Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:450

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
HD 200.142.669_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over facturen van een accountant waarbij hij zich niet heeft gehouden aan de vaste prijsafspraak met zijn cliënt maar werkzaamheden per uur is gaan factureren. Vraag is wat daarvan de consequenties zijn voor (de hoogte van) zijn vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.142.669/01

arrest van 10 februari 2015

in de zaak van

Senta B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als Senta,

advocaat: mr. E.R. Jonker te Leusden,

tegen

BDO [BDO] Accountants & Belastingadviseurs B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als BDO,

advocaat: mr. J. van Ravenhorst te Utrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 januari 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 december 2010 en 28 november 2012 en van de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juni 2013 en 30 oktober 2013, gewezen tussen Senta als gedaagde en BDO als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. C/01/195769/HA ZA 09-1534)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen alsmede naar het tussenvonnis van 23 september 2009.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het exploot van anticipatie van 12 februari 2014;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Fluvialis is de moedermaatschappij van Senta en Smart Nose. Bestuurder van Fluvialis is mevrouw [bestuurder]. In die hoedanigheid is zij tevens indirect bestuurder van Senta en Smart Nose.

3.1.2.

Bij brief van 1 juni 2005 aan Senta heeft BDO een voorstel gedaan met betrekking tot door BDO aan Fluvialis, Senta en Smart Nose te verlenen (accountants)diensten. De inhoud van het voorstel luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

1. Algemeen

Gedurende ca. 11 jaar bent u als ondernemer actief op het gebied van geuren. De structuur van uw onderneming bestaat na een herstructurering in 2003 uit 3 vennootschappen, te weten:

- Fluvialis B.V.; de holding

- Senta B.V.; een werkmaatschappij met activiteiten als advisering, onderzoek, workshops/lezingen, zintuiglijk drukwerk en ruimtebeleving.

- Smart Nose B.V.; een werkmaatschappij met activiteiten als handel in luchtcabine’s en geurverspreiders.

Over 2004 hebben deze vennootschappen een omzet van ca. € 1 miljoen gerealiseerd met winst na belastingen van ca. € 60.000. De verwachtingen van 2005 zijn heel positief waardoor een verdubbeling van de winst als realistisch kan worden beschouwd. In totaal zijn er ca. 5 fulltime en 5 parttime medewerk(st)ers in dienst.

(…)

2. Dienstverlening door BDO

Onze dienstverlening zou kunnen bestaan uit de volgende diensten:

  1. Administratieve dienstverlening;

  2. Samenstellen van de jaarrekeningen;

  3. Verzorgen van de salarisadministratie;

  4. Verzorgen van de fiscale aangiften;

  5. Overige werkzaamheden.

Deze werkzaamheden zullen worden verricht door de medewerk(st)ers van de AA/MKB afdeling van BDO Utrecht. Afhankelijk van de aard en omvang van de werkzaamheden zal er een ideale mix van inzet van onze medewerk(st)ers plaatsvinden. Om enige richting te geven, vermelden wij hierbij de gemiddelde tarieven (excl. BTW) van onze medewerk(st)ers:

Junior Assistent € 45

Assistent-accountant € 55

Senior assistent-accountant € 80

Teamleider/cliëntmanager AA € 95

Accountant € 110

Partner AA € 200

Ad 1 Administratieve dienstverlening

De door u intern verwerkte financiële administratie zal door ons maandelijks worden beoordeeld. Onze bevindingen zullen daarbij mondeling worden toegelicht. Tevens zullen wij zorgdragen voor het verzorgen van een set maandelijkse management rapportage. De samenstelling van deze rapportage zal nader met u worden besproken. De maandelijkse rapportage zal alleen gebaseerd zij [lees: zijn, hof] op in het boekhoudsysteem aanwezige “standaard” overzichten. Deze maandelijkse werkzaamheden zullen door een senior assistent-accountant worden uitgevoerd.

