Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4571

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
HD 200.143.191_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk Geschil over de hoogte van facturen met betrekking tot in regie uitgevoerde werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.143.191/01

arrest van 17 november 2015

in de zaak van

1 Aannemersbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] , hierna te noemen [Aannemersbedrijf] ,

2. Schilderwerken [Schilderwerken] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] , hierna te noemen [Schilderwerken] ,

3. [appellant 3] ,
wonende te [vestigingsplaats 1] , hierna te noemen [appellant 3] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk ook aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. H.J.J. van der Salm te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , België,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G.J.J.A. van Zeijl te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 februari 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Maastricht respectievelijk rechtbank Limburg van 6 juli 2005, 3 mei 2006, 8 november 2006, 20 december 2006, 28 mei 2008 en 18 december 2013, zoals hersteld bij vonnis van 5 maart 2014, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/179425/HAZA 13-150)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.1.

[appellant 3] is directeur/eigenaar van [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] . Deze bedrijven hebben in 1996 en 1998 renovatiewerkzaamheden verricht aan een pand van [geïntimeerde] in de [straatnaam] in [vestigingsplaats 2] .

Daarna zijn [appellant 3] en [geïntimeerde] een samenwerkingsverband aangegaan dat in hoofdlijnen hierin bestond dat zij samen panden kochten teneinde deze geschikt te maken voor verhuur. De renovatie van de panden zou geschieden door de beide BV’s van [appellant 3] . De kosten van aankoop en renovatie zouden door ieder van beide partijen bij helfte worden gedragen. [geïntimeerde] zou de panden gaan beheren en de huuropbrengsten zouden door [appellant 3] en [geïntimeerde] bij helfte worden verdeeld.

3.1.2.

Op basis van deze afspraken zijn door [geïntimeerde] en [appellant 3] in de periode 1998 – 2002 vier panden in [vestigingsplaats 2] gekocht, te weten:

- [adres 1] ;

- [adres 2] ;

- [adres 3] ;

- [adres 4] / [adres 5] .

3.1.3.

Voormelde panden zijn door [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] gerenoveerd. [geïntimeerde] heeft de helft van de renovatiekosten van de drie eerstgenoemde panden aan [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] betaald. Wat betreft het pand [adres 4] / [adres 5] hebben [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] voor de renovatie in totaal aan [geïntimeerde] en [appellant 3] een bedrag van€ 836.166,54 inclusief btw gefactureerd, van welk bedrag [geïntimeerde] de helft diende te betalen, zijnde een bedrag van € 418.083,27 (productie 9 bij de akte van [geïntimeerde] d.d. 12 januari 2005). [geïntimeerde] heeft van laatstgenoemd bedrag € 269.621,52 inclusief btw voldaan. Een bedrag van € 148.461,75 inclusief btw heeft hij onbetaald gelaten.

3.1.4.

Kernpunt van het geschil in de onderhavige procedure is dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] exorbitante en onterechte bedragen aan hem in rekening hebben gebracht, voor welke gang van zaken hij [appellant 3] mede aansprakelijk acht. [appellanten] hebben een en ander betwist.

[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg (samengevat):

- veroordeling van [Aannemersbedrijf] en [appellant 3] om aan hem een bedrag van € 11.911,73 met rente te

betalen;

- veroordeling van [appellanten] om aan hem een specificatie te verstrekken van de facturen in

geschil, dit op verbeurte van een dwangsom;

- voor recht te verklaren dat de met [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] gesloten aannemingsovereenkomsten

vernietigd c.q. nietig dan wel ontbonden zijn en [appellanten] te veroordelen tot terugbetaling

van hetgeen [geïntimeerde] met betrekking tot de renovatie van de voormelde panden aan [Aannemersbedrijf]

en [Schilderwerken] heeft voldaan, met rente;

- veroordeling van [appellanten] om aan [geïntimeerde] een bedrag aan schadevergoeding te betalen

van € 254.283,28 exclusief btw met rente, dan wel om aan [geïntimeerde] een voorschot op de

schadevergoeding te betalen ten bedrage van € 200.000,- exclusief btw met rente;

- verdeling van de vier gemeenschappelijke panden op de wijze zoals weergegeven in het

petitum van de inleidende dagvaarding onder 6 tot en met 9.

