Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4522

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
20-001398-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:BW0033, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte ter zake van o.a. verduistering in de zogenoemde Dierenambulance-zaak tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Het hof verwerpt het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001398-12

Uitspraak : 12 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 27 maart 2012 in de strafzaak met parketnummer 03-702778-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis werd de verdachte, hierna ook te noemen: [verdachte] , van het onder 5 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van - kort gezegd - twee verduisteringen (feiten 1 en 2), valsheid in geschrift (feit 3), mishandeling van zijn moeder (feit 4) en bedreiging van zijn vader (feit 6) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

In hoger beroep is aan het dossier toegevoegd het procesdossier in de strafzaak tegen Joep J. (parketnummer 20-003452-13)

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen.

De raadsman heeft bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de strafvervolging van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Voorts heeft de raadsman, voor het geval het hof zou komen tot strafoplegging (het hof begrijpt: oplegging van een gevangenisstraf van langere duur dan de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd), het hof verzocht onderzoek te laten verrichten naar de detentiegeschiktheid van de verdachte.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep van de verdachte

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de daarvan opgemaakte akte onbeperkt ingesteld en derhalve ook gericht tegen de vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het onder 5 ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 12 december 2008 in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk een geldbedrag van ongeveer 145.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, dat geheel of ten dele toebehoorde aan Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld aan verdachte als beheerder van voornoemde instelling van weldadigheid in bewaring was gegeven, in elk geval welk geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


2.
hij in of omstreeks de periode van 7 april 2009 tot en met 12 mei 2009 in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk een geldbedrag van (ongeveer) 3.370 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting Bureau Sociale Zorg, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als stichtingsadviseur, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


3.
hij op of omstreeks 11 mei 2009 in de gemeente Voerendaal, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een leningsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk in voornoemde overeenkomst verklaard, dat hij van ene heer [P] een geldbedrag zou hebben geleend van 41.500 euro, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;


4.
hij op of omstreeks 6 januari 2010 in de gemeente Nuth meerdere malen, althans eenmaal, opzettelijk mishandelend zijn moeder, althans een persoon, te weten [T] , (met een paraplu) heeft geslagen, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


6.
hij op of omstreeks 15 juli 2010 in de gemeente Nuth, [U] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [U] dreigend de woorden toegevoegd: "Doe geen aangifte, want ik maak je dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

Het openbaar ministerie dient op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde (hof: hierna ook genoemd “de Dierenambulance-zaak”) omdat er sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Het openbaar ministerie heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van die feiten.

Het openbaar ministerie heeft onrechtmatig gehandeld, aldus de raadsman, nu het zich met het oog op de zaak Landlord alleen heeft gericht op het binnenhalen van de verklaringen van [verdachte] , waarbij het van meet af aan nimmer de bedoeling van het openbaar ministerie was om met [verdachte] tot een overeenkomst te komen. Het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009 en de kluisverklaringen zijn derhalve onder misleiding van [verdachte] verkregen. Dat de belangen van [verdachte] doelbewust zijn opgeofferd ten faveure van de Landlordzaak blijkt uit het feit dat het openbaar ministerie welbewust een onvoorwaardelijke, door de landsadvocaat gedane toezegging omtrent het door het openbaar ministerie niet uit eigen beweging in de strafzaak tegen Joep J. in het geding brengen van het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009, heeft geschonden. Ook de omstandigheid dat er meerdere kort gedingprocedures door [verdachte] aanhangig gemaakt moesten worden om te voorkomen dat het openbaar ministerie onrechtmatig gebruik zou maken van bedoelde verklaringen illustreert dat geen rekening werd gehouden met de belangen van [verdachte] . Het vormverzuim heeft een ernstige mate van verwijtbaarheid.

De raadsman heeft betoogd dat de verzuimen hebben plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek in de Dierenambulancezaak omdat hij zich in het kader van die zaak heeft gewend tot de hoofdofficier van justitie, de deal met het openbaar ministerie in het kader van die zaak tot stand zou komen én omdat in de verklaring van [verdachte] van 8 juli 2009, zoals neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009, en in de kluisverklaringen door hem anders is verklaard over de verduisteringen dan in zijn bekennende verklaringen van 18 mei 2009.

[verdachte] lijdt nadeel van vorenstaande, aldus de raadsman, nu hij geen kans op een eerlijk proces heeft. De ware gang van zaken met betrekking tot de Dierenambulance-zaak ligt immers besloten in de kluisverklaringen en niet in de bekennende verklaringen van [verdachte] van 18 mei 2009. Die kluisverklaringen kunnen evenwel niet gebruikt worden in deze procedure, omdat ze alsdan processtuk zouden worden en bij derden bekend zouden raken, hetgeen tot gevaar voor [verdachte] zou leiden. Alsdan zou het openbaar ministerie voorts worden beloond voor het eigen misleidende onrechtmatige optreden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat er geen reden is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd:

  • -

    [verdachte] kan geen beroep doen op eventuele vormverzuimen in een strafzaak tegen (een) andere verdachte(n);

  • -

    er is geen aanknopingspunt in het dossier te vinden voor enige in onderhavige strafzaak op het openbaar ministerie rustende verplichting jegens [verdachte] die niet is nagekomen en waardoor [verdachte] in zijn belangen geschaad is;

  • -

    het kan niet zo zijn dat [verdachte] om de enkele reden dat hij zogenaamde kluisverklaringen heeft afgelegd, bij het niet gebruiken van die verklaringen, er zich op kan beroepen dat hij geschaad is in zijn verdedigingsbelang omdat hij in die verklaringen anders, aanvullend of onjuist heeft verklaard over zijn rol in zijn eigen strafzaak. Het is de keus van [verdachte] zelf om al dan niet te verklaren.

De beoordeling

A.

Het hof heeft de volgende bevindingen gedaan omtrent de relevante feiten en omstandigheden (hierna genummerd 1 tot en met 41 in chronologische volgorde). Het hof merkt daarbij op dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal waarop een aantal van die feiten en omstandigheden zijn gebaseerd. Voorts merkt het hof op dat het opsporingsonderzoek en de strafzaak tegen Joep J. en/of diens medeverdachten hierna wordt aangeduid als “de zaak Landlord”.

1. [verdachte] is op 12 mei 2009 aangehouden, in verzekering en vervolgens in bewaring gesteld op verdenking van verduistering. Mr. Hiddema wordt hem als advocaat toegevoegd.

2. Op 15 mei 2009 heeft [verdachte] contact met een kantoorgenoot van mr. Hiddema, waarbij hij kenbaar maakt dat hij begeleiding wenst bij de totstandkoming van een deal met justitie in verband met informatie die hij heeft over een grote fraudezaak. Ook neemt [verdachte] die dag telefonisch contact op met opsporingsambtenaar [A] . Hij wil de zaken waarvan hij wordt verdacht bekennen en hier een uitgebreide verklaring over afleggen. Hiernaast wilde hij gaan verklaren over een nog grotere fraudezaak/fraudezaken waarbij “grote” mensen uit de vastgoedwereld zijn betrokken.

