Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4551

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
F 200.169.565/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:3287, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 november 2015

Zaaknummer: F 200.169.565/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/187077 / FA RK 14-108

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.H.J.M. van Heugten,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

zonder advocaat.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende] ,

hierna te noemen: de heer [belanghebbende] ,

en

mr. A.M. Holmes, in de hoedanigheid van bijzondere curator van de hierna te noemen minderjarige [kind] (hierna te noemen: de bijzondere curator).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met daarbij gevoegd het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 8 mei 2015, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning van [kind] alsnog af te wijzen, alsmede de gelaste doorhaling van de erkenning door de heer [belanghebbende] te vernietigen, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht met veroordeling van de man in de proceskosten van beide instanties.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 juni 2015, heeft de bijzondere curator verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, alsmede - voor zover rechtens mogelijk, vereist en/of relevant - de erkenning van [kind] door de heer [belanghebbende] te vernietigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Van Heugten;

- de man;

- de bijzondere curator;

- de heer [belanghebbende] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 22 september 2015.

3 De beoordeling

3.1.

De vrouw en de man hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] [kind] geboren.

De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over [kind] uit.

[kind] verblijft bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 12 maart 2014 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, mr. Holmes tot bijzondere curator voor [kind] benoemd.

3.3.

Op 27 maart 2014 is [kind] erkend door de heer [belanghebbende] .

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de man vervangende toestemming verleend tot erkenning van [kind] als zijn kind en de doorhaling gelast van de aan de geboorteakte van [kind] toegevoegde latere vermelding betreffende de door de heer [belanghebbende] gedane erkenning van [kind] .

3.5.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vrouw voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Door de zeer turbulente voorgeschiedenis in de relatie van de man en de vrouw, alsmede ook door de recentere en actuele problematiek tussen de man en de vrouw is de aversie van de vrouw tegen de door de rechtbank verleende vervangende toestemming tot erkenning zo groot dat dit ernstige en omvangrijke negatieve ontwikkelingen heeft veroorzaakt, zowel bij de vrouw als ook dat zulks schadelijke consequenties heeft voor [kind] . De relatie tussen de man en de vrouw is dermate problematisch geweest dat de erkenning door de man een toename van de psychische problematiek bij de vrouw zal veroorzaken, waardoor de belangen van [kind] ernstig in gevaar komen en de vrouw wellicht niet meer in staat zal zijn hem een positief en stabiel opvoedingsklimaat te bieden. Er is derhalve zijdens de vrouw niet slechts sprake van een enkelvoudige aversie tegen erkenning door de man, doch ook van psychische schade bij de vrouw en [kind] , waardoor [kind] zou worden belemmerd in een goede, evenwichtige en emotionele en sociaalpsychologische ontwikkeling.

De vrouw lijdt stelselmatig onder de druk en de angst dat de man wederom binnendringt in haar leefwereld en daarmee haar leven en dat van [kind] opnieuw gaat beheersen. De vrouw ervaart die druk als immens en ondraaglijk. Met name als gevolg van de gebeurtenissen in de relatie tussen haar en de man heeft zich bij de vrouw een post-traumatische stoornis ontwikkeld, waarvoor zij ook thans nog in behandeling is. Ook [kind] is onderzocht en behandeld door een kinderpsycholoog.

3.7.

De man voert ter zitting, kort samengevat, aan dat hij [kind] al sinds zijn geboorte heeft willen erkennen, maar daarin steeds is tegengewerkt door de vrouw. De man erkent dat hij door die tegenwerking de vrouw bepaalde emails heeft verstuurd en berichten en foto’s op Facebook heeft gezet waarvan hij nu spijt heeft. Voorts betwist de man dat hij zo slecht is als de vrouw beweert.

3.8.

De bijzondere curator voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Het is in het belang van [kind] dat vast komt te staan wie zijn vader is en dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Het standpunt van de vrouw dat door de erkenning door de man haar belangen bij een ongestoorde verhouding met [kind] en de belangen van [kind] worden geschaad, is niet onderbouwd. Haar stelling dat de man zich gewelddadig en/of bedreigend jegens haar heeft gedragen wordt door de man betwist, doch indien hiervan al sprake zou zijn - uit het Justitieel Documentatieregister is geen voor de man belastende informatie naar voren gekomen - is niet gebleken dat dit weerslag heeft (gehad) op haar relatie met [kind] of dat [kind] daar thans onder lijdt. Evenmin heeft de vrouw onderbouwd dat zij ten gevolge van de erkenning door de man in een zodanig onevenwichtige psychische toestand geraakt dat zij niet in staat is [kind] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft. Dat de vrouw emotionele bezwaren heeft tegen de erkenning van [kind] door de man, vormt op zichzelf geen reden om vervangende toestemming tot erkenning te weigeren.

3.9.

