Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4434

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
HD 200.155.417_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1973, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Gebrekkige opstal. Is de woningstichting aansprakelijk voor een val in een liftschacht van een persoon die een bekneld hondje wilde redden, dat aangelijnd aan een rollijn uit de vertrekkende lift was geglipt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Burgerlijk Wetboek Boek 6 198
Burgerlijk Wetboek Boek 6 200
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/522
RVR 2016/4
RAV 2016/16
JA 2016/173 met annotatie van mr. M.E. Franke
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.155.417/01

arrest van 3 november 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. L.J.A.M. Hanssen te Breda,

tegen:

Stichting Allee Wonen, tevens h.o.d.n. Singelveste AlleeWonen,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 juni 2014 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda respectievelijk Zeeland-West-Brabant gewezen vonnissen van 8 september 2010, 17 november 2010 en 19 maart 2014 tussen appellant - [appellant] - als eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, en geïntimeerde - de Stichting - als gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/nummer C/02/273046/HA ZA 13-892)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 16 juni 2014;

- de memorie van grieven van [appellant] van 16 september 2014 met producties;

- de memorie van antwoord van de Stichting van 25 november 2014.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de twee grieven van [appellant] verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

In eerste aanleg is de Stichting door [appellant] en door de rechtbank aangeduid als ‘De Stichting Singelveste Allee Wonen’. In zijn memorie van grieven hanteert [appellant] de naam ‘Stichting Allee Wonen, tevens h.o.d.n. Singelveste AlleeWonen’, welke naam de Stichting zelf ook in beide instanties hanteert. Het hof gaat ervan uit dat dit ook de juiste tenaamstelling is en dat er tussen partijen geen onduidelijkheid is over de identiteit van geïntimeerde.

4.2

Tegen het incidenteel vonnis van 8 september 2010 zijn geen grieven gericht, zodat [appellant] in zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

Tegen het tussenvonnis van 17 november 2010 staat op grond van artikel 131 Rv geen hoger beroep open, zodat [appellant] in zijn hoger beroep tegen dat vonnis om die reden niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

4.3

De vaststelling van de feiten in het eindvonnis van 19 maart is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt (de Stichting wordt hierin aangeduid als Singelveste):

Op 25 maart 2004 is [appellant] in een liftschacht gevallen en is daarbij ernstig gewond geraakt. De lift bevond zich in een appartementencomplex voor senioren, dat beheerd /geëxploiteerd wordt door Singelveste. Met betrekking tot de exacte toedracht van het ongeval heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden; het proces-verbaal van dit getuigenverhoor bevindt zich bij de processtukken. Tevens heeft een technisch ongevalsonderzoek plaatsgevonden door het Liftinstituut. De resultaten van dit ongevalsonderzoek zijn door [appellant] als productie één in het geding gebracht; de conclusie en de bevindingen van het Liftinstituut worden niet door partijen tegengesproken. Partijen zijn het met elkaar eens dat méér waarheidsvinding dan tot dusver verricht is niet mogelijk is.

De aanleiding voor het ongeval was gelegen in het volgende. Een bewoonster van het appartementencomplex van de Stichting, mevrouw [bewoonster] , ging vanuit de centrale hal de lift op de begane grond in. Zij had een klein hondje bij zich aan een rollijn. Op het moment dat de liftdeuren zich sloten en de lift op het punt stond naar boven te vertrekken, glipte het hondje terug de hal in. Het hondje bleef in de hal, aan de rollijn, terwijl de lift met mevrouw [bewoonster] naar boven ging. Daardoor kwam het hondje vast te zitten in de rechter bovenhoek van de lift opening. Een voorbijgangster, mevrouw [voorbijgangster] , probeerde het hondje te bevrijden maar toen dat haar niet lukte, is zij naar buiten gerend om hulp te halen. [appellant] , een bekende van mevrouw [voorbijgangster] , passeerde op dat moment de hal en werd door haar naar binnen geroepen. De liftdeuren waren open en de lift was naar boven, zodat de liftschacht open lag. [appellant] rende naar binnen en is in de diepte van de schacht gevallen. Hij heeft daardoor letsel opgelopen aan schouder en knie. Over aard en omvang van het letsel hebben partijen zich verder niet uitgelaten, afgezien van de vermelding van [appellant] in de conclusie van repliek (punt 4) dat hij daardoor niet meer in staat is arbeidsinkomen te verwerven. De Stichting heeft dat niet betwist.