Bij conclusie na deskundigenbericht d.d. 12 juni 2013 heeft [geïntimeerde] zijn eis vermeerderd met een vordering tot veroordeling van [appellanten] om aan hem een bedrag van € 19.455,75 inclusief btw met rente te betalen wegens door [geïntimeerde] betaalde kosten van deskundigenonderzoek.

[appellant 3] heeft in eerste aanleg in reconventie de verdeling van de vier gemeenschappelijke panden gevorderd op de wijze zoals in het petitum van de conclusie van eis in reconventie is vermeld. In voorwaardelijke reconventie hebben [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van het nog openstaande factuurbedrag in verband met de renovatie van het pand [adres 4] / [adres 5] ten bedrage van € 148.480,49 met rente.

3.1.5.

De rechtbank heeft, alvorens tot een beslissing op de verschillende geschilpunten te komen, meerdere deskundigenonderzoeken gelast. De volgende deskundigen zijn benoemd:

- de calculator [deskundige 1] van [Partners] Partners Bouwadvies, dit ter beantwoording van

de vraag (samengevat) wat een redelijk marktconforme prijs is voor de verbouwing van het

pand [adres 4] / [adres 5] , gelet op (onder meer) de verrichte

werkzaamheden en mede gelet op het feit dat de aanvankelijke begrotingen voor de

werkzaamheden aanzienlijk lager waren dan het bedrag van € 718.744,69 exclusief btw dat

uiteindelijk in rekening is gebracht;

- de heren [deskundige 2] van Verf Advies centrum B.V., [deskundige 3] van [deskundige 3]

Adviesbureau Glas- en Schilderwerken en [deskundige 4] van COT B.V., dit ter

beantwoording van de vraag (samengevat) wat een redelijke prijs was voor de

schilderwerkzaamheden die zijn verricht tijdens de verbouwing van het pand [adres 4]

[adres 4] / [adres 5] , mede gelet op (onder meer) de geleverde kwaliteit;

- de accountant [accountant 1] R.A. ter beantwoording van de vraag in hoeverre de

verwijten van [geïntimeerde] op het punt van onjuiste facturering, zoals omschreven onder

rechtsoverweging 3.9.1 van het tussenvonnis van 3 mei 2006, juist zijn, alsmede of bij het

project [adres 2] schilderkosten dubbel in rekening zijn gebracht;

- de makelaar [makelaar] , teneinde de actuele verkoopwaarde van de vier

gemeenschappelijke panden te taxeren.

3.1.6.

Na ontvangst van de deskundigenberichten en van de commentaren van partijen daarop, heeft de rechtbank op 18 december 2013 eindvonnis gewezen. Dat vonnis is hersteld bij herstelvonnis van 5 maart 2014. In het (herstelde) eindvonnis heeft de rechtbank (samengevat):

- in conventie en in reconventie de verdeling vastgesteld van de vier gemeenschappelijke

panden, op de wijze zoals in het petitum van het vonnis van 18 december 2013 is

weergegeven;

- de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie voor het overige afgewezen;

- de proceskosten in conventie gecompenseerd;

- in reconventie [geïntimeerde] veroordeeld om aan [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] een bedrag te betalen

van € 7.891,79 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus

2005 tot de dag van de algehele voldoening en het meer of anders gevorderde afgewezen;

- [appellanten] veroordeeld in de proceskosten in reconventie en die kosten aan de zijde van

[geïntimeerde] begroot op € 4.263,- voor salaris advocaat.

3.1.7.

[appellanten] kunnen zich met (onderdelen van) de vonnissen van de rechtbank niet verenigen en zijn in hoger beroep gekomen. [geïntimeerde] heeft incidenteel appel ingesteld, maar dit voorwaardelijk, namelijk op voorwaarde dat de grieven van [appellanten] leiden tot vernietiging van het (verbeterde) eindvonnis van de rechtbank.

3.2.

[appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van alle (tussen)vonnissen van de rechtbank, ook van het tussenvonnis van 6 juli 2005. Dat tussenvonnis bevat een beslissing inzake een door [appellanten] in eerste aanleg opgeworpen bevoegdheidsincident. Tegen de beslissing in dat tussenvonnis zijn geen grieven aangevoerd, zodat [appellanten] in hun hoger beroep tegen het vonnis van 6 juli 2005 niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

3.3.

