Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4435

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
HD 200.157.009_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:9605, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opheffen onrechtmatige toestand die bestaat in ondeugdelijke bevestiging dakbedekking op grens met dak buren. Geen onrechtmatige daad jegens buren indien constructie geen schadelijke gevolgen voor buren heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.157.009/01

arrest van 3 november 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.L.E. Marchal te Maastricht ,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna – in mannelijk enkelvoud – aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. J.P.H. Timmermans te Beek,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 september 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 15 januari 2014 en 3 september 2014 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde 1] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/183596/HA ZA 13-349)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met productie en eiswijziging;

  • -

    de akte houdende producties in principaal hoger beroep, tevens memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [geïntimeerde 1] en [appellant] zijn buren van elkaar. [geïntimeerde 1] woont aan de [straatnaam][huisnummer 1] te [woonplaats] en [appellant] aan de [straatnaam][huisnummer 2] .

  2. Zowel [geïntimeerde 1] als [appellant] hebben aan de achterzijde van hun woning een aanbouw met een plat dak gebouwd, [geïntimeerde 1] in 1995 en [appellant] in 2010/2011.

  3. Op 14 oktober 2011 heeft de heer [deskundige] (hierna: [deskundige] ) als deskundige in het kader van een door de rechtbank [woonplaats] bevolen voorlopig deskundigenonderzoek een deskundigenrapport uitgebracht (prod. 5 inl. dagv.) over – kort gezegd – eventuele schade die [appellant] bij [geïntimeerde 1] als gevolg van de realisatie van zijn aanbouw had veroorzaakt (prod. 5 inl. dagv.). In het rapport is onder meer het volgende opgenomen (p. 7 rapport):
    “Overgang dakbedekking dak [appellant] / [geïntimeerde 1] (…)
    Aangetroffen is een bitumineuze dakbedekking, zonder grind, op het dak van [appellant] welke waarvan de opstand naar het dak van [geïntimeerde 1] uit dito materiaal een waterdichte afdichting heeft.
    Echter er wordt geconstateerd dat de vm daktrim van de uitbouw van [geïntimeerde 1] is “overplakt” met bovengenoemde dakbedekking van [appellant] maar had verwijderd moeten worden.
    Dit is geenszins een correcte uitvoering om wille van het feit dat deze daktrim op termijn voor lekkages door scheurvorming kan zorgen vanwege:
    a) scherpe kanten van deze aluminium daktrim
    b) aluminium heeft een hoge uitzettingscoëfficient.”
    Op de vraag op welke wijze de schade verholpen kan worden en wat de daarmee gepaard gaande kosten zijn, heeft de deskundige als volgt geantwoord (p. 9 rapport):
    “De aangetroffen bitumineuze dakbedekking opstand naar het dak van [geïntimeerde 1] geheel verwijderen.
    De alu. daktrim wegenemen.
    De overgang van dak naar dak geheel dichten met watervast materiaal waarbij de opstand opnieuw wordt “overlapt” cq waterdicht wordt ingewerkt als aangegeven op de bouwvergunningtekening (…)”
    Naar aanleiding van de vraag of de zaak de deskundige overigens nog aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen, heeft de deskundige onderzocht of de betonnen latei in de achtergevel van de woning van [appellant] , gelet op de door [appellant] in die achtergevel gemaakte opening naar de uitbouw, nog voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Hiertoe heeft de deskundige constructieberekeningen laten uitvoeren door [X.] Konstruktie- Adviesburo v.o.f. In het deskundigenrapport is naar aanleiding van die berekeningen het volgende vermeld (p. 10 rapport):
    “(…) de dwarskrachten van de latei, na vergroting van de muuropening en dientengevolge zo ook een belastingverhoging, voldoen niet.
    I.v.m. het overschrijden van deze dwarskrachten in de latei dient deze versterkt te worden door middel van het zijdelings tegen en onder de latei aanbrengen van een L-staal 150x100x10 mm (…) welke een oplegging heeft aan beide zijden van de muuropening op de aanwezige penanten.”

  4. Bij brief van 25 september 2012 (prod. 11 inl. dagv.) heeft [geïntimeerde 1] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij zal lijden als gevolg van het aanbrengen van de dakbedekking en de gebrekkige lateiconstructie als genoemd in het deskundigenrapport van [deskundige] . Tevens heeft hij [appellant] gesommeerd om deze twee aspecten te herstellen overeenkomstig de aanbevelingen in het rapport.

