Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4438

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
HD 200.169.592_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:94, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

schorsing tenuitvoerlegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.169.592/01

arrest van 3 november 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de vader,

advocaat: mr. J.W. de Rijk te Helmond,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.P.F. Rober te Hoensbroek,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 januari 2015, gewezen tussen de vader als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/199778/KG ZA 14-691)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.2.

De vader en [de moeder] (hierna: de moeder) zijn op [huwelijksdatum] 1991 gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

  • -

    [kind 1] (hierna: [kind 1] ), op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1] ;

  • -

    [geïntimeerde] , op [geboortedatum 2] 1994 te [geboorteplaats 2] ;

  • -

    [kind 2] (hierna: [kind 2] ), op [geboortedatum 3] 1997 te [geboorteplaats 2] ,

  • -

    [kind 3] (hierna: [kind 3] ), op [geboortedatum 4] 1998 te [geboorteplaats 2] .

3.3.

Bij beschikking van 19 december 2008 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen de vader en de moeder de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 20 april 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft voorts, voor zover thans van belang, de getroffen onderlinge regelingen, zoals vermeld in het echtscheidingsconvenant d.d. 27 november 2008 (hierna: het convenant), opgenomen in de beschikking. De rechtbank heeft bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] , [geïntimeerde] , [kind 2] en [kind 3] aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 321,- per kind per maand, te vermeerderen met hetgeen in artikel 2.6.4. en 2.6.5. van het convenant is bepaald en voorts te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die de vader op grond van geldende wetten en/of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verstrekt.

3.4.

Bij beschikking van 12 oktober 2010, verbeterd bij beschikking van 17 januari 2011, heeft de rechtbank Maastricht (thans rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht) de verzoeken van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en om wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen afgewezen.

Bij beschikking van 26 mei 2011 heeft dit hof deze beschikking bekrachtigd.

3.5.

Bij beschikking van 26 maart 2013 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, op het verzoek van de moeder, [kind 1] en [geïntimeerde] om – kort gezegd – een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de moeder en om wijziging van de onderhoudsbijdragen ten behoeve van [kind 1] , [geïntimeerde] , [kind 2] , [kind 3] , de ten laste van de vader komende bijdrage voor het levensonderhoud en studie van [geïntimeerde] – indien zij in augustus 2013 met haar HBO studie begint – per 1 augustus 2013 gewijzigd in € 415,- per maand. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, het verzoek van [geïntimeerde] voor het meerdere en de verzoeken van de vrouw en [kind 1] in het geheel afgewezen.

3.6.

Bij beschikking van 26 juni 2014 heeft dit hof voormelde beschikking van 26 maart 2013 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, vernietigd, voor zover het de bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1] en [geïntimeerde] betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant d.d. 28 november 2008 en de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (thans rechtbank Oost-Brabant) van 19 december 2008 gewijzigd, in die zin dat de vader als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1] zal voldoen in de periode van 21 juni 2013 tot 1 september 2013 een bedrag van € 525,- per maand, in de periode van 1 september 2013 tot 14 oktober 2013 een bedrag van € 543,- per maand, vanaf 14 oktober 2013 een bedrag van € 341,- per maand, te vermeerderen met het deel van de variabele looncomponenten van de vader waar [kind 1] eerder conform artikel 2.6.4. van het echtscheidingsconvenant ook recht op had, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling en voorts dat de vader als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [geïntimeerde] aan deze zal voldoen een bedrag van € 765,- per maand met ingang van 1 augustus 2013, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling.

3.7.

Bij beschikking van 11 september 2014 heeft dit hof het verzoek van de vader tot verbetering van voornoemde beschikking van dit hof van 26 juni 2014, afgewezen.

3.8.

Bij verzoekschrift van 12 november 2014 heeft de vader verzocht de door hem ten behoeve van [kind 2] en [kind 3] te betalen kinderalimentatie nader vast te stellen op € 344,- per kind per maand, de ten behoeve van [kind 1] te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 21 juni 2013 nader te bepalen op € 221,86 per maand en de ten behoeve van [geïntimeerde] te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 augustus 2013 nader te bepalen op € 221,86 per maand.

3.9.

In de onderhavige procedure vordert de vader, in afwachting van de uitkomst van het door hem op 12 november 2014 ingediende verzoekschrift, in conventie, verkort weergegeven, dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld de door haar in gang gezette executie te staken totdat door de bodemrechter op het door hem ingediende wijzigingsverzoek is beslist.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.10.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de door de vader gevorderde voorzieningen afgewezen.