4.4

[appellant] houdt de Stichting aansprakelijk voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval. De Stichting wijst aansprakelijkheid van de hand, waarop [appellant] bij dagvaarding van 22 maart 2010 de onderhavige procedure tegen de Stichting aanhangig heeft gemaakt.

4.5

In deze procedure stelt [appellant] dat de Stichting op grond van onrechtmatige daad jegens hem aansprakelijk is voor de gevolgen van het zware ongeval dat hem is overkomen.

Hij voert hiertoe aan dat de Stichting een gevaarlijke situatie heeft geschapen en heeft laten voortbestaan waardoor het kon gebeuren dat de fotobeveiliging van de liftinstallatie de hondenriem van [bewoonster] niet detecteerde, die hondenriem het vergrendelingsmechanisme van de liftinstallatie ongedaan maakte, de schachtdeur zich vervolgens automatisch opende en in deze - voor de Stichting - voorzienbare situatie het risico op schade ontstond. De waarschijnlijkheid van schade als gevolg van die gevaar zettende situatie is volgens [appellant] zo aanzienlijk, dat de Stichting veiligheidsmaatregelen had dienen te nemen ter voorkoming van dat gevaar. Die veiligheidsmaatregelen waren eenvoudig te treffen en ook goedkoop in aanschaf. [appellant] beroept zich niet alleen op artikel 6:162 BW maar ook op het bepaalde in artikel 6:174 BW betreffende de aansprakelijkheid voor opstallen.

Op grond hiervan vordert [appellant] , zoals zijn eis is geformuleerd in de conclusie van repliek, een verklaring voor recht dat de Stichting gehouden is om hem ter zake de gevolgen van het liftongeval volledig schadeloos te stellen.

De Stichting heeft de vordering van [appellant] en de daarvoor aangevoerde grondslagen bestreden.

4.6

Bij incidenteel vonnis van 8 september 2010 heeft de rechtbank een vordering van de Stichting tot oproeping in vrijwaring van Kone BV, de leverancier van de lift toegewezen. Het is het hof niet gebleken dat hieraan verder gevolg is gegeven.

Bij tussenvonnis van 17 november 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 2 februari 2011 plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 19 maart 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat de opeenstapeling van gebeurtenissen is te kenschetsen als een droevige samenloop van omstandigheden, die redelijkerwijze niet te voorzien was (r.o. 3.4). Aansprakelijkheid van de Stichting op grond van onrechtmatige daad heeft de rechtbank daarom niet aanwezig geacht. Dat geldt ook voor aansprakelijkheid op de tweede grondslag, te weten de aansprakelijkheid voor opstallen ex artikel 6:174 BW. Naar het oordeel van de rechtbank moet het ervoor gehouden worden dat de lift ten tijde van het ongeval geen gebreken kende, dat de lift voldeed aan de veiligheidsvoorschriften en dat het ongeval zijn oorzaak vindt in een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarin de werking van de lift geen doorslaggevende betekenis heeft gehad (r.o. 3.5). Grief I van [appellant] is gericht tegen rechtsoverweging 3.4 en grief II tegen rechtsoverweging 3.5.