[appellanten] stellen in hun memorie van grieven op pagina 5 dat zij het geschil in volle omvang aan het hof voorleggen, maar zij miskennen hiermee dat de omvang van het geschil in hoger beroep wordt bepaald door de aangevoerde grieven: een appellant dient aan de wederpartij en aan de rechter duidelijk te maken welke bezwaren hij heeft tegen de vonnissen van de eerste rechter, tegen welke beslissingen die bezwaren zijn gericht en op welke gronden die bezwaren rusten, althans op welke wijze hij het dictum gewijzigd wil zien en wat de gronden daarvoor zijn. Het hof constateert dat door [appellanten] in ieder geval geen bezwaren zijn aangevoerd tegen de (wijze van) verdelen van de vier gemeenschappelijke panden zoals deze door de rechtbank is vastgesteld en evenmin tegen de afwijzing van de (overige) vorderingen in conventie. Het hof stelt verder vast dat [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd dat, voor zover door [appellanten] wél bezwaren zijn aangevoerd tegen de vonnissen van de rechtbank, niet erg duidelijk is wat die bezwaren precies inhouden, noch hoe die bezwaren aanleiding kunnen geven tot een ander dictum.

Het hof begrijpt uit de memorie van grieven dat de bezwaren van [appellanten] tegen de vonnissen van de rechtbank met name betrekking hebben op de volgende punten:

a. a) het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid respectievelijk

toewijsbaarheid van de vorderingen van [geïntimeerde] die zijn geformuleerd in het petitum

van de inleidende dagvaarding onder 1 tot en met 4;

b) het oordeel van de rechtbank dat een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden naar de

redelijke prijs voor de renovatie (verbouwing en schilderwerk) van het pand [adres 4]

[adres 4] / [adres 5] , mede gelet op de omstandigheid dat de aanvankelijke

begrotingen aanzienlijk lager waren dan het uiteindelijk gefactureerde bedrag;

c) de benoeming van de deskundigen en de bepaling dat ieder van partijen de helft van het

voorschot op de kosten van de deskundigen moet betalen;

d) het oordeel van de rechtbank dat een correctie ten bedrage van € 2.543,75 exclusief btw

dient plaats te vinden op het totaal van de redelijk te achten renovatiekosten, in verband

met de ten onrechte in rekening gebrachte post “kitvoegen”;

e) het oordeel van de rechtbank dat een correctie ten bedrage van € 7.312,50 dient plaats te

vinden op het door [geïntimeerde] nog te betalen bedrag wegens een omissie in het rapport van

de deskundige [accountant 1] ;

f) tegen het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis van 18 december 2013 dat [geïntimeerde]

een bedrag van € 18.552,82 exclusief btw teveel heeft betaald en dat dit moet worden

terugbetaald;

g) tegen de proceskostenveroordeling in reconventie.

Het hof zal deze grieven achtereenvolgens beoordelen.

3.4.

ad a) het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid respectievelijk toewijsbaarheid van de vorderingen van [geïntimeerde] die zijn geformuleerd in het petitum van de inleidende dagvaarding onder 1 tot en met 4.

Bij deze grief hebben [appellanten] geen belang. De vorderingen van [geïntimeerde] , zoals geformuleerd onder 1 tot en met 4 van het petitum in de inleidende dagvaarding, zijn immers (na te zijn toegewezen) in het herstelvonnis alsnog afgewezen (waarbij wordt opgemerkt dat de memorie van grieven is genomen ná het herstelvonnis). Weliswaar vordert [geïntimeerde] in voorwaardelijk incidenteel appel dat zijn vorderingen alsnog (volledig) zullen worden toegewezen, maar – zoals uit het navolgende zal blijken – wordt aan de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld niet voldaan zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van het incidenteel appel.

3.5.

ad b) het oordeel van de rechtbank dat een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden naar de redelijke prijs voor de renovatie (verbouwing en schilderwerk) van het pand [adres 4] / [adres 5] , mede gelet op de omstandigheid dat de aanvankelijke begrotingen aanzienlijk lager waren dan het uiteindelijk gefactureerde bedrag.

3.5.1.

