dossierpagina 485 e.v.). Bij dat gesprek was ook [slachtoffer 1] aanwezig. Afgesproken is dat verdachte met rust gelaten zou worden. Toen [getuige 1] even later van verdachte vernam dat hij zojuist, na de hiervoor bedoelde bedreiging, door [slachtoffer 1] was bedreigd, is [getuige 1] naar [slachtoffer 1] gegaan om (opnieuw) te gaan praten.

[getuige 1] is vanaf het hoge VIP-gedeelte naar [slachtoffer 1] gelopen, die zich op dat moment aan een tafel in het lage VIP-gedeelte bevond (dossierpagina 486 e.v.).[getuige 3] is achter zijn broer aangelopen. [getuige 1] heeft tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij met hem wilde praten. [slachtoffer 1] heeft [getuige 1] daarop verzocht te gaan zitten. Nadat [getuige 1] dit aanbod afsloeg is [slachtoffer 1] opgestaan. [slachtoffer 1] heeft [getuige 1] geslagen. Daarna is er gevochten in het lage VIP-gedeelte.

Verdachte is opgestaan en heeft zich van het podium naar het lage VIP-gedeelte begeven. Aldaar heeft verdachte zijn wapen op [slachtoffer 1] gericht en heeft hem neergeschoten. Vervolgens heeft verdachte zijn vuurwapen op [slachtoffer 2] gericht en heeft hij, verdachte, ook op hem geschoten. [slachtoffer 1] is in zijn romp geraakt en is ten gevolge van het toegebrachte schotletsel overleden. [slachtoffer 2] is in zijn zij geraakt en heeft het schietincident wel overleefd.

Noodweer

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daaronder is onder omstandigheden mede begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

De vraag waarvoor het hof zich ziet gesteld is of verdachte, toen hij in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met een vuurwapen schoot, heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

Met de rechtbank en de verdediging, is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat op enig moment een vechtpartij is ontstaan. Echter, anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat [getuige 1] en [slachtoffer 1] verwikkeld waren in een één-op-één gevecht. Weliswaar waren om hen heen andere mensen met elkaar aan het vechten, maar het hof acht niet aannemelijk geworden dat meerdere mensen tegelijk tegen [getuige 1] aan het vechten waren. Zo volgt uit de verklaring van de getuige [getuige 4] (dossierpagina 804) dat hij een tweede persoon (het hof begrijpt:[getuige 3]) aan diens lichaam heeft vastgehouden om te voorkomen dat deze zich met het gevecht tussen [getuige 1] en [slachtoffer 1] zou bemoeien. De getuige trok deze persoon weg van dat gevecht. Het hof overweegt voorts dat uit de verklaring van de getuige [getuige 5] (dossierpagina 268) volgt dat [getuige 1] zich onderop in de vechtpartij met [slachtoffer 1] bevond en [slachtoffer 1] bovenop hem zat. Uit de verklaring van de getuige [getuige 6] (dossierpagina 285) volgt dat [slachtoffer 1] op iemand aan het inbeuken was. [slachtoffer 2] heeft hierover verklaard dat hij heeft gezien dat [getuige 1] en zijn broer [slachtoffer 1] aan het vechten waren (dossierpagina’s 521 en 526). Daarna hoorde hij twee knallen (dossierpagina 521). De getuige [getuige 7] heeft verklaard dat [getuige 1] (het hof begrijpt telkens: [getuige 1]) aan het stoeien was met [slachtoffer 1], dat [getuige 1] op de grond was gevallen en dat [slachtoffer 1] boven op [getuige 1] lag. Hij zag toen dat verdachte op [slachtoffer 1] schoot (dossierpagina 538). De getuige [getuige 8] ten slotte, die ook in het lage VIP-gedeelte zat, heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [getuige 1] en [slachtoffer 1] samen aan het vechten waren (dossierpagina 333).

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [getuige 1] door [slachtoffer 1]. Er was derhalve een noodweersituatie.

De vraag die volgt is of de verdediging door verdachte tegen deze wederrechtelijke aanranding van [getuige 1] noodzakelijk is geweest.

