Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:465

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
20-002867-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Mishandeling van twee meisjes. Overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij (materiële schade - bestaande uit de kosten van beschadigde schoenen, een beschadigde ring en reiskosten -, immateriële schade en wettelijke rente).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002867-14

Uitspraak : 11 februari 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Limburg van 15 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 03/160010-14 tegen de verdachte:

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [een datum in het jaar] 1997,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van “mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 15 uren, subsidiair 7 dagen vervangende jeugddetentie, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 670,-- plus wettelijke rente en oplegging aan de verdachte van een bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte, zijn ouders, de raadsman, de benadeelde partij, haar vader en de medewerkster van slachtofferhulp naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 15 uren, subsidiair 7 dagen vervangende jeugddetentie, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 709,12 plus wettelijke rente en oplegging aan de verdachte van een bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat het hof overeenkomstig de bewezenverklaring en de door de kinderrechter opgelegde straf kan beslissen. De verdediging heeft slechts bezwaren tegen de hoogte van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Op onderdelen, zoals de kwalificatie van het bewezen verklaarde en de hoogte van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, kan het hof zich niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof het vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 14 juni 2014, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [A]), meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op of omstreeks 14 juni 2014, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [B]), heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep1, de aangifte van [A]2, de aangifte van [B]3, de haar betreffende medische verklaring4 en de getuigenverklaringen van [C]5 en [D]6 acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 14 juni 2014, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [A], heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.
hij op 14 juni 2014, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [B], heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is telkens als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; het wordt telkens als “mishandeling” gekwalificeerd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het daarop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De kinderrechter heeft geoordeeld en de advocaat-generaal heeft gevorderd dat in dit geval een werkstraf voor de duur van 15 uren aangewezen is; de verdediging heeft zich daarbij aangesloten. Het hof is een ander oordeel toegedaan. De verdachte heeft twee meisjes in het gezicht geslagen. De aanleiding daarvoor was jaloezie; aangeefster [A] nam het op voor een vriend van haar die volgens de verdachte aan haar zou hebben gezeten. De verdachte heeft haar daarom een klap met de knokkels van zijn hand gegeven. Dat overkwam ook [B] toen zij, kennelijk met de bedoeling een en ander te sussen, tussenbeide kwam. Ook nu nog - ruim zeven maanden na het gebeuren en diverse gesprekken met zijn ouders, zijn raadsman en een psycholoog ten spijt - meent de verdachte dat hij als het ware is uitgelokt door [A]. Het hof ziet voor een uitlokking geen enkel aanknopingspunt. De (re)actie van de verdachte is naar het oordeel van het hof niet te rechtvaardigen. Het lijkt er veeleer op dat de verdachte tracht om de schuld buiten zichzelf te leggen.

Het gebrek aan inzicht in het kwalijke van zijn handelen komt ook tot uitdrukking in de manier waarop hij spreekt over de door [B] gevorderde immateriële schade: die mag wat hem betreft zelfs niet ten dele worden toegewezen, omdat hij het overdreven vindt en geld leed bovendien niet kan goedmaken. Dit een en ander maakt dat het hof van oordeel is dat de ernst van de mishandelingen onvoldoende tot uitdrukking is gebracht in de door de kinderrechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Positief is wel dat de verdachte uit zichzelf de hulp van een psycholoog heeft ingeschakeld en dat hij daarmee opnieuw, na deze uitspraak, een afspraak mee zal maken om het proces door te spreken. Positief is ook dat de verdachte een ander pad lijkt te zijn ingeslagen: hij volgt op een gemotiveerde wijze de opleiding [naam van de opleiding]aan [naam van een college], heeft andere vrienden gemaakt en houdt zich bezig met muziek. De verdachte is bovendien sinds de bewezen verklaarde mishandelingen niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. In zoverre kan er worden gesproken van een kentering in het leven van de verdachte.

Het hof is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat het in dit geval aangewezen is om de verdachte te veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 30 uren (subsidiair 15 dagen vervangende jeugddetentie), waarvan 15 uren (subsidiair 7 dagen vervangende jeugddetentie) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.069,12 plus de wettelijke rente. Bij het vonnis waarvan beroep is die vordering toegewezen tot een bedrag van € 670,-- plus de wettelijke rente. De benadeelde partij is voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet-toegewezen gedeelte van de vordering, met dien verstande dat zij de vordering heeft bijgesteld naar een bedrag van € 2.009,12 plus de wettelijke rente.

De vordering valt uiteen in een bedrag van € 409,12 aan materiële schade (te weten: € 250,-- voor beschadigde schoenen, € 45,-- voor een beschadigde ring van het merk Swarovski en € 114,12 aan reiskosten) en een bedrag van € 1.600,-- aan immateriële schade.

De advocaat-generaal acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 209,12 aan materiële schade (€ 50,-- voor de schoenen, € 45,-- voor de ring en € 114,12 voor de resikosten) en een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade.