Het belangrijkste bezwaar van [appellanten] tegen de vonnissen van de rechtbank, zo begrijpt het hof, is dat de rechtbank ten onrechte aan deskundigen heeft opgedragen te onderzoeken wat een redelijke prijs is voor de door [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] uitgevoerde renovatiewerkzaamheden aan het pand [adres 4] / [adres 5] en vervolgens – in navolging van de deskundigen – heeft geoordeeld dat de bedragen die door [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] met betrekking tot het hier bedoelde panden in rekening zijn gebracht, niet redelijk zijn.

Volgens [appellanten] zijn de werkzaamheden door [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] in regie uitgevoerd en is er niet méér in rekening gebracht dan de daadwerkelijk gemaakte kosten. [appellanten] wijzen erop dat bij de facturering van de kosten met betrekking tot het pand [adres 4] / [adres 5] dezelfde werkwijze is gehanteerd als bij de facturering van de kosten ter zake van de drie andere gemeenschappelijke panden en ten aanzien van het pand van [geïntimeerde] aan de [straatnaam] , tegen welke werkwijze door [geïntimeerde] nooit is geprotesteerd.

3.5.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vast staat dat partijen bij de aannemingsovereenkomst met betrekking tot het pand [adres 4] / [adres 5] geen vaste prijs zijn overeengekomen; de werkzaamheden zijn uitgevoerd in regie. Dit betekent, ingevolge het bepaalde in artikel 7:752 lid 1 BW, dat [geïntimeerde] als (mede)opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd is voor de uitgevoerde werkzaamheden.

De door de rechtbank benoemde deskundigen hebben berekend dat voor de renovatie van het pand [adres 4] / [adres 5] redelijkerwijs niet meer dan

€ 504.680,10 exclusief btw gefactureerd had mogen worden. Het hof merkt hierbij op dat in hoger beroep niet is gegriefd tegen de bevindingen en berekeningen van de deskundigen die door de rechtbank zijn overgenomen. Door [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] is in totaal voor de renovatie een bedrag van € 718.744,69 exclusief btw gefactureerd (productie 9 bij de akte van [geïntimeerde] d.d. 12 januari 2005). Dat bedrag moet, in het licht van de bevindingen en berekeningen van de deskundigen, als exorbitant hoog worden aangemerkt. De rechtbank is dan ook terecht uitgegaan van de redelijk te achten bedragen zoals berekend door de deskundigen.

3.5.3.

Door [appellanten] is in de memorie van grieven veel aandacht besteed aan de betekenis van de vooraf gemaakte “begrotingen” van de renovatiekosten van het pand [adres 4] / [adres 5] en aan de toevoeging van de rechtbank aan de opdracht aan de deskundigen dat mede rekening moet worden gehouden met het feit dat de aanvankelijke begrotingen aanzienlijk lager waren dan het bedrag dat [Aannemersbedrijf] BV en [Schilderwerken] BV uiteindelijk in rekening hebben gebracht.

Aan hetgeen [appellanten] hieromtrent in de memorie van grieven hebben aangevoerd gaat het hof voorbij, omdat de rechtbank in rechtsoverweging 2.3 van het eindvonnis terecht heeft overwogen dat uit de rapporten van de deskundigen COT en [deskundige 1] niet blijkt dat zij de volgens hen redelijke, marktconforme prijs neerwaarts hebben bijgesteld in verband met de door de rechtbank aangenomen omstandigheid dat partijen de kosten aanvankelijk lager hebben ingeschat. Evenmin blijkt uit het eindvonnis dat de rechtbank bij haar uiteindelijk oordeel wél rekening heeft gehouden met de hier bedoelde omstandigheid.

3.5.4.

De omstandigheid dat [geïntimeerde] zijn aandeel in de facturen met betrekking tot de panden aan het [adres 1] , de [adres 2] en de [adres 3] alsmede de facturen met betrekking tot de [straatnaam] zonder protest heeft geaccepteerd acht het hof niet van doorslaggevend belang. [geïntimeerde] heeft daarmee niet het recht verspeeld om bezwaar te maken tegen de facturen met betrekking tot het pand aan de [adres 4] / [adres 5] .

3.5.5.

[appellanten] wijzen erop dat zij door de strafrechter zijn vrijgesproken van valsheid in geschrift en oplichting met betrekking tot (onder andere) de facturen die hier aan de orde zijn. Zij verbinden hieraan de conclusie dat dit betekent dat de facturen van [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] juist zijn.

