Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4491

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
HD 200.150.847_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:853
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongerechtvaardigde verrijking van handelaar in motorboten ten koste van verzekeraar van klant, door na motorschade het voordeel van een door de fabrikant uit coulance kosteloos verstrekt nieuw kostbaar onderdeel niet door te schuiven naar de (verzekeraar van de) klant maar het kosteloos verstrekte onderdeel gewoon bij de klant in rekening te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/531

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.150.847/01

arrest van 10 november 2015

in de zaak van

[appellante] Watersport B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. H.J.J. Verhoeven te 's-Hertogenbosch,

tegen

UVM Verzekeringsmaatschappij N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als UVM,

advocaat: mr. D.D. Markvoort te Hoogeveen,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 april 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 14 augustus 2013 en 29 januari 2014, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en UVM als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2115739, rolnummer CV EXPL 13-5010)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met drie producties (nummers 7, 8 en 9);

  • -

    de memorie van antwoord met drie producties (nummers 10, 11 en 12), tevens houdende vermeerdering van eis;

  • -

    het schriftelijk pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de door [appellante] bij gelegenheid van het pleidooi in het geding gebrachte vier producties (10 tot en met 13).

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Op 9 juni 2005 heeft de heer [koper] (hierna: [koper] ) van [appellante] een Formula motorboot gekocht en geleverd gekregen. In de motorboot bevond zich toen een Mercruiser motorblok, afkomstig van fabrikant Mercury. De fabrikant wordt vertegenwoordigd door [Marine] Marine te [vestigingsplaats 3] (België), zich ook noemende Mercruiser Nederland of Marine Power, hierna ook aan te duiden als Mercury.

  2. Op het door Mercury ter zake de motor afgegeven garantiecertificaat staat een garantietermijn van twee jaar, eindigend op 9 juni 2007. Onderdeel van het motorblok was een zogeheten longblock, type 496 MAG.

  3. Tussen [koper] als verzekerde en UVM als verzekeraar is met ingang van 1 mei 2007 een watersportverzekering tot stand gekomen met betrekking tot de motorboot. Deze verzekering bood onder meer dekking tegen schade.

  4. Op 22 juni 2008 is tijdens het varen met de motorboot schade ontstaan aan de motor. De motorboot is daarop naar de werkplaats van [appellante] vervoerd. [koper] heeft [appellante] opgedragen de schade aan de motor te herstellen en [koper] heeft in dat kader aan [appellante] verzocht om bij Mercury te informeren of de schade aan het motorblok onder de fabrieksgarantie gerepareerd zou kunnen worden althans onder de fabrieksgarantie viel.

  5. Als productie 7 bij de memorie van grieven is een factuur van Mercury aan [appellante] d.d. 28 juni 2008 overgelegd. Volgens de vermelding op die factuur heeft Mercury op 26 juni 2008 een longblock aan [appellante] verzonden (verpakking 192526), waarvoor aan [appellante] een bedrag van € 11.304,14 in rekening is gebracht. Op de factuur staat (ter informatie) voor een dergelijk longblock als detailhandelsprijs een bedrag van € 17.390,99 vermeld.

  6. In opdracht van Unigarant, agent van UVM, is de schade op 14 augustus 2008 onderzocht door een expert. [appellante] had de schade toen al hersteld. In het door de expert opgemaakte rapport staat op blz. 4 onder meer het volgende:

3. Geconstateerd

De gedemonteerde defecte onderdelen waren aanwezig bij [appellante] Watersport.

- De voorste zuiger aan de linkerkant voor, is volledig uit elkaar gespat.

- Er zijn dermate diepe groeven in de cylinderwand aanwezig dat reparatie onmogelijk is.

- (…)

- De motor was draaiend op volle toeren toen het evenement plaatsvond.

- De gehele zuiger is in stukjes geslagen, deze zijn overal verspreid in het blok en in het in/uitlaatspruitstuk.