Het hof leidt met betrekking tot de vechtpartij als zodanig uit de verklaring van de getuige [getuige 9] (dossierpagina 303) af dat [getuige 1] meer klappen van [slachtoffer 1] kreeg dan dat hij er zelf uitdeelde. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat volgens haar de onderste persoon op zijn buik lag en dat zij zag dat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) deze persoon (het hof begrijpt: [getuige 1]) meermalen met een vuist met kracht tegen diens achterhoofd stompte.

Dat [getuige 1] tijdens het gevecht met [slachtoffer 1] aldus onderop lag, neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat [getuige 1] een professioneel kickbokser was (dossierpagina 483) en dat hij, zoals hij zelf ook heeft verklaard (dossierpagina 486), wist hoe hij klappen moest incasseren. Hij deed dit door zijn armen voor zijn gezicht te houden en zichzelf zo klein mogelijk te maken. Op die manier was hij zichzelf aan het verdedigen tegen de aanranding door [slachtoffer 1]. Er is het hof niet gebleken dat [getuige 1] daarbij om hulp heeft geroepen. Volgens verdachte was [getuige 1] tweevoudig wereldkampioen (hof: kickboksen) (dossierpagina’s 741 en 742). Het hof leidt daaruit af dat verdachte wist dat [getuige 1] vecht- en verdedigingstechnieken beheerste en derhalve zichzelf wist en kon verdedigen.

Het hof overweegt voorts dat verdachte zich, blijkens diens eigen verklaring, heeft gefocust op het gevecht tussen [getuige 1] en [slachtoffer 1], waarbij verdachte moet hebben waargenomen dat dit een gevecht met blote handen betrof. Verdachte is naar dit gevecht toegelopen en heeft vervolgens bewust met een vuurwapen op [slachtoffer 1] geschoten. Toen [slachtoffer 2] zijn broer [slachtoffer 1] te hulp wilde schieten (dossierpagina 521), heeft verdachte ook [slachtoffer 2] neergeschoten.

Gelet op het hiervoor overwogene, is het hof van oordeel dat – hoewel [getuige 1] zich in een noodweersituatie bevond – daartegen geen noodzakelijke verdediging door verdachte was geboden. Niet elke aanranding noopt tot verdediging. In dit geval was [getuige 1], zijnde een professioneel kickbokser, zichzelf reeds aan het verdedigen, terwijl [getuige 1] wist hoe dat moest. Ook verdachte wist dat [getuige 1] een goede vechter was, namelijk wereldkampioen kickboksen. Weliswaar kreeg [getuige 1] behoorlijk klappen, maar dat betekent niet dat verdachte op dat moment [getuige 1] moest verdedigen of te hulp moest schieten. [getuige 1] was verwikkeld in een één-op-één gevecht, met blote handen. Hij riep niet om hulp. Het ingrijpen van verdachte acht het hof niet noodzakelijk, waarbij het hof nog in ogenschouw neemt dat [getuige 1] relatief geringe fysieke klachten heeft overgehouden aan de vechtpartij (mogelijk kneuzingen en een hersenschudding, volgens zijn eigen verklaring, dossierpagina 482).

Bij dat oordeel betrekt het hof tevens in het Huis van Bewaring opgenomen vertrouwelijke gesprekken. Uit het opgenomen gesprek van verdachte met zijn vriendin [getuige 10] in het Huis van Bewaring op 25 december 2012 volgt dat hij tegen haar heeft gezegd (dossierpagina 899):

“Ik heb (…) klaar snap je, ik deed wat terug omdat die al die tijd voor mij gedaan heb.”

Uit dit gesprek valt naar het oordeel van het hof eveneens af te leiden dat geen sprake was van een noodzakelijke verdediging maar veeleer van een weloverwogen keuze van verdachte om te schieten. Sterker nog, de uitlating van verdachte past meer bij een daad van agressie tegen de broers [slachtoffer 1 en slachtoffer 2], een aanvalsactie.