3.11.

De vader kan zich met dit vonnis niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.12.

De vader heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. De vader heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en, opnieuw rechtdoende, daarbij akte verzoekend van zijn producties en bewijsaanbod, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad bij arrest:

I) Te verklaren voor recht/te bepalen dat - zo begrijpt het hof - deexecutoriale werking van -de door dit hof d.d. 26 juni 2014 onder zaaknummer F 200.128.866/0l gewezen beschikking zal zijn geschorst tot het moment waarop in de thans bij de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht, aanhangige wijzigingsprocedure onderhoudsbijdrage jongmeerderjarigen, bekend onder zaaknummers C/03-J 98680, in hoogste instantie een eindbeschikking zal zijn gewezen.

II) [geïntimeerde] te veroordelen om direct na betekening van het in deze te wijzen arrest aan

het LBIO (Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage) te Rotterdam een

onvoorwaardelijke schriftelijke opdracht te verstrekken inhoudende, dat het LBIO daarmede

wordt verzocht om de incasso/executie op basis van het door dit hof d.d. 26 juni 2014 aan appellant opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [geïntimeerde] op te schorten totdat in de thans bij de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht, onder zaaknummer C/03- 198680 aanhangige procedure in hoogste instantie een eindbeschikking zal zijn gewezen, zulks op straffe van een direct verschuldigde dwangsom van € 100,00 per dag of een gedeelte daarvan, dat geïntimeerde weigerachtig mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de alsdan te verbeuren dwangsommen van die datum waarop die dwangsommen door geïntimeerde jegens de vader verbeurd zijn tot aan de dag der algehele voldoening;

III) [geïntimeerde] te verbieden om na betekening van het te dezen te wijzen arrest zelve al

dan niet via een gerechtsdeurwaarder verdere executiemaatregelen contra de vader te

ondernemen op basis van de beschikking door dit hof d.d. 26 juni 2014 onder zaaknummer F 200.128.866/01 gewezen, totdat in de thans bij de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht, onder zaaknummer C/03-198680 aanhangige procedure in hoogste instantie een eindbeslissing zal zijn gewezen, zulks op straffe van een direct verschuldigde dwangsom van € 100,00 per dag of een gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] weigerachtig mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de alsdan te verbeuren dwangsommen van de datum waarop die dwangsommen door [geïntimeerde] jegens de vader verbeurd zijn tot aan de dag der algehele voldoening;

IV) [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van eerste aanleg en hoger beroep.

3.13.

[geïntimeerde] heeft op haar beurt geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, zo nodig onder aanvulling van de gronden en met veroordeling van de vader in de kosten van beide instanties.

3.14.

Het hof overweegt als volgt.

3.15.

Voor de beoordeling van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking geldt dat een partij die een zodanige beschikking heeft verkregen, in beginsel bevoegd is die beschikking te executeren.

Aldus is [geïntimeerde] op grond van de beschikking van dit hof 26 juni 2014 gerechtigd, executoriale maatregelen tegen de vader te nemen.

Om de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking te schorsen, kan de vader op de voet van art. 438 lid 2 Rv een executiegeschil aanhangig maken bij de voorzieningenrechter. Daarbij zal beoordeeld moeten worden of de tenuitvoerlegging misbruik van recht oplevert. Van een dergelijk misbruik kan sprake zijn indien de executant, mede gelet op de belangen van de zijde van de wederpartij die door de executie kunnen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijn of haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na deze beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zou doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie HR 22 april 1983, NJ 1984/145).

3.16.

Het hof begrijpt de eerste grief van de vader aldus dat hij van mening is dat de beschikking van dit hof van 26 juni 2014 berust op een juridische of feitelijke misslag en dat de rechtbank hier ten onrechte aan voorbij is gegaan. Daartoe voert hij aan dat uit het gegeven dat dit hof in vorenbedoelde beschikking van 26 juni 2014 expliciet heeft overwogen dat de vader over onvoldoende draagkracht beschikt om de kinderalimentatiebedragen, zoals opgenomen in het echtscheidingsconvenant, alsmede die zijn opgenomen in het dictum van bedoelde beschikking, te voldoen, zonder meer blijkt dat de in dat dictum opgenomen te betalen onderhoudsbijdragen onjuist zijn.