Eens per kwartaal zal door de senior-assistent en de teamleider/cliëntmanager een rapportage worden opgesteld waarbij duidelijk inzicht wordt gegeven in de realisatie ten opzichte van de begroting en dezelfde periode van vorig jaar. Tevens zal een paragraaf over de fiscale stand op dat moment onderdeel uitmaken van deze rapportage. Ook zullen de belangrijkste bevindingen hierbij op een beknopte wijze schriftelijk worden vastgelegd. Afhankelijk van de noodzaak zal deze rapportage al dan niet mondeling worden besproken.

(…)

Facturering zal op basis van nacalculatie plaatsvinden, omdat het op dit moment moeilijk precies is vast te stellen hoeveel tijd het ons zal gaan kosten om de administratie te beoordelen. Wij verwijzen u tevens naar een onderdeel 4. van dit schrijven. Ter indicatie schatten wij de bestede tijd op:

per maand

Beoordelen administratie, bespreken van de bevindingen en

verzorgen en toelichten van de “standaard” rapportage

(senior assistent-accountant) 4 uur

Begeleiding en coaching (teamleider/cliëntmanager) 1 uur

aanvullend per kwartaal

Verzorgen van de kwartaal rapportage zoals beschreven:

Senior assistent-accountant 3 uur

Teamleider/cliëntmanager 2 uur

Partner 0,5 uur

Ad 2 Samenstellen van de jaarrekeningen

Op basis van de administratie en de optimaal aangeleverde specificaties aan de hand van vooraf toegestuurde checklisten zullen wij de jaarrekeningen samenstellen. De concept-jaarrekening zal met u worden besproken, waarna deze definitief zal worden uitgebracht.

De kosten voor het samenstellen van de jaarrekeningen zullen als volgt bedragen:

Fluvialis B.V. € 2.250

Senta B.V. € 3.250

Smart Nose B.V. € 3.250

======

€ 8.750

Genoemde bedragen zijn inclusief een bespreking van 2 uur en het opstellen van de publicatiestukken.

(…)

Ad 3 Verzorgen van de salarisadministratie

BDO kan de volledige salarisadministratie voor uw medewerk(st)ers verzorgen, hetgeen inhoud[t]:

het periodiek aanleveren van de salarisstrook;

het berekenen van het vakantiegeld;

het verzorgen van de jaarverwerking, inhoudende:

o het aanleveren van jaarwerk ten behoeve van de belastingdienst en de bedrijfsvereniging;

o het aanleveren van de jaaropgaven per werknemer.

Kosten salarisadministratie (zoals omschreven) per werknemer € 10 per maand.

Overige werkzaamheden worden op basis van de bestede uren tegen uurtarief doorberekend. Het uurtarief bedraagt € 75 voor de salarisadministrateur. Wij gaan in dit voorstel uit van een gemiddelde besteding voor deze werkzaamheden van 1 uur per maand.

(…)

Ad 4 Verzorgen van de fiscale aangiften

Voor de aangiften vennootschapsbelasting stellen wij voor dat deze door een assistent accountant wordt [worden] voorbereid. Vervolgens worden de aangiften gereviewed en geoptimaliseerd door een fiscalist. Door op deze wijze te werken, kan de aangifte vennootschapsbelasting voor € 850 worden gedaan.

De kosten voor het opstellen van een aangifte inkomstenbelasting zullen € 500 bedragen. Extra werkzaamheden, zoals verzorgen uitstelregeling, bezwaarschrift, controle belastingaanslagen, worden op basis van nacalculatie gefactureerd.

(…)

3. Pro-actieve begeleiding

(…)

Tevens zal er een zogenaamd 30/9-gesprek gewenst zijn waarbij gesproken wordt over het lopende jaar, maar tevens over de verwachtingen en plannen voor het nieuwe jaar.

Dit gesprek moet uiteindelijk leiden tot een globale fiscale en financiële planning en een prognose voor het nieuwe jaar. Wij gaan uit van een tijdsbesteding van 2,5 uur voor een partner samen met de teamleider/cliëntmanager.

(…)

4. Facturering

Door u is aangegeven dat het uw voorkeur heeft om de jaarlijkse kosten in vaste maandelijkse termijnen zullen factureren.