4. Schadeoorzaak

Er is geen aanwijsbare oorzaak te detecteren. Het enige dat op te merken valt, is dat het evenement plotseling heeft plaatsgevonden op volle snelheid varend. Het resterend blok vertoond geen sporen van te warm lopen of draaien zonder smeerolie. Er zijn geen vreetsporen op de andere cylinderwanden. Een mogelijkheid dat de betreffende zuiger een gietfout heeft gehad is zeer wel mogelijk. Dit is echter niet meer te constateren omdat de zuiger totaal verloren is gegaan er resteren nog slechts kleine stukjes.

5. Schadevaststelling

(…)

Longblock 496 MAG (…) € 17.390,99 (…)

Klein materiaal en vloeistoffen (…) € 600,00 (…)

80 uur arbeid a € 50,- (…) € 4.000,00 (…)

Totaal exclusief BTW € 21.990,99

BTW € 4.148,29

Totaal inclusief BTW € 26.169,28”

In het rapport staat voorts dat de motor inmiddels vervangen is door een 496 MAG longblock en dat de schadevaststelling is besproken met de reparateur en akkoord bevonden. Op blz. 8 van het rapport is een kopie opgenomen van een factuur van [appellante] gericht aan [koper] , waarop dezelfde bedragen staan als in onderdeel 5 van het rapport zijn opgenomen. Deze factuur d.d. 8 augustus 2008 is ook overgelegd als productie 12 bij de memorie van antwoord en betreft kennelijk een pro forma factuur die [appellante] aan de deskundige heeft overgelegd ten behoeve van de begroting van de schade (aldus ook punt 13 pleitnota [appellante] ).

Bij factuur van 7 oktober 2008 heeft [appellante] aan [koper] € 26.169,28 in rekening gebracht, welk bedrag volgens de specificatie op de factuur is opgebouwd uit de navolgende posten:

 1 496 1 496 MAG Longblock € 17.390,99

 1 496 1 Klein materiaal en vloeistoffen € 600,00

 1 496 80 Arbeid in uren a € 50,-- per uur € 4.000,00

 1 496 BTW € 4.178,29

[koper] heeft het bedrag van € 26.169,28 op 29 oktober 2008 aan [appellante] betaald.

UWV heeft ter zake deze schade op basis van de door [koper] afgesloten watersportverzekering € 25.019,28 aan [koper] vergoed (het factuurbedrag van € 26.169,28 verminderd met het eigen risico van [koper] ad € 1.150,--).

Unigarant heeft een nader onderzoek naar de gang van zaken rondom de reparatie van de motor laten uitvoeren door Garantex. Op blz. 5 van het naar aanleiding van dit onderzoek door Garantex opgestelde rapport staat onder meer het volgende:

“Op 6 januari 2012 verklaarde de heer [directeur appellante] , directeur van [appellante] Watersport te [vestigingsplaats 1] , het volgende: “(…) Wij kregen een garantieclaim van Mercruiser Nederland te waarde van € 11.304,00. Dit betrof de motor zelf. Het nieuwe motorblok is in de boot van [koper] gegaan. Dit vond echter plaats na het monteren en afleveren van de nieuwe motor. Ik heb toen Mercruiser Nederland (Marine Power) gebeld dat ook de verzekering erbij betrokken was. Wacht maar af wat er gaat gebeuren zei Marine Power. [koper] wist inmiddels dat ik € 11.304,00 had gekregen van Marine Power. (…)”

De ondertekende concept verklaring wordt als bijlage 1 bijgevoegd.”

Bij e-mail van 30 augustus 2012 heeft de heer [directeur Mercury] van Mercury aan [appellante] geschreven:

“Geachte heer [directeur appellante] ,

hiermede bevestigen wij de rechtmatige uitbetaling van deze claim voor onderdelen en arbeidsuren”

Bij deze e-mail was een bijlage gevoegd met de naam: “Creditnota garantie [koper] 08-049586.pdf”.

[appellante] heeft tijdens het geding in eerste aanleg gesteld niet over een dergelijke creditnota te beschikken. Bij de memorie van grieven heeft [appellante] echter een door Mercury aan [appellante] gerichte creditnota d.d. 21 augustus 2008 overgelegd. Daarop staat onder meer:

“SOORT BESTELLING: GARANTIE

(…)

KLANT . . . . [koper] ”.