Het hof volgt deze conclusie niet. Allereerst heeft te gelden dat het oordeel van de strafrechter dat een bepaald feit niet bewezen wordt verklaard, de civiele rechter niet bindt (Hoge Raad 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3807). Van belang is verder dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, in dit geding ter toets voorligt of de door [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] in rekening gebrachte bedragen voor de renovatie van het pand [adres 4] / [adres 5] redelijk zijn, en niet of er sprake is van valsheid in geschrift dan wel oplichting.

3.5.6.

[appellanten] hebben nog aangevoerd dat zij btw-schade zullen lijden indien de aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen niet (volledig) worden voldaan. Naar het oordeel van het hof levert dit echter geen grond op voor een ander oordeel dan hiervoor is gegeven: dat [appellanten] (mogelijk) btw-schade lijden is het gevolg van het feit dat door [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] te hoge bedragen zijn gefactureerd. Dit is een omstandigheid die voor hun rekening dient te blijven.

3.5.7.

De conclusie is dat dit onderdeel van de grieven van [appellanten] faalt.

3.6.

ad c) de benoeming van de deskundigen en de bepaling dat ieder van partijen de helft van het voorschot op de kosten van de deskundigen moet betalen.

Met betrekking tot dit onderdeel van de grieven merkt het hof allereerst op dat een deugdelijke toelichting ontbreekt. Voor zover wordt betoogd dat de rechtbank geen deskundige had mogen benoemen, faalt de grief. Het staat de rechtbank vrij een of meer deskundigen te benoemen indien zij dat gewenst acht. Van bijzondere omstandigheden waarom de rechtbank niet van deze discretionaire bevoegdheid gebruik zou mogen maken, is niet gebleken.

Voor zover bedoeld is te grieven tegen de benoeming van de deskundigen is het hoger beroep niet-ontvankelijk gelet op het bepaalde in artikel 194 lid 2 Rv: tegen de benoeming staat geen hogere voorziening open.

Voor zover de grief is gericht tegen het vastgestelde voorschot ontbreekt een belang aan de zijde van [appellanten] Er is immers bij eindvonnis bepaald wie de deskundigenkosten moet dragen.

Voor zover bedoeld is te grieven tegen de verdeling van de deskundigenkosten bij eindvonnis (iedere partij draagt de eigen kosten, hetgeen betekent dat ieder van partijen de helft van de kosten van de deskundigen draagt) wordt de grief verworpen: op grond van de uitkomst van de procedure zou het redelijk zijn dat de onderzoekskosten met betrekking tot de redelijkheid van de gefactureerde bedragen volledig ten laste van [appellanten] zouden komen, maar aangezien zij niet slechter mogen worden van hun hoger beroep zal het hof de beslissing van de rechtbank op dit punt in stand laten.

3.7.

ad d) het oordeel van de rechtbank dat een correctie ten bedrage van € 2.543,75 exclusief btw dient plaats te vinden op het totaal van de redelijk te achten renovatiekosten, in verband met de ten onrechte in rekening gebrachte post “kitvoegen”.

3.7.1.

De rechtbank heeft, in rechtsoverweging 2.8.6 van het eindvonnis, overwogen dat op het bedrag van € 504.680,10 (het door de deskundigen berekende bedrag dat in totaal redelijkerwijs gefactureerd had mogen worden) een correctie dient plaats te vinden op het punt van de kitvoegen. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat [appellanten] de onderbouwde stellingen van [geïntimeerde] op dit punt onder 40 van zijn conclusie na deskundigenbericht niet hebben weersproken, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

3.7.2.

[geïntimeerde] heeft onder randnummer 40 van zijn conclusie na deskundigenbericht aangevoerd dat het kitvoegen niet is uitgevoerd als schilderwerkzaamheden door [Schilderwerken] maar – zo begrijpt het hof – als verbouwingswerkzaamheden door de onderaannemer Hendriks die heeft gefactureerd aan [Aannemersbedrijf] , zodat de hier bedoelde post reeds is verdisconteerd in de verbouwingskosten en ten onrechte is meegenomen door de COT-deskundige bij de begroting van de uitgevoerde schilderwerkzaamheden.

3.7.3.

[appellanten] volstaan in de toelichting op hun grief met de mededeling dat de “werkzaamheden wel zijn uitgevoerd maar ten onrechte in de administratie zijn opgenomen onder kitvoegen”.

Naar het oordeel van het hof kan deze mededeling niet als een toereikende betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] op dit punt worden aangemerkt zodat het hof, net als de rechtbank, uitgaat van de juistheid van de mededelingen van [geïntimeerde] op dit punt.

Dit betekent dat ook deze grief van [appellanten] faalt.

3.8.

ad e) het oordeel van de rechtbank dat een correctie ten bedrage van € 7.312,50 dient plaats te vinden op het door [geïntimeerde] nog te betalen bedrag wegens een omissie in het rapport van de deskundige [accountant 1] (eindvonnis rov. 2.8.11 en herstelvonnis).

3.8.1.

Aan de deskundige [accountant 1] was door de rechtbank opgedragen (onder meer) om advies uit te brengen omtrent de verwijten van [geïntimeerde] zoals genoemd onder 3.9.1 van het vonnis van de rechtbank van 3 mei 2006. Het vierde verwijt onder 3.9.1 houdt in:

“bij [geïntimeerde] zijn bedragen in euro’s in rekening gebracht die niet overeenstemmen met de facturen van derden die berekend zijn in guldens. [geïntimeerde] verwijst hierbij naar bijlage 51 bij productie 8; Derden hebben [Aannemersbedrijf] gefactureerd voor een bedrag van f 30.655,33, terwijl [Aannemersbedrijf] [appellant 3] en hem gezamenlijk een bedrag van € 30.653,84 in rekening heeft gebracht.”

3.8.2.

[geïntimeerde] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht (onder randnummer 49) aangevoerd dat de deskundige weliswaar heeft gekeken naar mogelijke “dubbeltellingen” maar heeft gemist dat [Aannemersbedrijf] facturen van onderaannemers die waren gesteld in guldens, heeft geboekt (en aan [geïntimeerde] doorberekend) in euro’s. [geïntimeerde] heeft in dit verband verwezen naar het rapport van de accountants [accountant 2] en [accountant 3] van [accountantskantoor] accountants (productie 10 bij de conclusie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] ) waarin op pagina 4 omtrent dit punt is vermeld:

- dat ten aanzien van de op weekstaten 1 en 2 van 2002 opgenomen bedragen een specificatie

is opgevraagd en in de vorm van kopiefacturen is ontvangen van [Aannemersbedrijf] ;

- dat ten aanzien van het in week 2 verantwoorde bedrag van € 14.625,- dient te worden

opgemerkt dat dit, volgens de door [Aannemersbedrijf] versterkte kopiefacturen (als bijlage 1

gevoegd bij het rapport) in guldens gestelde facturen betreffen die eerst in week 2 van 2002

in euro’s zijn verantwoord;

- dat deze foutieve verwerking niet is geconstateerd door de deskundige.

3.8.3.

[appellanten] hebben in reactie hierop in hun conclusie na deskundigenberichten onder randnummer 23 volstaan met de mededeling dat de strafkamer van de rechtbank reeds een positief oordeel heeft uitgesproken over de werkwijze die [appellanten] hebben gehanteerd ten aanzien van verslaglegging en facturatie. De strafkamer heeft daarbij volgens [appellanten] ook de uitleg en toelichting van [appellanten] begrijpelijk geoordeeld ten aanzien van de stelling van [geïntimeerde] dat [appellanten] in 2001/2002 van guldens euro’s heeft gemaakt en daardoor ruim

€ 14.000,- teveel in rekening zou hebben gebracht.

Het hof merkt hierbij op dat in de stukken met betrekking tot de strafzaak (strafvonnissen en processen-verbaal van de zitting) die door [appellanten] zijn gevoegd bij hun conclusie na deskundigenberichten, niets omtrent deze kwestie is terug te vinden.

In hun memorie van grieven volstaan [appellanten] met de mededeling (onder randnummer 36): “Ook de € 14.625,- in 2.8.10 van dit vonnis is door de rechtbank onjuist behandeld, nu appellanten tegen deze omissie wel bezwaar hebben gemaakt.”

3.8.4.

Naar het oordeel van het hof kunnen de voormelde mededelingen van [appellanten] niet als een toereikende betwisting worden aangemerkt van de - onderbouwde - stelling van [geïntimeerde] dat hier sprake is van een omissie in het rapport van de deskundige [accountant 1] .