  5. Bij brief van 8 oktober 2012 (prod. 12 inl. dagv.) heeft [appellant] [geïntimeerde 1] medegedeeld dat de daktrim al een jaar geleden verwijderd is. Verder is in die brief vermeld dat – kort gezegd – de conclusie van [deskundige] omtrent de lateiconstructie niet juist is, zodat het versterken van de latei niet zal worden uitgevoerd.

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde 1] gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant] onrechtmatig jegens hem handelt doordat hij de overgang van de dakbedekking en de constructie van de latei als genoemd in het deskundigenrapport van 14 oktober 2011 van [deskundige] laat bestaan en voortduren, alsmede dat [appellant] aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [geïntimeerde 1] geleden en te lijden schade. Voorts heeft [geïntimeerde 1] gevorderd [appellant] te veroordelen tot herstel van de overgang van de dakbedekking en de constructie van de latei conform de aanbevelingen van de deskundige [deskundige] in zijn rapport van 14 oktober 2011, op straffe van het verbeuren van een dwangsom. Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerde 1] ten grondslag gelegd dat [appellant] jegens hem onrechtmatig handelt door een ondeugdelijke overgang van de dakbedekking en een ondeugdelijke lateiconstructie te laten voortbestaan die gevaar opleveren voor de woning van [geïntimeerde 1] .

3.2.2.

[appellant] heeft bestreden dat hij onrechtmatig handelt. Hij heeft betwist dat de lateiconstructie niet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen voldoet en hij heeft aangevoerd dat hij de overgang van de dakbedekking overeenkomstig de aanbevelingen van [deskundige] in zijn rapport van 14 oktober 2011 al voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding had hersteld.

3.3.1.

Bij tussenvonnis van 15 januari 2014 heeft de rechtbank een aanvullend deskundigenonderzoek gelast door [deskundige] teneinde, na opnieuw te verrichten metingen, te beoordelen of de sterkte van de latei in de achtergevel van [appellant] voldoet aan de toepasselijke NEN-normen en voorts, of de inmiddels door [appellant] aan het dak verrichte werkzaamheden deugdelijk waren uitgevoerd. [deskundige] heeft naar aanleiding van het onderzoek op 27 maart 2014 een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht.

3.3.2.

In het eindvonnis van 3 september 2014 heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] de dakbedekking niet deugdelijk heeft hersteld voor zover dit de aansluiting aan de voor- en achterzijde betreft als genoemd op pagina 7 en 8 van het deskundigenrapport van 27 maart 2014 onder c en d, alsmede dat [appellant] onrechtmatig handelt door de ondeugdelijke dakbedekking in stand te laten en hiermee een risico op (vocht)schade bij [geïntimeerde 1] te creëren. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de lateiconstructie ondeugdelijk is en dat [appellant] onrechtmatig handelt door deze in de huidige staat te laten bestaan en voortduren. Op grond hiervan heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde 1] in essentie toegewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding.

3.4.1.

[appellant] heeft in principaal hoger beroep vijftien grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde 1] .

3.4.2.

[geïntimeerde 1] heeft in incidenteel hoger beroep een grief gericht tegen de weigering van de rechtbank om zijn wijziging van eis te honoreren. Hij heeft zijn eis in hoger beroep alsnog gewijzigd, in die zin dat thans tevens wordt gevorderd herstel van de overgang van de dakbedekking overeenkomstig het deskundigenrapport van 27 maart 2014 en uitvoering van dat herstel door een vakkundig dakdekker. Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] in het kader van die eiswijziging gevorderd [appellant] te veroordelen – kort gezegd – tot het wijzigen van de hemelwaterafvoer zoals geadviseerd in het deskundigenrapport van 27 maart 2014. [geïntimeerde 1] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij met de eiswijziging geen rekening is gehouden, tot bekrachtiging van het vonnis voor het overige en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen overeenkomstig zijn eiswijziging.

latei

3.5.1.

Met de grieven in het principaal appel wordt allereerst de vraag opgeworpen of [appellant] onrechtmatig handelt jegens [geïntimeerde 1] doordat hij, zoals [geïntimeerde 1] met verwijzing naar de deskundigenrapporten van 14 oktober 2011 en 27 maart 2014 stelt, met de constructie van de latei in zijn achtergevel niet voldoet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen. [geïntimeerde 1] stelt dat daardoor schade dreigt te ontstaan aan zijn woning.

