Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4493

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
HD 200.151.487_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:5477, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Levensgezellen, samenlevers, verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.151.487/01

arrest van 10 november 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. R.G.P. Voragen te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. C.H.M. Geraedts te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 augustus 2014 in het hoger beroep van de door de kantonrechter in de rechtbank Limburg onder zaaknummer 510457 CV EXPL 13-732 gewezen vonnissen van 14 augustus 2013 en 26 februari 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 augustus 2014 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie op 5 september 2014;

  • -

    de memorie van grieven tevens wijziging/vermeerdering van eis, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen hebben in 2011 met elkaar een relatie gekregen.

  2. De vrouw verhuurde formeel een kamer aan de man.

  3. In 2012 zijn partijen uit elkaar gegaan.

7.2.1.

De onderhavige procedure draait om de vermogensrechtelijke afwikkeling van de relatie van partijen. De man heeft in eerste aanleg gevorderd dat:

1) de vrouw wordt veroordeeld om aan hem € 5.000,- te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;

2) voor recht wordt verklaard dat de vrouw toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en voor recht wordt verklaard dat zij de schade die de man daardoor heeft geleden of nog zal lijden, dient te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3) de vrouw wordt veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de volgende goederen van de man te laten bezorgen op het adres van de man, op straffe van verbeurte van een dwangsom:

a) vijf stoelen;

b) het bankstel;

c) de eettafel;

d) de muurbeugels met schroeven en kabels;

e) de decoder;

f) de mobiele telefoon;

g) de videorecorder;

h) het boek “mededelingen voor reizigers”;

i) de DVD’s;

j) een plasma TV.

4) de vrouw wordt veroordeeld tot het vergoeden van buitengerechtelijke kosten ad € 714,-;

5) de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.

7.2.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

7.3.1.

In het tussenvonnis van 14 augustus 2013 heeft de kantonrechter – samengevat – de man opgedragen te bewijzen dat de eettafel, de stoelen en het bankstel zijn eigendom zijn. Blijkens het eindvonnis (rov. 1.2) heeft de man zijn vordering op dit punt ingetrokken.

7.3.2.

De kantonrechter heeft: de hiervóór omschreven vorderingen 1), 2), 4) en 5) afgewezen en vordering 3) – voorzover al niet ingetrokken – deels afgewezen en deels toegewezen, aldus dat:

- de vrouw is veroordeeld om de muurbeugels met schroeven en kabels, en de mobiele telefoon aan de man terug te bezorgen (rov. 3.1).

De man is, ten slotte, in de proceskosten veroordeeld (rov. 3.3).

7.4.

De man heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. De man heeft daarnaast zijn eis te gewijzigd/vermeerderd, aldus dat hij:

- schadevergoeding vordert nader op te maken bij staat als gevolg van het onterecht verwisselen van de sloten en het daarmee “ontzeggen van de huurder tot het gehuurde”, waardoor hij zijn zaken niet kon meenemen;

- zijn HTMC-kabel retour vordert;

- vervangende schadevergoeding vordert voor “(…) De decoder; de plasma tv; eventueel de HTMC kabel”.

De vrouw heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aldus gewijzigde eis, zodat het hof van deze gewijzigde eis zal uitgaan.

De man vordert in hoger beroep dat:

“[De vrouw], primair:

1) wordt veroordeeld om aan [de man] € 5.000,00 te betalen dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag dan wel een ander bedrag, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente;

2) Voor recht wordt verklaard dat [de vrouw] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en voor recht te verklaren dat [de vrouw] de schade die [de man] daardoor heeft geleden of nog zal lijden, dient te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3) wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffen volgens de wet.

4) wordt veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de volgende goederen van eiser aan hem terug te bezorgen op zijn adres, op straffe van verbeurte dwangsom van € 500,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft:

- Het bankstel;

- De decoder;

- De plasma TV;

- De HTMC-kabel;

5) wordt veroordeeld tot het vergoeden van de buitengerechtelijke kosten ad € 714,00;

6) wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties;

subsidiair:

[de vrouw]

7) wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, in ieder geval een bedrag ad € 448,54 bedragende.”

