Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4652

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
28-01-2016
Zaaknummer
200.177.672/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van de weigering toelating ten aanzien van de man, geen sprake van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw, bekrachtiging van de weigering toelating ten aanzien van de vrouw, zij het met verbetering van de gronden, thans artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 november 2015

Zaaknummer : 200.177.672/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/03/209458/FT RK 15/1133 en C/03/209459/FT RK 15/1134

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant 1],

en

[appellante 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellante 2]

advocaat: mr. Y.W.A.M. van der Koelen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 september 2015, hebben [appellant 1] en [appellante 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hen alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2015. Bij die gelegenheid zijn [appellant 1] en [appellante 2] , bijgestaan door mr. Van der Koelen, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 september 2014;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 13 oktober 2015.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant 1] en [appellante 2] hebben de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant 1] en [appellante 2] blijkt een totale schuldenlast van € 62.470,61. Daaronder bevindt zich een hypothecaire restschuld aan [hypotheken] Hypotheken van € 57.974,61. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant 1] en [appellante 2] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant 1] en [appellante 2] ten aanzien van het onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest en dat evenmin voldoende aannemelijk is dat [appellant 1] en [appellante 2] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Verzoekster heeft niet kunnen verklaren waarom zij de schulden onbetaald heeft gelaten. (…)

Zij stelt niet in staat te zijn fulltime te werken omdat zij pijnklachten heeft. (…)

Verzoekster is niet arbeidsongeschikt verklaard en heeft haar stellingen niet met schriftelijke bewijzen onderbouwd. (…)

Derhalve is niet vast komen te staan dat verzoekster al die tijd niet in staat was (fulltime) te kunnen werken. Naar het oordeel van de rechtbank had verzoekster in deze aldus haar verantwoordelijkheid moeten nemen en op zoek moeten gaan naar betaald werk. Uit niets blijkt dat zij dit in het verleden heeft geprobeerd. (…)

Verzoeker is voor minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard en een WIA-uitkering is derhalve niet toegekend. Alhoewel verzoeker ter zitting heeft verklaard minstens een keer per week te solliciteren, heeft hij geen bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat hij sinds zijn ontslag in augustus 2013 voldoende gesolliciteerd heeft. (…)

Ter zitting heeft verzoeker beaamd dat de aanwezigheid van de vele piercings in zijn gezicht zijn kansen op het vinden van een betaalde baan zouden kunnen belemmeren (…).”

3.4.

[appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant 1] en [appellante 2] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante 2] stelt dat zij reeds in de financiële problemen zat voordat zij [appellant 1] leerde kennen. Ondanks deze financiële problemen van [appellante 2] zijn zij in 2009 met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. [appellant 1] werkte toen en mede samenhangende met de persoonlijke problemen van [appellante 2] hebben zij samen besloten dat [appellante 2] niet hoefde te werken. [appellante 2] heeft te kampen met gedragsproblematiek. Zij is vroeger misbruikt en heeft diverse gewelddadige relaties gehad. [appellante 2] gaat inmiddels naar de Mutsaersstichting en aanvaardt hulp. Zij heeft zich daarnaast ingeschreven bij het UWV en solliciteert nu.