3.5.2.

[appellant] bestrijdt dat de constructie van de latei niet voldoet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen en hij betwist dat daardoor schade dreigt te ontstaan aan de woning van [geïntimeerde 1] .

3.5.3.

In het deskundigenrapport van 27 maart 2014 is naar aanleiding van een vraag van [geïntimeerde 1] naar de reëel te verwachten gevolgen van een eventuele gebrekkige constructie van de latei het volgende vermeld (pagina 11):
“1. Theoretisch (vlgs constructieberekeningen Buro [X.] dd. 18-01-2014) gezien is constructie m.b.t. de latei niet veilig.
2. In de praktijk zullen gebreken ontstaan t.p.v. de tekortkomingen bij locatie [appellant] . DUS: naar verwachting kunnen scheuren door afschuiven in de balk ontstaan nabij de oplegging.
Zou vervolgens de balk in totaliteit bezwijken dan zal het te verwachten schadebeeld zich beperken tot het perceel [appellant] waarbij het gevelmetselwerk en de dakopbouw ernstig zullen vervormen.”

3.5.4.

[geïntimeerde 1] heeft de juistheid van deze conclusie van de deskundige op zichzelf niet weersproken, maar heeft aangevoerd dat daaruit niet volgt dat er geen gevaar is voor schade aan zijn woning. Hij stelt dat indien het gevelmetselwerk en de dakopbouw bij [appellant] ernstig zullen vervormen, zulks ook geldt voor het gevelmetselwerk en de dakopbouw bij hem ( [geïntimeerde 1] ) omdat de voormalige buitenmuur van zijn aanbouw onderdeel uitmaakt van het gevelmetselwerk van [appellant] en de dakconstructie van zijn aanbouw verbonden is met de dakconstructie van [appellant] . Verder voert [geïntimeerde 1] aan dat de latei in de achtergevel van [appellant] deels rust in de scheidsmuur van de woning, althans dat deze daaraan direct grenst. Nu de deskundige heeft geconcludeerd dat er scheuren kunnen ontstaan in de nabijheid van de oplegging van de latei, betekent dit dat de woning van [geïntimeerde 1] , die in de nabijheid van de oplegging gelegen is, gevaar loopt, zo stelt [geïntimeerde 1] . Tijdens het pleidooi heeft [geïntimeerde 1] in dit verband voorts nog naar voren gebracht dat de vloeren van de woningen van partijen “horizontaal zijn doorgestort”.

3.5.5.

Het hof volgt de lezing van [geïntimeerde 1] van de conclusie van de deskundige niet. Anders dan [geïntimeerde 1] aanvoert, dient die conclusie, mede gelet op de daaraan voorafgaande vraag van [geïntimeerde 1] zelf, redelijkerwijs zo te worden verstaan dat, zelfs in het ergste geval dat de latei in de achtergevel van de woning van [appellant] zou bezwijken, de gevolgen daarvan beperkt zullen blijven tot de woning van [appellant] . Het hof begrijpt uit de conclusie van de deskundige dat, indien scheuren zouden ontstaan in de nabijheid van de oplegging in een situatie voorafgaande aan het bezwijken van de latei, deze beperkt blijven tot de woning van [appellant] . Anders dan [geïntimeerde 1] bepleit, volgt uit de conclusie van de deskundige juist niet dat er schade zal ontstaan aan de woning van [geïntimeerde 1] als gevolg van een eventuele gebrekkige constructie met betrekking tot de latei.

3.5.6.

Voor zover [geïntimeerde 1] betoogt dat de conclusie van [deskundige] onjuist is omdat de gevolgen van een eventuele gebrekkige constructie niet beperkt zijn tot de woning van [appellant] , heeft hij dat betoog onvoldoende gemotiveerd. [deskundige] heeft in het kader van zijn onderzoeken de wijze waarop de aanbouwen van partijen met elkaar verbonden zijn en de constructie van de latei uitvoerig onderzocht zodat ervan moet worden uitgegaan dat hij de wijze waarop de woningen van partijen met elkaar verbonden zijn bij zijn conclusie heeft betrokken. [geïntimeerde 1] heeft in het licht van die conclusie onvoldoende gemotiveerd dat de vervormingen bij het bezwijken van de latei zo ernstig zullen zijn dat de gevolgen daarvan zich gelet op de wijze waarop de woningen met elkaar verbonden zijn tevens tot zijn woning zullen uitstrekken. Voor zover [geïntimeerde 1] bezwaren heeft gericht tegen het oordeel van de deskundige, worden deze als onvoldoende onderbouwd verworpen.