Volgens de vermeldingen op deze creditnota zijn aan [appellante] twee bedragen gecrediteerd, te weten € 11.304,14 ter zake een longblock en € 614,40 ter zake 16 arbeidsuren a € 38,40 per uur. Op de creditnota staat over de wijze van creditering: “TE VERREKENEN MET VOLGENDE BETALING”.

In een bij de conclusie van antwoord in het geding gebrachte verklaring van [directeur Mercury] van Mercury van 26 juni 2013 (toen de inleidende dagvaarding al was uitgebracht) staat onder meer het volgende:

“Met dit schrijven bevestigen wij het volgende:

1. De motor met bovenstaand serienummer was uit de wettelijke garantieperiode

2. Mercury Marine heeft uit coulance overwegingen een longblock met onderdeel nummer (…) ter beschikking gesteld aan [appellante] Watersport (…)

3. 16 werkuren werden er in het kader van dit schadegeval vergoed.

4. Er werden geen verdere betalingen of tegemoetkomingen gedaan in het kader van dit schadegeval.”

In een bij conclusie van dupliek in het geding gebrachte verklaring van [directeur Mercury] , directeur van Mercury, van 29 november 2013 (toen in de onderhavige procedure de comparitie van partijen als was gehouden) staat het volgende:

“Verklaring Mercury Marine betreffende longblock Q/S865273A01

1) De beslissing om een longblock Q/S865273A01 ter reparatie van de motor OW345002 ter beschikking van [appellante] Watersport te stellen werd genomen vanuit coulance overwegingen gezien de motor al geruime tijd uit de wettelijke garantieperiode was. De longblock Q/S865273A01 werd, conform de Mercury Marine procedures, eerst aan [appellante] Watersport gefactureerd, en daarna gecrediteerd.

2) Mercury Marine werd door [appellante] Watersport op de hoogte gebracht dat zij de longblock niet zouden gebruiken om de motor te repareren. Dit was de reden voor Mercury Marine om de coulance toezegging in te trekken. De longblock zal ten gepaste tijde terug door Mercury Marine gerecupereerd worden.

3) Uit commerciële overwegingen en om transportkosten te besparen heeft Mercury Marine beslist om de longblock Q/S865273A01, eigendom van Mercury Marine, in consignatie bij [appellante] Watersport te laten voor een onbepaalde periode.

4) De standaard arbeidsvergoeding (AC90 en AC 70) die toegezegd werden maar niet werden gebruikt zullen ten gepaste tijde door Mercury aan [appellante] Watersport teruggeclaimed worden.”

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde UVM in eerste aanleg, na haar eis bij conclusie van repliek te hebben vermeerderd, veroordeling van [appellante] tot betaling van € 18.190,99, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag “vanaf de datum van betaling door Mercury aan [appellante] ” en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft UVM ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat [appellante] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat [appellante] voor de door haar omstreeks eind juni 2008 uitgevoerde reparatie niet alleen volledig is betaald door [koper] , maar ter zake die reparatie ook van Mercury een longblock ter waarde van € 17.390,99 en een vergoeding voor 16 arbeidsuren, te stellen op € 800,--, heeft ontvangen. Volgens UVM waren die verstrekkingen van Mercury ervoor bestemd ten goede te komen aan [koper] en heeft [appellante] deze verstrekkingen ten onrechte niet mindering gebracht op de aan [koper] gezonden factuur van 7 oktober 2008. Volgens UVM is zij door deze onjuiste handelwijze van [appellante] verarmd, omdat zij de motorschade op basis van de verzekering aan [koper] heeft vergoed.

3.2.2.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.3.

In het tussenvonnis van 14 augustus 2013 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3.2.4.

In het eindvonnis van 29 januari 2014 heeft de kantonrechter:

 [appellante] veroordeeld om aan UVM € 18.040,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 augustus 2012 tot aan de dag van de voldoening;

 [appellante] in de proceskosten veroordeeld;

 het meer of anders gevorderde afgewezen.