7.5.

Het hof merkt voor alles op dat de man niet alleen hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis van 26 februari 2014, maar ook tegen het vonnis dat daaraan voorafging van 14 augustus 2013. Dit blijkt uit de eerste alinea van de memorie van grieven, waarin dit expliciet staat en voorts uit verschillende grieven die zich mede keren tegen beslissingen in het tussenvonnis.

Daar doet in dit geval niet aan af dat de man in het petitum van zijn memorie van grieven alleen met zoveel woorden vernietiging van het eindvonnis heeft gevorderd. De vrouw heeft er namelijk zelf op gewezen (in de een na laatste alinea van haar memorie van antwoord) dat de man aan het begin van zijn memorie óók vernietiging van het tussenvonnis heeft gevorderd, zodat voor haar duidelijk was dat het hoger beroep ook het tussenvonnis betrof.

7.6.

De vrouw heeft met betrekking tot het bedoelde tussenvonnis het volgende niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd:

“Voor de grieven die zien op onderdelen van [het] vonnis van 14 augustus 2013, voor zover daarin reeds een eindbeslissing is gegeven, dient [de man] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”

Dit verweer (dat de vrouw overigens herhaalt bij haar reactie in haar memorie van antwoord op afzonderlijke grieven, bijvoorbeeld bij grief 1 en grief 3) gaat naar het oordeel van het hof niet op. Het vonnis van 14 augustus 2013 is een tussenvonnis waarop het bepaalde in artikel 337 lid 2 Rv. van toepassing is en niet een eindvonnis waarmee in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding. Van dit tussenvonnis kon hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld. Dát heeft de man gedaan.

7.7.1.

De grieven 1 en 2 keren zich tegen de afwijzing van vordering 1), de vrouw te veroordelen aan de man € 5.000,- aan schadevergoeding te betalen.

7.7.2.

De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de man zijn vordering onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd: de man heeft in zijn dagvaarding alleen gesteld dat de vrouw de auto van de man heeft vernield en dat de schade € 5.000,- was; welke auto, wanneer en hoe door de vrouw vernield, welke schade en hoe berekend, al die gegevens ontbreken.

7.7.3.

De man voert ter toelichting op zijn grieven 1 en 2 het volgende aan.

De vrouw heeft de auto vernield. Het betreft een Mercedes C 220 met kanteken [kenteken] . Het type is niet van belang. “Ook wanneer is niet zo heel spannend”. Het maakt ook niet uit hoe de vernieling(en) is (zijn) gebeurd, maar wel dát het is gebeurd. De man was er niet in alle gevallen bij, zodat hij niet alles kan “stellen”. De man was er niet op bedacht dat de vrouw alles zou ontkennen. In ieder geval heeft de vrouw de zijspiegel en de sterren van de Mercedes getrapt, getrokken of vernield. Ook heeft de vrouw de versnellingsbak vernield door daar tijdens het rijden mee te schakelen, terwijl de koppeling niet was ingeduwd. De man biedt bewijs aan van zijn stellingen door het horen van getuigen, onder wie “ ‘ [getuige 1] ”, “een zekere [getuige 2] ” en de heer [getuige 3] van [Assurantiën] Assurantiën met wie de vrouw contact heeft gehad over de schade aan de auto (prod. 3). De man wéét dat de vrouw de vernielingen aan de auto heeft aangericht, maar zij liegt daarover. Dat doet zij vaker. (De man houdt daarover een uitgebreid betoog, waarvoor het hof verwijst naar de tekst van de memorie van grieven op dit punt). De man verzoekt het hof een deskundige aan te stellen die kan vaststellen welke schade aanwezig is en wat het schadebedrag is.

7.7.4.

De vrouw betwist dat zij de Mercedes heeft vernield. De stellingen van de man ter zake zijn ook onvoldoende concreet. De vrouw zal niet ingaan op de door de man geuite beschuldigingen, met het kennelijke doel de vrouw als onbetrouwbaar af te schilderen.