Dit betekent dat ook deze grief van [appellanten] faalt.

3.9.

ad f) tegen het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis van 18 december 2013 dat [geïntimeerde] een bedrag van € 18.552,82 exclusief btw teveel heeft betaald en dat dit moet worden terugbetaald (rov. 2.8.8 en 2.8.9 eindvonnis en herstelvonnis).

Deze grief gaat uit van het eindvonnis zoals dat op 18 december 2013 is gewezen, zonder rekening te houden met het herstelvonnis van 5 maart 2014. In het herstelvonnis is rov. 2.8.8 hersteld in die zin dat [geïntimeerde] nog € 29.150,13 inclusief btw dient te voldoen voor de verbouwing en het schilderwerk aan het pand [adres 4] / [adres 5] .

Het hof merkt hierbij op dat niet valt te begrijpen waarom in de grieven geen rekening is gehouden met dit herstelvonnis, dit gelet op het feit dat de memorie van grieven is genomen ter rolzitting van 27 mei 2014, dus bijna drie maanden ná het herstelvonnis.

De conclusie is dat deze grief faalt.

3.10

ad g) tegen de proceskostenveroordeling in reconventie.

Naar het oordeel van het hof faalt ook deze grief. Kernpunt van het geschil tussen partijen in reconventie was of [Aannemersbedrijf] en [Schilderwerken] al dan niet aanspraak kunnen maken op het (volledige) door hen gefactureerde bedrag met betrekking tot het pand [adres 4] / [adres 5] . [appellanten] dient ten aanzien van die kwestie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt zodat zij door de rechtbank terecht in de proceskosten in reconventie zijn veroordeeld zoals vermeld in het eindarrest.

3.11.1.

[appellanten] hebben onder randnummer 37 van hun memorie van grieven bezwaar gemaakt tegen de toewijzing (in het herstelvonnis) van de wettelijke handelsrente vanaf 7 augustus 2005. Zij vorderen de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van het door hem verschuldigde bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de respectievelijke termijnen vanaf 16 juli 2002.3.11.2. Het hof overweegt hieromtrent dat [appellanten] over het hoofd zien dat de rechtbank niet de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a heeft toegewezen, maar de “gewone” wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. De rechtbank heeft dit terecht gedaan. Immers: het regime van de wettelijke handelsrente is niet van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten vóór 8 augustus 2002 (artikel II Invoeringswet van 7 november 2002, Stb 2002/545) en uit productie 9 bij de akte van [geïntimeerde] d.d. 12 januari 2005 blijkt dat ter zake van de renovatie van het pand [adres 4] / [adres 5] is gefactureerd vanaf 21 maart 2002, hetgeen impliceert dat de aannemingsovereenkomst dateert van vóór 8 augustus 2002.

Nu niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] in gebreke is gesteld ter zake van de nog openstaande facturen voordat [appellanten] hun reconventionele vordering hebben ingesteld, (het aanzeggen en in rekening brengen van rente kan niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt) heeft de rechtbank terecht de wettelijke rente doen ingaan op de datum van de CvA/CvE. Per abuis heeft de rechtbank hierbij de datum 7 augustus 2005 gehanteerd in plaats van 17 augustus 2005, maar ook ten aanzien van dit punt geldt dat [appellanten] niet slechter mogen worden van hun hoger beroep, zodat het hof deze beslissing van de rechtbank in stand laat.

3.12.

Nu alle grieven van [appellanten] falen is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld zodat beoordeling van de incidentele grieven achterwege kan blijven.

3.13.

Nu zij onvoldoende concreet feiten stellen of te bewijzen aanbieden die, als zij komen vast te staan, tot een ander oordeel leiden, wordt voorbijgegaan aan het door [appellanten] gedane bewijsaanbod.

3.14

Het hof zal de vonnissen waarvan beroep bekrachtigen.

[appellanten] dienen als de in het ongelijk gestelde partijen te worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van 6 juli 2005 en tegen de beslissingen van de rechtbank tot benoeming van de in de vonnissen genoemde deskundigen;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het principaal appel en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 308,- voor verschotten en op € 2.632,- voor salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 november 2015.

griffier rolraadsheer