De door de kantonrechter toegewezen hoofdsom bestaat uit:

 € 17.390,00 € 17.390,00 ter zake het volgens de kantonrechter door [appellante] van Mercury gekregen longblock (rov. 3.7);

 € 17.390,00 € 650,00 ter zake de vergoeding voor 16 arbeidsuren die [appellante] volgens de kantonrechter van Mercury heeft ontvangen (rov. 3.9).

De kantonrechter heeft niet met zoveel woorden beslist op de vordering tot toewijzing van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom, maar volstaan met toewijzing van “de wettelijke rente”. Het hof gaat er vanuit dat hiermee de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW is bedoeld, omdat voor toewijzing van wettelijke handelsrente over de vordering van UVM, die een vordering tot schadevergoeding betreft, geen grondslag aanwezig is.

Procedurele aspecten met betrekking tot het hoger beroep

3.3.1.

[appellante] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van UVM.

3.3.2.

[appellante] heeft mede hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 14 augustus 2013. [appellante] heeft tegen dat vonnis echter geen grieven gericht. Bovendien staat op grond van het bepaalde in de laatste volzin van artikel 131 Rv geen hoger beroep open tegen dat vonnis. Het hof zal [appellante] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen het tussenvonnis van 14 augustus 2013.

3.3.3.

UVM heeft bij haar memorie van antwoord haar eis vermeerderd. Zij vordert nu, naast bekrachtiging van het eindvonnis van 28 april 2014, tevens veroordeling van [appellante] tot betaling van een aanvullend bedrag van € 4.110,--. Aan deze vordering heeft UVM het volgende ten grondslag gelegd.

[appellante] heeft bij memorie van grieven gesteld dat met de inbouw van een longblock normaliter zestien werkuren zijn gemoeid. Aangezien [appellante] die werkuren al geheel van Mercury vergoed heeft gekregen, heeft [appellante] 80 werkuren ten onrechte aan [koper] in rekening gebracht. [appellante] heeft dus ter zake de werkuren (€ 4.000,-- excl. btw, zijnde) € 4.760,-- incl. btw te veel in rekening gebracht zodat [appellante] dienaangaande, naast het bij vonnis ter zake de werkuren toegewezen bedrag van € 650,--, nog € 4.110,-- aan UVM moet voldoen.

3.3.4.

Omdat UVM aldus een andere uitkomst van de procedure wenst te bereiken dan in het vonnis van 28 april 2014 is neergelegd, moet deze eisvermeerdering worden aangemerkt als een incidenteel hoger beroep;. [appellante] heeft bij gelegenheid van het schriftelijk pleidooi op de eisvermeerdering gereageerd. In de pleitnota van [appellante] ligt dus een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep besloten.

3.3.5.

[appellante] heeft in haar memorie van grieven (randnummers 4 en 74) gesteld dat zij het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof wil voorleggen. Het hof zal de zeven grieven daarom niet afzonderlijk behandelen, maar beoordelen of vordering van UVM, zoals die na de vermeerdering van eis in hoger beroep luidt, kan worden toegewezen op grond van hetgeen UVM aan die vordering ten grondslag heeft gelegd. Het hof zal eerst de kwestie van het longblock behandelen en daarna de kwestie van de arbeidsuren.

Ten aanzien van het longblock

3.4.1.

Artikel 6:212 BW lid 1 BW luidt als volgt: “Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten kosten van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.” De in dit artikel bedoelde schadevergoedingsplicht is in het onderhavige geval dus aan de orde als:

 [appellante] is verrijkt;

 UVM is verarmd;

 een verband bestaat tussen de verrijking en verarming;

 voor de verrijking geen redelijke grond aanwezig is.

3.4.2.

