Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4535

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
F 200.166.220/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3659
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling met grootouders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/64.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 november 2015

Zaaknummer: F 200.166.220/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/282319/ FA RK 14-4272

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal appel,

verweerders in incidenteel appel,

hierna te noemen: de grootvader respectievelijk de grootmoeder, tezamen grootouders,

advocaat: mr. R.T.P. Tielemans,

tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 maart 2015, hebben de grootouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] is afgewezen, en, opnieuw rechtdoende:

1. tussen de grootouders en de hierna nader te noemen [minderjarige] een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] :

- gedurende de eerste twee maanden wekelijks op een nader overeen te komen dagdeel in het weekend en nader overeen te komen tijdstippen, afhankelijk van wat passend is voor de moeder en [minderjarige] , bij de grootouders zal zijn;

- na verloop van de eerste twee maanden eens per twee weken op zaterdag, op nader overeen te komen tijdstippen, afhankelijk van wat passend is voor de moeder en [minderjarige] , bij de grootouders zal zijn;

- na verloop van de eerste zes maanden in aanvulling op voormelde omgangsregeling eens per maand van zaterdag tot zondag, op nader overeen te komen tijdstippen, afhankelijk van wat passend is voor de moeder en [minderjarige] , bij de grootouders zal zijn,

2. te bepalen dat de grootouders het recht hebben telefonisch contact op te nemen met [minderjarige] eens per twee weken in het weekend dat [minderjarige] niet bij hen verblijft en wanneer zich belangrijke gebeurtenissen voordoen aangaande [minderjarige] , in ieder geval de verjaardagen van [minderjarige] en daarnaast op haar verjaardag een cadeautje te mogen sturen en af en toe een kaartje;

3. te bepalen dat [minderjarige] enkele dagen in de schoolvakanties bij de grootouders blijft logeren;

4. te bepalen dat [minderjarige] op de verjaardagen van de grootmoeder (16 november ) en grootvader (10 oktober) bij de grootouders is van 14.00 uur tot 18.00 uur;

5. althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen tussen de grootouders en [minderjarige] die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 mei 2015, heeft de moeder verzocht, naar het hof begrijpt, het verzoek van de grootouders af te wijzen.

Tevens heeft de moeder incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover het verzoek van de grootouders om een omgangsregeling te bepalen met [minderjarige] is afgewezen, en appellanten in hun verzoeken alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 12 juni 2015, hebben de grootouders verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel dit verzoek af te wijzen en om de moeder te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de grootouders, bijgestaan door mr. Tielemans;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Weehuizen;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 oktober 2014.

2.4.1.

Het hof heeft partijen bij brief van 31 juli 2015 in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over het voornemen van het hof een ouderschapsonderzoek te gelasten. In reactie daarop heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de grootouders d.d. 14 augustus 2015;

  • -

    het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 20 augustus 2015.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

De moeder en de zoon van de grootouders, de heer [de vader] (hierna: de vader), hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De relatie van de moeder en de vader (hierna tezamen: de ouders) is eind mei 2012 beeindigd. De vader had [minderjarige] erkend.

De vader is op 7 september 2013 overleden.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder verplicht om de grootouders ieder jaar in januari en juli over (de schoolgang en de gezondheid van) [minderjarige] te informeren en hen een aantal recente foto’s van [minderjarige] te sturen en de verzoeken van de grootouders om een omgangsregeling tussen hen en [minderjarige] vast te stellen, afgewezen.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing (deels) niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De grootouders voeren het volgende aan. Het recht op omgang van [minderjarige] met de niet met gezag belaste ouder, ofwel grootouders, is niet alleen gewaarborgd door de Nederlandse wet, maar ook door Europese regelgeving. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt daarbij dat omgang tussen het kind en naaste familieleden, waaronder grootouders, in beginsel in belang van het kind is, omdat het kind hierdoor zijn herkomst (beter) leert kennen, hetgeen in het belang van de identiteitsontwikkeling van het kind is. Dit geldt te meer voor [minderjarige] , omdat de vader is overleden.

