Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4544

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
F 200.174.083/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:445
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:538
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing uit het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 12 november 2015

Zaaknummer : F 200.174.083/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/292508 FA RK 14-8709

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

en

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de vader, respectievelijk de moeder, tezamen ook de ouders,

advocaat: mr. J. van Rooijen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI);

- de heer en mevrouw [de pleegouders 1] (hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1] );

- de heer en mevrouw [de pleegouders 2] (hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 3] );

- de heer [de pleegouders 3] en mevrouw [de pleegouders 3] (hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2] ).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 april 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juli 2015, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de rechtsgronden, het in eerste aanleg gedane verzoek van de raad strekkende tot ontheffing van de ouders uit het gezag over hun drie minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling is aangevangen op 3 september 2015. Op die zitting is de behandeling aangehouden, omdat de raad niet was verschenen.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 28 september 2015.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Van Rooijen;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2] .

2.3.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Ook de pleegouders van alle drie de kinderen zijn niet verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 19 augustus 2015;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 april 2015, met daaraan gehecht de door de advocaat van de ouders overgelegde pleitnotities.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de voorhuwelijkse relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

3.2.

[minderjarige 1] staat sinds 1 oktober 2007 onder toezicht van de stichting en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] sinds 17 oktober 2011. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 mei 2015.

De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 27 september 2012 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uur. [minderjarige 1] verblijft sinds november 2013 in het perspectief biedende pleeggezin van de heer en mevrouw [de pleegouders 1] . [minderjarige 2] verblijft

sinds oktober 2013 in het perspectief biedende pleeggezin van de heer [de pleegouders 3] en mevrouw [de pleegouders 3] en [minderjarige 3] verblijft sinds april 2014 in het perspectief biedende pleeggezin van de heer en mevrouw [de pleegouders 2] .

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en de GI tot voogdes over de kinderen benoemd.

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Aan de wettelijke vereisten voor een gedwongen ontheffing van het gezag is niet voldaan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat de ouders onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen. Het verzoek van de raad tot ontheffing is prematuur, nu de ouders al geruime tijd in het belang van de kinderen aan zichzelf en aan hun persoonlijke situatie werken. De ouders stellen zich op het standpunt dat zij op een aanvaardbare termijn in staat kunnen worden geacht de verzorging en de opvoeding van de kinderen weer op zich te nemen. Zij zijn nog steeds van mening dat onvoldoende onderzoek is verricht naar hun opvoedingsvaardigheden en hun leerbaarheid. De ouders stellen dat zij nooit een eerlijke kans hebben gehad om de kinderen weer zelf te verzorgen en op te voeden. Het onderzoek in het kader van het pedagogisch model is onevenwichtig en onvolledig geweest. Zo is er onder meer nooit toegewerkt naar het logeren van de kinderen bij de ouders. De ouders betwisten de conclusies van het pedagogisch model en doen opnieuw een verzoek op basis van artikel 810a lid 2 Rv om een contra-expertise te laten uitvoeren door een deskundige of een deskundige instelling zoals het Ambulatorium.

Gedurende de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de kinderen hebben de ouders steeds volledig meegewerkt met de GI, alhoewel zij ook kritisch zijn ten aanzien van de hulpverlening. De ouders zijn zeer betrokken bij de kinderen en hebben indien nodig - anders dan in het rapport van de raad staat vermeld - steeds toestemming gegeven voor belangrijke beslissingen in het belang van de kinderen. De ouders willen door middel van het behoud van het gezag bij deze beslissingen betrokken blijven.

Verder spreken de ouders naar de kinderen toe altijd uit dat zij in de pleeggezinnen mogen wonen, zodat van spanningen rondom de jaarlijkse verlenging van de uithuisplaatsing geen sprake is.

De vader heeft ter zitting onder meer verklaard dat de ouders niet op de juiste momenten hulp hebben gehad. Zo is de schuldhulpverlening nooit van de grond gekomen en zijn de ouders bij de geboorte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in het diepe gegooid.

3.6.

