Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4515

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
20-000681-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:867, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft twee antieke wapens vanaf een korte afstand op het hoofd van een agent gericht en vervolgens ook (een van) de trekker(s) overgehaald, terwijl een andere agent daar direct naast stond.

Vrijspraak van poging tot moord dan wel doodslag. Geen boos opzet op de dood vanwege een aannemelijk scenario dat in de verklaringen van de verdachte besloten ligt: de verdachte wilde door de agent doodgeschoten worden en heeft de wapens, in de veronderstelling dat die niet zouden werken, gebruikt in een poging hem daartoe te dwingen. Evenmin voorwaardelijk opzet op de dood, omdat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat de wapens zouden afgaan.

Veroordeling wegens bedreiging van de twee agenten met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2016, afl. 1, p. 20

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000681-14

Uitspraak : 12 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2014 in de strafzaak met parketnummer 01/845682-13 tegen de verdachte:

[naam van de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1961,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte vrijgesproken van zowel de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag als de onder 2 ten laste gelegde bedreiging. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging is wel bewezen verklaard; de verdachte is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 200 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder algemene en bijzondere voorwaarden. Voorts is beslist op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte, zijn raadsman en de benadeelde partijen naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 primair (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord, maar de onder 1 primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, waarbij de reclassering aanwijzingen kan geven omtrent een eventuele behandeling.

De raadsman heeft bepleit dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof komt tot een bewezenverklaring van meer feiten dan de rechtbank. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden vernietigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1. primair


hij op of omstreeks 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [A] , verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, van het leven te beroven, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg:

- twee, althans een, vuurwapen(s) op het hoofd van die [A] heeft gericht en/of vervolgens;

- de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) heeft overgehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch [A] , verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk dreigend, ten overstaan van die [A] :

- twee, althans een, vuurwapen(s) op de grond gericht en/of vervolgens;

- twee, althans een, vuurwapen(s) op (het hoofd van) die [A] gericht en/of vervolgens;

- de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) overgehaald (waardoor een klikkend geluid te horen was);

2.


hij op of omstreeks 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch [B] , verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk dreigend, ten overstaan van die [B] :

- twee, althans een, vuurwapen(s) op de grond gericht en/of vervolgens;

- twee, althans een, vuurwapen(s) op (het hoofd van) collega-verbalisant [A] gericht, die op dat moment naast die [B] stond, en/of vervolgens;

- de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) overgehaald (waardoor een klikkend geluid te horen was).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen: vastgestelde feiten en omstandigheden

Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gemaakte selectie en waardering van de bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair. In de feiten en omstandigheden die de rechtbank op grond daarvan heeft vastgesteld, is weliswaar een aantal conclusies verweven - zo wordt in de weergave van de relazen van de verbalisanten “de man” waarover zij spreken, vervangen door “verdachte”, maar dat gebrek in de bewijsvoering is van zo’n ondergeschikt belang dat tegen het overnemen daarvan geen bezwaren kunnen bestaan. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat deze feiten en omstandigheden ook niet door de advocaat-generaal en de raadsman zijn betwist. Het hof zal de feiten en omstandigheden dan ook voor zijn beoordeling van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 overnemen en tot de zijne maken, en daarnaast met betrekking tot feit 2 een aanvulling op de bewijsvoering opnemen.

“(…) Bewijsmiddelen1 (…)

Op 17 augustus 2013 krijgen verbalisanten [A] , hoofdagent van politieregio Brabant-Noord, en [B] , de melding dat er tussen de bewoners van de percelen [adres 2] en [adres 3] te ‘s-Hertogenbosch een burenruzie plaatsvindt. Daarop zijn zij ter plaatse gegaan en zien zij in de woning [adres 2] te ‘s-Hertogenbosch een man met twee vuurwapens in de hand. Op vordering van verbalisant [A] komt de man naar buiten. De man heeft in elke hand een vuurwapen. [A] sommeert de man de wapens neer te leggen. De man geeft hieraan geen gevolg. Op het moment dat de man op anderhalve meter afstand van [A] staat met zijn gezicht naar dat van [A] gericht, ziet [A] dat verdachte de wapens bij de handgreep beet heeft en dat de man een vinger langs de trekkers heeft. [A] ziet dat de man beide vuurwapens gereed om te vuren langs zijn lichaam houdt. [A] sommeert de man de wapens te laten vallen. De man geeft hieraan geen gehoor. [A] ziet dat de man beide armen in één beweging omhoog brengt, waarbij de man zijn armen strekt en beide vuurwapens op het hoofd van [A] richt. De afstand tussen de lopen van de vuurwapens en het gezicht van [A] bedraagt op dat moment ongeveer 40 centimeter. [A] kijkt in de lopen van beide wapens. Hij ziet dat de man de spieren van zijn hand spant en hij hoort een klik. Deze klik herkent hij als het geluid van een niet geladen vuurwapen waarbij de hamer tegen de slagpin komt. De wapens gaan niet af. [A] gaat meteen tot actie over in een poging de man te ontwapenen. Daarbij komen zij beiden ten val. Ondertussen hebben collega’s van [A] de wapens van de man afgepakt en is de man aangehouden.2