3.5.7.

Het hof maakt de conclusie van de deskundige tot de zijne en heeft geen behoefte aan aanvullende voorlichting door een deskundige. Dat [geïntimeerde 1] in het kader van het door de deskundige uitgevoerde onderzoek niet meer heeft kunnen reageren op die conclusie, doet niet af aan de waardering van die conclusie door het hof. [geïntimeerde 1] heeft in het kader van deze procedure alsnog afdoende op de conclusie van de deskundige kunnen reageren.

3.5.8.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is van een ondeugdelijke constructie van de latei dan is het, gelet op de voormelde conclusie van de deskundige, niet (voldoende) aannemelijk dat die ondeugdelijkheid gevolgen voor de woning van [geïntimeerde 1] heeft. [appellant] handelt daarom op dit punt niet onrechtmatig jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 1] heeft geen, althans onvoldoende belang bij de gevorderde verklaring voor recht die betrekking heeft op de latei. De vorderingen van [geïntimeerde 1] die betrekking hebben op de latei in de achtergevel van [appellant] dienen alsnog te worden afgewezen. Dit betekent dat de grieven in het principaal hoger beroep slagen voor zover deze gericht zijn tegen de toewijzing van die vorderingen door de rechtbank. De vonnissen dienen in zoverre vernietigd te worden.

dakbedekking en lood

3.6.1.

De grieven in het principaal hoger beroep richten zich onder meer tegen de toewijzing door de rechtbank van de vorderingen van [geïntimeerde 1] die zien op de ‘overgang van de dakbedekking’. Volgens [appellant] mocht de rechtbank die vorderingen niet toewijzen omdat hij de maatregelen die de deskundige in het voorlopig deskundigenbericht van 14 oktober 2011 had aanbevolen al had uitgevoerd, terwijl de gebreken die de deskundige heeft genoemd in zijn deskundigenrapport van 27 maart 2014 (punten onder c en d) ‘nieuwe punten’ betreffen die, zo begrijpt het hof het standpunt van [appellant] , [geïntimeerde 1] niet aan zijn vordering ten grondslag had gelegd.

3.6.2.

Deze grieven slagen voor zover de rechtbank die vorderingen heeft toegewezen op grond van de bevindingen van [deskundige] in zijn deskundigenrapport van 27 maart 2014. [geïntimeerde 1] heeft aan deze vorderingen blijkens de door hem ingenomen stellingen niet ten grondslag gelegd dat [appellant] onrechtmatig handelt doordat hij het dak van zijn aanbouw niet goed heeft aangesloten op het dak van de aanbouw van [geïntimeerde 1] op de twee punten die genoemd zijn in het deskundigenrapport van 27 maart 2014. Nu de eiswijzing van [geïntimeerde 1] die betrekking had op deze twee punten door de rechtbank niet was gehonoreerd, mocht de rechtbank de vordering niet toewijzen op grond van die twee punten.

3.6.3.

Het slagen van de grieven op dit punt laat onverlet dat de wijziging van eis in hoger beroep meebrengt dat alsnog dient te worden beoordeeld of, zoals [geïntimeerde 1] stelt, [appellant] jegens hem onrechtmatig handelt doordat hij – kort gezegd – het dak van zijn aanbouw op de twee punten die genoemd zijn in het deskundigenrapport van 27 maart 2014 niet goed heeft aangesloten op het dak van de aanbouw van [geïntimeerde 1] waardoor lekkages en vochtproblemen kunnen ontstaan, alsmede of [appellant] gehouden is tot herstelmaatregelen.

3.6.4.

