Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4526

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
14/01009 tot en met 14/01013
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2427, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[Belanghebbende] is directeur van [D] BV en, middels Stichting [E] BV, enig aandeelhouder in [D] BV. Belanghebbende is de enige werknemer van [D] BV en kreeg hiervoor een loon toegekend van € 99.000. De BV heeft in de voorliggende jaren geen aangifte loonheffing gedaan en evenmin loonbelasting afgedragen.

[Belanghebbende] heeft voor jaren aangiften IB/PVV gedaan en daarbij telkens € 99.000 als brutoloon aangegeven en telkens bedragen als ingehouden en te verrekenen loonbelasting en premie volksverzekeringen opgevoerd.

Het Hof is, evenals de inspecteur, van oordeel dat er geen sprake is van ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen nu er geen oogmerk tot afdracht bestond bij [D] BV. [D] BV heeft sinds 2003 geen aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen meer gedaan en het loonbelastingnummer is sinds 2006 ingetrokken zonder dat [belanghebbende] namens de BV heeft verzocht om heractivering van het loonbelastingnummer. Aangezien [belanghebbende] als aandeelhouder en directeur als enige zeggenschap over het betalingsgedrag van de BV had, is hij ten aanzien van de inhouding ook niet te goeder trouw. Ook de stelling van [belanghebbende] dat hij slechts het nettoloon heeft genoten wordt door het Hof verworpen, omdat [belanghebbende] onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt tot welk bedragen het overeengekomen loon is uitbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2537
V-N 2016/5.2.2
FutD 2015-2926
NTFR 2016/323 met annotatie van mr. E. Alink RB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/01009 tot en met 14/01013

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 september 2014, nummers AWB 12/6248 en AWB 13/4100 tot en met 13/4103 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde (navorderings)aanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] .H.67 over het jaar 2006 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.474. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] .H.77 over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.431, alsmede bij beschikking een boete van € 9.766. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] .H.87 over het jaar 2008 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.450, alsmede bij beschikking een boete van € 6.708. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.4.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] .H.96 voor het jaar 2009 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.087, alsmede bij beschikkingen boetes van € 7.838, respectievelijk € 226. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.5.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] .H.06 voor het jaar 2010 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 93.358, alsmede bij beschikking een boete van € 12.717. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.6.

De navorderingsaanslag en heffingsrentebeschikking voor het jaar 2006 zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur met dagtekening 18 oktober 2012 gehandhaafd. De (navorderings)aanslagen, boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen voor de jaren 2007 tot en met 2010 zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur met dagtekening 19 juni 2013 gehandhaafd.

1.7.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 en de gelijktijdig opgelegde beschikking heffingsrente heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. Ter zake van het beroep tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2007 tot en met 2010, de gelijktijdig opgelegde boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

De Rechtbank heeft het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 ongegrond verklaard en het beroep tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2007 tot en met 2010, voor zover het de vergrijpboetes betreft, gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar die zien op de vergrijpboetes vernietigd en de vergrijpboetes verminderd tot € 2.000 voor elk jaar.

1.8.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10.

De zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, zijn gemachtigde de heer [A] en, ter bijstand, de heer [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] .

1.11.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een brief van 10 maart 2003.

1.12.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.13.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is directeur van [D] B.V. (hierna: de BV) en, middels Stichting [E] B.V., enig aandeelhouder in de BV. Belanghebbende is de enige werknemer van de BV. De BV heeft een loon toegekend van € 99.000. De BV heeft ter zake van dit bedrag een last in aanmerking genomen.

2.2.

De BV heeft vanaf 2003 geen aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen ingediend en sindsdien ook geen loonbelasting en premie volksverzekeringen afgedragen. Het aan de BV toegekende loonbelastingnummer is per 17 januari 2006 ingetrokken door de Inspecteur.

2.3.

Het fiscale ondernemingsvermogen van de BV is, volgens de door de BV ingediende aangiften vennootschapsbelasting, bij aanvang van 2007 € 252.499 negatief en laat een dalend verloop zien tot een vermogen van € 821.903 negatief ultimo 2010. Tot de bezittingen van de BV behoort onder andere een vordering op belanghebbende. Deze vordering bedroeg:

ultimo 2007

€ 134.226

ultimo 2008

€ 25.038

ultimo 2009

€ 29.834

ultimo 2010

€ 44.786

2.4.

Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren aangiften IB/PVV gedaan en daarbij telkens € 99.000 als brutoloon aangegeven. Belanghebbende heeft bij die aangiften als ingehouden en te verrekenen loonbelasting en premie volksverzekeringen opgevoerd:

2006

€ 42.509

2007

€ 42.242

2008

€ 42.246

2009

€ 42.155

2010

€ 42.272

2.5.

De in de aangiften IB/PVV vermelde bedragen aan ingehouden en te verrekenen loonbelasting en premie volksverzekeringen zijn voor de jaren 2006, 2007 en 2008 als voorheffing in aanmerking genomen. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2006, 2007 en 2008 en de aanslagen voor de jaren 2009 en 2010 heeft de Inspecteur de in aanmerking genomen voorheffingen niet geaccepteerd. Voor de jaren 2007 tot en met 2010 heeft de Inspecteur vergrijpboetes opgelegd ter hoogte van 50% van de te weinig betaalde belasting wegens opzettelijk nalatig handelen. Voor het jaar 2009 is tevens een verzuimboete opgelegd wegens het te laat doen van de aangifte IB/PVV.

2.6.

De Rechtbank heeft - vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende - de vergrijpboetes gematigd tot € 2.000 per jaar oftewel € 8.000 in totaal.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende recht op verrekening van de in de aangiften IB/PVV 2006 tot en met 2010 opgenomen bedragen aan loonbelasting en premie volksverzekeringen?

II. Is het loon op het juiste bedrag vastgesteld?

III. Zijn de boetes terecht opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord en de tweede en derde vraag ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, alsmede tot vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2006 t/m 2008 en vermindering van de aanslagen IB/PVV 2009 en 2010, vernietiging van de boetebeschikkingen en dienovereenkomstige vernietiging respectievelijk vermindering van de beschikkingen heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

De (navorderings)aanslagen IB/PVV

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de Rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen omdat niet mocht worden gemeend dat de BV aan haar verplichting tot afdracht zou voldoen. Volgens belanghebbende is de Rechtbank voorbij gegaan aan de vraag of er sprake is van ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen in de zin van artikel 9.2 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Belanghebbende stelt tevens dat hij slechts het nettoloon heeft genoten.

4.2.

Op grond van artikel 9.2, eerste lid, Wet IB 2001 en de artikelen 9.1, derde lid, en 9.2, zesde lid, Wet IB 2001 wordt de loonbelasting die is ingehouden op grond van artikel 27 Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) en de bij wijze van inhouding geheven premie volksverzekeringen aangemerkt als voorheffing. Van inhouding in de zin van artikel 27, eerste lid, Wet LB 1964 is sprake indien de inhoudingsplichtige een gedeelte van het overeengekomen brutobedrag van het loon niet uitbetaalt en dit geschiedt met het oogmerk het niet uitbetaalde bedrag als loonbelasting af te dragen. Dat de afdracht daadwerkelijk plaatsvindt is geen voorwaarde om van inhouding te kunnen spreken (zie Hoge Raad 24 december 2010, nr. 09/01685, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118). Artikel 27, tweede lid, Wet LB 1964 verplicht de inhoudingsplichtige om de belasting in te houden op het tijdstip waarop het loon wordt genoten. Het loon wordt genoten op het moment waarop het betaald of verrekend wordt, ter beschikking wordt gesteld van de werknemer of rentedragend wordt, dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt (artikel 13a Wet LB 1964). De in een tijdvak ingehouden belasting dient op aangifte te worden afgedragen (artikel 27, vijfde lid, Wet LB 1964).

4.3.

