Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4576

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
HD 200.153.782_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3837
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg afspraak bij beëindiging arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1077

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.153.782/01

arrest van 17 november 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. N.T. Dempsey te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.M.E. van Dijsseldonk,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton Breda van 9 april 2014, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 747760/CV/12-8561)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het tussenvonnis van 13 februari 2012 [het hof begrijpt: 13 februari 2013] waarin een comparitie van partijen is gelast.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [geïntimeerde] was van 1 oktober 2009 tot 1 februari 2012 werkzaam bij [appellante] in de functie van projectleider te [plaats 1] (België), tegen een salaris van € 5.596,74 bruto per vier weken, te vermeerderen met onder andere een buitenlandvergoeding van € 3.302,08 bruto per vier weken (dagvaarding, productie 4).

  2. [geïntimeerde] is op verzoek van [appellante] met ingang van 1 februari 2012 in dienst getreden bij N.V. [N.V.] , een zusterbedrijf van [appellante] in België (hierna: [N.V.] ).

  3. [appellante] heeft in een brief van 31 januari 2012 aan [geïntimeerde] afspraken bevestigd met betrekking tot haar uitdiensttreding. In deze brief is onder meer vermeld:
    “(…) Op ons verzoek treedt je uit dienst bij [appellante] bv en ga je een dienstverband aan met [N.V.] om de functie te gaan vervullen van Hoofd Productie [onderneming] (...).
    Compensatie buitenlandregeling

Zoals toegezegd zal [appellante] gedurende twee jaar het wegvallen van de buitenlandvergoeding en woonvergoeding compenseren middels een eenmalige uitkering van bruto € 85.853,99. Dit bedrag wordt uitbetaald in periode 2-2012. Jij overlegt met [bedrijf] onder welke condities deze vergoeding ter vervanging van de te derven buitenlandregelingen uitbetaald dient te worden. (...)” (dagvaarding in eerste aanleg, productie 11).

[geïntimeerde] heeft in een e-mail aan [appellante] van 15 februari 2012 aangegeven akkoord te zijn met de brief van 31 januari 2012 (conclusie van antwoord, productie 1).

[geïntimeerde] heeft in een brief van 28 februari 2012 schriftelijk haar arbeidsovereenkomst met [N.V.] opgezegd (dagvaarding, productie 16).

[geïntimeerde] en [N.V.] hebben op 27 april 2012 schriftelijk overeenstemming bereikt over een einde van het dienstverband per 20 mei 2012 (dagvaarding, productie 18).

[appellante] heeft het bedrag van € 85.853,99 niet aan [geïntimeerde] voldaan.

3.2.1.

[geïntimeerde] heeft in de procedure in eerste aanleg, kort weergegeven, gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van € 85.853,99, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.2.

De kantonrechter te Breda heeft in het vonnis van 9 april 2014 de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 85.853,99 toegewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen.

3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, en gevorderd bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] op grond van het vonnis al heeft betaald en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en rente.

3.4.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de grieven en in incidenteel appel één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis voor zover daarin haar vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen en bekrachtiging voor het overige, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties.

3.5.

[appellante] heeft geconcludeerd tot verwerping van de grief in het incidenteel appel en tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , en gevorderd bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel, te vermeerderen met nakosten en rente.

3.6.

Partijen verschillen in hoger beroep allereerst van mening over de uitleg van de in de brief van 31 januari 2012 opgenomen “Compensatie buitenlandregeling”, hierna: de compensatie(regeling).

3.7.

Volgens [geïntimeerde] is overeenstemming bereikt over een “afkoopbedrag” van
€ 85.583,99 bruto, zijnde de buitenlandvergoeding gedurende twee jaar, zonder dat deze twee jaar enige andere of aanvullende betekenis had (memorie van antwoord (mva), punt 12). [geïntimeerde] heeft ter toelichting hierop het volgende aangevoerd.