Bij zijn aanhouding gaf de man op te zijn genaamd [naam van de verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1961, wonende te ‘s-Hertogenbosch aan [adres 2] [= verdachte].3

Verbalisante [B] bevestigt de waarnemingen van [A] zoals die hiervoor zijn weergegeven. Op het moment dat verdachte zijn wapens op [A] richt, staat [B] [B] rechts naast [A] . Zij ziet dat verdachte de handen langs zijn benen houdt, met de lopen van de wapens naar de grond gericht. Zij hoort [A] roepen dat verdachte de wapens op de grond moet leggen. Zij ziet dat verdachte daar geen gehoor aan geeft. Vervolgens ziet [B] dat verdachte beide vuurwapens omhoog brengt en dat hij de wapens op het gezicht van [A] richt. Korte tijd later hoort zij twee klikken. Dat geluid herkent zij als het overhalen van de trekker van haar ontladen dienstwapen, wanneer de hamer van het wapen naar voren schiet en op de slagpin slaat. [B] ziet dat de wapens niet afgaan. (…) Samen met de ter plaatse gekomen verbalisanten [C] en [D] is verdachte onder controle gebracht en naar het politiebureau afgevoerd.4

Ook verbalisanten [C] en [D] bevestigen de waarnemingen van [A] . Zij zien hun collega’s [A] en [B] voor de woning gelegen aan de [adres 2] te ‘s-Hertogenbosch staan en zij zien dat verdachte in elke hand een pistool heeft. [D] hoort dan een geluid dat zij herkent als de klik van de hamer die tegen de slagpin komt. Het (…) is het geluid dat je hoort wanneer de trekker van een vuurwapen wordt overgehaald. [C] hoort twee keer een klikkend geluid. Ook zij herkent dit geluid als het geluid wanneer een trekker van een vuurwapen wordt overgehaald. Vervolgens zien [D] en [C] dat [A] verdachte naar de grond brengt. [D] neemt de pistolen van verdachte af en geeft die aan [B] . [C] doet verdachte de handboeien om. Nadat verdachte is aangehouden is hij door [D] en [C] naar het politiebureau overgebracht.5

Het hof vult deze bewijsvoering aan met de vaststelling dat verbalisant [B] de functie van aspirant binnen politieregio Brabant-Noord vervulde6 en dat zij nog het volgende heeft verklaard.

“Op zaterdag 17 augustus 2013 (…) was ik samen met mijn collega [A] op surveillance (…). Wij kregen (…) de opdracht te gaan naar het adres [adres 2 en 3] te ’s-Hertogenbosch. (…) Ik heb de situatie daar als levensbedreigend ervaren. (…) Direct na de aanhouding was ik helemaal van de leg. Ik besefte toen wat er zojuist was gebeurd. Het besef dat wij dood hadden kunnen zijn, kwam toen naar boven. Vooral voor [A] was de bedreiging nog directer. (…) Gezien het feit dat ik direct naast mijn collega [A] stond (schouder aan schouder) was de dreiging naar mij zeer groot en ik heb dat ook zo ervaren.”7

Tot slot betrekt het hof nog het volgende onderdeel van haar relaas in de bewijsvoering: “De man (het hof: de verdachte) kwam erg verward over. Ik bedoel daarmee dat de man onberekenbaar overkwam.”8

Vrijspraak van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag

Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord. Het dossier bevat geen wettig en overtuigend bewijs dat bij verdachte sprake is geweest van ‘kalm beraad en rustig overleg’.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot doodslag op verbalisant [A] . Hij heeft daartoe aangevoerd dat de situatie naar de uiterlijke verschijningsvorm moet worden beoordeeld als zijnde boos opzet: de verdachte heeft met het overhalen van de trekker(s) kogels willen afvuren.

Het hof deelt de visie van de advocaat-generaal niet. De advocaat-generaal gaat naar het oordeel van het hof ten onrechte voorbij aan bevindingen en verklaringen die tegen het aannemen van boos opzet pleiten.

