Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4482

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
HD 200.116.337_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2150
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid rechter ten aanzien van wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten met betrekking tot advocatendeclaratie. Vervolg van tussenarresten op 15 juli 2014 en 7 juli 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.116.337/01

arrest van 10 november 2015

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

verder in mannelijk enkelvoud: [appellant] ,

advocaat: mr. M.R.H. Meijer te Sint Odiliënberg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.N.A.G. Boer te Klimmen,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 8 januari 2013, 15 juli 2014 en

7 juli 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond onder zaaknummer 321816/CV EXPL 11-5680 gewezen vonnis van 15 mei 2012.

12 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 7 juli 2015;

  • -

    de akte uitlating productie van [appellant] met drie producties;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] met twee producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

13 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

13.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de door [geïntimeerde] bij antwoordmemorie na enquête overgelegde beslissing van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg d.d. 18 december 2014, waarin genoemde Raad de declaratie van [geïntimeerde] voor zijn werkzaamheden in de periode van 30 maart 2009 tot en met 5 april 2011 voor [appellante] heeft begroot op € 13.225,61 inclusief kantoorkosten en btw.

13.2.

[appellant] heeft bij akte gesteld zich niet te kunnen verenigen met de beslissing van de Raad van Toezicht en heeft bezwaren geformuleerd tegen de gevolgde procedure met betrekking tot die beslissing en tegen de declaratie van [geïntimeerde] die deze ter begroting aan de Raad heeft voorgelegd, waarbij [appellant] onder meer heeft verwezen naar zijn conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens eis in reconventie van 15 november 2011 in eerste aanleg.

13.3.

Het hof heeft bij tussenarrest van 15 juli 2014 reeds overwogen dat de burgerlijke rechter (in 2014) niet bevoegd is/was ten aanzien van de begrotingsprocedure die is/was voorzien in de artikelen 32 tot en met 40 van de WTBZ. Ten aanzien van de hoofdsom van de declaratie van [geïntimeerde] en de bezwaren dienaangaande van [appellant] is het hof dus niet bevoegd daarover te oordelen. Het hof heeft het door de Raad begrote bedrag als hiervoor in r.o. 13.1. vermeld als uitgangspunt te nemen, waarbij het hof er verder van uit gaat dat sprake is van een onherroepelijke beslissing nu niet anders is gesteld of gebleken.

Het hof begrijpt de klacht van [appellant] over de door de Raad gevolgde procedure ( [appellant] stelt zijn bezwaren niet kenbaar te hebben kunnen maken) en de wijze van totstandkoming van de begrotingsbeslissing ( [appellant] stelt niet te weten welke stukken de Raad bij de beoordeling heeft betrokken) aldus, dat [appellant] zich beroept op artikel 6:2 lid 2 BW. Het hof acht de klachten van [appellant] niet van dien aard dat geoordeeld moet worden dat het beroep van [geïntimeerde] op de begrotingsbeslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Met de bezwaren van [appellant] is blijkens de beslissing van de Raad immers rekening gehouden, terwijl uit de begrotingsbeslissing blijkt van welke stukken de Raad kennis heeft genomen.

13.4.

Met betrekking tot de gevorderde rente over de hoofdsom, die gelet op de begrotingsbeslissing beperkt is tot € 13.225,61, overweegt het hof als volgt.

[geïntimeerde] zond zijn declaratie aan [appellante] op 13 april 2011 met daarop dikgedrukt en onderstreept een betalingstermijn van 14 dagen. Deze vordering was opeisbaar en de debiteur was door het enkele verstrijken van de betalingstermijn in verzuim, nu niet is gebleken dat de termijn een andere strekking had (artikel 6:83 sub a BW). De aansprakelijkheid voor de betaling van die declaratie is zonder meer op de erven, [erven appellanten] , overgegaan. De wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) kan dus toegewezen worden vanaf 27 april 2011 zoals gevorderd.

13.5.

Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten geldt dat deze op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv. de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn.

[geïntimeerde] heeft € 599,76 met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2011 (de datum van de inleidende dagvaarding) gevorderd. Hij heeft dat bedrag als volgt gespecificeerd: 2 (uur) x € 240,= x 1,05 (dossierkosten) x 1,19 (btw). De werkzaamheden betreffen volgens [geïntimeerde] onder meer een e-mail van 26 mei 2011 aan [dochter appellanten] , een telefoongesprek met [dochter appellanten] op 14 juni 2011, blijkend uit een brief van 15 juni 2011 aan [dochter appellanten] en een aangetekende brief van 20 juli 2011 aan [dochter appellanten] (prod. 7 t/m 10 inl. dagv.). [geïntimeerde] heeft verder een ‘tijdspecificatie voor [appellant] /Nationale’ over het tijdvak 26 mei 2011 tot en met 11 augustus 2011 overgelegd met een tijdsbeslag van 2,07 uur totaal (prod. 11 inl. dagv.).

Het hof acht de gemaakte kosten voor zover zij de correspondentie aan [dochter appellanten] en telefonisch contact met [dochter appellanten] betreffen geen redelijke kosten als hiervoor bedoeld, nu [dochter appellanten] niet de debiteur is. Datzelfde geldt voor het telefoongesprek met ‘man G’, waarmee kennelijk de man van [dochter appellanten] is bedoeld.

Van de overige door [geïntimeerde] in de specificatie opgevoerde telefoongesprekken is niet duidelijk waarover en met wie deze zijn gevoerd; niet duidelijk is wie ‘mam’ en ‘mr. SD’ zijn. Van de brieven ‘naar 3e’, ‘naar 3e (idem)’ en ‘naar 3e (J-W S)’ is in het geheel niet duidelijk aan wie deze zijn gezonden en wat daarvan de inhoud was. Onduidelijk is ook wie ‘Annique’ is, door wie of met wie een bespreking buiten kantoor heeft plaatsgevonden, en waarover die bespreking is gegaan. Met de enkele vermelding van deze telefoongesprekken, brieven en bespreking is tevens niet onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, welke kosten betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden. De vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten wordt dan ook afgewezen.

13.6.

De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep in conventie - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - wordt vernietigd voor zover de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot de wettelijke rente over de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten. De vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot de wettelijke rente over de hoofdsom van € 13.225,61 wordt toegewezen en de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep in reconventie wordt bekrachtigd voor zover de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen en het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie wordt bekrachtigd voor zover de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd.

De vordering van [appellant] voor zover vermeerderd in hoger beroep wordt eveneens afgewezen. Partijen blijven in eerste aanleg over en weer in het ongelijk gesteld. Partijen worden ook in incidenteel appel over en weer in het ongelijk gesteld; ook die kosten worden tussen partijen gecompenseerd. [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het principaal appel als de in het ongelijk gestelde partij.

14 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep in conventie voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en derhalve voor zover de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot de wettelijke rente over de hoofdsom en met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling van de wettelijke rente over € 13.225,61 vanaf 27 april 2011 tot de dag van de voldoening;

wijst het meer of anders door [geïntimeerde] gevorderde af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep in reconventie en bekrachtigt het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie voor wat betreft de proceskostencompensatie;

wijst het door [appellant] in hoger beroep gevorderde af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 666,-- aan verschotten en op € 2.682,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

compenseert de kosten van het incidenteel appel zodanig tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en Th.J.A. Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op

10 november 2015.

griffier rolraadsheer