[appellante] heeft in januari 2011 impliciet duidelijk gemaakt dat zij akkoord diende te gaan met een overgang naar [N.V.] . Na een onderzoek naar de gevolgen van een indiensttreding in België heeft een uitgebreid, ruim vier maanden durend, onderhandelingstraject plaatsgevonden waarbij kenbaar is gemaakt dat [geïntimeerde] geen recht meer zou hebben op de buitenlandvergoeding. [geïntimeerde] zou haar buitenlandvergoeding alleen opgeven als [appellante] daarvoor zou betalen en [appellante] is hiermee akkoord gegaan (mva, punt 43). [appellante] heeft, in de persoon van de heer [medewerker bij appellante] telefonisch, vanuit de auto, voorgesteld om het bedrag vast te pinnen op een vergoeding gedurende twee jaar (mva, punt 42). De onzekerheid over de compensatie van de buitenlandvergoeding is in de overeenkomst op dat bedrag gefixeerd (dagvaarding in eerste aanleg, punt 18).

[appellante] heeft nog voorgesteld om het bedrag in twee termijnen te betalen, maar [geïntimeerde] is daarmee niet akkoord gegaan (mva, punt 45).

3.8.

[appellante] heeft dit gemotiveerd weersproken. Volgens [appellante] zou [geïntimeerde] gedurende maximaal twee jaar worden gecompenseerd voor het wegvallen van de buitenlandvergoeding en werd de compensatie toegekend vanuit een wederzijds commitment dat [geïntimeerde] voor tenminste drie jaar werkzaam zou zijn voor [N.V.] om de Belgische spoormarkt voor [appellante] uit te bouwen.

Dit wederzijdse commitment is zowel door [geïntimeerde] als door [appellante] tijdens de gesprekken over de overstap meermalen uitgesproken (memorie van grieven (mvg), punten 2.1. en 2.4.). Op basis hiervan is [appellante] akkoord gegaan met het verzoek van [geïntimeerde] om (voor)uitbetaling van de compensatie als bedrag ineens. [geïntimeerde] heeft de suggestie om het bedrag in twee termijnen te betalen afgewezen als zijnde een blijk van wantrouwen in haar commitment, maar [appellante] had deze suggestie enkel gedaan omdat de compensatie, zoals ook in de brief van 31 januari 2012 is verwoord, was gekoppeld aan het gedurende minimaal twee jaar derven van de buitenlandvergoeding (mvg, punt 3.1.5.). Door nog geen maand na de overstap haar dienstverband met [N.V.] op te zeggen, kan [geïntimeerde] geen aanspraak maken op betaling van de (volledige) compensatie, nu de deze uitsluitend was bedoeld ter compensatie van het daadwerkelijk gedurende minimaal twee jaar mislopen van de buitenlandvergoeding en het uitgangspunt dat [geïntimeerde] gedurende langere tijd bij [N.V.] werkzaam zou zijn (mvg, punt 2.4.2.).

De omstandigheid dat de compensatie, op uitdrukkelijk verzoek van [geïntimeerde] , vooraf en ineens zou worden uitbetaald en dat geen nadere voorwaarden of bepalingen zijn opgenomen voor het geval zij eerder dan twee jaar bij [N.V.] zou vertrekken, doet niet af aan voornoemde partijbedoeling (mvg, punt 3.1.9.).

3.9.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 9 april 2014 overwogen dat [appellante] onvoldoende onderbouwd had betoogd dat het uitgangspunt, dat [geïntimeerde] bij [N.V.] zou blijven, aan de compensatie(regeling) was gekoppeld, en geoordeeld dat aan bewijslevering op dat punt niet werd toegekomen.

3.10.

[appellante] heeft in hoger beroep ter nadere onderbouwing van haar standpunt een verklaring van mevrouw [directeur HR bij appellante] , directeur HR bij [appellante] , van 15 oktober 2014 in het geding gebracht. In deze verklaring is onder meer opgenomen (mvg, productie 5):

“(…) Er is diverse keren over en weer commitment naar elkaar uitgesproken: [geïntimeerde] [hof: [geïntimeerde]] inzake haar rol om [onderneming] breder op de kaart te zetten in België en [appellante] om haar te ondersteunen (er is zelfs een terugkeergarantie toegezegd voor na haar Belgische jaren). Er is in deze gesprekken altijd over ca. 3 jaar gesproken.