De verdachte heeft direct na zijn aanhouding - naar aanleiding van de vraag van verbalisant [C] wat hij verwachtte toen hij zijn wapens op verbalisant [A] richtte - verklaard dat hij dood wilde en dat er nat kruit in het wapen zat (pag. 53 van het politiedossier). Tijdens een van zijn politieverhoren heeft hij daarover voorts verklaard dat hij dacht dat de wapens niet schoten, omdat het daarin aanwezige kruit volgens hem nat was (pag. 27 van het politiedossier). De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de wapens in 1981, toen hij in militaire dienst was, heeft aangeschaft, dat hij er in die tijd ook wel eens mee heeft geschoten, maar daarna niet meer. De verdachte had het plan opgevat de wapens te verkopen. Hij had namelijk gehoord dat de wapens bij de veiling Christie’s 5.000,-- Britse Ponden zouden kunnen opleveren. De wapens moesten daarvoor wel veilig worden gemaakt. Dat was de reden dat hij was begonnen met het natmaken van het kruit.

De verdachte heeft voorts verklaard dat de bij de wapens behorende percussiekapjes in een kistje onder zijn bureau lagen en slechts als afdichting werden gebruikt. De kapjes waren namelijk volgens hem allemaal al eerder gebruikt, terwijl die maar een keer gebruikt kunnen worden. Na 1981 was er niet meer met de wapens geschoten. De wapens waren daarom wel geladen, maar hij wist niet - tegen de achtergrond van de rest van zijn verklaring begrijpt het hof: dacht niet - dat die ook echt zouden werken (pag. 2 en 3 van het proces-verbaal van de op 11 februari 2014 gehouden terechtzitting).

Dit een en ander is door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw naar voren gebracht.

Anders dan de advocaat-generaal, ziet het hof geen reden te twijfelen aan deze verklaringen van de verdachte. Integendeel: het feit dat hij direct na zijn aanhouding al heeft gesproken over “nat kruit” maakt dat daaraan wel degelijk geloof kan worden gehecht. Daar komt nog bij dat het andere element waarover hij bij die gelegenheid sprak - hij wilde dood -, bevestiging vindt in de verklaringen van de verbalisanten [A] en [B] en de bevindingen van verbalisanten [C] en [D] . Zo heeft [A] verklaard dat de verdachte tijdens het gebeuren heeft gezegd “Weet je wat ik wil, ik wil dat je me kapotschiet” (pag. 36 van het politiedossier), terwijl [B] woorden van gelijke strekking heeft gehoord: “Ik wil dat jullie me gewoon kapot schieten” (pag. 50 van het politiedossier). [B] heeft voorts verklaard dat de verdachte na zijn aanhouding nog het volgende heeft geroepen: “Ik zei toch dat je me kapot moest schieten.” (pag. 51 van het politiedossier). Dat komt terug in de bevindingen van [C] en [D] . Zij hebben gerelateerd dat de verdachte, terwijl hij werd overmeesterd, heeft geroepen: “Schiet me maar dood, ik wil dood, had me maar doodgeschoten.” Tegenover hen heeft de verdachte onderweg naar het politiebureau ook gezegd dat hij dood wilde, dat hij niets meer had om voor te leven en dat hij tegen hun collega had gezegd dat hij hem dood moest schieten (pagina 53 van het politiedossier).

Gelet op deze verklaringen en bevindingen kan niet worden volgehouden dat de uiterlijke verschijningsvorm tot de conclusie noopt dat de verdachte het boos opzet heeft gehad om verbalisant [A] neer te schieten. In de verklaringen van de verdachte ligt immers een aannemelijk scenario besloten dat zich niet met een dergelijk boos opzet verhoudt: de verdachte wilde door de verbalisant doodgeschoten worden en heeft de wapens, in de veronderstelling dat die niet zouden werken, gebruikt in een poging hem daartoe te dwingen door (een van) de trekker(s) over te halen.

Van voorwaardelijk opzet op de dood van de verbalisant is naar het oordeel van het hof evenmin sprake.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De advocaat-generaal heeft bij wijze van een subsidiair standpunt aangevoerd dat op zijn minst die situatie aan de orde is. Het hof kan hem hierin echter niet volgen. Naar het oordeel van het hof schiet het bewijs namelijk tekort om te kunnen vaststellen dat de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood in het leven hebben geroepen. De beantwoording van de vraag of dat het geval is, is immers afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. In het onderhavige geval kan dat naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld.

