Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4419

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
HD 200.091.685_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2011:683, Overig
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uitleg cao besloten busvervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1105
AR 2015/2125

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.091.685/02

arrest van 3 november 2015

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [appellant 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [appellant 3] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

4. [appellant 4] ,

wonende te [woonplaats 4] ,

5. [appellant 5] ,

wonende te [woonplaats 5] ,

6. [appellante 6] ,

wonende te [woonplaats 6] ,

7. [appellant 7] ,

wonende te [woonplaats 7] ,

8. [appellant 8] ,

wonende te [woonplaats 8] ,

9. de vereniging FNV Bondgenoten,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,

appellanten,

advocaat: mr. M.J.M. Postma te Utrecht,

tegen

BBA Tours B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.H. Stam te Utrecht,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 7 oktober 2014 en 26 mei 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, team kanton Tilburg, onder zaaknummer 593826/CV EXPL 10-2753 gewezen vonnis van 2 februari 2011, gewezen tussen [appellanten] als eisers en BBA als gedaagde.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 26 mei 2015;

  • -

    de akte na tussenarrest van [appellanten] van 14 juli 2015 met producties;

  • -

    de akte na tussenarrest van BBA van 11 augustus 2015;

  • -

    de antwoordakte van [appellanten] van 8 september 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Bij tussenarrest van 26 mei 2015 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen om:

- beide partijen in de gelegenheid te stellen een nadere feitelijke toelichting te geven op het shuttlevervoer (rov. 6.5.2);

- [appellanten] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of hetgeen is aangevoerd over de onderbrekingstoeslag, onregelmatigheidstoeslag, overwerk en jaarurenregeling ziet op een interpretatieverschil van de cao, of op de vraag of deze vorderingen wel of niet (geheel) zijn uitbetaald (rov. 6.6.4);

- [appellanten] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag wat zij beogen met hun vordering ter zake het toekennen respectievelijk opnemen van halve compensatiedagen (rov. 6.6.5);

- beide partijen in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over, kort gezegd, het aantal uren dat aan [appellant 1] betaald moest worden en wat feitelijk is betaald en hetgeen dienaangaande is overeengekomen (rov. 6.7.1);

- [appellant 1] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of hij de opleiding heeft gevolgd op verzoek van BBA (rov. 6.7.2).

Beide partijen hebben een akte genomen, zoals hiervoor is vermeld. BBA heeft in haar akte vermeld dat het hof haar bij genoemd tussenarrest (nog) niet de mogelijkheid heeft gegeven op een deel van de door [appellanten] gegeven antwoorden te reageren en zij heeft het hof verzocht om daartoe de gelegenheid te bieden. Vervolgens zijn beide partijen in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen. [appellanten] hebben dat gedaan. BBA heeft geen antwoordakte genomen. Voor zover BBA heeft bedoeld te stellen dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor, verwerpt het hof die stelling, nu BBA de gelegenheid heeft gekregen voor het nemen van een antwoordakte. Dat zij geen gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid, dient voor haar rekening te blijven.

9.2.

Het hof zal een beoordeling geven van de hiervoor genoemde onderwerpen waarover partijen zich dienden uit te laten.

Het shuttlevervoer

9.3.

Kern van het geschil is de vraag of het vervoer van vliegveld Weeze naar Amsterdam v.v. moet worden aangemerkt als vervoer in de zin van artikel 21 onder B van de cao 2006 (toerwagenritten/ongeregeld vervoer/pendelvervoer) dan wel als vervoer in de zin van artikel 21 onder C van die cao (groepsvervoer). [appellanten] leunen in hun interpretatie sterk op de vaststellingsovereenkomst van 17 januari 2008 als gesloten tussen FNV Bondgenoten enerzijds en BBA anderzijds en zij stellen daartoe dat ook het shuttlevervoer tussen Eindhoven Airport en Amsterdam (Schiphol), welk vervoer onderwerp was van de vaststellingsovereenkomst, wordt verloond op grond van het bepaalde in artikel 21 onder C van de cao 2006 (dus groepsvervoer). Volgens BBA is het vervoer van vliegveld Weeze/Amsterdam (Schiphol) anders ingericht en kent het een internationaal aspect.