Alle bedragen in dit voorstel genoemd hebben betrekking op onze tarieven voor het jaar 2005 (exclusief btw) en worden jaarlijks geïndexeerd met een prijs, loon- en kostenindex.

De in dit voorstel genoemde werkzaamheden zullen op basis van genoemde veronderstellingen de volgende bedragen op jaarbasis verschuldigd zijn:

  1. Administratieve dienstverlening; € 7.100

  2. Samenstellen van de jaarrekeningen; € 8.750

  3. Verzorgen van de salarisadministratie; € 2.100

  4. Verzorgen van de fiscale aangiften; € 1.350

  5. 30/9 gesprek € 740

---------

€ 20.040

=====

Dit zal resulteren in maandbedragen van € 1.670. Nadrukkelijk willen wij opmerken dat de werkzaamheden genoemd onder 1. op basis van werkelijke uurbesteding zullen worden gefactureerd. Dat wil zeggen dat maandelijks naast het vaste bedrag de meer- cq. minderuren zullen worden verwerkt ten opzichte van de zo zorgvuldig mogelijk genoemde begrote uren. Voor de overige onderdelen zouden wij een fixe price willen overeenkomen.

(…)”

3.1.3.

Fluvialis en Senta (en Smart Nose) hebben het voorstel van BDO geaccepteerd en zij hebben BDO opdracht gegeven conform het voorstel accountantsdiensten voor hen te verrichten.

3.1.4.

BDO heeft werkzaamheden voor Fluvialis en Senta (en Smart Nose) verricht en daarvoor facturen verzonden. BDO heeft tot en met het jaar 2007 haar werkzaamheden gefactureerd op basis van de uitgangspunten als neergelegd in punt 4 van voormeld voorstel (vast bedrag per maand met meer- of minderuren). Begin 2008 is BDO op basis van verrichte activiteiten gaan factureren in plaats van de overeengekomen maandbedragen in rekening te brengen zonder dat te voren met Senta te bespreken of aan haar te melden. Het geschil heeft grotendeels betrekking op onbetaald gebleven facturen na begin 2008.

3.1.5.

Medio februari 2009 is de contractuele relatie tussen partijen beëindigd.

3.2.

In de onderhavige procedure vordert BDO van Senta een hoofdsom van € 16.146,97 vermeerderd met contractuele rente en kosten, totaal € 20.538,73.

3.3.

BDO heeft aan het gevorderde het volgende ten grondslag gelegd.

Zij heeft in de periode van november 2007 tot en met februari 2009 werkzaamheden verricht voor Senta. Zij heeft daarvoor facturen gestuurd aan Senta voor een totaalbedrag van

€ 16.146,97, welk bedrag Senta ondanks aanmaning en sommatie onbetaald heeft gelaten. Op grond van de op de overeenkomst tussen BDO en Senta toepasselijke algemene voorwaarden is Senta een contractuele rente van 9,5% per jaar verschuldigd over de factuurbedragen, alsmede buitengerechtelijke kosten.

3.4.

Senta heeft, kort samengevat, het volgende verweer gevoerd.

Er staan geen werkzaamheden tegenover het gevorderde bedrag, althans de vorderingen zijn ondeugdelijk onderbouwd omdat alleen facturen zijn overgelegd.

De door partijen afgesproken vaste prijs is overschreden, waarvoor BDO ten onrechte niet heeft gewaarschuwd.

Het is onduidelijk of BDO de vaste prijs heeft gefactureerd of op regiebasis heeft gefactureerd.

Eventueel meerwerk is niet gespecificeerd en onderbouwd.

BDO is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door niet de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot/ vakgenoot mag worden verwacht.

Zolang niet duidelijk is wat er betaald moet worden, wordt een beroep op opschorting gedaan.

3.5.