3. Op 18 mei 2009 legt [verdachte] tegenover verbalisanten [A] en [B] bekennende verklaringen af met betrekking tot de verduistering van gelden van zowel de stichting Dierenambulance Zuid-Oost Nederland (het onder 1 ten laste gelegd feit) als van de stichting Bureau Sociale Zorg (het onder 2 ten laste gelegd feit). Hij noemt in die laatste zaak de naam van mr. [F] .

4. Op 26 mei 2009 wordt [verdachte] in vrijheid gesteld.

5. Op 29 mei 2009 krijgt [B] van een meerdere het verzoek om naar aanleiding van het hiervoor onder 2 genoemde contact met [A] een gesprek aan te gaan met [verdachte] .

6. [B] neemt daartoe op 3 juni 2009 telefonisch contact op met [verdachte] . [B] gaat niet akkoord met de eis van [verdachte] dat [A] bij het verhoor aanwezig zal zijn en dat [verdachte] zijn verklaring volledig anoniem zal afleggen.

7. [verdachte] zoekt contact met het Bureau Financiële Recherche met het verzoek hem terug te bellen, waarop [B] [verdachte] op 8 juni 2009 wederom telefonisch benadert. [verdachte] blijft bij zijn eis dat hij alleen een verklaring zal afleggen als hij dit in volledige anonimiteit kan doen. Hij is daartoe ook bereid indien aan hem bescherming wordt toegezegd. [B] laat [verdachte] weten dat dit niet mogelijk is.

8. Op 16 juni 2009 is de “actiedag” in de zaak Landlord.

9. Op 17 juni 2009 neemt [B] op verzoek van mr. Marchal contact met laatstgenoemde op. Het onderwerp van gesprek is informatie van [verdachte] over fraude in onroerend goed. Mr. Marchal laat weten dat hij contact op zal nemen met de officier van justitie om de zaak te bespreken.

10. In een brief van 25 juni 2009 van mr. Marchal gericht aan de hoofdofficier van justitie wordt kenbaar gemaakt dat [verdachte] de nodige wetenschap heeft over Joep J. in relatie tot onroerend goedtransacties en dat [verdachte] zich bedreigd voelt. Ook wordt kenbaar gemaakt dat [verdachte] kan verklaren over onroerend goedtransacties die deel uitmaken van witwasconstructies dan wel anderszins niet in de haak zijn. [verdachte] wenst, aldus mr. Marchal, bescherming in de kwestie Joep J. en wil een gesprek teneinde de voorwaarden voor een overeenkomst te bespreken.

11. De zaaksofficier in de zaak Landlord, mr. Janssen, reageert op 26 juni 2009 schriftelijk op voornoemde brief. Kort samengevat, deelt mr. Janssen aan mr. Marchal mede dat hij geen reden ziet om op het aanbod van [verdachte] in te gaan.

12. Op 1 juli 2009 doet [verdachte] aangifte van bedreiging vanaf de dag van zijn invrijheidstelling. Hij vertelt dat hij heeft samengewerkt met mr. [F] en met vastgoedinvesteerder Joep J. en dat alle mensen die voor zijn deur hebben gestaan of hem op andere wijze hebben lastig gevallen dan wel bedreigd hebben contacten zijn van mr. [F] of Joep J.

13. Kort voor 8 juli 2009 neemt [verdachte] telefonisch contact op met mr. Janssen in verband met door hem af te leggen verklaringen en bedreigingen aan zijn adres.
Mr. Janssen besluit daarop dat twee - van het onderzoeksteam Landlord deel uitmakende - opsporingsambtenaren, te weten [C] en [D] , een gesprek met [verdachte] aan zullen gaan. Het is de bedoeling van mr. Janssen dat de inhoud van dat gesprek in een proces-verbaal van bevindingen wordt neergelegd, welk proces-verbaal zo nodig zal worden gebruikt in de zaak Landlord.

14. Voornoemd gesprek vindt plaats op 8 juli 2009. Naar aanleiding van de inhoud van het gesprek en de door [verdachte] genoemde bedreigingen aan zijn adres wordt [verdachte] nog diezelfde dag op een veilige plaats ondergebracht. De beveiliging vindt plaats in het kader van het Stelsel Bewaken en Beveiligen. Op 9 juli 2009 wordt van voornoemd gesprek een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. In de aanhef van dit proces-verbaal wordt vermeld dat het betreft een gesprek met [verdachte] in het onderzoek Landlord.

15. Op 21 juli 2009 vindt (met instemming van mr. Marchal buiten zijn aanwezigheid) een gesprek plaats tussen [verdachte] , mr. Janssen, [C] en [D] . Het doel van het gesprek is duidelijkheid te verkrijgen over het standpunt van [verdachte] over het al dan niet toe willen werken naar deelname in het getuigenbeschermingsprogramma. Voorts is er gesproken over de voorwaarden voor het gebruik van de door [verdachte] af te leggen kluisverklaringen. Door mr. Janssen is alstoen medegedeeld dat in zijn visie de verklaring van [verdachte] van 8 juli 2009 geen kluisverklaring is. Bij brief van 24 juli 2009 gericht aan [verdachte] is vorenstaande vastgelegd. In die brief is voorts nog vermeld: “Ik heb u de procedure geschetst en aangegeven dat daarvoor een eerste voorwaarde is, dat uw getuigenverklaringen worden opgenomen als zogenaamde kluisverklaringen. Op uw verzoek bevestig ik bij deze nogmaals dat de kluisverklaringen niet gebruikt zullen worden, voordat uw veiligheid is gewaarborgd”.

16. Op 27 juli 2009 is er telefonisch en mailcontact tussen een kantoorgenote van mr. Marchal en mr. Janssen - kort gezegd - over onder meer de onvrede van [verdachte] over zijn beveiliging en de voorwaarden waaronder [verdachte] de kluisverklaringen zal afleggen. Mr. Janssen legt in een mailbericht van die dag gericht aan de kantoorgenote van mr. Marchal onder meer vast dat de kluisverklaringen niet openbaar zullen worden gemaakt voordat de veiligheid van [verdachte] is gegarandeerd en dat, indien gedurende het traject van deelname van [verdachte] aan het getuigenbeschermingsprogramma, [verdachte] niet meer wil meewerken, de kluisverklaringen ongebruikt zullen blijven. Voorts vermeldt mr. Janssen in het mailbericht dat onderhandelingen over deelname aan het getuigenbeschermingsprogramma door een officier van justitie van het Landelijk Parket worden gedaan en dat de beslissing over die deelname berust bij het College van Procureurs-Generaal. Ook merkt hij nog op dat indien gedurende het traject blijkt dat [verdachte] niet meer wil meewerken, de kluisverklaringen ongebruikt blijven en dat hij dat geverifieerd had bij het Landelijk Parket. Ten slotte maakt hij er nog melding van dat het beschermingstraject waarin [verdachte] zich op dat moment bevindt – namelijk in het kader van het stelsel Bewaken en Beveiligen - daar los van staat en dat wekelijks de actuele stand van de dreiging wordt doorgenomen en wordt beslist of, en zo ja welke, maatregelen nodig zijn binnen dat kader.