9.4.

Het hof heeft in rov. 6.5.1. overwogen dat [appellanten] niet veel verder komen dan te stellen dat ‘shuttlevervoer nadrukkelijk afwijkt van pendelvervoer’, echter zonder enige feitelijke toelichting te geven alsmede dat cao-partijen voor wat betreft het aspect internationale lijndienst tot een andere conclusie komen, echter eveneens zonder enige nadere feitelijke toelichting. De stelling dat het shuttlevervoer van Eindhoven Airport naar Schiphol door bij de cao betrokken partijen wordt aangeduid als ‘6/6 vervoer’ komt zonder enige toelichting evenmin enige duidende waarde toe in het licht van de definitie van pendelvervoer in diezelfde cao. Het hof heeft geconstateerd dat partijen zich vooral hebben beperkt tot het betwisten van elkaars standpunten zonder het hof voor te lichten over de feitelijke aspecten van het vervoer van vliegveld Weeze naar Eindhoven/Amsterdam (in vergelijking tot het vervoer van Eindhoven naar Amsterdam). Om die reden heeft het hof in rov. 6.5.2. zelf getracht zich hierover een voorlopig oordeel te vormen en partijen uitdrukkelijk verzocht zich nader over de feitelijke gang van zaken (inclusief een vergelijking van Weeze/Amsterdam met Eindhoven/Amsterdam) uit te laten.

9.5.

Nu partijen zelf de vergelijking wilden trekken met de hiervoor genoemde vaststellingsovereenkomst (zonder inzichtelijk te maken waaruit de overeenkomsten/verschillen bestonden), achtte het hof het nodig om hierover nadere inlichtingen te verkrijgen alvorens een beslissing te nemen (een nadere toelichting op de overeenkomsten /verschillen hebben [appellanten] overigens nog steeds niet gegeven). Op grond van de thans voorhanden informatie is het hof van oordeel dat die vaststellingsovereenkomst geen, althans onvoldoende basis biedt voor de beoordeling van de vraag of het onderhavige vervoer moet worden aangemerkt als toerwagenritten/ongeregeld vervoer/pendelvervoer of als groepsvervoer.

9.6.

In de eerste plaats is daartoe van belang dat die vaststellingsovereenkomst niet is gesloten tussen de partijen die de cao zijn overeengekomen (FNV Bondgenoten wel, maar BBA niet) en daarmee dus niet de status heeft van een toelichting op de cao als bedoeld in rov. 6.5.1 eerste zin. Het hof dient dus geheel zelfstandig te beoordelen of het onderhavige vervoer moet worden gekwalificeerd als pendelvervoer zoals in de cao is omschreven en in rov. 6.5.1 geciteerd.

9.7.

In de tweede plaats acht het hof van belang dat uit hetgeen thans aan feitelijke toelichting is gegeven op het vervoer, eerder erop duidt dat ook Eindhoven/Amsterdam is te beschouwen als pendelvervoer (dus in afwijking van hetgeen partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen), dan dat Weeze/Amsterdam moet worden gezien als groepsvervoer. Het gaat (ook bij Eindhoven/Amsterdam) immers om vervoer van vooraf in groepen samengebrachte reizigers (de vliegtuigpassagiers) van dezelfde plaats van vertrek (Eindhoven/ Weeze) naar dezelfde plaats van bestemming (Amsterdam) door verscheidene heen- en terugreizen. De verschillen tussen Eindhoven/Amsterdam en Weeze/Amsterdam hebben betrekking op het volgens een dienst / rooster rijden, het al dan niet wachten op vertraagde vluchten, en het al dan niet afgelasten van ritten met /zonder compensatie als gevolg van vertraagde vluchten. Het hof acht die verschillen niet heel groot. In de kern komt het erop neer dat voor beide reizen geldt dat wel degelijk volgens een rooster wordt gereden. Hetgeen in de definitie wordt vermeld over ‘in groepen samengebrachte reizigers’ is niet hetzelfde als ‘groepsvervoer’ in de zin van artikel 21 onder C van de CAO 2006. Dat blijkt uit de definitie van groepsvervoer (artikel 2 onder k CAO 2006). De reizigers waar het hier om gaat - vliegtuigpassagiers - behoren niet tot een ‘beperkte groep personen’. Deze reizigers hebben steeds een andere samenstelling (en wellicht ook van omvang), zij behoren niet tot een groep, zij worden tot groep samengebracht, afhankelijk van de vlucht.