Vaststaat dat sprake was van twee antieke, geladen vuurwapens, dat het kruit naar behoren werkte en dat zich in iedere loop een loden kogel bevond. In eerste aanleg is onduidelijkheid blijven bestaan over de vraag of de percussiekapjes nog tot ontbranding konden komen, waardoor de kogel zou worden afgevuurd. Zulks was afhankelijk van de staat van de percussiekapjes. Dienaangaande heeft W. Kerkhoff, forensisch wapendeskundige bij het NFI, in hoger beroep nader gerapporteerd.

De deskundige heeft in zijn rapport van 24 juni 2015 het volgende geconcludeerd: “Het slagsas in de percussiekapjes was (…) zwaar aangetast (…). Hierdoor was de werkzaamheid van de percussiekapjes sterk verminderd. Of ze nog af hadden kunnen gaan door een slag van een haan van een percussiepistool wordt door mij betwijfeld. Uitgesloten [worden] kan het echter niet, omdat het slagsas niet geheel inert bleek.”

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de deskundige hierover voorts verklaard dat de wapens met het gebruik van de bewuste percussiekapjes vaker niet dan wel zouden afgaan. De kans dat een van de wapens zou afgaan, lag volgens hem (desgevraagd) ergens tussen de 0,5 en 49%. Hij heeft verklaard dat naarmate een percussiekapje ouder is, de kans op het afgaan van het bijbehorende wapen afneemt.

In dat verband acht het hof van belang dat de verdachte de door hem gebruikte percussie-kapjes in 1981 heeft aangeschaft en dat die ten tijde van het ten laste gelegde derhalve ruim 30 jaar oud waren. Het hof leidt daaruit af dat de kans veel groter is dat de wapens niet zouden afgaan, dan dat ze wel zouden afgaan. Het hof voelt zich in dat oordeel gesterkt door de testen die door het NFI zijn uitgevoerd, zoals beschreven in het rapport d.d. 29 januari 2014, waarbij een substantieel aantal pogingen om te schieten met oudere kapjes (volgende de deskundige ter terechtzitting in hoger beroep geschat op ouder dan 15 jaar) niet heeft geleid tot het afgaan van het pistool. In ieder geval kan het hof gelet op de verklaring van de verdachte niet vaststellen dat de kans dat de percussiekapjes zouden afgaan aanmerkelijk was. Dat wordt niet anders, indien de verdachte de trekkers van beide wapens heeft overgehaald en de kans derhalve (zo bevestigde de deskundige) zou verdubbelen.

Het voorgaande betekent dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachtes opzet gericht is geweest op de dood van verbalisant [A] . De verdachte zal daarom eveneens worden vrijgesproken van de onder 1 primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de hierna volgende bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch [A] , verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk dreigend, ten overstaan van die [A] twee vuurwapens op de grond gericht en op het hoofd van die [A] gericht en vervolgens de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) overgehaald waardoor een klikkend geluid te horen was;

2.


hij op 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch [B] , verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk dreigend, ten overstaan van die [B] twee vuurwapens op de grond gericht en vervolgens op het hoofd van collega-verbalisant [A] gericht, die op dat moment naast die [B] stond, en vervolgens de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) overgehaald waardoor een klikkend geluid te horen was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Anders dan de rechtbank is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte zich met zijn handelen niet alleen ten opzichte van verbalisant [A] , maar ook ten opzichte van verbalisant [B] schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen.

In het onderhavige geval heeft de verdachte twee wapens vanaf een korte afstand op het hoofd van verbalisant [A] gericht en vervolgens ook de trekkers, althans ten minste een trekker, overgehaald, terwijl verbalisant [B] daar direct naast stond. Zij stonden immers “schouder aan schouder”. [B] heeft verklaard dat de dreiging ook naar haar toe zeer groot was en dat zij dat ook als zodanig heeft ervaren. Volgens haar kwam de man onberekenbaar over. Dat past bij de verklaringen van de verdachte: hij wilde op dat moment immers worden doodgeschoten.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen deze omstandigheden de conclusie dat ook bij verbalisant [B] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou verliezen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde wordt telkens als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” gekwalificeerd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van dit bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van twee politieagenten met enig misdrijf tegen het leven gericht. Die bedreiging was niet verbaal, maar ging gepaard met het gebruik van twee antieke wapens. De verdachte heeft die wapens vanaf een korte afstand op het hoofd van een van die agenten gericht en vervolgens ook (een van) de trekker(s) overgehaald, terwijl een andere agent daar direct naast stond. Volgens de deskundige bestond er een kans dat de wapens hadden kunnen afgaan. Dat de wapens niet zouden afgaan, konden de verbalisanten op dat moment niet weten.