Vanuit [appellante] is begin 2011 gestart om een volledige vergelijking te maken tussen Nederlandse en Belgische arbeidsvoorwaarden, sociale verzekeringen en belastingen. Hierover hebben diverse afspraken plaatsgevonden met [geïntimeerde] (zowel bij [appellante] , [N.V.] en zelfs bij haar thuis in [plaats 2] tijdens haar zwangerschapsverlof). Na haar zwangerschapsverlof ultimo 2011 is inhoudelijk gesproken over de arbeidsvoorwaarden die zij in België zou gaan krijgen. Het grootste punt van gesprek was hierbij de toeslagen die ze bij [appellante] had en die zouden komen te vervallen bij haar overgang naar [N.V.] .

Tijdens deze gesprekken werd wederzijds commitment keer op keer uitgesproken. [appellante] heeft toen aan [geïntimeerde] toegezegd om de persoonlijke toeslagen gedurende twee jaar te compenseren, waarmee [geïntimeerde] akkoord ging. (…) Het uitgangspunt van alle gesprekken was dat de tegemoetkoming die door [appellante] gegeven zou worden voor het wegvallen van de toeslagen, gebaseerd was op het door [geïntimeerde] uitgesproken commitment om in België de uitdaging voor een aantal jaren aan te gaan. Er was dan ook geen enkele aanleiding geweest om afspraken te maken over een terugbetalingsregeling bij een eventueel vertrek van [geïntimeerde] (een (voortijdig) vertrek was gezien de opstelling/uitspraken van [geïntimeerde] niet aan de orde). Wij hebben er dan ook niet aan gedacht dat opname van nadere voorwaarden of een terugbetalingsregeling nodig was. (…)”.

3.11.

Het hof overweegt als volgt. De betekenis van de onderhavige compensatie(regeling) moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen.
[geïntimeerde] heeft haar vordering tot betaling gegrond op de compensatie(regeling). Zij heeft zich beroepen op de door haar gestelde gemeenschappelijke partijbedoeling en uitleg over betaling van een afkoopbedrag van € 85.583,99 bruto, in die zin dat volgens haar sprake is van een gefixeerd bedrag ter compensatie van de weggevallen buitenlandvergoeding gedurende twee jaar, zonder dat deze twee jaar enige andere of aanvullende betekenis had.

[appellante] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens [appellante] waren partijen het er over eens dat [appellante] [geïntimeerde] gedurende twee jaar zou compenseren voor het wegvallen van de buitenlandvergoeding (“compensatie”) en was de compensatie(regeling) gekoppeld aan het door [geïntimeerde] gedurende minimaal twee jaar daadwerkelijk missen van de buitenlandvergoeding (cva, punt 2.4.7. en mvg punt 3.2.4.).

Gelet op het door [appellante] gevoerde gemotiveerde verweer tegen de door [geïntimeerde] voorgestane gemeenschappelijke partijbedoeling en uitleg van de compensatie(regeling), zal [geïntimeerde] – nu volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast hiervan op haar rust omdat zij zich op de rechtgevolgen daarvan beroept als grondslag voor haar vordering – tot bewijslevering worden toegelaten zoals hierna in het dictum zal worden vermeld.

Overigens staat tussen partijen vast dat de uitzending van de echtgenoot van [geïntimeerde] naar Australië ten tijde van het overeenkomen van de compensatie(regeling) niet aan de orde was, omdat dit pas medio april 2012 bekend werd (mvg, punt 3.1.7. en mva, punt 48-49).

3.12.

In afwachting van bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

laat [geïntimeerde] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat overeenstemming is bereikt over een afkoopbedrag van € 85.583,99 bruto, zijnde een gefixeerd bedrag gelijk aan de buitenlandvergoeding gedurende twee jaar, zonder dat deze twee jaar enige andere of aanvullende betekenis had;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M.E. Smorenburg als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 1 december 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] bij zijn opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat [geïntimeerde] het schriftelijk bewijs dat zij wil bijbrengen, uiterlijk twee weken voor het verhoor aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij zal toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, P.P.M. Rousseau en M.E. Smorenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 november 2015.

griffier rolraadsheer