In het deskundigenrapport van 27 maart 2014 is over de aansluiting van de daken van de aanbouwen het volgende vermeld (pagina 7 en 8 rapport):

“Vastgesteld is geworden dat de daktrim is verwijderd en de overlapping van de uitbouw in het algemeen deugdelijk uitgevoerd is m.u.v.:
c) aansluiting aan de voorzijde cq ter plaatse van (hoek)aansluiting overlapping aan daktrimmen. (…)
Aangetroffen is een verlaging van de overlapping welke overgaat naar 2 stuks niet aangesloten dakramen.
Tussen deze daktrimmen is een opening zichtbaar waarbij ook beschadiging aan de daktrim bij partij [geïntimeerde 1] is aangetroffen.
Verder is overmatig met vloeibaar bitumen getracht deze verbinding te dichten.
Zo ook is aan de voorzijde van de daktrim de verticale naad met siliconenkit geprobeerd deze te dichten.
Conclusie: Al met al getuigt deze uitvoering van een ondeskundige uitvoering waar inwatering op korte termijn niet uit te sluiten valt.
(…)
d) aansluiting aan de zijde van overgang platdak en originele achtergevel (…)
Aangetroffen is een loodslabbe bevestigd met een aluminium profiel tegen de metselwerkpenant.
Aan de bovenzijde is deze gedicht met siliconenkit = onjuiste keuze voor deze uitvoering.
Zo ook is de schuine dakopstand tegen de gevel (…) uitgevoerd met bitumen waarover een aluminium profiel met aan de bovenzijde ook siliconenkit.
Tussen beide hierboven beschreven loodslabben ontbreekt deze afwerking en is enkel en alleen siliconenkit aangetroffen.
Door een te korte overlapping van de loodslabbe en ontbreken van een afwerking tussen beiden met enkel en alleen siliconenkit is bij wind/regen/stuifsneeuw sprake van inwatering. Deze aangetroffen situatie zal leiden tot vochtproblemen zowel bij partij [appellant] maar ook bij partij [geïntimeerde 1] .
Conclusie: Al met al getuigt deze uitvoering van een ondeskundige uitvoering waar directe schade niet uit te sluiten valt.”

3.6.5.

Uit de hiervoor genoemde bevindingen in het deskundigenrapport blijkt dat [appellant] de dakbedekking aan de voorzijde van de aanbouwen zodanig heeft uitgevoerd dat er ter plaatse een kans op inwatering bestaat (punt onder c). Gelet op de plaats van de verlaging (tussen de daktrimmen) en de geconstateerde opening, moet die kans op inwatering ook geacht worden bij [geïntimeerde 1] aanwezig te zijn. Daarnaast blijkt uit het deskundigenrapport dat [appellant] de aan zijn gevel bevestigde ‘loodslabbe’ (naar het hof begrijpt is in feite sprake van een slabbe van bitumen) zo heeft aangebracht dat de loodslabbe die [geïntimeerde 1] aan de penant heeft bevestigd de bitumen slabbe onvoldoende overlapt en dat [appellant] niet heeft gezorgd voor een behoorlijke afwerking tussen de beide slabben, waardoor er eveneens kans op schade bij [geïntimeerde 1] aanwezig is (punt onder d).

3.6.6.

Het hof verwerpt het door [appellant] tegen deze bevindingen van de deskundige opgeworpen bezwaar dat ten aanzien van punt d geen schade bij [geïntimeerde 1] te verwachten is omdat – kort gezegd – sprake is van een buitenmuur tussen de aanbouwen die water tegenhoudt en door [appellant] geen wijzigingen zijn aangebracht in de door [geïntimeerde 1] tegen de penant bevestigde loodslabbe. Aangenomen moet worden dat de door partijen ter plaatse aangebrachte loodslabben bedoeld zijn om vochtschade te voorkomen. Indien derhalve de loodslabbe van [geïntimeerde 1] niet goed aansluit op de loodslabbe van [appellant] is het gelet op het doel van de loodslabben alleszins aannemelijk dat, zoals de deskundige heeft geoordeeld, vocht achter de loodslabbe van [geïntimeerde 1] komt. Daar komt bij dat, indien [appellant] het op dit punt niet eens was met de conclusies van de deskundige, het op zijn weg gelegen had om dit in het kader van het deskundigenonderzoek bij de deskundige aan de orde te stellen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Mede in het licht daarvan, heeft [appellant] zijn bezwaar onvoldoende gemotiveerd.

3.6.7.