De conclusie van het voorgaande is dat verdediging door verdachte tegen de wederrechtelijke aanranding van [getuige 1] niet noodzakelijk is geweest.

Het hof is, met de rechtbank, tevens van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van[getuige 3] en/of jegens verdachte zelf, waartegen verdachte zichzelf en[getuige 3] mocht verdedigen. In zoverre was er geen noodweersituatie.

Het hof verwerpt het beroep op noodweer in al zijn onderdelen.

Noodweerexces

Het hof heeft hierboven vastgesteld dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens [getuige 1] door [slachtoffer 1]. Het hof heeft echter geoordeeld dat het beroep op noodweer niet kon slagen, aangezien geen sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging door verdachte. Op grond daarvan en met inachtneming van het bepaalde in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan het beroep op noodweerexces eveneens niet slagen

Het verweer wordt verworpen.

Putatief noodweer en putatief noodweerexces

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging nog aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit putatief noodweer dan wel uit putatief noodweerexces.

Onder putatief noodweer wordt verstaan het geval dat men abusievelijk in de veronderstelling leeft zichzelf of een ander te moeten verdedigen dan wel zichzelf of een ander te mogen verdedigen: het dreigend gevaar is ingebeeld of er bestaat een onjuiste opvatting over de uitleg van de noodweerregeling. Ook bij een beroep op putatief noodweer of putatief noodweerexces dient het onderzoek van de rechter te lopen langs de door de Hoge Raad bij noodweer en noodweerexces vastgestelde lijnen.

Gelet op de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor onder het kopje “Noodweer” uiteengezet, komt in het geheel niet naar voren dat verdachte abusievelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij zichzelf en/of[getuige 3] moest of mocht verdedigen.

Uit die feiten en omstandigheden blijkt evenmin dat verdachte abusievelijk dacht dat hij [getuige 1] moest of mocht verdedigen. Ook op basis van de uitlating van verdachte tijdens het hierboven aangehaalde opgenomen vertrouwelijke gesprek d.d. 25 december 2012 kan die conclusie niet worden getrokken. Die uitlating past namelijk naar het oordeel van hof meer bij een daad van agressie tegen de broers [slachtoffer 1 en slachtoffer 2], een aanvalsactie, geen verdedigingsactie.

Psychiatrisch onderzoeksrapport van deskundige [deskundige]

Door de verdediging is in dit verband nog gewezen op de inhoud van het door psychiater [deskundige] opgemaakte rapport van 17 september 2014.

Het hof stelt op grond van de in het genoemde rapport opgenomen opsomming van “Gelezen stukken” en de door [deskundige] als deskundige afgelegde verklaring (ter terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2015) vast dat sprake is van een beperkt onderzoek door de deskundige. [deskundige] heeft kennis genomen van een zeer beperkt deel van het politiedossier, hij heeft geen helderheid kunnen verschaffen over de onderzoeksvraag, hij heeft alleen met verdachte gesproken en geen referenten geraadpleegd, en de door hem in het rapport gebruikte term ‘noodweer’ (op pagina 5) is door hem niet in juridische zin gebruikt.

Gelet hierop, acht het hof deze rapportage een te smalle basis voor de stelling van de verdediging dat verdachte abusievelijk in de veronderstelling leefde zichzelf of een ander te moeten of mogen verdedigen. Het hof gaat derhalve aan het rapport van de deskundige voorbij.

Naar het oordeel van het hof kan een beroep op putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces dan ook niet slagen. Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Psychologisch en psychiatrisch onderzoek door het Pieter Baan Centrum

In het dossier bevindt zich tevens een onderzoeksrapport van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 23 april 2013. Uit het – naar het oordeel van het hof: uitgebreide en gedegen – onderzoek van het PBC, aan welk onderzoek verdachte zijn medewerking heeft verleend, is gebleken dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis noch van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Ook komen er uit het PBC-onderzoek geen argumenten naar voren om te veronderstellen dat daarvan ten tijde van het bewezen verklaarde wel sprake zou zijn geweest. De deskundigen adviseren derhalve om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Het hof neemt het advies van het PBC met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de feiten dan ook over en acht verdachte volledig toerekenbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte is op 11 november 2012 met een geladen vuurwapen naar het kickboksgala in Zijtaart gegaan. Op enig moment ontstond er een vechtpartij. Verdachte heeft toen zijn vuurwapen gepakt en heeft in een volle zaal mensen, gericht op de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geschoten.