17. Op 29 en 30 juli 2009 en op 3 en 4 augustus 2009 legt [verdachte] ten overstaan van verbalisanten [B] en [E] een viertal verklaringen af, hierna te noemen: “de kluisverklaringen”.

18. Op 5 augustus 2009 uit de kantoorgenote van mr. Marchal in een telefaxbericht gericht aan de rechercheofficier mr. Smits de onvrede van [verdachte] over onder meer onduidelijkheid aan de zijde van [verdachte] over wie de zaaksofficier was en wie wat regelde alsmede over ontevredenheid over de afgelegde verklaringen omdat hij nog veel meer zou kunnen en willen verklaren.

19. Op 14 augustus 2009 vindt een bespreking plaats tussen onder meer [verdachte] , mr. Marchal en mr. Smits. In die bespreking wordt [verdachte] te verstaan gegeven dat zijn beveiliging wordt beëindigd omdat er in de visie van het openbaar ministerie van een reële dreiging geen sprake is en wordt hem ter ondertekening een overeenkomst voorgelegd. [verdachte] is het niet eens met de inhoud van die overeenkomst omdat daarin is opgenomen dat het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009 en de kluisverklaringen weliswaar vooralsnog niet in enig opsporingsonderzoek gebruikt zullen worden, maar indien dat in de toekomst toch het geval zal zijn dat eerst zal plaatsvinden na contact met [verdachte] en/of diens advocaat, waarbij te allen tijde een screening in het kader van het stelsel Bewaken en Beveiligen door de politie zal plaatsvinden. [verdachte] acht dat onvoldoende en is van mening dat voornoemd gebruik van zijn toestemming afhankelijk dient te zijn.

20. Op 17 en 19 augustus 2009 volgt hierover nog een briefwisseling tussen mrs. Marchal en Smits, maar er wordt geen overeenstemming bereikt.

21. Op 5 september 2009 bezoekt [verdachte] tezamen met Joep J. de advocaat van laatstgenoemde, mr. Hiddema. [verdachte] vertelt aldaar dat hij een aantal weken door justitie op een geheime plaats is ondergebracht en dat hij in die tijd verklaringen heeft afgelegd, onder meer over Joep J.

22. In een brief van 14 september 2009 gericht aan mr. Marchal geeft mr. Janssen zijn visie op de gang van zaken in juli en augustus 2009 en op de met [verdachte] gemaakte afspraken. Hij vermeldt dat hij [verdachte] te kennen heeft gegeven dat het traject richting een eventuele deelname aan het getuigenbeschermingsprogramma op het punt stond van beginnen, maar dat dit pas na het afleggen van de verklaringen aan de orde zou zijn en dat eerst dan beoordeeld zou worden in hoeverre [verdachte] voor deelname aan voornoemd programma in beeld kwam, alsook wie die beoordeling zou verrichten. Voorts deelt hij mede dat pas daarna een overeenkomst gesloten zou worden met de Staat der Nederlanden, waarbij [verdachte] in de onderhandelingen daarover zijn voorwaarden kwijt zou kunnen. Tevens maakt hij er melding van dat hij een week eerder is gebeld over het door [verdachte] noemen van het bestaan van de kluisverklaringen tegenover een persoon die de mogelijke terugvordering van de uitkering van [verdachte] (hof: deze persoon blijkt [G] te zijn) behandelt.
Mr. Janssen dringt er op aan dat [verdachte] niet spreekt over het bestaan van de kluisverklaringen.

23. Op 22 september 2009 laat mr. Janssen in een mailbericht aan [G] weten dat het [verdachte] vrij staat te verklaren.

24. Eind september 2009 is er een gesprek tussen mr. Janssen, [verdachte] en [C] in verband met onder meer de met de uitkeringsinstantie ontstane problemen.

25. Bij mail van 26 november 2009 laat [C] aan [G] weten dat het onderzoek naar de mogelijke bijstandsfraude door [verdachte] maar even stilgelegd moet worden, gelet op het traject dat met [verdachte] heeft gelopen.

26. Op 3 december 2009 staat in de krant dat mr. Marchal in kort geding zal vorderen dat de kluisverklaringen van [verdachte] niet in rechte gebruikt mogen worden.

27. Op 17 december 2009 beantwoordt mr. Teeven kamervragen over de kwestie [verdachte] .

28. Naar aanleiding van tussen [verdachte] en mr. Hiddema ontstane problemen stuurt laatstgenoemde een kopie van zijn brief aan de Deken van de Orde van Advocaten naar de krant. Hierbij is abusievelijk een kopie van de interne memo van de kantoorgenoot van Hiddema aan laatstgenoemde naar aanleiding van het gesprek op 15 mei 2009 gevoegd (zie hiervoor onder 2.)

29. Op 21 januari 2010 beantwoordt mr. Teeven wederom kamervragen over de kwestie [verdachte] .

30. Op 12 februari 2010 wordt de Staat der Nederlanden bij vonnis in kort geding verboden om de kluisverklaringen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [verdachte] te gebruiken, zolang partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor het gebruik van die verklaringen. Bij arrest van 1 maart 2011 wordt voornoemd vonnis bekrachtigd.

31. Op 28 november 2011 vindt de eerste terechtzitting in de strafzaak tegen [verdachte] plaats. De rechtbank bepaalt dat de officier van justitie, mr. Smits, het proces-verbaal d.d. 9 juli 2009 aan het dossier dient toe te voegen. Aldus geschiedt.

32. Bij gelegenheid van de terechtzitting d.d. 13 maart 2012 bepaalt de rechtbank, nadat zij kennis heeft genomen van correspondentie tussen mr. Marchal en - kort gezegd - het openbaar ministerie, dat de officier van justitie het proces-verbaal van 9 juli 2009 weer uit het dossier dient te verwijderen. Mr. Marchal behoudt het aan hem uitgereikte exemplaar.

33. Bij vonnis van 27 maart 2012 wordt [verdachte] - onder meer - wegens verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

34. De eerste regiezitting in de zaak Landlord vindt plaats op 5 april 2012, bij gelegenheid waarvan mr. Hiddema onder meer verzoekt om alle (kluis)verklaringen van [verdachte] aan het procesdossier toe te voegen. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat uit het overzichtsproces-verbaal in de zaak Landlord blijkt dat de verklaringen van [verdachte] niet aan het onderzoeksteam Landlord ter beschikking zijn gesteld, dat team dus niet op de hoogte is van de inhoud van de verklaringen en deze derhalve geen invloed hebben gehad op het strafrechtelijk onderzoek Landlord. De rechtbank twijfelt niet aan de inhoud van voornoemd proces-verbaal (waarvan de juistheid ter zitting door mr. Janssen is bevestigd) en aan de mededeling van mr. Janssen ter zitting, dat hij als zaaksofficier niet van de inhoud van de kluisverklaringen op de hoogte is en dat de inhoud van die verklaringen niet van invloed is geweest in het onderzoek Landlord. De zaak wordt vervolgens aangehouden voor het horen van getuigen.