De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort delicten nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dat is niet anders voor politieagenten. Met name voor agent [A] heeft het bewezen verklaarde enorme gevolgen gehad, gevolgen die tot op de dag van vandaag voortduren. Hij heeft dat uitvoerig verwoord in de slachtofferverklaring die hij ten overstaan van het hof heeft afgelegd. Zo verklaarde hij dat hij op het moment van het gebeuren voor zijn gevoel afscheid heeft moeten nemen van zijn vriendin en kind. Zijn leven flitste op dat moment voorbij. Hij verklaarde voorts door het gebeuren voor een groot deel zijn onbevangenheid te zijn kwijtgeraakt. Het hof rekent dat de verdachte zwaar aan.

De verdachte is, zo blijkt uit het hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatie-register, niet eerder veroordeeld voor misdrijven waarbij de persoonlijke levenssfeer van een ander in het geding is. Zijn enige veroordeling dateert van 3 maart 2006 ter zake van brandstichting.

De verdachte is in het kader van deze strafzaak onderworpen aan een psychologisch en psychiatrisch onderzoek. In de rapporten die naar aanleiding daarvan door psycholoog drs. Van Toorn en psychiater dr. Masthoff zijn opgemaakt, wordt geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten leed aan een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische en theatrale trekken, terwijl er tevens sprake was van een alcoholverslaving. Zij hebben voorts geconcludeerd dat die persoonlijkheidsstoornis verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de laste gelegde feiten heeft beïnvloed. Volgens hen is de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het hof komt op grond van deze bevindingen tot de conclusie dat de bewezen verklaarde feiten slechts in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder naar voren gekomen dat de verdachte (op vrijwillige basis) sinds enige tijd niet alleen wordt behandeld door de forensisch psychiatrische kliniek [naam kliniek] , maar daar inmiddels ook permanent verblijft in een begeleide woonvorm, zoals de reclassering eerder al heeft geadviseerd. De verdachte heeft verklaard zich daardoor rustiger te voelen.

Die persoonlijke omstandigheden maken onverlet dat het bewezen verklaarde dermate ernstig is dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een sanctie die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Wel heeft het hof zich, evenals de rechtbank overigens, voor de vraag gesteld of die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming de duur van verdachtes voorarrest moet overstijgen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het hof het gebeuren, anders dan de advocaat-generaal, niet als een poging tot doodslag op agent [A] heeft gekwalificeerd, maar als een (zeer ernstige) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich thans in een traject bevindt dat erop is gericht het plegen van nieuwe strafbare feiten te voorkomen. Dat traject zal het hof niet doorkruisen, maar bestendigen door middel van aan de verdachte te stellen bijzondere voorwaarden.

Het hof komt wel tot een hogere straf dan de rechtbank. De reden daarvan is met name gelegen in het feit dat het hof bewezen acht dat de verdachte niet alleen agent [A] heeft bedreigd, maar ook agent [B] .

Na een en ander te hebben afgewogen, is het hof tot de slotsom gekomen dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder na te melden algemene en bijzondere voorwaarden, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 2.500,-- te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het hof overweegt dat de omstandigheden waaronder de onder 1 bewezen verklaarde bedreiging heeft plaatsgevonden, naar zijn oordeel dermate ingrijpend zijn dat de vordering voor volledige toewijzing in aanmerking moet komen.

Het hof is met andere woorden, anders dan de rechtbank en de raadsman, van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet daarbij tevens aanleiding om aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [B]

De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 300,-- te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is door de rechtbank in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken is dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet daarbij tevens aanleiding om aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich binnen 14 dagen na de datum van dit arrest meldt bij de verslavingsreclassering Novadic Kentron op het adres [adres 4] te 's-Hertogenbosch;

- de verdachte zich daar gedurende de volledige proeftijd blijft melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de verdachte zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen bij de forensische psychiatrische polikliniek van [naam kliniek] , of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- de verdachte daarbij wordt verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- de verdachte gedurende de volledige proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten in [naam opvanghuis] dan wel een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft de reclassering opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2013 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2013 tot en met de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2013 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2013 tot en met de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 12 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de voetnoten wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord, district Meijerij, D1 – team Den Bosch Noord-West, registratienummer PL21XO 2013085941, afgesloten op 3 september 2013, aantal doorgenummerde bladzijden: 84.

2 Het relaas van verbalisant [A] , pag. 35, 36, 46 en 48.

3 Het relaas van verbalisanten [A] , [B] , [C] en [D] , pag. 14.

4 Het relaas van verbalisant [B] , pag. 50 en 51.

5 Het relaas van verbalisanten [C] en [D] , pag. 52 en 53.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2013, pag. 49.

7 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 19 augustus 2013, pag. 38 en 39.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2013, pag. 50.