Evenals de rechtbank acht het hof de hiervoor genoemde conclusies van de deskundige voldoende onderbouwd. Het hof neemt deze conclusies over en maakt deze tot de zijne. Van [appellant] mocht bij de realisatie van het dak van zijn aanbouw tegen dat van [geïntimeerde 1] (met gebruikmaking van dezelfde tussenmuur) worden verwacht dat hij ervoor zou zorgen dat dit zo gebeurde dat daardoor geen kans op lekkages en/of vochtschade bij [geïntimeerde 1] kon ontstaan. Nu [appellant] de dakbedekking aan de voorzijde van de aanbouwen onvoldoende deugdelijk heeft aangebracht (punt c van het deskundigenbericht) en nu hij aan de achterzijde van de aanbouwen een slabbe heeft aangebracht die te kort is voor een afdoende overlapping door de loodslabbe van [geïntimeerde 1] en hij niet heeft gezorgd voor een behoorlijke afwerking tussen de door hem aangebrachte bitumen slabbe enerzijds en de loodslabbe van [geïntimeerde 1] anderzijds (punt d van het deskundigenbericht), terwijl daardoor de kans op vochtschade bij [geïntimeerde 1] bestaat, heeft [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde 1] gehandeld. Niet alleen het creëren maar ook het laten voortbestaan en laten voortduren van deze onrechtmatige toestand, is jegens [geïntimeerde 1] onrechtmatig.

3.6.8.

Met de eiswijziging van [geïntimeerde 1] in hoger beroep dient de door hem gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] jegens hem onrechtmatig handelt door de overgang van de dakbedekking te laten bestaan en voortduren en dat [appellant] jegens [geïntimeerde 1] aansprakelijk is voor de schade als gevolg daarvan, zo te worden begrepen dat deze verklaring voor recht (mede) betrekking heeft op de in het deskundigenbericht van 27 maart 2014 genoemde gebreken. Aldus begrepen is deze vordering toewijsbaar voor zover de onrechtmatigheid en aansprakelijkheid zien op de punten die genoemd zijn op pagina 7 en 8 van dit laatstgenoemde deskundigenrapport voor zover deze hiervoor onder 3.6.7. onrechtmatig zijn geoordeeld. Voor zover [geïntimeerde 1] heeft betoogd dat [appellant] daarnaast nog op andere punten onrechtmatig jegens hem handelt, is daarvoor geen feitelijke grondslag gesteld. Meer in het bijzonder kan uit het deskundigenbericht van 27 maart 2014 niet worden afgeleid dat [appellant] jegens [geïntimeerde 1] onrechtmatig handelt doordat hij de bovenzijde van de aluminium strip die bevestigd is aan zijn achtergevel met siliconenkit heeft gedicht. Weliswaar acht de deskundige deze uitvoering onjuist maar uit het deskundigenrapport blijkt niet dat dit een risico van schade bij [geïntimeerde 1] ten gevolge heeft. Voor zover de verklaring voor recht betrekking heeft op het deskundigenbericht van 14 oktober 2011 zal deze worden afgewezen nu bij de toewijzing daarvan, naast de hiervoor genoemde toewijzing, geen belang bestaat.

3.6.9.

In het deskundigenbericht van 27 maart 2014 zijn de volgende herstelmaatregelen vermeld ten aanzien van punt c (pagina 8):
“- Ter plaatse van de overgang van de ene naar de andere daktrim deze onderling te voorzien van een verbindingsprofiel waarna deze daktrim in zijn geheel waterdicht kan worden in/afgewerkt met dakbedekking welke bestand is tegen UV-instraling. Randvoorwaarde is: zorgdragen dat beide daktrimmen op de zelfde hoogte op elkaar aansluiten; hierdoor zal ook de huidige verlaging waar water nu kan blijven staan vervallen;
- Overtollige bitumen verwijderen aan de daktrimmen.
- Siliconenkit verwijderen aan de voorzijde”

Verder is in het deskundigenbericht ten aanzien van punt d vermeld (pagina 9):
“- Op de eerste plaats een loodslabbe aan te brengen waar deze ontbreekt tussen de 2 aluminium profielen, gelijk als deze naast gelegen, met voldoende overlap naar de loodslabbe a/d achtergevel van partij [appellant] .
Afwerking van aluminium strip aan de bovenzijde middels UV-bestendige plastisch blijvende kit. (geen siliconenkit)
- De loodslabbe aan de voorzijde tegen de gemetselde penant verbreden zodat deze voldoende overlap krijgt met de nieuwe loodslabbe benoemd bij 1ste gedachtestreepje hierboven.
Afwerking aan de bovenzijde van de opnieuw aangebrachte aluminium strip middels UV-bestendige plastisch blijvende kit.
- De bestaande aluminium strip tegen de achtergevel van partij [appellant] gevel ontdoen van de siliconenkit en deze vervangen door UV-bestendige plastisch blijvende kit.”