7.7.5.

Het hof oordeelt als volgt.

De man heeft ook in hoger beroep zijn vordering onvoldoende feitelijk onderbouwd. De man heeft nagelaten zijn stelling dat de Mercedes is vernield, laat staan dat de vrouw dit heeft gedaan, met enig stuk te onderbouwen, bijvoorbeeld met een offerte van een autoschadeherstelbedrijf, reparatiefactuur, een betalingsbewijs van een reparatie of anderszins. Aldus heeft de man niet voldaan aan de ingevolge artikel 150 Rv. ter zake op hem rustende stelplicht. De man heeft weliswaar een e-mail overgelegd (prod. 3), maar daarin wordt alleen gesproken over “schade” niet over schade aan de auto (terwijl de man ook heeft nagelaten duidelijk te maken wanneer de beweerde vernielingen hebben plaatsgevonden, zodat ook daaruit geen aanwijzing valt te ontlenen dat de e-mail betrekking zou hebben op de schade aan de auto). Ook blijkt uit de e-mail, anders dan de man meent, niet dat de vrouw contact heeft gehad met [Assurantiën] Assurantiën, maar alleen dat aan haar een brief is gezonden. Nu de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, wordt ook niet toegekomen aan bewijs. Aan het bewijsaanbod van de man gaat het hof dan ook voorbij. Het verzoek van de man een deskundige te benoemen zal op de genoemde gronden eveneens worden afgewezen. De grieven 1 en 2 falen mitsdien.

7.8.1.

Grief 3 keert zich tegen de afwijzing van vordering 2), dat voor recht wordt verklaard dat de vrouw toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en voor recht te verklaren dat zij de schade die de man daardoor heeft geleden of nog zal lijden, dient te vergoeden.

De man heeft ter toelichting op deze vordering het volgende aangevoerd (inl. dv, pt. 3). De man heeft een woning gehuurd van de vrouw. In die woning stonden nog spullen van de man. De vrouw heeft de man echter de toegang tot de woning ontzegd en de woning van andere sloten voorzien, zodat de man niet meer bij die spullen kon. Daardoor is de vrouw tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en daardoor schadeplichtig. De schade bestaat onder andere uit een bedrag aan abonnementskosten die de man moet betalen aan xs4all terwijl de vrouw al maanden weigert “dit kastje” terug te geven.

7.8.2.

De kantonrechter heeft de vordering van de man afgewezen, omdat het niet teruggeven van eigendommen geen tekortschieten is als verhuurder in de nakoming van verhuurdersverplichtingen.

7.8.3.

In hoger beroep heeft de man nog aangevoerd dat hij ook schade heeft geleden doordat hij geen gebruik kon maken van het gehuurde.

7.8.4.

De vrouw heeft hiertegen – reeds in eerste aanleg – het volgende aangevoerd.

Er is alleen “iets getekend over huur van een kamer” (en zeker niet een woning), opdat de man zich kon laten inschrijven bij de gemeente; huur heeft de man nimmer betaald; betalingsbewijzen heeft de man ook niet overgelegd. De man is wel bij de vrouw ingetrokken in oktober 2011. Vóór kerstmis 2011 heeft de vrouw aan de man te kennen gegeven dat hij moest vertrekken. Vanaf april 2012 is de vrouw in het kader van de wet BOPZ opgenomen geweest. Gelet op het verbreken van de relatie en de negatieve invloed die de man had op de vrouw, kon de vrouw pas terugkeren in haar woning als de man deze zou verlaten. Op 23 juli 2012 hebben de ouders van de vrouw de man nogmaals verzocht de woning te verlaten. Op 24 juli 2012 heeft de man de woning inderdaad verlaten. Aangezien de vrouw haar eigen huissleutel was verloren, hebben de ouders van de vrouw de man diverse malen verzocht de huissleutel waarover hij beschikte af te geven. Uiteindelijk heeft de man de huissleutel in de woning achtergelaten, waarop de ouders van de vrouw de sloten hebben laten vervangen, zodat de vrouw veilig in de woning kon terugkeren. Door het achterlaten van de sleutel heeft de man laten blijken niet meer in de woning te willen terugkeren. De ouders van de vrouw hebben de man toen direct laten weten dat de sloten waren vervangen en dat eigendommen van de man die nog in de woning aanwezig waren aan de man ter beschikking zouden worden gesteld, tegen afgifte van de eigendommen van de vrouw (laptop, beddengoed, keukengerei en een bedrag van € 930,-, dat de man van de rekening van de vrouw had gepind met haar pinpas) die de man had meegenomen.