In het onderhavige geval staat vast dat [appellante] , ter zake de door hem omstreeks eind juni 2008 uitgevoerde reparatie, aan [koper] de consumentenprijs voor een nieuw longblock in rekening heeft gebracht en dat [koper] de betreffende factuur van 7 oktober 2008 heeft voldaan. Als Mercury daarnaast in verband met de ontstane motorschade aan [appellante] ten behoeve van [koper] kosteloos een longblock heeft verstrekt (het daarvoor aanvankelijk aan [appellante] gefactureerde bedrag heeft gecrediteerd), is sprake van een verrijking aan de zijde van [appellante] . Dan staat immers vast dat [appellante] het uit de kosteloze verstrekking van het longblock voortvloeiende voordeel, dat dan voor [koper] bestemd was, ten onrechte niet aan [koper] heeft doen toekomen. In het onderhavige geval, waarin UVM op basis van de verzekering de schade aan [koper] heeft vergoed, heeft dit dan geleid tot een verarming van UVM. Tussen die verrijking en verarming is dan een verband aanwezig en uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat voor de verrijking dan geen redelijke grond bestaat. Als de stellingen van UVM komen vast te staan, voert dat dus tot de conclusie dat ten aanzien van het longblock sprake is van ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW.

3.4.3.

Aangezien UVM zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat in dit geval sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, rust op haar ook de bewijslast ten aanzien van het bestaan van de elementen van die ongerechtvaardigde verrijking. Naar het oordeel van het hof moet UVM op grond van de zich bij de gedingstukken bevindende bescheiden voorshands in die bewijslevering geslaagd worden geacht. Vast staat immers:

 dat Mercury op 26 juni 2008 een longblock aan [appellante] heeft verzonden;

 dat [appellante] dit longblock op of omstreeks 28 juni 2008 heeft ontvangen;

 dat Mercury voor het longblock bij factuur van 28 juni 2008 € 11.304,14 in rekening heeft gebracht;

 dat Mercury dit bedrag weer heeft gecrediteerd bij aan [appellante] gerichte creditnota d.d. 21 augustus 2008, onder vermelding van onder meer “SOORT BESTELLING: GARANTIE” en “KLANT . . . . [koper] ”.

Daar komt bij dat de uit deze stukken blijkende gang van zaken nog eens uitdrukkelijk is bevestigd in de schriftelijke verklaring van de heer [directeur Mercury] van Mercury van 26 juni 2013, waarin onder meer is vermeld dat de motor weliswaar uit de garantieperiode was maar dat Mercury in het kader van het schadegeval van [koper] uit coulance overwegingen een longblock ter beschikking heeft gesteld aan [appellante] .

3.4.4.

[appellante] heeft in hoger beroep gesteld dat desondanks van een verrijking aan haar zijnde geen sprake is geweest. Hetgeen [appellante] daartoe in hoger beroep heeft gesteld, komt samengevat op het volgende neer.

Toen [appellante] het motorblok demonteerde en constateerde dat het longblock moest worden vervangen, heeft [appellante] bij Mercury een nieuw longblock besteld. Mercury deelde enkele dagen later mee dat het bestelde longblock niet op voorraad was en niet direct kon worden geleverd. Omdat [appellante] niet vooruit kon, zegde Mercury toe dat zij uit coulance-overwegingen jegens [appellante] , het ingekochte longblock te zijner tijd gratis aan [appellante] ter beschikking zou stellen. Omdat [koper] aandrong op spoedig herstel, besloot [appellante] niet op het nieuwe longblock te wachten maar het beschadigde longblock geheel uit elkaar te halen, het kale longblock te reviseren en met nieuwe onderdelen weer geheel op te bouwen en in te bouwen in de motor en de boot van [koper] . Nadat de expert van UVM 14 augustus 2008 aan [appellante] had meegedeeld dat de schade door UVM zou worden vergoed, heeft [appellante] direct aan Mercury laten weten dat UVM de schade zou vergoeden en dat [appellante] het door Mercury inmiddels geleverde longblock niet had gebruikt. Mercury heeft meteen daarop haar coulancetoezegging weer ingetrokken en bepaald dat [appellante] het longblock weer terug mocht leveren. Uit commerciële overwegingen besloot Mercury dat het longblock in consignatie bij [appellante] mocht blijven staan. Daar staat het tot op heden nog steeds.