Ten aanzien van het standpunt van belanghebbende overweegt het Hof het volgende. Van inhouding in de zin van artikel 9.2 Wet IB 2001 is alleen sprake indien er sprake is van afzondering van een gedeelte van het brutoloon en deze afzondering plaatsvindt met het oogmerk op afdracht van dit bedrag. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de BV in de onderhavige jaren geen oogmerk tot afdracht van loonbelasting en premie volksverzekeringen had. Belanghebbende had als directeur en aandeelhouder als enige zeggenschap over het betalingsgedrag van de BV. Daaromtrent is ter zitting door belanghebbende verklaard dat hij opdracht had gegeven om in 2003 geen aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen in te dienen vanwege de financiële positie van de BV. Ook in de daarop volgende jaren heeft de BV geen aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen ingediend. Wegens inactiviteit is het loonbelastingnummer in 2006 door de Belastingdienst ingetrokken. Er is echter door de BV nooit verzocht om het nummer te heractiveren, zodat (alsnog) aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen ingediend konden worden en loonbelasting en premie volksverzekeringen konden worden afgedragen. Het Hof leidt hieruit af dat bij de BV in al die jaren alsmede de jaren na 2006 geen voornemen tot afdracht van loonbelasting en premie volksverzekeringen heeft bestaan.

4.4.

Belanghebbende heeft verklaard dat de afdracht van de verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen achterwege kon blijven vanwege verrekening met een btw-vordering van € 136.962 en een civiele claim op de Belastingdienst. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van inhouding, geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Er is in dat geval geen sprake van verrekening in de zin van artikel 24 Invorderingswet 1990, terwijl buiten het kader van dit artikel geen verrekening van belastingschulden kan plaatsvinden (Hoge Raad 26 september 2003, nr. 38 532, ECLI:NL:HR2003:AL2130, BNB 2004/65). Voor zover belanghebbende hiermee heeft betoogd dat er sprake is van een oogmerk tot afdracht faalt de stelling van belanghebbende eveneens. Het bestaan van een btw-vordering en de eventuele gerechtigdheid van de BV tot deze vordering op de Belastingdienst is onderwerp van een jarenlang geschil tussen de Belastingdienst en belanghebbende. De Belastingdienst heeft al die jaren gemotiveerd betwist dat de btw-vordering nog bestaat dan wel dat de BV gerechtigd is tot verrekening van deze vordering met nog openstaande belastingbedragen. De civiele vordering komt volgens belanghebbende voort uit geleden schade door de openbare verkoop van roerende zaken van diverse andere vennootschappen dan de BV van belanghebbende. De Belastingdienst was hiervoor echter nog niet aansprakelijk gesteld. Belanghebbende heeft niet duidelijk kunnen maken waarom de BV, indien een dergelijk voornemen bestond, desondanks geen aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen heeft gedaan over de onderhavige jaren. Het Hof acht dan ook niet aannemelijk dat bij de BV een voornemen bestond om verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen te verrekenen met deze ongewisse vordering.

4.5.

De niet-ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen gelden toch als ingehouden, indien de werknemer hieromtrent te goeder trouw is (zie Hoge Raad 22 juli 1981, nr. 20 547, BNB 1981/305). Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, gezien hetgeen onder 4.3 is overwogen omtrent de zeggenschap van belanghebbende over het betalingsgedrag van de BV, niet aannemelijk gemaakt dat hij te goeder trouw was omtrent de inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen. De stelling van belanghebbende dat de BV gezien haar financiële positie geen andere keuze had dan het afzien van het doen van aangifte en van afdracht van loonbelasting en premie volksverzekeringen doet hier niet aan af. Dit leidt immers niet tot de conclusie dat belanghebbende – als werknemer van de BV - meende of redelijkerwijs mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen, maar wijst er juist op dat belanghebbende wist dat de BV haar inhoudingsverplichting niet zou nakomen.

4.6.