In het (tweede) tussenvonnis van 29 december 2010 heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat BDO, door eenzijdig verandering te brengen in de wijze van factureren, zich de belangen van onder meer Senta onvoldoende heeft aangetrokken. BDO was volgens de rechtbank immers bekend met de uitdrukkelijke wens van onder meer Senta om vaste maandbedragen te betalen in plaats van per maand wisselende bedragen. De rechtbank heeft verder overwogen dat dit niet betekent dat er geen enkele betalingsver-plichting van Senta jegens BDO bestaat omdat vaststaat dat BDO werkzaamheden heeft verricht. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het gezien de overeenkomst (zie r.o. 3.1.2. hiervoor) mogelijk is dat voor wat betreft de post administratieve dienstverlening meer in rekening wordt gebracht dan de overeengekomen maandbedragen. Het komt er volgens de rechtbank op neer dat ter discussie staat of de door BDO in rekening gebrachte facturen overeenstemmen met de door haar verrichte werkzaamheden, waarbij het toetsingskader artikel 7:405 lid 2 BW is. De rechtbank heeft in dat kader [registeraccountant] RA tot deskundige benoemd en hem opgedragen om de volgende vragen te beantwoorden:

1. Welke werkzaamheden heeft BDO [BDO] in de periodes waarop de facturen

waarvan betaling wordt gevorderd (grofweg vanaf het vierde kwartaal van 2007) betrekking hebben ten behoeve van Fluvialis, Senta en Smart Nose verricht?

2. Welke bedragen heeft BDO [BDO] voor die werkzaamheden aan Fluvialis, Senta

en Smart Nose in rekening gebracht?

3. Rechtvaardigen aard, omvang en kwaliteit van de verrichte werkzaamheden de daarvoor

in rekening gebrachte bedragen?

4. Zo niet, wat zou dan wel een redelijke beloning voor BDO [BDO] zijn geweest?

5. Welke totaalbedragen hebben Fluvialis, Senta en Smart Nose al daadwerkelijk voldaan

voor de onderhavige werkzaamheden?

6. Hebt u zelf nog opmerkingen die u van belang acht?

3.6.

Nadat de deskundige zijn rapport heeft uitgebracht, hebben partijen ieder een conclusie na deskundigenbericht genomen en hebben zij gepleit.

3.7.

Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 28 november 2012 een mondelinge toelichting door de deskundige bevolen in het bijzijn van partijen. De deskundige heeft deze toelichting op 3 juni 2013 gegeven, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

3.8.

In het tussenvonnis van 26 juni 2013 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“2.14. De rechtbank heeft geen voldoende inzichtelijke informatie van de zijde van BDO

[BDO] verkregen om te kunnen concluderen dat zij in de periode van december 2007

tot en met januari 2009 en dat zij ten aanzien van de administratieve ondersteuning méér

uren heeft moeten werken dan in juni 2005 begroot en zodoende extra uren op basis van

nacalculatie heeft mogen declareren. Voorzover er meer uren zijn gewerkt, is daarvoor

vanaf begin 2008 met de afspraak omtrent extra ondersteuning tegen betaling van

€ 600,-- per maand een bijzondere voorziening getroffen. In de facturen vanaf begin 200$

ziet de rechtbank gedeclareerde uren wegens administratieve bijstand door mevrouw [medewerker BDO]

verschijnen. Kennelijk is daadwerkelijk administratieve bijstand verleend en dit

betekent dat de aanspraak voor BDO [BDO] op de aanvullende € 600,-- ook is

ontstaan.

2.15.

De rechtbank heeft anderzijds geen voldoende concrete aanwijzingen van de zijde

van Fluvialis, Senta (en Smart Nose) verkregen dat de onder de fixed price begrepen

algemene werkzaamheden in de periode van december 2007 tot en met januari 2009 door

BDO [BDO] al met al niet adequaat zijn verricht. Fluvialis, Senta (en Smart Nose)

klagen over de wijze waarop BDO [BDO] met hen als cliënten is omgegaan. Zij

noemen de moeizame communicatie en de voortdurende wisseling van medewerkers aan de

zijde van BDO [BDO] zit hen dwars. Het is ook de rechtbank bij het doornemen van

de stukken, waaronder enkele ordners met door BDO [BDO] overgelegde stukken uit

haar klantdossier, opgevallen dat er zich in betrekkelijk korte tijd diverse personen met deze

relatief kleine onderneming hebben bezig gehouden. Nu de rechtbank BDO [BDO]

echter vastpint op de overeengekomen vaste prijs, is het echter niet zo relevant of BDO

[BDO] het werk met veel mensen op een dure manier heeft gedaan of met weinig

mensen efficiënt en goedkoop. Het verlies is in het ene geval voor BDO [BDO], net

als de winst van efficiënt werken haar ook zou toekomen.”