[slachtoffer 1] is ten gevolge van het aan hem toegebrachte letsel op 37-jarige leeftijd overleden. Verdachte heeft hem daarmee beroofd van het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. [slachtoffer 2], die in zijn zij is geschoten en toentertijd 31 jaar was, heeft het incident wel overleefd, maar is geconfronteerd met letsel en heeft moeten toezien hoe zijn broer het leven liet.

Het behoeft geen betoog dat verdachte de nabestaanden van [slachtoffer 1], waaronder zijn echtgenote en drie jonge kinderen (toentertijd elf en zeven jaren oud), zijn ouders en broers, immens verdriet heeft aangedaan. In het bijzonder de kinderen zullen zonder hun vader verder moeten opgroeien.

Daarbij heeft het gebeuren, een doodslag en een poging tot doodslag, zeer veel beroering en gevoelens van onveiligheid teweeggebracht bij de aanwezigen (sportliefhebbers) op het gala en in de lokale gemeenschap. Onder de aanwezigen bevonden zich ook kinderen, vooral omdat er die dag ook kinderwedstrijden waren. Zij zijn getuige van de schietpartij geweest. Verdachte wist tevoren ook dat er kinderen op het gala zouden zijn. Dit blijkt uit het opgenomen vertrouwelijk gesprek als vermeld op dossierpagina 871, waarin verdachte spreekt over een wedstrijd die een jongetje van ongeveer tien jaar moest draaien. Verdachte heeft desondanks een geladen vuurwapen, dat voor direct gebruik gereed was, achter zijn broeksriem meegenomen naar het gala.

Hij heeft de belangen van anderen om veilig een sportevenement te kunnen bezoeken geheel ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen belangen.

Verder heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie, 12 november 2014, waaruit volgt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten aan verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof vindt dat zowel de door de rechtbank opgelegde strafduur (16 jaar) als de door de advocaat-generaal gevorderde duur van de gevangenisstraf (18 jaar) onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is gepleegd. Het hof zal verdachte in hoger beroep veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten het vuurwapen met goednummer 504228, met behulp waarvan het onder 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Het hof zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen paspoort (AAAP4373NL) aan de rechthebbende, te weten de Nederlandse Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 100.126,80 en vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand conform het liquidatietarief.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 13.169,80, met vermeerdering met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de rechtbank verdachte veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand van de benadeelde partij, welke zijn begroot op € 1.400,00. De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen (te weten, de doodslag op haar echtgenoot [slachtoffer 1]) rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 13.169,80. Deze schadevergoeding ziet op de begrafeniskosten, bestaande uit € 6.069,80 voor de kosten van de uitvaart, een bedrag van € 4.000,00 voor de kosten van de koffietafel, een bedrag van € 2.950,00 voor de kosten van het gedenkmonument en € 150,00 aan notariskosten. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor gederfd levensonderhoud (van de benadeelde partij en haar drie kinderen) is het hof van oordeel dat dit deel van de vordering zich niet leent voor de strafprocedure, nu dit nader onderzoek (van o.a. de ingediende jaarstukken van het bedrijf van de overledene) vergt en een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Het hof zal de benadeelde partij derhalve in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof zal verdachte veroordelen in de kosten voor rechtsbijstand van de benadeelde partij. Het hof zal dit deel van de ingediende vordering welwillend lezen en tevens een bedrag begroten voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Overeenkomstig het liquidatietarief begroot het hof de kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg, gelijk de rechtbank, op een bedrag van € 1.400,00 (2 punten à € 700,00) en de kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep op € 5.264,00 (2 punten à € 2.632,00). Dit komt neer op een totaalbedrag van € 6.664,00.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 64.068,62. Hieronder is ook vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand begrepen.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een totaalbedrag van € 12.051,57, met vermeerdering met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank verdachte veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand van de benadeelde partij, welke zijn begroot op € 1.200,00. De rechtbank heeft het hoger gevorderde bedrag aan rechtsbijstandskosten afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen (te weten, de poging tot doodslag op de benadeelde partij) rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 12.051,57. Dit bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 7.500,00 ter zake van smartengeld en uit materiële schadevergoeding ten bedrage van € 4.551,57 ter zake van gederfde inkomsten uit arbeid.