3.6.10.

[geïntimeerde 1] heeft gesteld dat [appellant] verplicht is om de onrechtmatige toestand op te heffen door het herstellen van de hiervoor genoemde gebreken overeenkomstig de aanbevelingen als genoemd in de deskundigenrapporten van [deskundige] . [appellant] heeft op zichzelf niet weersproken dat de opheffing van de toestand voor zover die onrechtmatig is dient te geschieden door middel van de herstelmaatregelen die de deskundige heeft geadviseerd, met uitzondering van de maatregel die inhoudt dat hij de loodslabbe die [geïntimeerde 1] zelf aan de penant heeft bevestigd verwijdert en vervangt door een bredere loodslabbe (pagina 9 deskundigenrapport 27 maart 2014, tweede gedachtestreepje). Omdat [geïntimeerde 1] die loodslabbe zelf heeft aangebracht, gaat een eventueel mankement daaraan [appellant] niet aan, zo stelt [appellant] .

3.6.11.

Het hof acht voor de toewijzing van de vordering niet relevant dat [geïntimeerde 1] zelf de loodslabbe aan de penant heeft bevestigd. Daaraan doet immers niet af dat die loodslabbe als gevolg van de realisatie van de aanbouw door [appellant] te kort is voor een afdoende overlapping en om die reden vervangen moet worden. Het hof gaat voorts voorbij aan het verweer van [appellant] dat hij het gebrek aan de overgang van de dakbedekking aan de voorzijde van de aanbouwen (punt c in het deskundigenbericht) al heeft verholpen nu dit verweer voor het eerst tijdens het pleidooi is aangevoerd en [geïntimeerde 1] zich over dat verweer niet meer gemotiveerd heeft kunnen uitlaten. Uiteraard zal, indien en voor zover al wel deugdelijk herstel heeft plaatsgevonden, daarmee in zoverre aan de in het dictum uit te spreken veroordeling zijn voldaan.

3.6.12.

De vordering tot herstel van de overgang van de dakbedekking is gelet op het voorgaande toewijsbaar voor zover die ziet op de herstelmaatregelen als genoemd op pagina 8 en 9 van het deskundigenrapport van 27 maart 2014, met uitzondering van de maatregel die genoemd is onder het derde (laatste) gedachtestreepje op pagina 9. Deze laatstgenoemde maatregel betreft immers, zoals hiervoor is overwogen, niet het herstel van een onrechtmatige toestand. Voor zover de vordering tot herstel betrekking heeft op het deskundigenbericht van 14 oktober 2011 zal deze worden afgewezen nu bij de toewijzing daarvan, naast de hiervoor genoemde toewijzing, geen belang bestaat.

3.6.13.

Voor zover de vordering van [geïntimeerde 1] herstel door een ‘vakkundig dakdekker’ vereist, zal het hof de vordering afwijzen. Zoals [appellant] onweersproken heeft gesteld, gelden er geen wettelijke regels voor het uitoefenen van het beroep van dakdekker, zodat aan de hand daarvan niet kan worden bepaald of een dakdekker vakkundig is. De vordering is in zoverre onvoldoende bepaald. Dat laat onverlet dat de werkzaamheden zullen moeten worden uitgevoerd door een ter zake kundig persoon.

3.6.14.

Het hof zal aan het uitvoeren van de herstelmaatregelen een termijn verbinden van één maand na de uitspraak van dit arrest, nu op dit punt geen verweer is gevoerd. Gelet op de relatief geringe kosten die naar verwachting gemoeid zullen zijn met het herstel zal het hof de gevorderde dwangsom bepalen op € 25,00 voor iedere dag of dagdeel dat [appellant] niet voldoet aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling tot herstel met een maximum van € 1.000,00.

hemelwaterafvoer

3.7.

De vordering van [geïntimeerde 1] om [appellant] te veroordelen tot het wijzigen van de hemelwaterafvoer zoals geadviseerd in het deskundigenrapport van 27 maart 2014 dient te worden afgewezen. [geïntimeerde 1] heeft daartoe geen (toereikende) grondslag gesteld.

Slotsom

3.8.1.

De afzonderlijke grieven in het incidenteel en in het principaal appel behoeven met het voorgaande geen behandeling meer voor zover deze niet reeds zijn besproken.

3.8.2.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vonnissen waarvan beroep dienen te worden vernietigd en de in hoger beroep gewijzigde vordering van [geïntimeerde 1] zal worden afgewezen voor zover die ziet op de constructie van de latei en op de wijziging van de hemelwaterafvoer. Voor zover de vorderingen betrekking hebben op de overgang van de dakbedekking zullen de in hoger beroep gewijzigde vorderingen worden toegewezen als na te melden.

3.8.3.

[geïntimeerde 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in eerste aanleg worden verwezen. In dit verband acht het hof van belang dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] die betrekking hebben op de latei alsnog zijn afgewezen. Daarnaast strekten de vorderingen van [geïntimeerde 1] die zien op de overgang van de dakbedekking ertoe dat [appellant] de daktrim op het dak van [geïntimeerde 1] zou verwijderen en hij ter plaatse alsnog een deugdelijke dakbedekking zou aanbrengen. [appellant] heeft met verwijzing naar de brief van 8 oktober 2012 (prod. 12 inl. dagv.) gesteld dat hij die daktrim al ruim voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding door [geïntimeerde 1] had verwijderd en dat hij de dakbedekking al opnieuw had aangebracht, hetgeen door [geïntimeerde 1] onvoldoende gemotiveerd is weersproken.

De kosten voor zover aan de zijde van [appellant] gevallen worden door het hof begroot op € 274,00 aan griffierecht, de voor rekening van [appellant] gekomen helft van de kosten van het deskundigenonderzoek ten bedrage van € 793,88 en € 1.808,00 (4 punten van tariefgroep II) aan salaris advocaat.

3.8.4.

[geïntimeerde 1] zal voorts als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het principaal hoger beroep. Voor zover aan de zijde van [appellant] gevallen, begroot het hof deze kosten op € 308,00 aan griffierecht en € 1.788,00 (2 punten van tariefgroep II) aan salaris advocaat, waarbij het pleidooi voor de helft aan het principaal hoger beroep wordt toegerekend.

3.8.5.

[appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel. Voor zover aan de zijde van [geïntimeerde 1] gevallen, begroot het hof deze kosten op € 894,= (0,5 x 2 punten van tariefgroep II) aan salaris advocaat, waarbij het pleidooi voor de helft aan het incidenteel hoger beroep wordt toegerekend.

3.8.6.

Het hof zal het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals verzocht.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de vonnissen waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende,

verklaart voor recht dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde 1] heeft gehandeld en handelt door op de punten die genoemd zijn op pagina 7 en 8 van het deskundigenrapport van 27 maart 2014 voor zover deze onder 3.6.7. van dit arrest onrechtmatig zijn geoordeeld te laten bestaan en voortduren, en dat [appellant] jegens [geïntimeerde 1] aansprakelijk is voor de schade die als gevolg daarvan is of zal ontstaan aan of in de onroerende zaak van [geïntimeerde 1] aan de [straatnaam][huisnummer 1] te [woonplaats] ;

veroordeelt [appellant] om de hiervoor genoemde punten op zijn kosten te herstellen en te corrigeren conform de aanbevelingen van de deskundige [deskundige] op pagina 8 en 9 van zijn rapport van 27 maart 2014, met uitzondering van de maatregel die genoemd is onder het derde (laatste) gedachtestreepje op pagina 9, zulks binnen één maand na de datum van de uitspraak van dit arrest, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 25,00 voor iedere dag of dagdeel dat [appellant] hiermee in gebreke blijft;

bepaalt dat boven een bedrag van € 1.000,00 geen dwangsommen verbeurd worden;

veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in eerste aanleg, deze voor zover aan de zijde van [appellant] gevallen begroot op € 1.067,88 aan verschotten en € 1.808,00 aan kosten advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het principaal hoger beroep, deze voor zover aan de zijde van [appellant] gevallen tot heden begroot op € 308,00 aan griffierecht en € 1.788,00 aan salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, deze voor zover aan de zijde van [geïntimeerde 1] gevallen tot heden begroot op € 894,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, L.W. Louwerse en M.J. Pesch en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 november 2015.

griffier rolraadsheer