De rechtbank heeft vervolgens, kort gezegd, de betalingsverplichtingen van Senta (en Fluvialis en Smart Nose) vastgesteld aan de hand van haar eigen redelijkheidsoordeel en op grond van artikel 7:405 BW en heeft daarop de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van Senta (en Fluvialis) waarin zij opgave konden doen van de betalingen inzake de werkzaamheden die BDO voor hen (en Smart Nose) heeft verricht in het tijdvak van december 2007 tot en met einde contract in 2009, waarna BDO bij akte zou mogen reageren.

3.9.

Nadat de aktes zijn genomen, heeft de rechtbank op 30 oktober 2013 eindvonnis gewezen, waarbij Senta is veroordeeld tot betaling van € 16.146,97 met de contractuele rente van 9,5% per jaar vanaf de datum van het vonnis (30 oktober 2013) tot de dag van de algehele voldoening en de proceskosten (waaronder de helft van de kosten van de deskundige).

3.10.

Senta heeft in de appeldagvaarding geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 29 december 2010, 28 november 2012, 26 juni 2013 en 30 oktober 2013.

3.11.

Senta heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd.

De grieven 1, 2 en 3 zijn gericht tegen het vonnis van 29 december 2010.

De grieven 4 en 5 zijn gericht tegen het vonnis van 26 juni 2013.

De grieven 6, 7 en 8 zijn gericht tegen het (eind)vonnis van 30 oktober 2013.

In randnummer 14 van de memorie van grieven stelt Senta dat, hoewel haar grieven slechts een aantal essentiële punten uit de door de rechtbank gewezen vonnissen betreffen, zij een integrale behandeling van het geschil tussen partijen wil bewerkstelligen.

Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij vereist is dat die gronden voldoende kenbaar zijn. De enkele vermelding in de memorie van grieven dat Senta het geschil in volle omvang aan de appelrechter wenst voor te leggen is dus niet voldoende om aan te nemen dat enig door haar niet vermeld geschilpunt naast andere wel door haar nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld.

3.12.

Het hof overweegt verder als volgt.

Tegen het vonnis van 28 november 2012 heeft Senta geen grieven gericht, zodat zij in het daartegen gerichte hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.13.

Tussen partijen staat vast dat BDO tot en met 2007 haar werkzaamheden heeft gefactureerd op basis van de uitgangspunten zoals neergelegd in punt 4 van haar voorstel d.d. 1 juni 2005 (vast bedrag per maand met meer- of minderuren) en dat zij begin 2008 op basis van verrichte activiteiten is gaan factureren zonder dat tevoren met Senta te bespreken of aan haar te melden. Het voornaamste bezwaar van Senta betreft deze gang van zaken. Zij wil(de) nu juist een vast maandbedrag zodat zij niet voor verrassingen zou komen te staan. Ondanks dat BDO vanaf 2008 op basis van activiteiten (per uur) is gaan factureren, is de rechtbank (overigens in het kader van het bepalen van een redelijk loon als bedoeld in artikel 7:405 BW) echter uitgegaan van de (vaste) prijsafspraak in het voorstel van BDO van 1 juni 2005, hetgeen dus overeenkomstig de wens van Senta is. Die afspraak hield in dat voor het samenstellen van de jaarrekeningen, het verzorgen van de salarisadministratie, het verzorgen van de fiscale aangiften en het “30/9 gesprek” steeds een “fixed price” zou gelden (van respectievelijk € 8.750,-, € 2.100,-, € 1.350,- en € 740,- per jaar), dat voor administratieve dienstverlening € 7.100,- per jaar werd begroot en dat die werkzaamheden op basis van werkelijke uurbesteding zouden worden afgerekend, d.w.z. dat maandelijks naast het vaste bedrag de meer- c.q. minderuren zouden worden verwerkt ten opzichte van de begrote uren.