3.4.5.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] met deze stellingen en met de ter onderbouwing daarvan overgelegde stukken het voorshands door UVM geleverde bewijs geenszins ontkracht. Het hof neemt daarbij onder meer het volgende in aanmerking. Gelet op de gang van zaken die [appellante] heeft geschetst bij punt 25 van haar pleitnota in hoger beroep, gaat het hof er vanuit dat [appellante] het nieuwe longblock op zijn vroegst op maandag 23 juni 2008 bij Mercury heeft besteld. Het longblock is vervolgens door Mercury op donderdag 26 juni 2008 aan [appellante] verzonden. Het komt het hof vooralsnog niet waarschijnlijk voor dat Mercury vanwege dit geringe tijdsverloop coulancehalve heeft besloten het longblock, met de hierboven genoemde aanzienlijke waarde, kosteloos aan [appellante] ter beschikking te stellen. Het hof acht het vooralsnog eveneens onwaarschijnlijk dat [appellante] vanwege dit geringe tijdsverloop besloten heeft het beschadigde longblock niet te vervangen maar geheel uit elkaar te nemen, te reviseren en opnieuw op te bouwen. Die gestelde gang van zaken is bovendien niet te verenigen met het feit dat:

 [appellante] in eerste aanleg bij conclusie van dupliek uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij in de motor van [koper] het kapotte longblock heeft vervangen door een nieuw longblock;

 [appellante] in het geding in eerste aanleg geen melding heeft gemaakt van enige revisie van het kapotte longblock;

 [appellante] aan [koper] niet de uren en onderdelen gemoeid met revisie van het beschadigde longblock in rekening heeft gebracht, maar de kosten voor de levering van een nieuw longblock;

 de expert van UVM op 14 augustus 2008, nadat [appellante] de reparatie had uitgevoerd en [koper] weer over de motorboot beschikte, bij [appellante] het beschadigde longblock heeft geïnspecteerd (hetgeen niet mogelijk is als dat longblock toen door [appellante] was gereviseerd en ingebouwd in de boot van [koper] );

 [appellante] klaarblijkelijk ook in het kader van de schadevaststelling door de expert op 14 augustus 2008 aan de expert heeft meegedeeld dat er een nieuw longblock (en dus niet het oude en gereviseerde longblock) in de motor is geplaatst.

3.4.6.

Bij de gang van zaken die [appellante] thans voor het eerst in de memorie van grieven heeft geschetst zijn bovendien vraagtekens te plaatsen omdat [appellante] in de conclusie van dupliek, ter verklaring van tegenstrijdigheden in zijn eerdere stellingen, het volgende heeft opgenomen:

“De heer [appellante] ondervindt namelijk al jaren ernstige gezondheidsklachten, (…) Als gevolg hiervan functioneert zijn geheugen slecht (…) Hij weet vaak niet meer goed wat er in een eerder stadium is afgesproken of wat er is gebeurd, maar wil dit vervolgens toch zelf invullen.”

Ook dit doet naar het oordeel van het hof afbreuk aan het relaas dat [appellante] in de memorie van grieven heeft opgenomen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat die memorie dateert van ongeveer zes jaar na de betreffende gebeurtenissen. Het hof kent om deze redenen vooralsnog meer gewicht toe aan de inhoud van de stukken die hiervoor in rov. 3.4.3 zijn opgesomd.

3.4.7.

Ook de bij conclusie van dupliek in het geding gebrachte verklaring van [directeur Mercury] , directeur van Mercury, van 29 november 2013, brengt het hof vooralsnog niet tot een ander oordeel. Dat Mercury de door haar verstrekte creditnota destijds weer ongedaan heeft gemaakt blijkt nergens uit. Voor zover een dergelijke beslissing al genomen zou zijn op grond van een mededeling van [appellante] dat zij het longblock niet “zou gebruiken” voor de reparatie, moet die mededeling vooralsnog evenzeer onjuist worden geacht. Dat het longblock ten tijde van het pleidooi in hoger beroep, ruim zes jaar na de reparatie, nog steeds bij [appellante] in consignatie zou staan komt het hof eveneens ongeloofwaardig voor. Het hof stelt voorts vast dat de stelling van [appellante] , dat hij direct op 14 augustus 2008 aan Mercury heeft meegedeeld dat de verzekeraar de schade zou vergoeden en dat Mercury vervolgens meteen haar coulance-toezeggingen weer heeft ingetrokken (punt 13 MvG), niet te verenigen is met het feit dat de creditfactuur van Mercury, waarin de coulancetoezeggingen vastliggen, pas een week later, namelijk op 21 augustus 2008, is verstrekt.

