Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4573

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
HD 200.150.287_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:BZ1721. Schilder overlijdt aan blaaskanker.

ECLI:NL:GHARN:2012:BW0025

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0236
PS-Updates.nl 2019-0377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.150.287/01

arrest van 17 november 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L.E.M. Charlier te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

7 Het geding verder

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 7 juli 2015;

- de aktes van [appellante] en [geïntimeerde] van 18 augustus 2015, beide met een productie.

Vervolgens heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

8 De verdere beoordeling

8.1.

Bij voormeld tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich (tegelijkertijd) bij akte uit te laten over het aantal en – bij voorkeur eensluidend – de persoon van de te benoemen deskundige(n) en suggesties te doen over aan de deskundige(n) te stellen vragen ten aanzien van de blootstelling (zie rov. 5.3 tot en met 5.13 van het tussenarrest) en de zorgplicht (zie rov. 5.14 tot en met 5.20 van het tussenarrest).

8.2.

Ten aanzien van de blootstelling hebben partijen zich niet eensluidend over de persoon van de te benoemen deskundige(n) uitgelaten. [appellante] heeft verzocht om prof. dr. [hoogleraar klinische epidemiologie] , hoogleraar klinische epidemiologie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, en prof. dr. [hoogleraar medische statistiek] , hoogleraar medische statistiek bij het LUMC, als deskundigen te benoemen. [geïntimeerde] heeft als deskundige prof. dr. [hoogleraar en epidemioloog] , hoogleraar en epidemioloog aan de Universiteit van Maastricht en het Maastricht Forensic Institute, voorgedragen.

8.3.

Het hof heeft prof. dr. Gert van der Laan, klinisch arbeidsgeneeskundige, bereid en in staat gevonden om het onderzoek te verrichten. Volgens het door hem aan het hof toegestuurde curriculum vitae is hij onder meer nestor van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (AMC, Amsterdam), vanaf 1990. Ook was hij lid van verschillende internationale werkgroepen over beroepsziekten, voorzitter ICOH SC Rural Health en adviseur van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER. Verder vermeldt zijn curriculum vitae dat hij betrokken was bij de herziening van de ILO lijst van beroepsziekten als temporary advisor van de WHO (2004), dat hij heeft bijgedragen aan de Information Notices bij de Europese lijst van beroepsziekten (2004-2009) en dat hij projectleider van de evaluatie van de Europese lijst van Beroepsziekten (2012) was.

8.4.

Prof. dr. Van der Laan heeft in e-mailcorrespondentie met het hof aangegeven dat hij de onderhavige casus zijdelings kent omdat T.M. Pal en hij samen bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten hebben gewerkt, maar dat dit niet aan een onafhankelijk oordeel van zijn kant in de weg staat. Het hof is dat voorshands met hem eens en ziet thans geen bezwaar om prof. dr. Van der Laan als deskundige te benoemen. Het hof zal partijen echter wel nog in de gelegenheid stellen om zich hierover bij akte uit te laten. Ook kunnen partijen zich daarbij desgewenst (nader) uitlaten over de aan deze deskundige te stellen vragen; het hof is vooralsnog voornemens om hem de door partijen reeds ten aanzien van de blootstelling geformuleerde vragen te stellen (zie de akte van [appellante] , productie 1, en de akte van [geïntimeerde] , onder 1.7).

8.5.

Ten aanzien van de zorgplicht heeft [geïntimeerde] naar voren gebracht dat zij het nuttig acht wanneer een onderzoek aangaande de zorgplicht wordt uitgevoerd door een deskundige die destijds daadwerkelijk “in het veld” betrokken was bij de beoordeling en inspectie van de veiligheid van arbeidsplaatsen en werkomstandigheden. Hiertoe acht [geïntimeerde] een (oud)inspecteur van de Arbeidsinspectie, die destijds – bij voorkeur in de betreffende regio en in de betreffende branche – werkzaam was een geschikte deskundige. Naar [geïntimeerde] heeft vernomen, zouden de oud-inspecteurs [oud-inspecteur van de Arbeidsinspectie 1] en [oud-inspecteur van de Arbeidsinspectie 2] aan bovengenoemde kwalificaties voldoen. [appellante] heeft geen voorstel voor een deskundige gedaan.

8.6.

Het hof heeft [oud-inspecteur van de Arbeidsinspectie 1] benaderd om als deskundige op te treden in deze zaak. Hij heeft te kennen gegeven dat hij inmiddels sinds ruim vijf jaar met pensioen is en dat hij het onderzoek alleen op basis van zijn geheugen zou moeten doen. Hij acht dit een te magere basis om een gedegen rapportage te schrijven en heeft om die reden bedankt voor de taak. Via de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het hof vernomen dat ook [oud-inspecteur van de Arbeidsinspectie 2] geen interesse heeft om als deskundige op te treden. Het hof heeft nog gevraagd of er een andere oud-inspecteur te benaderen is, maar dit heeft niet geleid tot een positieve reactie.

8.7.

Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding om zich door partijen bij akte te laten informeren over de vraag of er meer of andere mogelijkheden zijn om een geschikte deskundige te vinden ten aanzien van de zorgplicht.

8.8.

Het hof houdt in afwachting van de aktewisseling iedere verdere beslissing aan.

9 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 15 december 2015 voor akte aan de zijde van beide partijen als bedoeld in rov. 8.4 en 8.7;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.P. de Haan en I. Giesen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 november 2015.

griffier rolraadsheer