Met de rechtbank begroot het hof de immateriële schade op een bedrag van € 7.500,00 en acht de toewijzing daarvan redelijk en billijk. Dit bedrag wordt toegewezen in verband met het feit dat de benadeelde partij zelf door verdachte is neergeschoten. Voor zover de vordering van de benadeelde partij voornoemd bedrag aan immateriële schadevergoeding te boven gaat en/of voor zover de gevorderde schadevergoeding ziet op shockschade in verband met het overlijden van zijn broer [slachtoffer 1] (het onder feit 1 bewezen verklaarde), zal het hof de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaren. Op grond van de bij de vordering gevoegde stukken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, kan het hof niet vaststellen dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen, hetgeen voor toewijzing van een vordering wegens shockschade één van de vereisten is.

Het hof heeft de materiële schadevergoeding wegens gederfde inkomsten als volgt begroot. Uit de bij de vordering gevoegde brief van de chirurg Booster d.d. 5 december 2012 volgt dat de benadeelde partij in goede toestand uit het ziekenhuis is ontslagen. Uit de bij de vordering gevoegde brief van de huisarts d.d. 26 april 2013 volgt dat hij rugklachten had en hiervoor door de huisarts naar een fysiotherapeut is verwezen. Uit de bij de vordering gevoegde brief van de fysiotherapeut d.d. 25 april 2013 volgt dat de benadeelde partij in januari en februari 2013 (voor het laatst op 4 februari 2013) voor zijn rugklachten bij de fysiotherapeut is geweest. De benadeelde partij is vervolgens naar Marokko gegaan en heeft geen contact meer met de fysiotherapeut opgenomen.

Gelet hierop, stelt het hof vast dat de benadeelde partij ten gevolge van het schietincident op 11 november 2012 in ieder geval drie maanden voor zijn klachten is behandeld. Hij heeft in ieder geval drie maanden na het schietincident niet kunnen werken. Uit de vordering volgt dat de benadeelde partij € 1.517,19 per maand aan inkomsten heeft gederfd. Het hof stelt de schade wegens gederfde inkomsten dan ook vast op drie maandinkomens, derhalve in totaal op een bedrag van € 4.551,57.

Het hof is van oordeel dat de gevorderde schadevergoeding wegens gederfde inkomsten voor zover dit voornoemd bedrag te boven gaat, onvoldoende is onderbouwd. Het hof zal de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaren.

Verdachte is tot vergoeding van voornoemde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag (€ 12.051,57) toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof zal verdachte voorts veroordelen in de kosten voor rechtsbijstand van de benadeelde partij. Het hof zal dit deel van de ingediende vordering welwillend lezen en tevens een bedrag begroten voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Voor de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg is een bedrag van € 4.259,20 gevorderd. Dit bedrag is door de verdediging niet betwist. Het hof acht dit bedrag dan ook toewijsbaar. Overeenkomstig het liquidatietarief begroot het hof de kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep op € 3.262,00 (2 punten à € 1.631,00). Dit komt neer op een totaalbedrag van € 7.521,20.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.000,00 aan shockschade (smartengeld). De benadeelde partij is in deze vordering bij vonnis waarvan beroep

niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief. De rechtbank heeft te dien aanzien bepaald dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Om tot toekenning van een schadevergoeding wegens shockschade te komen, dient onder meer te worden vastgesteld dat sprake is van psychisch letsel. De benadeelde partij heeft zich voor het eerst rond 23 mei 2013 bij een psycholoog gemeld. De psycholoog kon over het te verwachten beloop en de prognose geen uitspraken doen. In hoger beroep zijn hieromtrent geen nadere stukken ingediend. Hoewel er in het onderhavige geval aanwijzingen zijn die er op duiden dat sprake is van een psychisch toestandsbeeld, zijn deze aanwijzingen te summier. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Evenals de rechtbank, zal het hof de kosten voor rechtsbijstand van de partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 25.460,20 (bestaande uit smartengeld, shockschade, medische informatieverstrekking en begrafeniskosten). De benadeelde partij is in deze vordering bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief. De rechtbank heeft te dien aanzien bepaald dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Om tot toekenning van een schadevergoeding wegens shockschade te komen, dient onder meer te worden vastgesteld dat sprake is van psychisch letsel. Het hof is, gelet op de bij de vordering gevoegde stukken, van oordeel dat de gestelde immateriële schade van de benadeelde partij in een te ver verwijderd verband staan van het bewezen verklaarde om voor toewijzing in aanmerking te komen. De in hoger beroep ingediende aanvullende medische informatie leidt niet tot een ander oordeel. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen voor zover dit betreft de posten smartengeld en shockschade en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Datzelfde geldt voor de materiële kosten voor het opvragen van de medische informatie, nu deze samenhangen met de hiervoor bedoelde immateriële posten.

Het hof wijst de vordering voor zover dit de gevorderde begrafeniskosten ten bedrage van

€ 1.449,20 betreft af. Deze kosten zien op het laten overkomen van familieleden vanuit Marokko naar Nederland om de begrafenis van [slachtoffer 1] te kunnen bijwonen. Deze kosten dienen juridisch gezien door de betreffende familieleden zelf te worden gedragen. Dat de benadeelde partij deze kosten voor zijn rekening heeft genomen doet hieraan niet af. Deze kostenpost komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking en wordt afgewezen.

Evenals de rechtbank, zal het hof de kosten voor rechtsbijstand van de partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet primair (moord) en het onder 2 impliciet primair (poging tot moord) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag), 2 impliciet subsidiair (poging tot doodslag) en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Wapen, kleur: zwart, Glock 19, goednr: 504228, inclusief 1 houder en 9 patronen merk cci kal 9 x 19 mm.

Gelast de teruggave aan de Nederlandse Staat van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Paspoort Nederland, AAAP4373NL van [naam].

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 13.169,80 (dertienduizend honderdnegenenzestig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 6.664,00 (zesduizend zeshonderdvierenzestig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van € 13.169,80 (dertienduizend honderdnegenenzestig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.051,57 (twaalfduizend eenenvijftig euro en zevenenvijftig cent) bestaande uit € 4.551,57 (vierduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zevenenvijftig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormelde toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 11 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 7.521,20 (zevenduizend vijfhonderdeenentwintig euro en twintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 12.051,57 (twaalfduizend eenenvijftig euro en zevenenvijftig cent) bestaande uit € 4.551,57 (vierduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zevenenvijftig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 95 (vijfennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 11 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering tot schadevergoeding

niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 1.449,20 (duizend vierhonderdnegenenveertig euro en twintig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. A.J.M. van Gink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort, griffier,

en op 11 februari 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.J.M. van Gink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het Einddossier van Politieregio Brabant-Noord, Team Grootschalige Opsporing “Altair”, proces-verbaalnummer 60-104481, op 2 april 2013 in de wettige vorm opgemaakt en gesloten door verbalisanten [verbalisant 1], inspecteur van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, doorgenummerde pagina’s 1-947.

2 In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – met uitzondering van het eerste bewijsmiddel, de bekennende verklaring van verdachte – verwezen naar het Proces-verbaal van Technisch onderzoek van de Regiopolitie Brabant-Noord, Divisie Informatie en Opsporing, Forensisch Technische Opsporing, proces-verbaalnummer: 2012118572, op 26 maart 2013 in de wettige vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4], inspecteur van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften.