Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4553

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
F 200.175.213/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 12 november 2015

Zaaknummer : F 200.175.213/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/296183 / JE RK 15-1161

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.J.J. van de Kerkhof,

tegen

Stichting Nidos,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: [woonplaats],

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek om de machtiging uithuisplaatsing af te wijzen en te bepalen dat de hierna nader te noemen minderjarigen [kind 1] en [kind 2] na de in dezen te geven beschikking worden teruggeplaatst bij de moeder, althans een zodanige beschikking te geven als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 oktober 2015, heeft de GI verzocht – naar het hof begrijpt – het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

Bij brief d.d. 13 oktober 2015 heeft de GI een tekstueel verbeterde, doch inhoudelijk gelijkluidende versie van het verweerschrift overgelegd.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van de Kerkhof;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2].

Voorts is de heer [partner van de moeder], de huidige partner van de moeder, ter zitting verschenen.

2.3.1.

De raad is niet ter zitting verschenen.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader evenmin ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 23 juli 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 27 augustus 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels beëindigde relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1]), op [geboortedatum 1] 2008, te [geboorteplaats 1];

- [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2]), op [geboortedatum 2] 2010, te [geboorteplaats 2].

De ouders zijn met het gezamenlijk gezag over de kinderen belast.

De kinderen hadden tot aan de bestreden beschikking het hoofdverblijf bij de moeder.

De moeder heeft voorts zeven oudere kinderen, waarvan de oudste thans achttien jaar is.

3.2.

[kind 1] en [kind 2] staan sinds 12 februari 2010 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 oktober 2015.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om de [kind 1] en [kind 2] met ingang van 31 juli 2015 tot uiterlijk 12 oktober 2015 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder.

Zij verblijven sinds 5 augustus 2015 in het huidige pleeggezin.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De communicatie tussen de moeder en de GI verloopt niet goed. De moeder heeft daarvoor de hulp van haar advocaat ingeschakeld. Hij heeft op 2 juli 2015 een brief naar de GI gestuurd met als doel het verbeteren van de communicatie tussen de moeder en de GI.

De GI heeft op die brief niet gereageerd en op 10 juli 2015 het verzoek tot uithuisplaatsing ingediend.

De moeder stelt dat zij openstaat voor de hulp van WIJ [woonplaats]. De enige voorwaarde die zij heeft gesteld is dat haar medische gegevens niet zonder meer aan derden zouden worden verstrekt. Dit zegt immers niets over de opvoedkwaliteiten van de moeder en van de opvoedsituatie als zodanig. Het op verzoek van de moeder gewijzigde instemmingsformulier, heeft zij niet direct ondertekend omdat zij dit nog met haar advocaat wilde bespreken.

De moeder betwist dat zij wisselvallige uitspraken doet. De angst van de GI dat zij met kinderen naar Engeland zou vertrekken en zonder hen zou terugkeren, was volgens de moeder nergens op gebaseerd. In de meivakantie is de moeder nog met de kinderen naar Engeland geweest om een bruiloft bij te wonen. Toen is de moeder ook gewoon teruggekeerd met de kinderen. De wens om te vertrekken zou bovendien haaks staan op de wens van de moeder om tot een goede samenwerking met de GI te komen. De moeder heeft geen duidelijkheid verschaft over haar vakantieadres in België en Nederland, omdat zij niet verrast wilde worden door onaangekondigde bezoekjes van WIJ [woonplaats]. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij aan WIJ [woonplaats] en de GI voor het vertrek bekend heeft gemaakt dat zij die week in Center Parcs zouden verblijven.

De moeder erkent dat zij twee (andere) kinderen die in een pleeggezin verblijven, op 15 juni 2015 heeft opgehaald. Zij kwam op dat moment echter voor haar kinderen op, die verklaarden in dat gezin als honden te worden behandeld en zelfs te worden mishandeld.

De moeder heeft een conflict met de schooldirecteur omdat zij een relatie met hem heeft gehad, die de moeder heeft beëindigd, hetgeen de directeur niet kan verdragen. De moeder stelt dat de directeur het schoolverzuim van de kinderen in scene heeft gezet. De moeder heeft de kinderen niet op 16 en 23 maart 2015 zonder toestemming uit de klas gehaald: de directeur was daar zelf bij. Het conflict met de directeur was de reden van de ruzie tussen de moeder en de heer [partner van de moeder] op 23 maart 2015. Het betrof een verbale ruzie waarvan de kinderen niet visueel getuige zijn geweest.

Dat sprake is van cognitieve problemen maakt niet dat de moeder niet in staat is om de kinderen op te voeden en/of hen daarin bij te staan. De moeder is getrouwd met een Nederlandse man. Zij kunnen samen de kinderen uitstekend bijstaan met betrekking tot cognitieve aangelegenheden. De zorgen van de GI over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen zijn nergens op gebaseerd. WIJ [woonplaats] stelt zelf dat de moeder iemand in haar netwerk heeft die haar kan ondersteunen en dat zij haar netwerk ook inzet.