4.7

In zijn toelichting op grief I voert [appellant] aan dat de Stichting onrechtmatig heeft gehandeld door een gevaarzettende situatie te laten (voort)bestaan zonder voorzorgsmaatregelen te nemen terwijl zij wist of moest weten van de risico’s. [appellant] stelt hiertoe dat de lift alleen beschikt over een fotocel op kniehoogte die smalle objecten als een hondenriem niet detecteert en over een schachtdeur die eenvoudig ontgrendeld kan worden doordat een object als een hondenriem langs het vergrendelingsmechanisme glijdt waardoor de schachtdeur automatisch open gaat. Daarbij ontbreekt een liftbodem in de liftschacht of een andere vorm van afscherming terwijl ook iedere waarschuwing ontbreekt dat de lift geen objecten als een hondenriem detecteert. Volgens [appellant] is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat de liftdeuren door iemand handmatig zijn geopend, waardoor de liftschacht open kwam te liggen. Volgens hem gebeurt dat automatisch. Dat zich problemen konden voordoen met honden die uit een lift terugliepen en daardoor klem kwamen te zitten, was volgens [appellant] al bekend.

4.8

Het hof overweegt hierover het volgende. De samenvatting en conclusie van het onderzoek van het Liftinstituut naar de toedracht van het ongeval luiden als volgt:

Samenvatting:

Nadat de hond uit de lift is gelopen en de deuren zich hebben gesloten vertrekt de lift. Op het moment dat de lift in opwaartse richting rijdt wordt de hondenlijn uitgerold en wordt, als deze niet verder kan afrollen, de hond langs de schachtdeur omhoog getrokken. Door de beweging van de riem langs de grendel wordt de schachtdeur ontgrendeld. De lift stopt met rijden. De deur wordt middels handkracht/externe kracht geopend, maar ook handmatig opengehouden door de onbekende mevrouw (de deur is immers zelfsluitend), waardoor de hond onder de kooi komt te hangen op korte afstand van de rechter bovenhoek van de schachttoegang.

Mevrouw [voorbijgangster] probeert de hond te ontdoen van de hondenriem. Dit lukt niet waarna ze de hulp in roept van de heer [appellant] . Op het moment dat de heer [appellant] in de richting van de lift loopt wordt de deur nog altijd volledig geopend gehouden door de onbekende mevrouw. De heer [appellant] reikt naar de hond en valt door de geopende schachttoegang in de schachtput.

Conclusie naar aanleiding van de onderzoeken op 25 maart en 4 oktober 2004

Uit de onderzoeken en de interviews blijkt dat de liftinstallatie in alle opzichten voldoet aan de voorschriften en dat door een combinatie van menselijk handelen en een inschattingsfout het hierboven beschreven ongeval heeft plaatsgevonden.

De werking van de vergrendeling en het sluitingsmechanisme is nader toegelicht in fotobijlage die de Stichting bij conclusie van dupliek als productie 5 heeft overgelegd en waarvan de inhoud door [appellant] niet is bestreden. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

Door de riem/lijn kan het vergrendelingsmechanisme ontgrendeld worden. De deur blijft echter zonder externe kracht gesloten. Door menskracht kan de schachtdeur met ontgrendeld vergrendelingsmechanisme open geduwd worden. Tevens kan de deur met menskracht open gehouden worden. Maar zonder menskracht zal door middel van de sluitconstructie (met de veer), zal de deur onmiddellijk weer sluiten (dat was ook zo toen [appellant] in de put viel).

Uit deze informatie over de werking van het (veiligheids)mechanisme van de lift blijkt dat zonder bemoeienis van een derde de schachtdeur niet zou zijn geopend op het moment dat [appellant] probeerde het hondje uit zijn benarde positie te bevrijden. De stelling van [appellant] dat weliswaar melding is gemaakt van de aanwezigheid van een onbekend gebleven vrouw maar dat niet is komen vast te staan dat deze of een andere derde de schachtdeur heeft geopend, kan hem niet baten, aangezien zijn gevolgtrekking dat de schachtdeur automatisch moet zijn open gegaan geen enkele bevestiging vindt in de technische gegevens. Met de rechtbank gaat het hof er daarom van uit dat de schachtdeur kort voor de aankomst van [appellant] niet automatisch is geopend.

4.9

Of het risico dat een aangelijnde hond op het laatste moment de lift weer uitgaat en dan omhoog getrokken wordt en door verstikking omkomt, ten tijde van het ongeval al dan niet algemeen bekend was of bij beheerders van liften bekend kon zijn, is in dit verband niet relevant aangezien dat niet de kwestie is waar het in deze zaak om gaat. Het gaat hierin om het risico voor [appellant] , niet om het risico voor de hond.

Dat geldt ook voor eventuele bekendheid met de omstandigheid dat door een hondenriem of rollijn het vergrendelingsmechanisme kan worden beïnvloed. Wanneer de schachtdeur gesloten blijft, zoals technisch gezien het geval is, ontstaat daardoor nog geen gevaarlijke situatie. De waarschuwing waarvan [appellant] meent dat de Stichting deze had moeten geven, betreft het risico dat onvoorzichtige hondenbezitters lopen ten aanzien van het welzijn van hun hond. Dat is, zoals gezegd, niet wat hier speelt.

4.10

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het onderzoek van het Liftinstituut uit 2004 dat de lift voldeed aan de veiligheidseisen die daaraan op dat moment gesteld werden. Van de Stichting mochten niet minder, maar ook niet meer voorzorgsmaatregelen worden verlangd om een gevaarlijke situatie als de onderhavige te voorkomen. De omstandigheid dat de lift is gelegen een appartementencomplex voor senioren maakt dit niet anders. Voor de gebruikers van de lift leverde deze geen gevaar op, terwijl het risico voor weglopende hondjes niet voortkomt uit technische onvolkomenheden van de lift maar uit een gebrek aan oplettendheid van de hondenbezitter. Ook wanneer een dergelijk gebrek aan oplettendheid bij oudere gebruikers eerder te verwachten zou zijn dan bij gebruikers in het algemeen, wat op zich nog niet vaststaat, betekent dit niet dat de lift daardoor onvoldoende veilig zou zijn. Het is voor mevrouw [bewoonster] vanzelfsprekend een nare ervaring geweest, terwijl [appellant] zijn hulpvaardigheid heeft moeten bekopen met ernstig letsel waardoor hij ook materieel schade heeft opgelopen (onder meer verlies van verdienvermogen). Een en ander heeft zich afgespeeld rondom de lift van de Stichting, maar nu de Stichting geen nalatigheid kan worden verweten met betrekking tot de veiligheid van die lift, valt niet in te zien op grond waarvan de Stichting op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk gehouden kan worden voor de gevolgen van het ongeval dat [appellant] is overkomen. Artikel 6:174 BW biedt evenmin een toereikende grondslag voor aansprakelijkheid van de Stichting, aangezien niet gezegd kan worden dat de opstal in de gegeven omstandigheden niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Een andere grondslag is niet aangevoerd en kan in de feiten niet worden aangetroffen. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat in dit geval sprake is geweest van een (zeer) ongelukkige samenloop van omstandigheden, die niet leidt tot aansprakelijkheid van de Stichting voor de door [appellant] gelden schade.

4.11

De consequentie hiervan is dat niet alleen grief I, inzake het beroep van [appellant] op artikel 6:162 BW, maar ook grief II, inzake het beroep van [appellant] op artikel 6:174 BW, wordt verworpen. Door [appellant] zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die indien bewezen tot een ander oordeel leiden zodat zijn bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd.

4.12

Het eindvonnis van 19 maart 2014 wordt bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep als door de Stichting gevorderd.

5 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de vonnissen van 8 september 2010 en 17 november 2010;

bekrachtigt het eindvonnis van 19 maart 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 704,= aan vast recht en op € 894,= aan salaris advocaat, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening en wat betreft de nakosten met € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en S.O.H. Bakkerus en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 november 2015.

griffier rolraadsheer