3.14.

Grief 1 keert zich tegen rechtsoverweging 4.5 van het vonnis van 29 december 2010 dat, als er niet is gefactureerd volgens de afspraken, dit nog niet wil zeggen dat er geen enkele betalingsverplichting bestaat.

Met grief 2 bestrijdt Senta rechtsoverweging 4.6 van het vonnis van 29 december 2010 dat het – gelet op het bepaalde in het voorstel van BDO onder 4 – contractueel mogelijk is dat voor wat betreft de post administratieve dienstverlening meer in rekening wordt gebracht “van” [het hof begrijpt: “dan”] de overeengekomen maandbedragen.

Met grief 3 wordt betoogd dat onjuist is het oordeel van de rechtbank dat het toetsingskader wordt gegeven door artikel 7:405 lid 2 BW waarin is bepaald dat, indien loon is verschuldigd doch de hoogte daarvan niet door partijen is bepaald, de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd is (rechtsoverweging 4.8 van het vonnis van 29 december 2010).

Met grief 4 voert Senta aan dat de rechtbank voor het vaststellen van het redelijk loon als bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de oorspronkelijke “fixed fee-afspraak” (rechtsoverweging 2.6 van het vonnis van 26 juni 2013).

3.15.

Bij de behandeling van deze vier grieven heeft Senta geen belang nu de rechtbank

– overeenkomstig de wens van Senta – bij de beoordeling is uitgegaan van de vaste prijsafspraak en (ondanks dat zij in 2008 anders is gaan factureren) BDO aan die afspraak heeft gehouden en in het verlengde daarvan in rechtsoverweging 2.14 van het vonnis van 26 juni 2013 heeft overwogen dat zij niet tot het oordeel kon komen dat BDO in de periode van december 2007 tot en met januari 2009 en ten aanzien van de administratieve ondersteuning méér uren heeft moeten werken dan in juni 2005 begroot en zodoende extra uren op basis van nacalculatie heeft mogen declareren.

Voor wat betreft de kwaliteit van het werk verwijst het hof naar de behandeling van grief 6 (rechtsoverweging 3.22. e.v.).

3.16.

Met grief 5 wordt betoogd dat de rechtbank er in het tussenvonnis van 26 juni 2013 ten onrechte vanuit is gegaan dat BDO alle opgedragen werkzaamheden zonder meer heeft verricht. (Het hof gaat er overigens van uit dat Senta in de toelichting op deze grief telkens bij vergissing “Fluvalis” heeft genoemd.)

3.17.

Volgens Senta heeft BDO begin 2009 haar werkzaamheden gestaakt. BDO heeft in 2008 geen werkzaamheden meer verricht voor de aangifte vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting en evenmin voor de jaarrekening. Dit zou volgen uit de brief van BDO van 19 augustus 2011 waarin zij schrijft: “Er zijn geen kosten voor aangifte vennootschaps-belasting, inkomstenbelasting en de jaarrekening 2008 in rekening gebracht.” Senta stelt dat zij voor genoemde (dus niet uitgevoerde) werkzaamheden volgens de vaste prijsafspraak wel moest betalen en dat zij bovendien voor het door de opvolgend accountant laten uitvoeren van die ontbrekende werkzaamheden ook heeft moeten betalen. Kennelijk bedoelt Senta hiermee (ook) te bestrijden de door de rechtbank toegepaste vermindering van de prijs met 10% (rechtsoverweging 2.14 van het vonnis van 30 oktober 2013).

3.18.

Het hof kan niet vaststellen of BDO de door Senta in deze grief genoemde werkzaamheden wel of niet heeft verricht. Ook BDO is daarover niet erg duidelijk. Uit genoemde brief van BDO volgt niet meer dan dat daarvoor geen kosten in rekening zijn gebracht, hetgeen erop lijkt te duiden dat de bewuste werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. In ieder geval is onbestreden gebleven de (in dit verband door BDO ingeroepen) rechtsoverweging 2.8 van het vonnis van 30 oktober 2013, dat het door Senta, Fluvialis en Smart Nose over 2008 betaalde minder dan de helft blijkt te zijn geweest dan het met BDO in 2005 overeengekomen vaste tarief. Mede gelet daarop heeft Senta onvoldoende feitelijk toegelicht dat zij minder aan BDO is verschuldigd dan waartoe zij (ook na aftrek van een “korting” van 10%) door de rechtbank is veroordeeld. In zoverre faalt grief 5.