De verdediging betwist de hoogte van de vordering, in die zin dat voor de schoenen hooguit € 50,-- kan worden toegewezen en voor de reiskosten hooguit € 75,-- terwijl de immateriële schade op nihil zou moeten worden gesteld.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 814,12 plus wettelijke rente. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder het volgende. De schoenen van de benadeelde partij zijn als gevolg van de bewezen verklaarde mishandeling behoorlijk beschadigd geraakt - in een van de schoenen zat een scheur - terwijl zij deze schoenen pas zo’n 1½ maand in haar bezit had. Onder die omstandigheden acht het hof het billijk om de helft van de nieuwwaarde (€ 310,--) van de schoenen als schade toe te kennen, dat wil zeggen een bedrag van € 155,--.

Met betrekking tot de reiskosten overweegt het hof dat die geheel voor toewijzing in aanmerking komen. Het feit dat de benadeelde partij om aan de mishandeling gerelateerde redenen naar school moest worden gebracht maakt dat die ritten naar school kort na het gebeuren een rechtstreeks gevolg van de mishandeling zijn.

Dat geldt vanzelfsprekend voor de reiskosten die zijn gemaakt naar de politie, slachtofferhulp en het AZM. De gevorderde reiskosten worden dan ook in zijn geheel toegekend (€ 114,12). De schade aan de ring, ter waarde van € 45,--, wordt niet door de verdediging betwist en het hof is ook van oordeel, evenals de kinderrechter en de advocaat-generaal, dat die schade volledig voor toewijzing in aanmerking komt.

Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij is als gevolg van de mishandeling kort bewusteloos geraakt en heeft een hersenschudding opgelopen. De benadeelde partij heeft veel last gehad van hoofdpijn en vermoeidheid. Het voorval heeft bij haar bovendien een gevoel van angst en onveiligheid teweeggebracht, zodanig dat zij haar deelname aan het uitgaansleven is verminderd. Dat zijn gevolgen die onmiskenbaar aanleiding kunnen zijn om ter genoegdoening een bedrag aan immateriële schade toe te kennen. Het hof kan de verdediging daarom niet volgen in zijn standpunt dat de vordering voor dit deel op nihil moet worden gesteld. Het hof is met de kinderrechter en de advocaat-generaal van oordeel dat een bedrag van € 500,-- een redelijke en billijke schadevergoeding is.

Een en ander maakt dat in totaal een bedrag van € 814,12 plus de wettelijke rente voor vergoeding in aanmerking komt.

Ten aanzien van de wettelijke rente overweegt het hof dat de materiële schade niet voor iedere post is ingetreden op de dag waarop het delict is gepleegd. De reiskosten zijn immers op latere momenten gemaakt. De benadeelde partij heeft niet (expliciet) aangegeven op welke dagen de reiskosten zijn gemaakt. Dat is voor het hof aanleiding om de wettelijke rente voor dit deel - in het voordeel van de verdachte - te laten ingaan op de datum waarop de vordering van de benadeelde partij is ingediend, te weten op 11 augustus 2014. De schade aan de schoenen en de ring is wel ingetreden op de dag van het delict, aldus op 14 juni 2014. Datzelfde geldt voor de immateriële schade. Dat betekent dat de wettelijke rente voor een deel groot € 700,-- zal ingaan op 14 juni 2014 en voor deel groot € 114,12 op 11 augustus 2014.

De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot een totaalbedrag van € 814,12 plus wettelijke rente toewijsbaar is.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet in haar vordering worden ontvangen; voor dat niet toegewezen deel kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, zullen ten laste van de verdachte worden gebracht.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het hof ziet, evenals de kinderrechter en de advocaat-generaal, aanleiding voor de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal daartoe dan ook overgaan en tekent daarbij aan dat die maatregel zoals gebruikelijk ook de wettelijke rente zal omvatten (wellicht abusievelijk heeft de kinderrechter die alleen toegekend in relatie tot de vordering van de benadeelde partij).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 77a, 77g, 77h, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 15 (vijftien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 7 (zeven) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten op de grond dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 814,12 (achthonderdveertien euro en twaalf cent), te vermeerderen met de wettelijke rente - over een gedeelte groot € 700,-- vanaf 14 juni 2014 en over een gedeelte groot € 114,12 vanaf 11 augustus 2014, tekens tot en met de dag der voldoening -, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [B], een bedrag te betalen van € 814,12 (achthonderdveertien euro en twaalf cent), te vermeerderen met de wettelijke rente - over een gedeelte groot € 700,-- vanaf 14 juni 2014 en over een gedeelte groot € 114,12 vanaf 11 augustus 2014, tekens tot en met de dag der voldoening -, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 11 februari 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.C.J.E. Meeuwis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2015, zoals die eventueel later - indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van die terechtzitting wordt opgetekend.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juni 2014, pagina 3 en 4 van het dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2400-2014065186 en sluitingsdatum 26 juli 2014.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juni 2014, pagina 5 en 6 van het politiedossier.

4 Geschrift, te weten een medische verklaring van huisarts [naam van de huisarts], d.d. 15 juni 2014, pagina A001 en A002 van het politiedossier, in combinatie met de aan de op schrift gestelde vorering van de benadeelde partij gehechte geneeskundige verklaring d.d. 16 juni 2014 van arts [naam van de arts].

5 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 juli 2014, pagina 8 en 9 van het politiedossier.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 juli 2014, pagina 10 en 11 van het politiedossier.