Indien er geen sprake is van ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen en de werknemer ook niet redelijkerwijs mocht menen dat inhouding heeft plaatsgevonden, komt de vraag op tot welke bedragen belanghebbende loon heeft genoten (zie Hoge Raad 6 juli 1983, nr. 21 637, BNB 1984/31). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in de onderhavige jaren slechts het nettoloon heeft ontvangen en dat het restant niet vorderbaar en inbaar was gezien de financiële positie van de BV.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de onderhavige jaren het brutosalaris van belanghebbende is vastgesteld op € 99.000. De BV heeft in haar boekhouding ook een last opgenomen ter grootte van dit bedrag. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat belanghebbende jegens de BV recht had op een bedrag van € 99.000 per jaar. Tot welke bedragen het overeengekomen loon is uitbetaald, is door belanghebbende niet inzichtelijk gemaakt. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een (voorwaardelijk) bewijsaanbod gedaan, inhoudende de overlegging van de loonstroken van belanghebbende in de onderhavige jaren. Het Hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij, aangezien de loonstroken, waarvan ter zitting bovendien is gesteld dat deze eenmaal per jaar werden opgesteld, geen inzicht bieden in het antwoord op de vraag hoeveel loon daadwerkelijk is uitbetaald. Daarbij komt dat belanghebbende ter zitting voorts heeft verklaard dat de uitbetaalde bedragen geen vast patroon kenden en per maand verschilden. Het Hof is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat een deel van het toegekende brutoloon niet is uitbetaald.

Boetes

4.8.

Ten aanzien van de opgelegde verzuimboete wegens het te laat doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 geldt het volgende. Belanghebbende heeft niet bestreden dat hij de aangifte te laat heeft ingediend. Er zijn overigens ook geen feiten of omstandigheden gesteld noch aannemelijk gemaakt waaruit blijkt dat de aangifte tijdig is gedaan of dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. Het Hof acht voorts de opgelegde verzuimboete passend en geboden.

4.9.

De Inspecteur heeft voor de jaren 2007 tot en met 2010 vergrijpboetes opgelegd ter hoogte van 50% van de (navorderings)aanslagen, wegens opzettelijk handelen of nalaten waardoor te weinig belasting geheven is of zou zijn. Onder opzet valt ook voorwaardelijk opzet (Hoge Raad 3 december 2010, 09/04514, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, BNB 2011/59). Hiervan is sprake indien willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting is geheven of kan worden geheven dan wel dat belasting niet of niet binnen de termijn is betaald.

4.10.

Ten aanzien van de opgelegde vergrijpboetes overweegt het Hof het volgende. Belanghebbende had, als enig aandeelhouder en bestuurder, zeggenschap over het betalingsgedrag van de BV. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij opdracht heeft gegeven om af te zien van het indienen van de aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 vanwege de financiële positie van de BV. In de daarop volgende jaren zijn ook geen aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen meer ingediend en is er geen loonbelasting en premie volksverzekeringen afgedragen. Als gevolg daarvan heeft de Belastingdienst het loonbelastingnummer ingetrokken wegens inactiviteit. Betaling van de verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen was daardoor niet mogelijk. Belanghebbende heeft namens de BV ook nooit verzocht om het loonbelastingnummer te heractiveren of hiertoe een poging gedaan. Er is in de jaren 2007 tot en met 2010 geen sprake geweest van ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen, terwijl belanghebbende desondanks in de aangiften IB/PVV wel bedragen aan ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen heeft opgenomen. Daarnaast was belanghebbende (4.5.) jegens de door hem gestelde inhoudingen van loonbelasting en premie volksverzekeringen niet te goeder trouw zodat ook op grond hiervan hij niet mocht en kon menen dat desondanks verrekening van de in geschil zijnde loonbelasting en premie volksverzekeringen aan de orde was. Hiermee heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting wordt geheven.

4.11.

De Rechtbank heeft de boetes, wegens de financiële omstandigheden van belanghebbende, gematigd tot € 2.000 per jaar. In hoger beroep hebben partijen geen stellingen aangevoerd omtrent de hoogte van de boetes. Het Hof acht ook geen feiten en omstandigheden aanwezig waaruit kan worden afgeleid dat de boetes niet passend en geboden zijn. Het Hof conformeert zich daarom aan het oordeel van de Rechtbank omtrent de hoogte van de vergrijpboetes.

Heffingsrente

4.12.

Het hoger beroep richt zich mede tegen de beschikkingen inzake heffingsrente. Nu belanghebbende daartegen geen afzonderlijke klachten heeft aangevoerd, dient de in rekening gebrachte heffingsrente in stand te blijven.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 13 november 2015 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.