3.19.

In grief 5 bestrijdt Senta ook de door de rechtbank in rechtsoverweging 2.9 van het vonnis van 26 juni 2013 toegepaste prijsindexering. Een onderbouwing of specificatie ontbreekt, de opbouw van de indexering in de verschillende jaren is onduidelijk, terwijl de door de rechtbank toegepaste indexering neerkomt op bijna 10%, hetgeen veel meer is dan de gemiddelde CBS-indexering, aldus Senta. Volgens BDO behoefde de rechtbank geen nauwkeurige berekening te maken maar mag zij zich laten leiden door hetgeen redelijk is in de gegeven omstandigheden.

3.20.

De rechtbank heeft – terecht, naar het oordeel van het hof – aansluiting gezocht bij de vaste prijsafspraak in het voorstel van BDO van 1 juni 2005 en daarom ligt het voor de hand vervolgens ook uit te gaan van de in dat voorstel opgenomen indexering (de bedragen “worden jaarlijks geïndexeerd met een prijs-, loon- en kostenindex”). De door de rechtbank schattenderwijs vastgestelde indexering komt neer op zo’n 10%. Dit komt over een periode van 2006 tot en met 2008 neer op een indexeringspercentage van 4% per jaar of, anders gezegd, op een indexatie van 3% per jaar (samengesteld) over 2006, 2007 en 2008. Dit percentage komt het hof niet onredelijk voor. Grief 5 gaat dus niet op.

3.21.

Het hof gaat nu over tot beoordeling van de grieven 6 en 7 die zijn gericht tegen het vonnis van 30 oktober 2013.

3.22.

Met grief 6 klaagt Senta erover dat de rechtbank niet heeft voldaan aan “haar verzwaarde motiveringsplicht” en dat zij BDO niet heeft uitgenodigd om haar stellingen concreet onderbouwd en op geloofwaardige wijze aan te passen, meer specifiek heeft de rechtbank BDO niet uitgenodigd de omvang en de kwaliteit van de werkzaamheden aan te tonen.

3.23.

Het hof neemt tot uitgangspunt dat de rechtbank is uitgegaan van de vaste prijsafspraak en dat zij in het verlengde daarvan in rechtsoverweging 2.14 van het vonnis van 26 juni 2013 heeft overwogen dat zij niet tot het oordeel kon komen dat BDO in de periode van december 2007 tot en met januari 2009 en dat zij ten aanzien van de administratieve ondersteuning méér uren heeft moeten werken dan in juni 2005 begroot en zodoende extra uren op basis van nacalculatie heeft mogen declareren. Dat BDO de in haar voorstel van 1 juni 2005 opgesomde werkzaamheden niet heeft verricht, heeft Senta onvoldoende feitelijk toegelicht (bijvoorbeeld aan de hand van de door BDO overgelegde urenspecificaties, zie productie 16 van BDO).

3.24.

Indien en voor zover Senta (nog steeds) van mening is dat de kwaliteit van de door BDO verrichte werkzaamheden onder de maat was, lag het op haar weg om dat feitelijk te onderbouwen en daaraan juridische consequenties te verbinden. Senta heeft zowel het één als het ander nagelaten, ook in appel. Reeds daarom zal voorbij worden gegaan aan de betreffende stellingen van Senta.

3.25.

Met grief 7 wordt betoogd dat de rechtbank een groot aantal zaken onbesproken heeft gelaten, in welk verband Senta aanvoert dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar verweer dat BDO toerekenbaar tekort is geschoten, met name waar het betreft de door haar jegens Senta in acht te nemen zorgplicht. Volgens Senta heeft BDO haar werkzaamheden ten onrechte per direct opgeschort en is zij “zonder gegronde reden” overgegaan tot invordering van haar facturen, zonder enige dialoog en zonder acht te slaan op haar belangen, waardoor Senta genoodzaakt was een nieuwe accountant in te schakelen die voor een groot deel het werk moest overdoen.