De vechtpartij op 12 september j.l. heeft niet plaatsgevonden in de woning van de moeder maar voor het buurthuis. De moeder had daar niets mee te maken. Van betrokkenheid van de moeder bij vrouwenhandel is geen enkele sprake.

De contactmomenten tussen de moeder en de kinderen zijn sinds de uithuisplaatsing goed verlopen. Op 21 oktober heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de moeder, haar advocaat en de heer [partner van de moeder] en de GI omtrent de contactregeling, waarbij nadere afspraken zijn gemaakt en een evaluatiemoment is gepland. De moeder stelt dat de kinderen graag naar huis willen.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De GI heeft om de spoeduithuisplaatsing verzocht vanwege de angst dat de moeder, mogelijk als gevolg van het conflict met de schooldirecteur, met de kinderen naar Engeland zou vertrekken. De kinderen hebben meerdere malen op hun toenmalige school verklaard dat de moeder dergelijke verhalen tegen hen deed. In 2006 is de moeder al eens plotseling met haar kinderen naar Engeland vertrokken. De moeder heeft zelf ook meerdere malen verklaard dat zij met de kinderen zou vertrekken, dan wel dat zij de kinderen bij haar moeder in [woonplaats] zou laten verblijven, als de GI haar niet zou helpen om de kinderen op een andere school in te schrijven.

Een andere reden voor het verzoek van de GI was dat de kinderen opgroeiden in een opvoedklimaat dat hun onvoldoende veiligheid bood. School maakte zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2]. Beide kinderen zitten in een loyaliteitsconflict tussen de moeder en school. Zij hebben een leerachterstand. De moeder is de Nederlandse taal onvoldoende machtig om hen te helpen met schoolwerk. De door school ter zake aangeboden hulp, heeft de moeder geweigerd. [kind 2] liet ongepaste omgangsvormen zien. Hij heeft een achterstand in zijn motorische ontwikkeling. De moeder heeft geen actie ondernomen om voor hem logopedie in te zetten, omdat zij dat niet nodig achtte. Er is tevens sprake van veel schoolverzuim.

De moeder is niet voorspelbaar naar de GI en naar WIJ [woonplaats], hetgeen de samenwerking bemoeilijkt en de hulpverlening vertraagt. De moeder stelt steeds nieuwe eisen en randvoorwaarden voor de hulpverlening van WIJ [woonplaats]. Het is de GI gebleken dat de moeder het door WIJ [woonplaats] gewijzigde instemmingsformulier nimmer met haar advocaat heeft besproken. De GI is niet ingegaan op de uitnodiging van de advocaat van 2 juli 2015, omdat de moeder in het verleden vaker haar advocaat contact heeft laten opnemen met de GI, hetgeen tot niets heeft geleid. De moeder was zeer wisselend in haar berichtgeving over de vakantie met de kinderen. De moeder heeft voorts haar twee kinderen opdracht gegeven om weg te lopen uit het pleeggezin waar zij verblijven.

De kinderen zijn op 5 augustus 2015 uit huis geplaatst. De GI heeft een schriftelijke aanwijzing moeten geven, omdat de moeder weigerde de kinderen voldoende kleding en hun favoriete knuffel mee te geven. Er hebben inmiddels drie begeleide bezoeken plaatsgevonden – waarbij de moeder weinig aandacht had voor de kinderen – en vervolgens heeft de moeder aangegeven voorlopig geen begeleid contact met de kinderen te willen. De telefonische contacten komt de moeder slecht na. Als de moeder de telefoon wel opneemt, belast zij de kinderen met volwassen zaken, zoals de rechtszaak. Nu de kinderen in het pleeggezin verblijven, komt er – door de verhalen die zij vertellen – steeds meer zicht op de (zorgelijke) thuissituatie bij de moeder. Er zijn voorts zorgen over de seksueel getinte liedjes die [kind 2] zingt en de signalen die hij geeft. Ook [kind 1] laat seksueel getint gedrag zien (thuis, op school en in de omgeving) en doet zorgelijke uitspraken. Op 12 september 2015 heeft een massale vechtpartij plaatsgevonden in het huis van de moeder. De betrokkenen, waaronder de moeder, hebben hierbij verwondingen opgelopen als gevolg van messteken en/of gebroken glas. De moeder heeft bij het doen van aangifte ongevraagd verteld dat zij in “in de verkoop van vrouwen doet”.

De GI is van mening dat de zorgen sinds de uithuisplaatsing alleen maar zijn toegenomen. Het is noodzakelijk dat de kinderen in het pleeggezin blijven wonen omdat zij daar de veiligheid ervaren die nodig is om aan de geconstateerde ontwikkelingsbedreigingen te kunnen werken.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

De ontvankelijkheid

3.7.1.