Het is onduidelijk waaruit de door de man gestelde schade zou bestaan. Voor zover de man beoogt te stellen dat hij abonnementskosten moet betalen aan internetprovider xs4all, terwijl hij geen gebruik kan maken van internet omdat “het kastje” door de vrouw niet wordt teruggegeven, betwist de vrouw dit. Een “kastje” heeft zij niet. De man zal dit hebben meegenomen toen hij de woning in juli 2012 heeft verlaten.

In haar memorie van antwoord heeft de vrouw ten slotte nog opgemerkt dat de beslissing van de kantonrechter op de juiste gronden is genomen.

7.8.5.

Het hof oordeelt als volgt. Tegenover de gedetailleerde betwisting door de vrouw van het bestaan van een (werkelijke, niet slechts formele) huurovereenkomst (die alleen op papier is gezet met het oog op inschrijving van de man bij de gemeente), had het op de weg van de man gelegen in hoger beroep zijn stelling dat daadwerkelijk een huurovereenkomst is aangegaan nader, met stukken, te onderbouwen (bijvoorbeeld met de door de vrouw verlangde betalingsbewijzen; prod. 6 eerste aanleg, zijdens de man is geen bewijs van betaling van huur). Dit heeft hij echter nagelaten. Hetzelfde verwijt valt de man te maken ter zake van de gedetailleerde betwisting door de vrouw dat, zo er al sprake was van een huurovereenkomst, deze reeds beëindigd was (uiteindelijk door achterlating van de sleutel door de man) op het moment dat de sloten werden vervangen en de man dus niet verstoken is gebleven van het genot van het gehuurde. Het niet-teruggeven van spullen van de man, na het einde van de beweerde huurovereenkomst, is, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen ook geen tekortschieten in de nakoming van die overeenkomst. Wat ten slotte de internetaansluiting betreft, heeft de man nagelaten duidelijk te maken in welke periode hij geen gebruik kon maken van het internet via xs4all en met name of dit zag op de periode dat de beweerde huurovereenkomst nog niet beëindigd was (en waarom hij toen geen gebruik kon maken van het internet) dan wel op de periode na de beëindiging van de huurovereenkomst (en waarom hij het internetabonnement dan niet heeft opgezegd; en of hij daarbij wel verplicht was het kastje (het hof begrijpt: modem) te retourneren aan de internetprovider)). De man heeft overigens van de stellingen die hij in het kader van deze grief heeft betrokken geen bewijs aangeboden en het hof acht ambtshalve daarvoor geen gronden aanwezig.

De slotsom van het voorgaande is dat grief 3 faalt.

7.9.1.

Alvorens grief 4 te behandelen (die ziet op vervangende schadevergoeding voor de decoder en de plasma-tv), zal het hof eerst de grieven van de man bespreken die betrekking hebben op zijn vordering 4) (in hoger beroep; zie rov. 7.4 hiervóór) waarmee de man afgifte aan hem van diverse zaken beoogt:

- grief 5 van de man houdt in dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld over de vordering in eerste aanleg onder 3 e: de decoder;

- de gewijzigde/vermeerderde eis van de man houdt in – voor zover hier relevant – dat de man “zijn HTMC-kabel retour wenst”;

- grief 7 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld “dat [de man] zijn vordering op het gebied van het bankstel heeft ingetrokken”.