[appellant 1] heeft 17 jaar gewerkt bij Staco en is, anders dan door de rechtbank overwogen, eerst in augustus 2015 na twee jaar ziekte en re-integratie ontslagen. Hij heeft artrose waardoor het niet meer mogelijk was zijn functie uit te oefenen. Via tweede spoor re-integratie is [appellant 1] gaan werken bij [werkgever] . [werkgever] heeft [appellant 1] uiteindelijk niet aangenomen. Hij is voor 25% afgekeurd en ontvangt vanaf september 2015 voor 3,5 jaar een WW-uitkering. Hij is aldus niet verwijtbaar werkeloos. Op dit moment solliciteert hij continu. Hij zit niet graag stil en heeft altijd gewerkt. Hij verricht nu veel vrijwilligerswerk bij gehandicapten. Zowel [appellante 2] als [appellant 1] is van mening dat zij alles in het werk stellen om een baan te vinden en zoveel als mogelijk baten voor de boedel te verwerven. [appellant 1] heeft zelfs een bedrag voor de boedel gespaard. Zij zijn derhalve van mening dat zij ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden beiden te goeder trouw zijn geweest.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant 1] en [appellante 2] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant 1] geeft aan dat hij altijd heeft gewerkt en dat hij recent, en dus niet zoals door de rechtbank is overwogen reeds in 2013, vanwege medische klachten, meer specifiek artrose, zijn baan heeft verloren. Dit resulteerde in een maandelijkse inkomstenterugval van aanvankelijk € 400,00 en uiteindelijk € 600,00. Deze inkomstenterugval vormt volgens [appellant 1] ook de hoofdreden voor de huidige schuldenlast van hem en [appellante 2] . [appellant 1] solliciteert momenteel volop en hij heeft, ondanks voornoemde inkomstenterugval, samen met [appellante 2] inmiddels een bedrag van circa € 900,00 voor hun schuldeisers bijeen weten te sparen. [appellante 2] geeft desgevraagd aan dat het op dit moment psychisch niet goed met haar gaat. Zij heeft op 17 november a.s. haar eerste afspraak bij een psycholoog. Dat deze afspraak niet eerder tot stand is gekomen wijt [appellante 2] aan het feit dat zij, vanwege traumatische gebeurtenissen uit haar verleden, moeite heeft met het vertrouwen van mensen. Het accepteren van hulp voor haar psychosociale problematiek is dan ook een hele stap voor haar geweest die zij naar eigen zeggen zonder hulp van [appellant 1] ook niet zou hebben kunnen zetten. Tot slot geeft zij aan bekend te zijn met de risico’s van een premature toelating tot de schuldsaneringsregeling, meer in het bijzonder het risico van de zogenaamde tienjaarstermijn.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.2.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant 1] zich na het verlies van zijn arbeidsbetrekking in augustus 2015 wel en bovendien aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om een nieuwe arbeidsbetrekking te verwerven. In de verschijning van [appellant 1] als zodanig ziet het hof voorts geen enkele belemmering om werk te (kunnen) verkrijgen. Nu [appellant 1] er, ondanks zijn inkomensterugval, bovendien in is geslaagd om ten bate van zijn schuldeisers een bedrag van circa € 900,00 bijeen te sparen is het hof voorts van oordeel dat [appellant 1] nadrukkelijk blijkt geeft van een saneringsgezinde houding.

[appellant 1] en [appellante 2] hebben een belastingschuld. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel weliswaar te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan, doch in dit geval is de belastingschuld, bezien in het licht van zowel het uiterst beperkte aandeel in de totale schuldenlast als het reeds door [appellant 1] en [appellante 2] bijeengespaarde bedrag, dermate gering, in casu € 162,00, dat het bestaan hiervan aan een toelating tot de schuldsanering naar het oordeel van het hof niet in de weg zou moeten staan

3.6.3.

Voorts is, temeer nu zij zelf zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling nadrukkelijk en bij herhaling heeft aangegeven, vast komen te staan dat [appellante 2] kampt met een aanzienlijke psychosociale problematiek. Ingevolge artikel 5.4.3. van het toepasselijke procesreglement wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is.

Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Het hof wenst, , ook in meer algemene zin, overigens te benadrukken dat het hebben van psychosociale problemen als zodanig niet aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg behoeft te staan. Het gaat er echter wel om dat deze psychosociale problematiek beheersbaar is blijkens een (relevante) verklaring van een ter zake deskundige hulpverlener zoals de behandelend psychiater of psycholoog. De behandeling van [appellante 2] moet evenwel nog aanvangen, van een duurzame beheersbaarheid van haar psychosociale problematiek kan thans dan ook in het geheel nog geen sprake zijn. Daarbij merkt het hof nog op dat een te premature toelating van [appellante 2] tot de wettelijke schuldsanering het voor haar ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien zij niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het voor haar nog ingrijpender gevolg, dat zij, ingevolge de visie van de wetgever en de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad - als recent wederom bevestigd in HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1031 -, in beginsel de komende tien jaar geen nieuw verzoek tot toelating kan doen. Ook dit is een aspect dat aandacht verdient en meeweegt bij het oordeel of en wanneer een schuldenaar geschikt is om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Het verzoek van [appellante 2] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient (op dit moment) dan ook te worden afgewezen. Niets staat er echter aan in de weg dat [appellante 2] , indien en zodra zij, na enige tijd voor haar psychosociale problematiek te zijn behandeld en over een actuele en ter zake doende rapportage beschikt waaruit blijkt dat voornoemde problematiek duurzaam beheersbaar moet worden geacht, opnieuw kan verzoeken te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof merkt hierbij, zij het ten overvloede, op dat [appellante 2] , nu zij met steun van [appellant 1] behandeling voor haar psychosociale problematiek heeft gezocht en aanvaard, naar het oordeel van het hof wel op de goede weg is.

3.7.1.

Het vonnis waarvan beroep zal ten aanzien van [appellant 1] worden vernietigd waarbij zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog zal worden toegewezen. Nu de toepassing van zijn schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

3.7.2.

Het vonnis waarvan beroep zal ten aanzien van [appellante 2] , onder verbetering van de gronden, worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

ten aanzien van [appellant 1] :

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant 1]

[adres]

[postcode] [woonplaats] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

ten aanzien van [appellante 2] :

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.