9.8.

Het hof acht verder van wezenlijk belang dat het vervoer Weeze/Amsterdam een internationaal karakter heeft, hetgeen in de cao uitdrukkelijk wordt genoemd in de definitie van pendelvervoer.

9.9.

Voor zover de vorderingen van [appellanten] zijn gebaseerd op hun stelling dat het shuttlevervoer van vliegveld Weeze naar Amsterdam v.v. moet worden aangemerkt als groepsvervoer en dat daarvoor een zogenaamde 6/6 beloning dient plaats te vinden, worden deze dus afgewezen.

Onderbrekingstoeslag, onregelmatigheidstoeslag, overwerk, jaarurenregeling en de doordeweekse rustdag

9.10.

De onderbrekingstoeslag en de onregelmatigheidstoeslag hebben rechtstreeks verband met de vraag of het shuttlevervoer moet worden beschouwd als 5/6 of 6/6 ritten (rov. 6.6.4). De vorderingen met betrekking tot deze toeslagen worden, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, afgewezen.

9.11.

Over het overwerk, de jaarurenregeling en de doordeweekse rustdag heeft het hof in rov. 6.6.4 vermeld dat het in het geheel niet duidelijk is of deze geschilpunten zien op een inhoudelijk interpretatieverschil van de CAO, dan wel betrekking hebben op de vraag of de op de CAO geënte en om die reden niet betwiste vorderingen wel of niet (geheel) zijn uitbetaald. Om die reden heeft het hof [appellanten] in de gelegenheid gesteld nadere duidelijkheid hierover te verstrekken. [appellanten] hebben slechts over het overwerk en over de jaarurenregeling nadere inlichtingen verstrekt, maar daarbij hebben zij geen antwoord gegeven op de door het hof gestelde vraag. Over de doordeweekse rustdag hebben zij in het geheel niets gesteld. Het is het hof daarom nog steeds onduidelijk wat de bedoeling is van hetgeen [appellanten] hebben bedoeld met deze geschilpunten. Nu zij ruimschoots in de gelegenheid zijn geweest om een nadere toelichting te geven (de vorderingen waren in eerste aanleg reeds afgewezen, grotendeels vanwege het niet voldoen aan de stelplicht), ziet het hof geen aanleiding om [appellanten] wederom de gelegenheid te geven tot het beantwoorden van de vraag. Voor zover in de vorderingen de onderhavige geschilpunten zijn verwerkt, zal het hof deze dus afwijzen.

Het toekennen respectievelijk opnemen van halve compensatiedagen

9.12.

Hiervoor geldt hetzelfde als onder 9.11 is overwogen. [appellanten] dienden nader aan te geven wat zij precies beogen met hun vordering ter zake het toekennen respectievelijk opnemen van halve compensatiedagen: gaat het om een onjuiste algemene stelling dan wel om een onjuiste toepassing in het betreffende individuele geval?

9.13.

Op die vraag wordt door [appellanten] in het geheel geen antwoord gegeven. [appellanten] stellen iets over terminologie en dat de werkgever niet mag bepalen of een werknemer een halve compensatiedag opneemt. Dat was echter niet de vraag. Het hof heeft de gevraagde duidelijkheid niet gekregen, zodat deze vorderingen hetzelfde lot treft als de vorderingen voor zover betrekking hebbend op de geschilpunten overwerk, jaarurenregeling en doordeweekse rustdag. Kortom, deze worden afgewezen.

De arbeidsovereenkomst met [appellant 1]

9.14.

Het hof in rov. 6.7.1 uitvoerig vermeld waarom de vordering van [appellant 1] onduidelijk is. Zo heeft het hof erop gewezen dat [appellant 1] weliswaar stelt dat hij voor 38 uur in dienst is geweest bij BBA en dat hij daarna (wanneer?) (173,30 uur per maand) 40 uur per week zou zijn overeengekomen, maar uit de loonstroken blijkt dat hij 100% / 173,30 uren is uitbetaald. [appellant 1] is in de gelegenheid gesteld daarover duidelijkheid te geven. Ook is [appellant 1] in de gelegenheid gesteld duidelijkheid te geven over overgelegde stukken en hoe daaruit (of hoe op andere manier) kan blijken op grond waarvan [appellant 1] meer dan 32 uur betaald moest worden. Het hof heeft over dit alles overwogen: “Hoe een en ander zich verdraagt met de stellingen van partijen als hiervoor verwoord is het hof volstrekt onduidelijk. Evenmin is duidelijk welke gevolgen dit alles heeft voor de loonaanspraken van [appellant 1] .” (rov. 6.7.1).

9.15.

[appellant 1] is uitsluitend ingegaan op het tweede onderdeel van de hiervoor weergegeven onduidelijkheid, dus uitsluitend op de vraag op grond waarvan hij meent dat hij recht heeft op betaling van loon voor meer dan 32 uur per week. [appellant 1] is in het geheel niet ingegaan op het eerste onderdeel van de hiervoor weergegeven onduidelijkheid. Ook als [appellant 1] dus zou slagen in het bewijs van zijn stelling dat hij met mevrouw [vertegenwoordigster BBA] van BBA is overeengekomen dat de schooldag betaald zou worden door BBA, kan dat niet tot een toewijzing van zijn vordering leiden. Dan blijft immers de onduidelijkheid over de loonvordering bestaan, waaronder de vraag of feitelijk te weinig is betaald door BBA. Om de hiervoor reeds in rov. 9.11 genoemde reden, ziet het hof geen aanleiding om [appellant 1] alsnog de mogelijkheid te geven de vraag over de (berekening van de) vordering te beantwoorden. Het bewijsaanbod is dus niet ter zake dienend en zal worden gepasseerd. De vordering wordt dus afgewezen.

9.16.

Ter zake de vergoeding van reiskosten heeft [appellant 1] gewezen op artikel 35 van de cao, door het hof geciteerd in rov. 6.7.2. Kort gezegd komt het erop neer dat reiskosten worden vergoed wanneer de werknemer een opleiding volgt op verzoek van de werkgever. Ook hierover heeft het hof vragen gesteld over de feitelijke gang van zaken. Uit de door [appellant 1] gegeven antwoorden komt naar voren dat hij een beroepsbegeleidende leerweg (BBL) heeft gevolgd, waarvoor hij zich had aangemeld bij het opleidingsinstituut. Bij een bijeenkomst op dat opleidingsinstituut had BBA zich aangemeld als leerbedrijf / praktijkbiedende organisatie. Daaruit volgt - althans zonder nadere toelichting die ontbreekt -dat geen sprake is geweest van een opleiding of cursus die is gevolgd op verzoek van de werkgever, zoals bedoeld in genoemde cao-bepaling. De vordering zal dus worden afgewezen.

Slotsom

9.17.

De slotsom luidt dat alle door [appellanten] betrokken stellingen ter onderbouwing van hun vorderingen worden afgewezen, behoudens voor zover in die vorderingen is betrokken de wijze waarop BBA ten onrechte compensatiedagen heeft aangewezen (rov. 6.6.1) en voor zover daarin zijn betrokken de pauzes tussen de verschillende diensten (rov. 6.6.3). Wat de twee laatstgenoemde geschilpunten betreft kunnen de vorderingen worden toegewezen. Het hof kan zelf niet vaststellen om welke bedragen het gaat. Het hof verwijst de zaak naar de rol om [appellanten] in de gelegenheid te stellen een berekening in het geding te brengen waaruit volgt welke bedragen - met inachtneming van de beslissingen van het hof - toewijsbaar zijn. BBA mag een antwoordakte nemen. Het hof geeft partijen in overweging om een en ander in onderling overleg te regelen en deze procedure te beëindigen. Het hof geeft partijen daarbij nu reeds in overweging dat ter zake proceskosten [appellanten] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dienen te worden beschouwd. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

10 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 1 december 2015 voor akte aan de zijde van [appellanten] met het in rov. 9.17 genoemde doel, waarna BBA een antwoordakte mag nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 november 2015.

griffier rolraadsheer