De kantonrechter heeft, ten slotte, de vordering van de man tot afgifte aan hem van de plasma-tv afgewezen. Tegen die afwijzing heeft de man geen grief gericht. De vordering van de man, in hoger beroep, tot afgifte van de plasma-tv zal daarom worden afgewezen.

7.9.2.

Het hof oordeelt als volgt over grief 5. De vrouw heeft de stelling van de man dat de decoder van hem is voldoende gemotiveerd betwist. Volgens haar was de man geen eigenaar van de decoder en betrof het een decoder die door xs4all in bruikleen was gegeven voor de duur van de overeenkomst en behoeft deze in de praktijk niet te worden geretourneerd. Daarmee is de stelling van de man met betrekking tot de decoder niet komen vast te staan. Aangezien de man verder geen bewijs heeft aangeboden van zijn stelling dat de decoder van hem is (of dat hij deze moet retourneren), faalt grief 5.

7.9.3.

Wat de gewijzigde/vermeerderde eis betreft, stelt het hof vast dat de vrouw niet of onvoldoende heeft betwist dat de HTMC-kabel van de man is (of dat zij die kabel heeft), zodat het hof de vrouw zal veroordelen tot afgifte aan de man, zoals door hem gevorderd. Voor oplegging van de in dit verband gevorderde dwangsom ziet het hof geen grond.

7.9.4.

Aan de vordering tot afgifte van het bankstel, ten slotte, ontbreekt naar het oordeel van het hof iedere feitelijke grondslag. Enige concretisering ontbreekt (hoe is de schenking, dat wil zeggen de overeenkomst (artikel 7:175 BW), tot stand gekomen?; waaruit blijkt van de daarvoor vereiste strekking tot verrijking (tijdens de korte periode van samenleving, zie rov. 7.8.4 of nadien, en nu het betreft een bankstel dat al acht jaar van de vrouw was (zie pv van de comparitie voor de kantonrechter op 17 juni 2013) )?; etc.,). De vrouw heeft voorts in eerste aanleg al betwist dat zij de bank aan de man heeft geschonken, in dat licht had het temeer op de weg van de man gelegen zijn stelling, nu in hoger beroep, (nader) te concretiseren. Dit ook nu de man in eerste aanleg, ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld door de kantonrechter, heeft afgezien van het leveren van getuigenbewijs, zonder daarvoor in eerste aanleg of thans in hoger beroep enige verklaring te geven. Met de blote stelling dat de vrouw hem het bankstel heeft geschonken, heeft de man in het licht van het voorgaande niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht. Aan het door de man aangeboden bewijs wordt dan niet toegekomen. Grief 7 faalt daarom. De vordering tot afgifte zal (thans in hoger beroep) worden afgewezen.

7.10.1.

Grief 4 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de man geen vervangende schadevergoeding heeft geëist. De man vordert in ieder geval thans, in hoger beroep, vervangende schadevergoeding “voor zaken die de vrouw niet aan de man heeft geretourneerd, maar die zich (vermeend) niet meer onder haar bevinden.”

7.10.2.

De kantonrechter heeft bij zijn beoordeling van vordering 3) – zie rov. 7.2.1 hiervóór – alleen ten aanzien van “de decoder” en “de plasma TV” geoordeeld dat de man geen vervangende schadevergoeding heeft gevorderd. Het hof gaat er dan ook van uit dat het de man met grief 4 alléén te doen is om vervangende schadevergoeding voor deze twee zaken, en voorts om vervangende schadevergoeding voor “eventueel de HTMC-kabel” (die, naast de twee reeds genoemde zaken) voorwerp is van de in hoger beroep gewijzigde/vermeerderde eis van de man. Zó heeft de vrouw de vordering van de man ook begrepen. Aangezien het hof al heeft geoordeeld dat de vrouw de HTMC-kabel zal dienen af te geven aan de man (zie rov. 7.9.3 hiervóór), heeft de man in zoverre bij zijn grief geen belang meer.