35. In de maand november 2012 verzoekt mr. Marchal de rechtbank te Den Haag om een datum te bepalen voor een kort geding van [verdachte] tegen de Staat der Nederlanden. Die datum wordt vastgesteld op 19 december 2012. De vordering van [verdachte] ziet op het niet gebruiken van het proces-verbaal van 9 juli 2009. Op verzoek van mr. Marchal bevestigt de landsadvocaat bij mail van 14 november 2012 aan mr. Marchal dat het openbaar ministerie niet eigener beweging in de strafzaak tegen Joep J. het proces-verbaal van 9 juli 2009 zal inbrengen, waarbij een voorbehoud wordt gemaakt in geval van een daartoe strekkende opdracht van de rechtbank.

36. Op 7 december 2012 neemt de feitelijke behandeling van de zaak Landlord een aanvang.

37. Bij gelegenheid van de terechtzitting van 10 december 2012 wordt die feitelijke behandeling voortgezet en wordt een anonieme mail gericht aan mr. Boumans (de raadsman van een van de medeverdachten van Joep J., te weten diens zoon)
d.d. 8 december 2012 door mr. Boumans overgelegd. In die mail wordt onder meer vermeld dat er een tactisch proces-verbaal bestaat van een door [C] en [D] van [verdachte] afgenomen verhoor. Zij wilden vooral van [verdachte] weten wat het doel was van de koopoptie die hij had op de panden van Joep J. Verder hebben zij [verdachte] over ieder pand op de koopoptie laten verklaren, aldus de anonieme afzender. Ook wordt in deze mail melding gemaakt van een kort geding tussen [verdachte] en het openbaar ministerie op 19 december 2012 bij de rechtbank in Den Haag en dat dit kort geding alsook de uitspraak door het openbaar ministerie geheim zal worden gehouden.

38. Ter terechtzitting van 14 december 2012 wordt een tweetal anonieme mails (d.d. 14 april 2012 en 28 november 2012) gericht aan mr. Hiddema door hem overgelegd. Ook in deze mails wordt gesproken over het bestaan van een tactisch proces-verbaal en in één ervan worden de namen [C] en [D] genoemd. Mr. Hiddema verzoekt om [C] en [D] als getuigen te horen, omdat zij ook betrokken waren bij het onderzoek Landlord. De officier van justitie, mr. Janssen, deelt onder meer mede dat hij de tactische verklaring van 8 juli 2009 kent, dat de verhoorders inderdaad [C] en [D] waren en dat hij de verklaring niet nodig had voor het onderzoek Landlord. Voorts deelt hij mede dat de kluisverklaringen zijn opgemaakt door opsporingsambtenaren buiten het onderzoeksteam Landlord en dat hij met [verdachte] heeft gesproken over mogelijke getuigenbescherming, dit in het bijzijn van [C] en [D] .

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van [C] en [D] als getuige toe. Met name is relevant of er op 8 juli 2009 is gesproken over Joep J. en/of zijn panden en, zo ja, in hoeverre deze informatie een rol heeft gespeeld in het opsporingsonderzoek in de zaak Landlord.

39. Mr. Marchal stuurt op 14 december 2012 een telefaxbericht aan het openbaar ministerie waarin hij het openbaar ministerie sommeert de getuigen [C] en [D] op te dragen zich op hun geheimhoudingsverplichting te beroepen ten aanzien van vragen met betrekking tot de tactische verklaring van 8 juli 2009.

40. Ter terechtzitting van 17 december 2012 wordt door de officier van justitie voornoemd telefaxbericht van mr. Marchal aan de rechtbank overgelegd. Hij verzoekt de rechtbank primair om terug te komen op de beslissing om [C] en [D] als getuige te horen en in plaats daarvan de CIE-officier en/of de rechercheofficier te horen. Subsidiair verzoekt mr. Janssen het verhoor van [C] en [D] te beperken tot enkele vragen en hen op de hoogte te brengen van de inhoud van het telefaxbericht van mr. Marchal.

Daarop verzoekt mr. Hiddema de rechtbank primair de uitkomst van het kort geding dat is aangespannen door [verdachte] en dat behandeld zal worden op 19 december 2012 af te wachten. Ook verzoekt hij de rechtbank om de officier van justitie de opdracht te geven de tactische verklaring van 8 juli 2009 aan het dossier toe te voegen en hij handhaaft zijn verzoek tot het als getuige horen van [C] en [D] . De rechtbank onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

41. Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de officier van justitie, mr. Janssen, mede dat het openbaar ministerie de tactische verklaring nooit geheim heeft willen houden, maar dat het openbaar ministerie steeds door anderen, inclusief [verdachte] , werd gehinderd om deze verklaring openbaar te maken. Na een belangenafweging, waarbij is gekeken naar het belang van [verdachte] en het belang van de verdediging in de zaak Landlord, is het openbaar ministerie van mening dat de tactische verklaring van 8 juli 2009 openbaar kan worden gemaakt, hoewel de veiligheid van [verdachte] hierdoor mogelijk in het geding komt. Vervolgens wordt de tactische verklaring door mr. Janssen overgelegd.

B.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Uit de hiervoor onder 2 tot en met 20 geschetste feiten en omstandigheden blijkt dat het [verdachte] is geweest die zich herhaaldelijk tot het openbaar ministerie heeft gewend teneinde verklaringen over - kort gezegd - vastgoedfraude af te leggen in ruil voor bescherming van de zijde van politie en justitie. Hij heeft die verklaringen eind juli/begin augustus 2009 afgelegd, nadat tussen het openbaar ministerie en [verdachte] (bijgestaan door een raadsman/raadsvrouwe) overeenstemming was bereikt over de voorwaarden waaronder de verklaringen zouden worden afgelegd. Nadat [verdachte] de verklaringen had afgelegd, is er evenwel geen overeenstemming bereikt over het gebruik van die verklaringen. Het hof ziet niet in dat, zoals de raadsman heeft aangevoerd, het niet bereiken van overeenstemming impliceert dat het openbaar ministerie nimmer de bedoeling heeft gehad met [verdachte] tot een overeenkomst te komen. Dat het openbaar ministerie die bedoeling wel had blijkt evident uit het gesprek op 21 juli 2009, het mailbericht van 27 juli 2009 (zie hiervoor onder 15 respectievelijk 16) en uit de hiervoor onder 22 genoemde brief van mr. Janssen van 14 september 2009 gericht aan mr. Marchal.

De raadsman heeft betoogd dat ook de plotselinge beëindiging van de beveiliging van [verdachte] medio augustus 2009 een aanwijzing is voor de misleiding van [verdachte] . Het hof gaat hieraan voorbij. In het mailbericht van 27 juli 2009 heeft mr. Janssen immers laten weten dat wekelijks zou worden bekeken of de beveiliging van [verdachte] nog nodig was. Dat heeft in de weken na 27 juli 2009 kennelijk plaatsgevonden en toen de beveiliging niet meer nodig was, is die beëindigd. Uit een schrijven van hoofdofficier van justitie mr. Bos van 27 juli 2015 gericht aan de advocaat-generaal betreffende de veiligheidssituatie van [verdachte] blijkt overigens dat eerder geuite zorgen over de veiligheid van [verdachte] niet hebben geleid tot enige dreiging die (achteraf) bij de politie bekend is (geworden).