Het hof stelt vast dat de door de rechtbank bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] van kracht was van 31 juli 2015 tot uiterlijk 12 oktober 2015. Deze termijn is derhalve verstreken in de loop van de procedure in hoger beroep.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ondertoezichtstelling inmiddels is verlengd voor de duur van één jaar en dat de machtiging uithuisplaatsing is verlengd voor de duur van vijf maanden.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat de moeder ondanks het voorgaande belang heeft bij het door haar ingestelde appel en mitsdien ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.

3.7.3.

In gevallen als het onderhavige, waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, wordt aangenomen dat deze ouder, gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BR5151).

3.7.4.

Gelet op het vorenstaande zal het hof een inhoudelijk oordeel geven over de grief van de moeder.

Inhoudelijke beoordeling

3.7.5.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.6.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.7.7.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof genoegzaam gebleken dat ten tijde van de bestreden beschikking er veel zorgen waren over de opvoedingsomgeving van de kinderen bij de moeder.

De zorgen betroffen onder meer het pedagogische handelen van de moeder. Er waren ernstige zorgen of de moeder wel in staat was de kinderen een veilig opvoedingsklimaat te bieden. Daarnaast was er de angst dat de moeder met de kinderen naar Engeland zou vertrekken, gebaseerd op onder meer de uitspraken van de kinderen en de moeder zelf. De GI heeft veel moeite om met de moeder in gesprek te geraken en in de samenwerking tussen de moeder enerzijds en de GI en WIJ [woonplaats] anderzijds, lukt het de betrokkenen niet om tot een werkbare vertrouwensrelatie te komen. Onder deze omstandigheden is de begeleiding van de GI en de hulpverlening van WIJ [woonplaats] onvoldoende van de grond gekomen en heeft de GI onvoldoende zicht kunnen krijgen op de opvoedingssituatie van de kinderen bij de moeder.

3.7.8.

Het hof volgt de moeder niet in haar stelling ter zitting dat de hele situatie het resultaat is van miscommunicatie tussen haar en de GI. Het hof constateert zelfstandig, op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de moeder niet betrouwbaar is in haar uitspraken en tegenstrijdige verklaringen geeft. Dit blijkt onder meer uit het volgende.

Ter zitting is gebleken dat de moeder een wisselende houding heeft ten opzichte van de uithuisplaatsing van de kinderen. De moeder was aanvankelijk - zoals ter zitting gesteld door de GI en door de moeder niet weersproken - blij en tevreden met het (Nederlandse) pleeggezin waarin de kinderen verblijven. De moeder heeft desondanks appel ingesteld van de bestreden beschikking. Het is het hof eveneens gebleken dat verklaringen van de moeder over de instemmingsverklaring waarmee de hulpverlening van WIJ [woonplaats] had kunnen starten, niet consistent zijn en dat de moeder het door WIJ [woonplaats] aangepaste formulier, zoals wel uitdrukkelijk door haar gesteld, nimmer aan haar advocaat heeft voorgelegd ter consultatie.

Op 12 september 2015 heeft een vechtpartij plaatsgevonden in de woning van de moeder. Hoewel de moeder verklaart dat deze vechtpartij niet in haar woning, maar voor het buurthuis heeft plaatsgevonden en dat zij hierbij niet betrokken was, blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2015 dat de vechtpartij wel degelijk in haar woning heeft plaatsgevonden, dat de moeder daarbij verwondingen heeft opgelopen en aangifte heeft gedaan van poging moord/doodslag. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat de moeder bij het doen van die aangifte ongevraagd heeft verklaard dat zij “in de verkoop van vrouwen doet”, om vervolgens hierop terug te komen en een andersluidende verklaring af te leggen.

3.7.9.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht en op de goede gronden heeft geoordeeld dat de uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Het hof constateert voorts dat de zorgen over de thuissituatie bij de moeder alleen maar zijn toegenomen sinds de uithuisplaatsing, mede op grond van de veelvuldige uitlatingen van de kinderen hieromtrent. Hoewel de moeder deze zorgen betwist, gaat het hof daaraan voorbij, niet alleen vanwege de gebleken vraagtekens omtrent de betrouwbaarheid van de moeder, maar ook gelet op de ernst van de zorgen, die nader onderzocht moeten worden.

3.7.9.

Uit het verdere verloop van de ondertoezichtstelling zal moeten blijken of de moeder bereid en in staat is om tot een constructieve samenwerkingsrelatie met de GI te komen. Het gesprek tussen alle betrokkenen dat op 21 oktober 2015 heeft plaatsgevonden en dat positief is verlopen, is wellicht een begin van een betere samenwerking tussen de moeder en de GI.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe evenwel dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 juli 2015;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.