7.10.3.

Het hof stelt voorop dat de kantonrechter weliswaar heeft overwogen dat de man geen vervangende schadevergoeding heeft gevorderd voor de decoder en plasma-tv, zodat hij op een dergelijke vordering ook niet behoefde te beslissen, maar dat dit geenszins betekent dat nu vervangende schadevergoeding wel is gevorderd, die vordering direct toewijsbaar is.

7.10.4.

Wat de decoder betreft, overweegt het hof als volgt.

De man heeft – in het kader van de onderhavige grief – niet de stelling betrokken dat hij eigenaar was van de decoder of duidelijk gemaakt op welke andere grond er voor de vrouw een verplichting bestond de decoder aan de man terug te geven (bijvoorbeeld omdat het zou gaan om een decoder voor een internetabonnement of een alles-in-één-pakket van de man, die de man bij einde overeenkomst aan de provider moest retourneren). De man vordert immers slechts vervangende schadevergoeding “voor zaken die de vrouw niet aan de man heeft geretourneerd, maar die zich (vermeend) niet meer onder haar bevinden”). Daarmee heeft de man niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan. Zelfs als de man de stelling zou hebben betrokken dat hij eigenaar was van de decoder, heeft de vrouw die stelling in hoger beroep voldoende gemotiveerd betwist (mvg en mva, grief 5, waarover rov. 7.9.2 hiervóór). Bewijs van zijn hier betrokken stellingen heeft de man voorts niet aangeboden. In zoverre faalt derhalve grief 4.

7.10.5.

Wat de plasma-tv betreft, oordeelt het hof als volgt.

Ook ten aanzien van de plasma-tv heeft de man in zijn grief en de toelichting daarop nagelaten duidelijk te maken waarom hij aanspraak kan maken op teruggave daarvan (en vervangende schadevergoeding ter zake). Daarbij komt dat de kantonrechter heeft overwogen – en dit is onbestreden gebleven in hoger beroep – dat als de man een nieuwe procedure over de plasma-tv begint, hij er op moet rekenen dat de vrouw in die procedure € 930,- van de man kan vorderen, die hij op de dag van de aankoop van de TV van de rekening van de vrouw heeft gepind. Dit roept verschillende vragen op, bijvoorbeeld of de man wel schade lijdt of heeft geleden of in die situatie wel sprake is van onrechtmatig handelen van de vrouw, vragen waarover de man nalaat enige helderheid te verschaffen, ofschoon dit wel op zijn weg lag. De man heeft aldus niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan. Ook hier heeft de man overigens geen bewijs aangeboden van zijn – ontoereikende – stellingen.

De slotsom van het voorgaande is dat grief 4 in alle opzichten (ook op het punt van de plasma-tv) faalt.

7.11.

Grief 6 ten slotte houdt in dat de man ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft aan die veroordeling ten grondslag gelegd dat de man grotendeels ongelijk heeft gekregen. Nu die motivering in hoger beroep stand houdt, faalt grief 6. De man zal ook in hoger beroep als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten.

7.12.

Aan het eind van zijn memorie van grieven doet de man nog een bewijsaanbod. Voorzover het hier al niet een herhaling betreft van aangeboden bewijs waarop het hof hiervóór al afwijzend heeft beslist (met name waar het betreft de beweerde vernielingen van de auto), zijn daarbij door de man geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, mits bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden zodat het – in zoverre – in algemene termen gestelde bewijsaanbod van de man wordt gepasseerd.

7.13.

Op grond van het voorgaande wordt thans als volgt beslist.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen van de kantonrechter;

en in aanvulling daarop:

veroordeelt de vrouw om binnen twee dagen na betekening van dit arrest de HTMC-kabel van de man aan hem terug te bezorgen op zijn adres;

veroordeelt de man in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 308,- wegens verschotten en op € 632,- wegens salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, W.Th.M. Raab en M.J. van Laarhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 november 2015.

griffier rolraadsheer