3.26.

Grief 7 faalt. Nog afgezien van het feit dat Senta aan haar betreffende stellingen geen juridische consequenties verbindt, is naar het oordeel van het hof onvoldoende feitelijk onderbouwd dat BDO haar werkzaamheden op onzorgvuldige wijze heeft gestaakt waardoor Senta schade heeft geleden.

3.27.

Senta voert met grief 8 aan dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd “de vordering van Senta heeft afgewezen” en haar in de proceskosten heeft veroordeeld, waaronder ook mede begrepen de helft van de kosten van de deskundige.

3.28.

Senta heeft in de onderhavige procedure geen vordering ingesteld zodat niet direct kan worden ingezien waarop de stelling dat de rechtbank ten onrechte “de vordering van Senta heeft afgewezen” betrekking heeft. Voor zover Senta heeft bedoeld/bedoelt zich te beroepen op verrekening (met een vordering tot een schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortschieten van BDO), heeft te gelden dat Senta dit onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd (vgl. hiervoor rechtsoverwegingen 3.24 en 3.26).

3.29.

Naar het oordeel van het hof heeft Senta te gelden als de in eerste aanleg in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij. De hoofdsom werd door de rechtbank immers – terecht – toegewezen, terwijl (slechts) werden afgewezen de buitengerechtelijke kosten en de vóór de datum van het eindvonnis van 30 oktober 2013 vervallen contractuele rente.

3.30.

Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld is de noodzaak van een deskundigen-bericht mede door de aan de zijde van BDO geschapen verwarring ontstaan. Het hof stelt vast dat die noodzaak dus niet alleen door de houding van BDO is ingegeven, maar ook door de proceshouding van Senta, die immers de redelijkheid van de hoogte van de vordering betwist. Gelet daarop en gelet op het feit dat het deskundigenbericht wel bruikbaar was maar slechts ten dele, dienen de kosten van de deskundige door partijen ieder voor de helft te worden gedragen, hetgeen neerkomt op 50% ten laste van BDO, 25% ten laste van Senta en 25% ten laste van Fluvialis.

3.31.

In de toelichting op grief 8 klaagt Senta er nog over dat de rechtbank, waar zij de door haar benoemde deskundige niet heeft gevolgd, haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd en de deskundige had moeten verzoeken zijn bevindingen in heroverweging te nemen, althans hem had moeten verzoeken (alsnog) gemotiveerd antwoord te geven. Dat laatste gaat niet op, alleen al niet omdat de rechtbank, nadat de door haar benoemde deskundige zijn rapport had uitgebracht, een mondelinge toelichting door de deskundige ter zitting heeft bevolen. Overigens is het aan de rechter overgelaten of hij behoefte heeft aan een (nadere) deskundige voorlichting. Het hof is verder van oordeel dat uit de overwegingen van de rechtbank duidelijk blijkt waar zij het deskundigenbericht wel en niet heeft gevolgd en waarom zij dat wel respectievelijk niet heeft gedaan.

3.32.

Uit het voorgaande volgt dat grief 8 geen doel treft.

3.33.

Het bewijsaanbod van Senta zal als onvoldoende gespecificeerd en niet terzake doende worden gepasseerd.

3.34.

De slotsom is de volgende.

Senta is niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het vonnis van 28 november 2012. De grieven falen. De daarmee bestreden vonnissen van 29 december 2010, 26 juni 2013 en 30 oktober 2013 dienen te worden bekrachtigd. Senta zal als de in overwegende mate in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart Senta niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het vonnis van 28 november 2012;

bekrachtigt de vonnissen van 29 december 2010, 26 juni 2013 en 30 oktober 2013 waarvan beroep;

veroordeelt Senta in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van BDO worden begroot op € 1.920,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, W.H.B. den Hertog Jager en I. Bouter en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 februari 2015.