3.4.8.

Vooralsnog acht het hof dus bewezen dat [appellante] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van UVM, doordat Mercury aan [appellante] in verband met de motorschade van [koper] aan [appellante] kosteloos een longblock ter beschikking heeft gesteld, terwijl [appellante] de kosten voor een nieuw longblock volledig aan [koper] in rekening heeft gebracht. [appellante] heeft in de memorie van grieven (randnummers 52, 62 en 75) en in haar pleitnota echter uitdrukkelijk aangeboden haar stellingen te bewijzen, onder meer door het als getuige lagen horen van de heer [directeur Mercury] van Mercury. Dit aanbod moet worden opgevat als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, voor zover het betrekking heeft op de betwisting van de stelling van UVM dat de verstrekking van het longblock heeft plaatsgevonden als gebaar van coulance jegens [koper] . Het aanbod moet worden opgevat als een aanbod tot levering van bewijs, voor zover het ziet op de stelling van [appellante] dat Mercury het coulancehalve gedane aanbod op of omstreeks 14 augustus 2008 weer heeft ingetrokken. Die stelling betreft immers een bevrijdend verweer (een “ja-maar-verweer”), waarvan de bewijslast op [appellante] rust. Het hof zal [appellante] op de hierna te melden wijze tot bewijslevering toelaten.

3.4.9.

Het hof zal elk verder oordeel over het longblock, en met name over de vraag tot welk bedrag ter zake van het longblock sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, aanhouden.

Ten aanzien van de arbeidsuren

3.5.1.

Hetgeen UVM na vermeerdering van eis in hoger beroep van [appellante] ter zake de arbeidsuren vordert, zoals hiervoor in rov. 3.3.3 weergegeven, komt neer op 80 arbeidsuren a € 59,50 inclusief btw (€ 50,-- exclusief btw) per uur. Hierin ligt in twee opzichten een incidenteel hoger beroep besloten:

 UVM wenst dat bij de vaststelling van de haar toekomende vergoeding wordt uitgegaan van € 59,50 per uur en niet van het door de rechtbank gehanteerde lagere bedrag van € 650,-- : 16 = € 40,62 per uur;

 UVM wil deze vergoeding niet over 16 uren ontvangen maar over de 80 uren die [appellante] op de factuur van 7 oktober 2008 aan [koper] in rekening heeft gebracht.

3.5.2.

Ook bij deze in geschil zijnde arbeidsuren komt allereerst de vraag aan de orde of Mercury aan [appellante] ten behoeve van [koper] een vergoeding van 16 arbeidsuren heeft toegekend en of Mercury die toekenning vervolgens in augustus 2008 weer heeft ingetrokken. Het hof acht het eerste voorshands bewezen en het laatste onaannemelijk. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor in rov. 3.4.3 tot en met 3.4.7 is overwogen. Ook op dit punt zal het hof [appellante] op de hierna te melden wijze toelaten tot de levering van tegenbewijs en bewijs.

3.5.3.

Het hof zal elk verder oordeel over de arbeidsuren, met name over de vraag ten aanzien van hoeveel uren en tot welk bedrag per uur sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen het tussenvonnis van 14 augustus 2013;

laat [appellante] toe:

  1. tot de levering van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van UVM dat Mercury het longblock en de vergoeding van 16 arbeidsuren aan [appellante] heeft toegekend ten behoeve van [koper] ;

  2. tot de levering van bewijs van haar stelling dat Mercury het aanbod om aan [appellante] kosteloos een longblock en een vergoeding voor 16 arbeidsuren te verstrekken, op of omstreeks 14 augustus 2008 weer heeft ingetrokken;

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. H.A.W. Vermeulen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 24 november 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, H.A.W. Vermeulen en S.O.H. Bakkerus en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 november 2015.

griffier rolraadsheer