Ook de reden die de raadsman aanvoert voor het door het openbaar ministerie misleiden van [verdachte] , te weten het belang voor het openbaar ministerie van de zaak Landlord, is niet aannemelijk geworden. Mr. Janssen, gehoord als getuige ter terechtzitting in hoger beroep, heeft verklaard dat zijn beslissing om naar aanleiding van het gesprek van [C] en [D] met [verdachte] op 8 juli 2009 verder te praten met [verdachte] , niet berustte op door [verdachte] verstrekte informatie over Joep J., maar op een aantal andere namen die [verdachte] had genoemd. Voor de zaak Landlord was de verklaring van [verdachte] niet van belang, aldus de officier van justitie. Het hof heeft geen enkele reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. In dat kader is de uitlating van zittingsofficier mr. Smits in onderhavige strafzaak tegen [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 13 maart 2012 te duiden: “verdachte is geen kroongetuige, aanstormend kroongetuige of bedreigde getuige” alsmede de inhoud van zijn proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 januari 2013.

Het hof is gelet op vorenstaande van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld door de raadsman. Bovendien kan enig handelen van het openbaar ministerie in de zaak Landlord evenmin een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in onderhavige strafzaak tegen verdachte opleveren.

Namens verdachte is gesteld dat hij geen kans heeft op een eerlijk proces, omdat dit tot openbaarmaking van de kluisverklaringen zou leiden, hetgeen gevaar voor [verdachte] met zich zou brengen. Ten eerste merkt het hof op dat het gestelde gevaar voor [verdachte] door de verdediging niet is onderbouwd, terwijl uit voornoemd schrijven van mr. Bos blijkt dat er bij de politie geen dreiging jegens [verdachte] bekend is.

Voorts overweegt het hof als volgt. [verdachte] is verdachte in, onder meer, een verduisteringszaak en hij heeft als getuige kluisverklaringen afgelegd. In zijn eigen strafzaak zijn daarvoor door het openbaar ministerie als tegenprestatie geen toezeggingen gedaan. Het stond en staat [verdachte] in zijn eigen strafzaak vrij al dan niet te verklaren, ook over de eventuele rol van een ander of anderen daarin. Hij is daarin niet anders dan iedere andere verdachte. Het was en is zijn keus om niet over die ander(en) te verklaren uit vrees voor represailles, maar die keuzevrijheid is niet aangetast door het enkele feit dat hij kluisverklaringen heeft afgelegd en evenmin door het niet tot stand komen van een overeenkomst met het openbaar ministerie over het gebruik daarvan dan wel enige handeling van de zijde van het openbaar ministerie. Het feit dat bij derden bekend is dat [verdachte] kluisverklaringen heeft afgelegd maakt vorenstaande niet anders, te meer niet nu het [verdachte] zelf is geweest die het bestaan daarvan kenbaar heeft gemaakt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij daarover verklaard dat hij begin september 2009 samen met Joep J. naar diens raadsman is gegaan en aan hem heeft verteld dat hij wekenlang door justitie op een veilige plaats was ondergebracht en dat hij ten overstaan van de politie verklaringen had afgelegd. Het is de raadsman van Joep J. geweest die vervolgens de kwestie van de kluisverklaringen in de zaak Landlord ter sprake heeft gebracht. Hiervan valt het openbaar ministerie geen verwijt te maken. Voor een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie bestaat dan ook geen reden.

Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die tot andere oordelen zouden moeten leiden.

Het verweer wordt in volle omvang verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk is de vervolging van verdachte in de feiten zoals ten laste gelegd onder 1 tot en met 3.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 1 maart 2007 tot en met 12 december 2008 in het arrondissement Maastricht opzettelijk een geldbedrag van 119.490,- euro, dat toebehoorde aan Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg en welk geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


2.
hij in de periode van 7 april 2009 tot en met 12 mei 2009 in het arrondissement Maastricht opzettelijk een geldbedrag van 3.370 euro, toebehorende aan Stichting Bureau Sociale Zorg, welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als stichtingsadviseur, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


3.
hij op 11 mei 2009 in de gemeente Voerendaal een leningsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk in voornoemde overeenkomst verklaard dat hij van ene heer [P] een geldbedrag zou hebben geleend van 41.500 euro, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;


4.
hij op 6 januari 2010 in de gemeente Nuth meerdere malen opzettelijk mishandelend zijn moeder, te weten [T] , met een paraplu heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;


6.
hij op 15 juli 2010 in de gemeente Nuth, [U] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [U] dreigend de woorden toegevoegd: "Doe geen aangifte, want ik maak je dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De pagina’s die zijn vermeld bij de ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 gebezigde bewijsmiddelen verwijzen naar de paginanummering 1-1361 van het dossier van de regiopolitie Limburg-Zuid, proces-verbaalnummer 2008169803, sluitingsdatum 11 juni 2009.

De pagina’s die zijn vermeld bij de ten aanzien van feit 4 gebezigde bewijsmiddelen verwijzen naar de paginanummering 1-34 van het dossier van de regiopolitie Limburg-Zuid, proces-verbaalnummer 2010002073, sluitingsdatum 26 januari 2010.

De pagina’s die zijn vermeld bij de ten aanzien van feit 6 gebezigde bewijsmiddelen verwijzen naar de paginanummering van het dossier van de regiopolitie Limburg-Zuid, registratienummer PL2435 2010085034, sluitingsdatum 19 juli 2010.

Feit 1

1. Een proces-verbaal van aangifte van verduistering d.d. 19 december 2008, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [Q] (p. 34-39):

Ik ben namens de benadeelde, Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg, gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben voorzitter van de Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg, gevestigd te Heerlen.

[verdachte] heeft als penningmeester de beschikking over de gelden van de Stichting. Er zijn ten behoeve van de Stichting twee bankrekeningen bij de ABN Amrobank. [verdachte] pinde grote bedragen die niet in de boekhouding voorkwamen. Hij gebruikte een bankpas van de Stichting bij de ABN Amrobank met het rekeningnummer [nr1] die op naam stond van een oud-bestuurslid genaamd [R] . Hij gebruikte als penningmeester haar stichtingspasje en haar pincode. Verder heeft de Stichting bij dezelfde bank een ander rekeningnummer: [nr2] . Geld van de Stichting dat op het rekeningnummer beginnend met [-] werd gestort, werd overgestort door [verdachte] naar het rekeningnummer beginnend met [-] , waarna hij van dit rekeningnummer grote geldbedragen afhaalde, niet bestemd voor de Stichting.

Op bankafschriften is te zien dat [verdachte] grotere geldbedragen en vaak meerdere malen per dag gepind heeft van de rekening van de Stichting. Dit deed hij aan de geldautomaat terwijl hiervoor geen noodzaak was aan te wijzen.