De grootouders stellen een hecht gezin te hebben gevormd met de ouders; zij hadden een goede verstandhouding. De grootouders hebben de moeder destijds opgenomen in hun gezin. Zij stellen intensief betrokken te zijn geweest bij de zwangerschap van de moeder en na de geboorte – evenals na de beëindiging van de relatie tussen de ouders – veel tijd te hebben doorgebracht met [minderjarige] en haar ook te hebben verzorgd. Zij hebben [minderjarige] op 18 september 2013 voor het laatst gezien.

De grootouders willen graag een vorm van contact met [minderjarige] . Zij zijn van mening dat hun relatie met de moeder voldoende mogelijkheden biedt om omgang te bespreken en om contact met elkaar te hebben. De grootouders willen geen conflict met de moeder en willen evenmin onrust veroorzaken in het leven van [minderjarige] . Zij betwisten dat [minderjarige] klem zal komen te zitten tussen hen en de moeder.

De grootouders stellen in staat te zijn voldoende rekening te houden met de gevoelens van de moeder en zij staan open voor iedere vorm van communicatie, een raadsonderzoek, mediation of een ouderschapsonderzoek teneinde contact met [minderjarige] te krijgen. De grootouders vinden dat de rechter de totstandkoming van een omgangsregeling dient te bevorderen.

De grootouders vinden dat de moeder het belang van [minderjarige] ondergeschikt maakt aan haar eigen belang, waaronder haar financiële belang, terwijl de moeder haar gekwetstheid ondergeschikt zou moeten maken aan het belang van [minderjarige] , zodat de relatie met dier grootouders kan worden voortgezet.

3.5.

De moeder voert het volgende aan. Zij stelt dat geen sprake is geweest van liefdevolle en harmonieuze verhoudingen tussen haar en de grootouders.

Het gedrag van de vader veranderde vanaf het moment dat de ouders gingen samenwonen en verergerde tijdens de zwangerschap en nadat [minderjarige] was geboren. De vader is de moeder slecht gaan behandelen en de moeder ontving hierin geen enkele steun van de grootouders. Het contact tussen de moeder en de grootouders is in de loop van de zwangerschap zwaar bekoeld.

Daarbij stelt de moeder dat de vader haar heeft getracht te wurgen en dat de grootouders in gebreke zijn gebleven om haar te beschermen. De relatie tussen de ouders is daarna beëindigd en de moeder heeft het contact met de grootouders verbroken. Derhalve bestond er reeds lang voor het overlijden van de vader geen relatie meer tussen hen; deze relatie is nadien ook niet hersteld, behoudens enkele ontmoetingen kort na het overlijden van de vader. De moeder voelt zich door de grootouders onheus bejegend, ook na het overlijden van de vader. Zij wil niets meer met de grootouders te maken hebben en stelt bang te zijn dat de grootouders voor [minderjarige] veel negativiteit zullen brengen. [minderjarige] is nog jong en kwetsbaar. De moeder wenst niet mee te werken aan een ouderschapsonderzoek of aan de benoeming van een bijzondere curator voor [minderjarige] . De grootouders zijn slechts in staat om hun eigen visie als juist te beschouwen en familieleden, waaronder de vader, dienden zich hieraan te conformeren.

Volgens de moeder hebben de grootouders geen family life met [minderjarige] (gehad). [minderjarige] heeft nooit een gezin gevormd met de grootouders of bij hen gewoond. Op de momenten dat de vader omgang had met [minderjarige] , zorgde de vader voor haar en niet de grootouders.

De moeder geeft [minderjarige] liefdevolle herinneringen aan de vader.

3.6.

De raad heeft ter zitting geadviseerd dat het in het belang van [minderjarige] is om de grootouders te leren kennen, maar dat [minderjarige] hierin afhankelijk is van de moeder. Zolang de moeder niet in staat is om een contactregeling aan te gaan, ziet de raad geen mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de grootouders. De moeder zal [minderjarige] ruimte moeten geven voor het contact. De mogelijkheden zijn afhankelijk van de verstandhouding tussen de moeder en de grootouders; zij zullen moeten gaan communiceren.

Volgens de raad kan er een opening ontstaan door een bijzondere curator te benoemen die redeneert vanuit het belang van [minderjarige] .

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

Ontvankelijkheid

3.8.

Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.8.1.

Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat tussen de grootouders en [minderjarige] sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Ter aanvulling overweegt het hof dat in zaken betreffende omgangsrecht geen hoge eisen dienen te worden gesteld aan family life indien er sprake van is dat een kind regelmatig is verzorgd door de grootouders die omgang verzoeken. Het hof acht ten aanzien van de grootouders en [minderjarige] voldoende gebleken dat er sprake is geweest van regelmatige verzorging. Daaraan kan niet afdoen dat het contact inmiddels al geruime tijd is geëindigd.

Inhoudelijke beoordeling

3.9.

Het hof heeft kennis genomen van de reactie van de advocaat van de moeder op het voornemen van het hof een ouderschapsonderzoek te gelasten, alsmede op de in dit kader geformuleerde concept-vragen. Onderdeel van het ouderschapsonderzoek is een mediation(achtige) fase teneinde te beproeven of partijen niet alsnog in staat zijn tot enige vorm van overeenstemming te geraken inzake het voorliggende geschil.

Gelet op de bezwaren van de moeder tegen een ouderschapsonderzoek zal het hof een zodanig onderzoek thans niet gelasten.

3.9.1.

Het hof acht zich echter op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een definitieve beslissing te kunnen nemen.

Het hof overweegt dat uit de overgelegde stukken en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder en de grootouders niet, dan wel onvoldoende in staat zijn om met elkaar te communiceren en daardoor niet in staat zijn om de tussen hen bestaande geschillen, waaronder een eventueel vast te stellen omgangsregeling tussen [minderjarige] en de grootouders, in gezamenlijk overleg op te lossen. De moeder voelt, vooral na het overlijden van de vader, geen erkenning van de grootouders en wenst geen contact meer met hen te hebben waardoor aan [minderjarige] het contact met de grootouders wordt onthouden.

Het hof is evenwel van oordeel dat omgang tussen [minderjarige] en de grootouders in beginsel in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. In dit geval acht het hof daarbij van belang dat de vader van [minderjarige] is overleden en dat de grootouders van vaderszijde voor [minderjarige] de enige rechtstreekse bloedband met de vader vormen en dat de omgang op een positieve manier zou kunnen bijdragen aan de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Daarbij hebben [minderjarige] en de grootouders in beginsel recht op omgang met elkaar, nu het hof van oordeel is dat sprake is van family life. De huidige strijd die partijen voeren blokkeert genoemde rechten. Het hof is dan ook van oordeel dat partijen thans en voor de toekomst in het belang van [minderjarige] hun verstandhouding dienen te normaliseren, zodat toegewerkt kan worden aan contactherstel tussen de grootouders en [minderjarige] .

3.9.2.

Gelet op het bovenstaande zal het hof partijen verwijzen naar het omgangshuis van De Combinatie te [vestigingsplaats] teneinde onder begeleiding weer contact tot stand te laten komen tussen de grootouders en [minderjarige] . Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het contactherstel via het omgangshuis met voldoende waarborgen is omkleed, nu dit traject door professionals wordt begeleid, zodat het contact op een zeer zorgvuldige wijze tot stand zal komen en daarbij eventuele negatieve invloeden op de ontwikkeling van [minderjarige] , waarvoor de moeder vreest, tot een minimum zullen worden beperkt. Het hof acht het dan ook aangewezen dat De Combinatie de regie gaat voeren over hoe invulling gegeven gaat worden aan de opbouw van de contacten en dat partijen zich hieraan zullen conformeren. Daarbij is van belang dat zicht ontstaat op de wijze waarop de grootouders invulling geven aan het contact, hoe [minderjarige] hierop reageert en of het in het belang van [minderjarige] wenselijk is of, en zo ja, binnen welke termijn en met welke duur en frequentie er onbegeleide contacten zullen gaan plaatsvinden.

Het hof verzoekt het omgangshuis van De Combinatie te starten met een begeleide omgang en het hof – met inachtneming van in ieder geval voormelde punten – verslag uit te brengen over het verloop daarvan.

3.9.3.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak zeven maanden aanhouden, teneinde de resultaten van de omgangsbegeleiding van De Combinatie af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van De Combinatie.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

verwijst partijen voor het tot stand brengen van contacten tussen de grootouders en

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] naar het omgangshuis

van De Combinatie te [vestigingsplaats] , waarbij de opbouw van de contacten zal geschieden onder

regie van De Combinatie;

verzoekt De Combinatie tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.9.2. is overwogen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 9 juni 2016;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, M.C. Bijleveld-van der Slikke en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.