De GI voert ter zitting - in het kort - het volgende aan. Alle drie de kinderen wonen momenteel in een perspectief biedend pleeggezin en zijn zich aan het hechten. Een ontheffing zorgt voor de noodzakelijke rust en duidelijkheid omtrent het toekomstperspectief van de kinderen. Bij alle kinderen is sprake van een achterstand in hun ontwikkeling. Het zijn kwetsbare kinderen. [minderjarige 1] kan moeilijk aansluiting vinden bij leeftijdgenoten. Zij heeft traumabehandeling nodig. Bij Herlaarhof heeft inmiddels een intakegesprek plaatsgevonden. [minderjarige 1] voelt zich schuldig over de uithuisplaatsing. Ook [minderjarige 3] heeft moeite met de aansluiting bij leeftijdgenoten. Verder heeft hij problemen met taal. Mogelijk wordt er logopedie en therapie gericht op het vergroten van zijn zelfvertrouwen ingezet. [minderjarige 2] krijgt logopedie.

De kinderen voelen de spanning rondom de jaarlijkse verlenging van de maatregelen, ook al houden de ouders hun verzet daartegen voor zich.

In het kader van de uitvoering van het pedagogisch model is niet toegekomen aan het logeren van de kinderen bij de ouders, omdat de kinderen zorgwekkend gedrag vertoonden.

De begeleide bezoekregeling tussen de ouders en de kinderen verloopt goed. De ouders laten veel liefde zien richting de kinderen. De kinderen zijn soms wat chaotisch.

3.7.

De raad voert ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Mede ten gevolge van de uithuisplaatsing ontwikkelen de kinderen zich thans goed. Ten tijde van de uithuisplaatsing hadden de kinderen een forse achterstand in hun ontwikkeling. Een ontheffing van het gezag zal voor de noodzakelijke duidelijkheid omtrent het opvoedperspectief van de kinderen zorgen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet op het ingrijpende karakter van de maatregel van ontheffing van het gezag, het verzoek van de ouders ex artikel 810a Rv toegewezen dient te worden.

Het hof acht een onderzoek door onafhankelijke deskundigen aangewezen en overweegt ter zake dat het verzoek van de ouders daartoe voldoende concreet is en mede tot de beslissing van de zaak kan leiden. Het hof acht aannemelijk dat het nadere onderzoek, wat de uitkomst daarvan ook zal zijn, duidelijkheid kan verschaffen over de capaciteiten van de ouders en hun mogelijkheden en onmogelijkheden om de zorg voor de kinderen eventueel weer op zich te nemen.

3.9.

Het hof is voornemens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te verzoeken binnen een termijn van veertien dagen na deze beschikking deskundigen voor te dragen, die bereid zijn de onderzoeksopdracht te aanvaarden en te rapporteren, met inachtneming daarbij van de regels der kunst voor dit soort rapportages, inhoudende dat het rapport op inzichtelijke wijze tot stand moet komen, waarbij in het rapport consistent dient te worden uiteengezet waarop de conclusies zijn gebaseerd, de gronden steun vinden in het rapport en de conclusies kunnen rechtvaardigen en waarbij voorts geldt dat de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid en de methode van onderzoek in redelijkheid tot beantwoording van de vragen kan leiden.

Het betreft hier een deskundigenbericht in de zin van artikel 810a Rv.

Hierbij overweegt het hof dat van de zijde van de ouders is verzocht een deskundigenonderzoek door het Ambulatorium te gelasten. Het is het hof evenwel ambtshalve bekend dat door het Ambulatorium geen forensische diagnostiek meer wordt verricht, maar dat uit het kernteam diagnostiek van het Ambulatorium het samenwerkingsverband Formaat is voortgekomen. Het hof verzoekt het NIFP twee aan Formaat verbonden deskundigen in overweging te nemen.

Hierbij merkt het hof op dat, hoewel alleen het verzoek tot ontheffing thans aan het hof voorligt, het hof in dit kader niet alleen de mogelijkheden en onmogelijkheden van de ouders in de huidige situatie, maar eveneens de mogelijkheden en onmogelijkheden van een eventuele thuisplaatsing van de kinderen wenst te laten onderzoeken, ten einde een verantwoorde beslissing te kunnen nemen.

3.10.

Het hof is voornemens aan de deskundigen onderzoeksvragen zoals hierna vermeld voor te leggen en zij zullen worden verzocht hieromtrent het hof te rapporteren en te adviseren.

De onderzoeksvragen luiden als volgt:

- hoe kunnen de ontwikkeling en het huidige functioneren van de kinderen worden beschreven aan de hand van de volgende gebieden: cognitieve ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling en gehechtheidsontwikkeling?

- indien er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op één of meer ontwikkelingsgebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn en in hoeverre vragen de kinderen als gevolg daarvan meer dan gemiddelde pedagogische vaardigheden van hun opvoeders?

- wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen van de ouders in relatie tot de kinderen, met name wat betreft hun opvoedingsstijl, hun inzicht in eigen pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen en hun relatie tot en de interactie met de kinderen?

- zijn er indicaties voor nader persoonlijkheids- en/of psychiatrisch onderzoek van de ouders?

- zijn er indicaties voor specifieke hulpverlening voor de ouders en zo ja, in welke vorm en waar dient deze zich dan op te richten?

- wat zijn de (contra)indicaties voor een thuisplaatsing bij de ouders?

Indien een thuisplaatsing (op korte of lange termijn) wordt geadviseerd:

- hoe kan de thuisplaatsing vormgegeven worden, zodanig dat dit de ontwikkeling van de kinderen ten goede komt?

- is hierbij professionele begeleiding nodig en zo ja, aan welke begeleiding wordt gedacht?

Indien thuisplaatsing niet wordt geadviseerd:

- indien het hof op basis van de beantwoording van bovenstaande onderzoeksvragen tot het oordeel komt dat de ouders ongeschikt of onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen, welke gevolgen zou dit dan hebben voor (de ontwikkeling van) de kinderen?

- welke gevolgen zou een ontheffing van de ouders van het gezag over de kinderen, dan wel de afwijzing van het verzoek van de raad tot ontheffing, hebben voor (de ontwikkeling van) de kinderen?

Algemeen:

- in hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren, die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

3.11.

Indien voor toewijzen van het onderzoek meer of andere informatie nodig is dan uit het dossier blijkt, kan het NIFP het hof schriftelijk om nadere gegevens vragen alvorens deskundigen voor te stellen en nadere of andere vragen te formuleren.

3.12.

Het bericht van het NIFP zal door het hof worden doorgezonden aan partijen. Partijen kunnen daarop binnen één week laten weten of de door het hof voorgestelde vragen in hun visie nog aanvulling behoeven, wat hun zienswijze is ten aanzien van de eventuele aanvulling van het NIFP op dat punt en of bezwaar bestaat tegen de benoeming van de deskundigen die door het NIFP worden voorgedragen. Indien het NIFP eerst nadere informatie nodig heeft, kunnen partijen kenbaar maken of en welke bezwaren er bestaan tegen de verstrekking van de aanvullende gegevens die het NIFP nodig heeft.

3.13.

Het hof laat aan de deskundigen de inrichting van het onderzoek over met dien verstande dat zij de “leidraad deskundige in civiele zaken” in acht dienen te nemen, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

3.14.

Het hof zal mr. M.J. van Laarhoven tot raadsheer-commissaris benoemen, tot wie de deskundigen zich door tussenkomst van de griffie dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

3.15.

Het hof wijst partijen en belanghebbenden er op dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door deskundigen. Wanneer de medewerking wordt geweigerd kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht en zal het hof op basis van de huidige stukken een beslissing over het verzoek nemen.

3.16.

Het hof zal in afwachting van het deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing aanhouden.

3.17.

Het aan de deskundige toekomende bedrag wordt bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor en krachtens de wet gestelde regelingen ten laste van ’s Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald, bijzondere omstandigheden voorbehouden. Het hof tekent hierbij aan dat het NIFP of de aanbevolen deskundige een offerte van de deskundige voor de kosten van het onderzoek vooraf aan het hof dient te sturen, en dat het akkoord van het hof hierop dient te worden afgewacht alvorens het onderzoek gestart wordt.

3.18.

Op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 1 van het Besluit van 1 september 1995, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 810a Rv, zijn de ouders die op grond van artikel 810a Rv verzoeken een deskundige te benoemen, aan de griffier een eigen bijdrage verschuldigd zoals vermeld in lid 2 tot en met 4 van dat artikel.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie om onafhankelijk deskundigen voor te dragen voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor onder 3.10 vermelde vragen;

verzoekt het NIFP het hof te berichten als hiervoor overwogen en, indien deskundigen worden voorgesteld, een offerte van hun kosten te verstrekken als hiervoor overwogen en wel uiterlijk op 26 november 2015;

stelt partijen in de gelegenheid om te reageren op de hiervoor bedoelde informatie van het NIFP op uiterlijk 3 december 2015;

benoemt mr. M.J. van Laarhoven tot raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan tot pro forma 10 december 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, M.C. Bijleveld - van der Slikke en E.L. Schaafsma - Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.