Vorig jaar heeft [verdachte] het penningmeesterschap overgenomen van [R] . Dit was 1 maart 2007. Hij heeft het pasje ten name van de Stichting, zijnde een bestuursrekening met als bestuurdersnaam [R] , vanaf toen gebruikt.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 9 december 2008, voor zover inhoudende (p. 40-41):

Rechtspersoon:

Rechtsvorm : Stichting

Statutaire naam : Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg

Statutaire zetel : Heerlen

Bestuurder(s):

Naam : [verdachte]

Infunctietreding : 01-03-2007

Titel : Penningmeester

Bevoegdheid : Gezamenlijk bevoegd (met andere bestuurder(s), zie statuten)

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2009, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [A] (p. 530-531):

Middels een vordering verstrekking historische gegevens werden bankafschriften opgevraagd bij de ABN-AMRO van het bankrekeningnummer: [nr1] van de periode 1 februari 2007 tot en met 13 maart 2009. Het betreft een bankrekeningnummer van de Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg.

Op 18 en 19 april 2009 onderzocht ik, verbalisant, alle bankafschriften van genoemd bankrekeningnummer van de periode van 1 februari 2007 tot en met 13 maart 2009. Uit het onderzoek bleek mij het volgende:

- dat er in genoemde periode regelmatig grote geldbedragen cash werden gepind bij verschillende geldautomaten van banken, met de pin/bankpas op naam van de genoemde Stichting, van het bankrekeningnummer [nr1] , op naam van de genoemde Stichting. In genoemde periode was de eerste pintransactie op 30 maart 2007 en de laatste op 5 december 2008. In totaal werd met genoemde pin/bankpas, in genoemde periode, een geldbedrag van € 119.490,- van genoemd bankrekeningnummer afgehaald.

4. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 18 mei 2009, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van de verdachte, wonende te Heerlen (p. 1326-1332):

O: Opmerking verbalisanten

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord verdachte

O: Je wordt verdacht van verduistering gepleegd als beheerder bij een stichting.

V: [verdachte] , je hebt mij afgelopen vrijdag 15 mei 2009 vanuit de gevangenis gebeld. Je deelde mij mede dat je een volledige verklaring wilde afleggen over hetgeen waarvan je wordt verdacht. Wat wil je vertellen?

A: Ik wil gewoon vertellen dat hetgeen waarvan ik word verdacht klopt, alleen twijfel ik aan het fraudebedrag dat ik bij de rechter-commissaris heb gehoord. Daar hoorde ik dat ik werd verdacht van verduistering van een bedrag van Euro 150.000. Ik wil schoon schip maken. Ik heb er spijt van. Ik wil open kaart spelen. Ik wil niet meer verder gaan met mijn oude leven.

V: Hoe ben je werkzaam geworden bij de Stichting Dierenambulance?

A: In maart 2007 ben ik gevraagd om penningmeester te worden van de Stichting.

V: Jij had als penningmeester de beschikking over de pinpas en dergelijke van de Stichting?

A: Dat klopt. De pinpas heb ik gekregen van [R] .

V: Hoeveel pinpassen waren er?

A: Voor zover ik weet was er maar één pinpas en deze heb ik toen gekregen. Dit was een pinpas van de ABN-AMRO bank. De stichting had daar twee bankrekeningen. De pinpas was gekoppeld aan de bankrekening eindigende op [-] .

V: Wanneer en waarom is het fout gegaan?

A: Volgens mij toen [R] er was gebeurde er niets, omdat zij een en ander controleerde. Gelegenheid maakt de dief, zegt men wel. Ik had een luxe leven.

V: Wat bedoel je met luxe leven?

A: Dure kleren, dure vervoersmiddelen, vlieglessen, noem maar op.

V: Wat heb je met het geld gedaan?

A: Uitgegeven, een heel luxe leven geleid. Ik heb heel veel geld aan mijn ex-vriendin, [V] (het hof: [V] ), besteed. Ik heb voor haar een auto gekocht van naar mijn mening Euro 4.700,- en een paard inclusief zadel en rijkleding van totaal Euro 6.000,-. Daarnaast betaalde ik de stallingskosten bij de manege en de rijlessen. Ik kocht dure kleding voor mijzelf en mijn toenmalige vriendin, ik heb vlieglessen genomen, drie scooters gekocht en ben dagelijks met anderen uit eten gegaan, hetgeen ik dan betaalde. Ik heb niets meer over van al het geld dat ik aan de Stichting heb onttrokken. In totaal denk ik dat ik aan de vlieglessen en dergelijke ongeveer Euro 20.000,- heb besteed. Het meeste geld heb ik verloren op de scooters. Dit waren scooters die speciaal uit Italië kwamen. Ze kostten gemiddeld Euro 5.000,- inclusief verzekering. Daarnaast had ik veel advocaatkosten.

V: Hoe heb je gefraudeerd?

A: Ik heb geld gepind van de bankrekening van de Stichting. De geldopnamen heb ik met name gedaan bij de bank in Hoensbroek en Nuth.

V: Wanneer is de Stichting achter de fraude gekomen?

A: Toen ik daar alles neer had gelegd, op 12 december 2008 en ik daar weg was, toen zijn ze daar vermoedelijk achter gekomen.

V: Jij erkent dat je jezelf geld dat toebehoorde aan de Stichting Dierenambulance en waarover jij als penningmeester van de stichting kon beschikken, opzettelijk hebt toegeëigend en het hebt gebruikt voor privédoeleinden?

A: Ja.

V: In jouw woning zijn rekeningen aangetroffen van de aankoop van diverse goederen. Deze zijn gekocht in de periode dat jij penningmeester van de Stichting was?

A: Ja, niet alle meubels maar een deel is inderdaad gekocht in die periode. Dit heb ik ook betaald met het geld dat ik van de Stichting heb verduisterd. Ik heb [V] een bedrag gegeven van Euro 2.000,- om meubels te kopen. Ik heb voor haar nog een paar dure lampen en een zonnescherm van Euro 1.000,- gekocht. Ik heb voor [V] , ik schat voor een bedrag van Euro 10.000,- kleding gekocht. Ik heb zelfs voor haar twee papegaaien gekocht voor Euro 650,- per stuk. Ik heb voor [V] sieraden gekocht. Ik heb voor mezelf een horloge van Breitling gekocht voor Euro 1.800,-.

V: Wat van de inrichting in je kamer heb je van het geld gekocht dat je hebt verduisterd bij de Stichting?
A: De Amerikaanse koelkast voor de helft, twee koeienstoelen van Euro 1.600,- per stuk en het bed van Ikea.

Feit 2

5. Een proces-verbaal van aangifte van verduistering d.d. 8 mei 2009, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [S] (p. 217-224):

Ik doe namens de Stichting Bureau Sociale Zorg (B.S.Z.), gevestigd te Heerlen, aangifte ter zake van verduistering van gelden, tegen [verdachte] , wonende te Heerlen. Ik ben de voorzitter van genoemde Stichting en ben als zodanig gemachtigd om namens de Stichting aangifte te doen.