Het hof komt, los van de vraag of de rechtbank hier al dan niet ten onrechte inhoudelijk aan dit punt voorbij is gegaan, tot het oordeel dat van een juridische of feitelijke misslag geen sprake is. Weliswaar is het juist dat het hof in zijn beschikking van 26 juni 2014 expliciet heeft overwogen dat de draagkracht van de vader lager is dan de door het hof becijferde bedragen die hij moet voldoen voor [kind 1] en [geïntimeerde] en die hij overeenkomstig het convenant dient te voldoen voor [kind 2] en [kind 3] , doch dit kan niet zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat de in het dictum opgenomen bedragen derhalve onjuist zijn.

Het hof wijst in dit verband ook op zijn beschikking van 11 september 2014, in welke beschikking het hof het verzoek van de vader tot verbetering van vorenbedoelde beschikking van dit hof van 26 juni 2014, heeft afgewezen. Het hof heeft in die beschikking van 11 september 2014 expliciet overwogen dat – om redenen zoals vermeld in rechtsoverweging 1.4 van die beschikking – van een kennelijke fout die tot verbetering noopt, geen sprake is.

Aldus kan de eerste grief van de vader niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

3.17.

In zijn tweede grief voert de vader aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn financiële positie die is ontstaan door de executoriale beslaglegging op zijn loon in de maand december 2014 niet nader zou hebben onderbouwd c.q. toegelicht. Daartoe voert hij aan dat hij een alimentatieberekening in het geding heeft gebracht, alsook dat hij ter zitting zijn financiële positie heeft medegedeeld onder opgave van zijn maandelijkse kostenposten, waaronder de hypotheekrente. De vader geeft aan dat na het in opdracht van [geïntimeerde] gelegde loonbeslag een netto inkomen resteert van € 2.200,32 per maand, van welk inkomen hij ook nog eens de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de overige drie kinderen dient te voldoen, alsmede zijn maandelijkse vaste lasten, daaronder begrepen de hypotheekbetalingen.

Het hof is echter van oordeel dat het vorenstaande niet zonder meer de conclusie kan rechtvaardigen dat een noodtoestand zal ontstaan, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. Weliswaar heeft de vader een groot aantal stukken overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat hij door het gelegde loonbeslag te weinig inkomsten overhoudt om zijn maandelijkse vaste lasten te kunnen voldoen, maar dit is niet beslissend voor de vraag of er een noodtoestand bestaat. De vader heeft een overzicht overgelegd van zijn gestelde maandelijkse lasten, maar de posten, dan wel de hoogte daarvan, zijn door [geïntimeerde] betwist. De vader heeft geen aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting overgelegd. De vader heeft dan ook niet een volledig beeld van zijn inkomen en zijn vermogenspositie gegeven. Dat sprake zou zijn van een noodtoestand is daarom niet komen vast te staan.

Aldus faalt de tweede grief van de vader.

3.18.

In zijn derde grief stelt de vader dat aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van een situatie dat zij in redelijkheid geen te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot executie. Het hof is van oordeel dat de vader zijn stelling dienaangaande niet, althans onvoldoende, heeft toegespitst. Voor zover de vader bedoeld heeft te stellen dat [geïntimeerde] geen rechtens te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot executie, nu de te executeren beschikking berust op een juridische dan wel feitelijke misslag dan wel nu gebruikmaking van die executie door [geïntimeerde] zal leiden tot een noodtoestand aan de zijde van de vader, die onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar maakt, wijst het hof naar hetgeen hierboven reeds in rechtsoverweging 3.12, 3.13 en 3.14 is overwogen.

De omstandigheid dat de vader bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend, strekkende tot wijziging van de beschikking van dit hof van 26 juni 2014, maakt niet dat de door de vader gestelde feiten en omstandigheden alsnog kunnen leiden tot schorsing van de executie van die beschikking.

3.19.

Bovenstaande brengt met zich dat het hof aan de vraag of de vader nog belang heeft bij de onderhavige procedure omdat [geïntimeerde] inmiddels op 9 mei 2015 21 jaar geworden is, zoals door [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord aan de orde gesteld, niet toekomt.

3.20.

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod dat door de vader is gedaan nu de vader in de gelegenheid is geweest alle door hem relevant geachte bescheiden in het geding te brengen en de kortgeding procedure zich in beginsel niet leent voor verdere bewijsvoering. Daarbij komt dat het door de vader gedane bewijsaanbod te algemeen en daarmee onvoldoende bepaald is.

3.21.

Het hof zal het bestreden vonnis dan ook bekrachtigen.

3.22.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 januari 2015;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.H.J.H. Mertens-Steeghs en E.A.M. Scheij en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 november 2015.

griffier rolraadsheer