De raad benadrukt ter zitting het belang voor [kind] te weten waar hij vandaan komt. De raad handhaaft zijn standpunt dat door een erkenning van [kind] door de man de belangen van de vrouw en van [kind] niet zullen worden geschaad. Naar de mening van de raad worden de gedragsproblemen van [kind] niet door een erkenning veroorzaakt.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

De man heeft - voor zover hier van belang - op 21 januari 2014 bij de rechtbank het verzoek ingediend om aan hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [kind] . Vaststaat dat de heer [belanghebbende] vervolgens op 27 maart 2014 met toestemming van de vrouw [kind] heeft erkend. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE0745) kan in ieder geval vanaf het moment waarop door de verwekker een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van het kind bij de rechtbank is ingediend en totdat daarop definitief is beslist de moeder aan een ander slechts voorwaardelijke toestemming verlenen tot erkenning van het kind. Die toestemming heeft in dat geval alleen gevolg indien de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming tot erkenning bij een definitief geworden rechterlijke uitspraak is geweigerd.

Het hof zal derhalve het verzoek van de man aan hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [kind] dienen te beoordelen.

3.10.2.

Op 1 april 2014 is in werking getreden de Wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Stb. 2013, 480). Nu in deze wet geen overgangsrecht is opgenomen, gaat het hof - evenals de rechtbank- uit van de onmiddellijke werking van de wet en zal het hof het verzoek beoordelen op grond van het nieuwe bepalingen.

3.10.3.

Ingevolge artikel 1:204, derde lid, BW kan – voor zover hier van belang – de toestemming tot erkenning van de vrouw wier kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits de man de verwekker van het kind is.

3.10.4.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker van [kind] is. Partijen verschillen echter over het antwoord op de vraag of de voorgenomen erkenning de belangen van [kind] in de zin van een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [kind] en/of de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [kind] zal schaden.

3.10.5.

Het hof overweegt dat het voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige zal schaden of door erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, aan komt op een afweging van de belangen van alle betrokkenen.

Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Door het hof zal de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de vrouw en het kind op niet-erkenning.

3.10.6.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat aan de man vervangende toestemming tot erkenning van [kind] moet worden verleend. Het hof voegt daar aan toe dat de vrouw haar stellingen met betrekking tot haar psychische problematiek in verband met de erkenning en de gevolgen daarvan voor haar verhouding met [kind] niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen, temeer nu de man betwist dat haar psychische problemen te herleiden zijn naar hem. De vrouw heeft slechts een verwijsbrief van haar huisarts d.d. 14 november 2014 overgelegd, waarin een vermoeden van PTSS staat vermeld. Ter zitting heeft zij weliswaar nog aangegeven dat zij gesprekken heeft met een psycholoog doch hiervan is het hof overigens niet gebleken. Dat de ontwikkeling van [kind] thans geen directe aanleiding geeft tot zorg leidt het hof daaruit af dat, zo heeft de vrouw gemeld, de psycholoog de hulpverlening aan hem heeft beëindigd.

Ter zitting is het hof gebleken dat de vrouw zich niet zozeer laat leiden door de belangen van [kind] , doch vooral door haar persoonlijke weerstand tegen de man, hetgeen zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, onvoldoende grond is om aan de man, die er veel aan is gelegen zijn relatie met [kind] ook juridisch erkend te zien, vervangende toestemming tot erkenning van [kind] te weigeren.

3.10.7.

Het voorgaande in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat de belangen van de man en [kind] bij erkenning zwaarder dienen te wegen dan de belangen van de vrouw en [kind] bij niet-erkenning.

3.11.

Het bewijsaanbod van de vrouw met betrekking tot haar stellingen wordt door het hof gepasseerd als te algemeen en niet, althans niet voldoende, gespecificeerd.

3.12.

Nu aan de man vervangende toestemming wordt verleend, heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de met (voorwaardelijke) toestemming van de vrouw tot stand gekomen erkenning van [kind] door de heer [belanghebbende] niet het beoogde rechtsgevolg. Het hof concludeert dat zodra onderhavige beschikking in kracht van gewijsde is gegaan de erkenning van [kind] door de heer [belanghebbende] op grond van artikel 1:204, eerste lid, onder c, BW, nietig is.

Ter zitting heeft de curator zijn verzoek de erkenning van [kind] door de heer [belanghebbende] te vernietigen ingetrokken. Het hof zal het verzoek van de curator in hoger beroep, als gevolg van de intrekking, als het meer of anders verzochte afwijzen.

3.13.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

3.14.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Nu de rechtbank met betrekking tot de proceskosten nog geen beslissing heeft gegeven, dient het hof zich te beperken tot een beoordeling van de proceskosten in hoger beroep. Gelet op de aard en de uitkomst van de procedure waarbij de man in het gelijk wordt gesteld, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 februari 2015 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover het betreft de vervangende toestemming tot erkenning van [kind] en de doorhaling van de aan de geboorteakte van [kind] toegevoegde latere vermelding betreffende de door de heer [belanghebbende] gedane erkenning van [kind] ;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, E.L. Schaafsma-Beversluis en

A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.