De Stichting is een eenmansstichting. Hiermee bedoel ik dat ik het enige bestuurslid ben. [verdachte] is de stichtingsadviseur van genoemde Stichting.

Vanaf de week van 9 maart 2009 kwam [verdachte] gemiddeld twee tot drie keren bij mij thuis om te praten en te plannen betreffende de Stichting. Op zaterdag 21 maart 2009 en ook hiervoor gaf [verdachte] aan dat hij erg enthousiast was en dat hij graag bij de Stichting betrokken wilde worden. Hij zou de Stichting gaan adviseren.

Op dinsdag 7 april 2009 ontving [verdachte] Euro 3.600,- van mij. Hier ligt een bestuursbesluit aan ten grondslag.

Ik gaf [verdachte] een telefoon/internetrekening van Telfort. Ik verzocht [verdachte] deze rekening te betalen met de gelden van de Stichting die [verdachte] in zijn bezit had. [verdachte] zou dit voor me regelen. Enige tijd hierna kwam ik er achter dat de bedoelde rekening niet betaald was. Ik kwam hier achter doordat de telefoon deels geblokkeerd was door Telfort. Hierop heb ik op 4 mei 2009 gemaild naar Telfort. Telfort gaf aan dat de rekening niet was betaald. Hierop belde ik [verdachte] en confronteerde hem hiermee. [verdachte] zei dat hij wel degelijk had betaald. Op 5 mei 2009 werd vervolgens mijn internet door Telfort afgesloten. Hierop belde ik wederom [verdachte] en confronteerde hem hiermee. Ik was boos en liet dit ook aan [verdachte] merken. Ik deelde [verdachte] mede dat ik diezelfde avond nog wilde dat hij thuis bij me langskwam en me die Euro 3.370,- zou teruggeven. (Het hof begrijpt uit het hierna als bewijsmiddel opgenomen verslag van de bestuursvergadering dat het bedrag van € 3.370,-- bestaat uit het aan de verdachte in bewaring gegeven bedrag van € 3.600,-- minus door de verdachte betaalde bedragen van € 130,-- en € 100,--.) Ik wilde de rekening vervolgens dan zelf betalen. [verdachte] zou die avond bij me langskomen. Hij is echter niet verschenen.

De ochtend hierna kwam [verdachte] naar me toe. Hij had bedoeld geld wederom niet bij zich.

Vervolgens zou [verdachte] wederom later die dag mij het geld komen brengen, dus die Euro 3.370,-. Dit heeft hij wederom niet gedaan.

Hierop besloot ik verhaal te gaan doen bij de politie in Heerlen. Ik wilde dus aangifte tegen [verdachte] gaan doen. Schuin tegenover het politiebureau te Heerlen bevindt zich een eetcafé. Voordat ik aangifte bij de politie ging doen, ging ik nog even bij het eetcafé naar binnen. In het eetcafé aangekomen zag ik tot mijn verbazing dat [verdachte] op het kantoor, in het eetcafé, aanwezig was. Hierop heb ik [verdachte] geconfronteerd met de verduistering van die Euro 3.370,-.

Ik gaf [verdachte] de laatste kans. Ik deelde [verdachte] mede dat hij me nu het geld kon geven, dus die Euro 3.370, en anders zou ik geen andere keuze hebben dan aangifte tegen hem te gaan doen bij de politie. [verdachte] gaf me het geld niet, waarna ik aangifte ben gaan doen.

6. Een verslag van een vergadering van het bestuur van de Stichting Bureau Sociale Zorg d.d. 24 april 2009, voor zover inhoudende (p. 226):

Van de vergadering van het bestuur van de stichting: Stichting Bureau Sociale Zorg, gevestigd te Heerlen, gehouden te Heerlen op vrijdag 24 april 2009

Aanwezig:

Mw. Ing. [S] ; Voorzitter en statutair enkel bevoegd

De voorzitter opent de vergadering en stelt vast, dat zij op grond van haar enkelvoudige bevoegdheid besluiten kan nemen en neemt derhalve het navolgende rechtsgeldige besluit.

Aan de orde is:

1. Het formeel vastleggen van het op 04-04-2009 genomen besluit dat Dhr. [verdachte] op uitdrukkelijk verzoek van het bestuur gelden groot 3600,00 euro (voluit: zesendertig honderd euro) in bewaring heeft ontvangen.

2. Enkel op verzoek van het bestuur mag Dhr. [verdachte] deze gelden aanwenden voor betalingen.

3. Het bestuur is op de hoogte gebracht dat Dhr. [verdachte] op haar verzoek 130,00 euro heeft betaald inzake kosten gemoeid met een bestuursoverleg en 100,00 euro heeft betaald aan Dhr. [O] zijnde een deel van zijn vrij besteedbaar bedrag conform AWBZ beleid.

Met algemene stemmen wordt dienovereenkomstig besloten.

Niets meer aan de orde zijnde wordt deze vergadering gesloten.

Aldus vastgesteld te Heerlen op 24 april 2009

Mw. Ing. [S]

<handtekening>

Voorzitter

7. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 18 mei 2009, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van de verdachte, wonende te Heerlen (p. 1333-1337):

V: We willen je horen als verdachte van verduistering gepleegd bij de Stichting Bureau Sociale Zorg (BSZ) te Heerlen. Wat kan je daarover vertellen?

A: Ik geef toe dat ik dat geldbedrag van Euro 3.370,- eigendom van de Stichting Bureau Sociale Zorg, niet zijnde mijn eigendom, van [S] in ontvangst heb gekregen en dit vervolgens heb verduisterd. Toen ik het geld in ontvangst had genomen, besloot ik dit niet terug te geven en dit te gebruiken voor privédoeleinden.

Op enig moment sommeerde ze mij dat geld terug te geven, anders zou ze aangifte doen van verduistering. Ik kon haar dat geld toen niet meer teruggeven daar ik het al had uitgegeven. Dit is de dag geweest dat zij voor aangifte naar het politiebureau te Heerlen ging.

Feit 3

8. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 13 mei 2009, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [P] (p. 1340-1343):

(p. 1341)

Ik geef toe dat ik samen met [verdachte] valsheid in geschrifte heb gepleegd.

(p. 1342)

[verdachte] heeft mij verteld dat hij penningmeester is geweest bij de Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg te Heerlen. [verdachte] wist voor zijn aanhouding, afgelopen dinsdag 12 mei 2009, dat hij ervan wordt verdacht geld van deze Stichting te hebben verduisterd als penningmeester. Hij maakte zich hier grote zorgen over. [verdachte] wist ook dat de politie met een onderzoek tegen hem doende was. Tevens wist [verdachte] dat [S] afgelopen vrijdag 8 mei 2009 tegen hem aangifte heeft gedaan ter zake van verduistering van geld van haar Stichting, zijnde de stichting BSZ. Ook hier maakte hij zich erg druk over. Het ging bij deze stichting om Euro 3.370,-. [verdachte] heeft mij verteld dat hij zich op dinsdag 12 mei 2009 op het politiebureau te Heerlen moest melden en dat hij dan door de politie zou worden aangehouden. [verdachte] was hier erg nerveus over.

Op maandag 11 mei 2009 vroeg [verdachte] mij een brief/contract op te stellen waarin ik moest vermelden dat ik hem op 1 maart 2007 een geldbedrag van Euro 41.500,- had geleend. Dit zou dus een contract/overeenkomst betreffen die valselijk wordt opgemaakt en waarvan de inhoud is gelogen. Ik weet dat [verdachte] dit wilde hebben van mij, omdat hij na zijn aanhouding door de politie zou worden verhoord. [verdachte] wist namelijk dat de politie wist dat hij in 2007 en 2008 zeer dure cadeaus heeft gekocht en heeft geschonken aan zijn toenmalige vriendin. [verdachte] wilde een verklaring hebben hoe het kon dat hij destijds over zoveel geld kon beschikken. Derhalve wilde hij de valselijk opgemaakte brief van mij hebben. Ondanks dat ik wist dat dit strafbaar was, heb ik deze brief toch opgesteld.

(p. 1343)

Ik weet dat [verdachte] een vermogen heeft uitgegeven aan vlieglessen. Hij draagt ook altijd nieuwe dure kleren.

9. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 mei 2009, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [P] (p. 1344-1348):

O: Je wordt verdacht van valsheid in geschrifte, gepleegd samen met [verdachte] op 11 mei 2009.

V: Wilt u nog ergens op terugkomen?

A: Ik heb in mijn eerste verhoor verklaard dat [verdachte] en ik bedoelde overeenkomst hebben opgemaakt en ondertekend. We hebben dit samen gedaan in Voerendaal.

10. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 18 mei 2009, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van de verdachte (p. 1326-1332):

(p. 1331)

V: Wat kan je vertellen over de opgemaakte lening met betrekking tot dhr. [P] ?

A: Dit document is in Voerendaal opgemaakt. Het idee erachter was om mijn uitgaven te verantwoorden omdat ik zou worden aangehouden. Ik vertelde [P] dat ik aangehouden zou worden. Ik heb aangegeven dat ik een groot probleem heb en dat ik mijn uitgaven niet kon verantwoorden. We hebben de leningsovereenkomst samen ondertekend. Ik heb echter nooit geld ontvangen. Deze overeenkomst is opgemaakt op maandag 11 mei 2009 en is gedateerd op 1 maart 2007.

Feit 4

11. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2015;

12. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 6 januari 2010, inhoudende de aangifte van [T] (p. 5-9);

13. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2010, inhoudende het relaas van verbalisant [W] (p. 10);

14. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 januari 2010, inhoudende de verklaring van [U] (p. 12-13).

Feit 6

15. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2015;

16. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2010, inhoudende de aangifte van [U] (p. 3-5);

17. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 15 juli 2010, inhoudende het relaas van verbalisanten [X] (p. 8-10).

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Betrouwbaarheid van de bekennende verklaringen van de verdachte

Door de verdediging is aangevoerd dat de bekennende verklaringen die de verdachte bij de politie over de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft afgelegd, niet juist zijn en dat de verdachte die verklaringen heeft herroepen in de door verdachte afgelegde kluis-verklaringen, waarin de ware gang van zaken zou zijn vastgelegd. Dat de bekennende verklaringen van de verdachte bij de politie niet overeenkomstig de waarheid zijn, zou blijken uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [D] en [C] d.d. 9 juli 2009, waarin de zogenoemde “tactische verklaring” van de verdachte d.d. 8 juli 2009 is vastgelegd.

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de bekennende verklaringen van de verdachte bij de politie, voor zover tot bewijs gebezigd, nu die verklaringen gedetailleerd zijn en op wezenlijke onderdelen steun vinden in de bevindingen van de politie en de verklaringen van getuigen.

Niet alleen vindt de wijze waarop de verdachte het geld van de Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg heeft verduisterd steun in het onderzoek naar de bankafschriften van die Stichting, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2009 van verbalisant [A] (zie hiervoor bewijsmiddel nr. 3), ook vindt verdachtes verklaring over de wijze waarop hij het geld heeft besteed ondersteuning in de verklaringen van getuigen, onder meer in de verklaring van de getuige [Y] (p. 328-330), [Z] (p. 364) en verdachtes toenmalige vriendin [V] (p. 372-373). Voorts is die ondersteuning nog te vinden in de hiervoor onder bewijsmiddel nr. 8 opgenomen verklaring van [P] en in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2009, nr. 2008169803-84, van [A] voornoemd, dat is opgesteld naar aanleiding van een bezoek aan de woning van [V] .

Het hof acht de door de verdachte geschetste gang van zaken in de zogenaamde “tactische verklaring” d.d. 8 juli 2009 ongeloofwaardig.

Het hof verwerpt het verweer.

Hoogte van het verduisterde bedrag van de Dierenambulance

Het hof acht bewezen dat de verdachte een bedrag van € 119.490,- van de Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg heeft verduisterd door middel van pintransacties.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [A] d.d. 19 april 2009 heeft de verdachte daarnaast geldbedragen naar zijn bankrekeningen overgemaakt.

Met de rechtbank is het hof echter van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om te kunnen vaststellen welk deel van die overgemaakte geldbedragen door de verdachte wederrechtelijk is toegeëigend.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

verduistering;

2.

verduistering;

3.

valsheid in geschrift;

4.

mishandeling, begaan tegen zijn moeder;

6.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich gedurende circa anderhalf jaar schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen van de Stichting Dierenambulance Zuid-Oost Limburg. Daarnaast heeft hij geld verduisterd van de Stichting Bureau Sociale Zorg. In totaal heeft hij zich een bedrag van ruim € 122.000,- wederrechtelijk toegeëigend.

De verdachte heeft met zijn handelen zijn eigen financiële belangen – het onderhouden van een luxueuze levensstijl – boven het belang van beide stichtingen geplaatst. Daarbij heeft hij het vertrouwen van de stichtingen, de daarbij betrokken vrijwilligers en de verschillende donateurs ernstig geschonden. Voorts heeft hij, om te voorkomen dat zijn strafbare feiten aan het licht zouden komen, een valse leningovereenkomst opgemaakt. Tevens heeft de verdachte zijn moeder mishandeld en zijn vader bedreigd.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de hoogte van de verduisterde geldbedragen kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

In aanmerking genomen echter de gezondheidstoestand van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep – mede uit in het geding gebrachte medische verklaringen – is gebleken, zijn blanco strafblad, het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde alsmede de gevolgen – in de ruimste zins des woords – die deze strafzaak voor de verdachte zelf heeft gehad, ziet het hof aanleiding om te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof zal de verdachte veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren.

Nu het hof niet komt tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, doet zich niet de situatie voor dat de verdachte thans opnieuw gedetineerd zal raken. Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot onderzoeken van de detentiegeschiktheid van de verdachte dan ook af, nu daartoe geen noodzaak aanwezig is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 225, 285, 300, 304 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1, 2, 3, 4 en 6 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 12 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Eijsenga is buiten staat dit arrest te ondertekenen.