Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4413

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
200.177.590/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating op grond van 288 lid 1 sub b Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 29 oktober 2015

Zaaknummer : 200.177.590/01

Zaaknummers eerste aanleg : 296173/FT RK 15-923 en 296174/FT RK 15-924

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant 1]

en

[appellante 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellante 2]

advocaat: mr. J.J.T. van Loo.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 21 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 september 2015, hebben [appellant 1] en [appellante 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing wordt verklaard.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2015. Bij die gelegenheid zijn [appellant 1] en [appellante 2] , bijgestaan door mr. Van Loo, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 15 oktober 2015;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 15 oktober 2015.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant 1] en [appellante 2] hebben de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant 1] en [appellante 2] blijkt een totale schuldenlast van € 79.705,57. Daaronder bevinden zich een schuld aan [advocaten] Advocaten van € 56.908,40, een schuld aan Santander Consumer Finance van € 10.716,76 alsmede een drietal schulden aan de Belastingdienst voor een totaal bedrag van € 3.105,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant 1] en [appellante 2] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant 1] en [appellante 2] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de verzoekschriften zijn ingediend te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Ten aanzien van de schuld aan de vader is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat die schuld te goeder trouw onbetaald is gelaten. Nergens uit volgt dat partijen hebben afgesproken dat de rente niet betaald hoefde te worden. Gebleken is dat de schuldenaar (het hof leest: schuld) aan de vader is toegenomen doordat niet aan de renteverplichtingen is voldaan. Bovendien stelt de vader nog een vordering op verzoekers te hebben wegens verduistering. De omvang van deze vordering is niet duidelijk geworden. Wel is vast komen te staan dat de vader aangifte van verduistering heeft gedaan. Verzoekster heeft daarover verklaard dat de zaak is geseponeerd. Schriftelijke bewijzen daarvan ontbreken echter.”

3.4.

[appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant 1] en [appellante 2] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Met betrekking tot de schuld aan de vader van [appellante 2] merken [appellant 1] en [appellante 2] op dat er weliswaar was afgesproken dat er rente zou worden betaald, maar dat de vader van [appellante 2] in al die jaren nooit om rente heeft gevraagd zodat bij [appellant 1] en [appellante 2] de indruk was ontstaan dat de rente niet betaald hoefde te worden, of althans niet opgeëist zou worden. Er was als het ware een stilzwijgende afspraak dat de rente niet betaald hoefde te worden, temeer nu [accountant] van Administratiekantoor [administratiekantoor] , die voor zowel [appellant 1] en [appellante 2] als voor de vader van [appellante 2] de belastingaangiftes deed, heeft verklaard dat hij uit gesprekken met de vader van [appellante 2] nimmer heeft opgemaakt dat hij van plan was om de rente bij zijn dochter op te eisen. Dat de vader van [appellante 2] onlangs van gedachten is veranderd en wel de achterstallige rente is gaan opeisen houdt niet in dat uit zijn gedragingen van de afgelopen jaren blijkt dat [appellant 1] en [appellante 2] niet te goeder trouw waren. Tot slot stellen [appellant 1] en [appellante 2] dat de aangifte van verduistering is geseponeerd en dat de vader van [appellante 2] de omvang van deze vordering ook nimmer heeft gesubstantieerd. Zij menen dan ook dat deze vordering onterecht is meegenomen met de beoordeling van hun toelatingsverzoek.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant 1] en [appellante 2] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant 1] en [appellante 2] benadrukken dat de vader van [appellante 2] direct na het passeren van de notariële akte op 15 november 2006 geruime tijd ten stelligste kenbaar heeft gemaakt dat hij, ondanks hetgeen hierover in voornoemde notariële akte was opgenomen, geen rente hoefde te ontvangen. De accountant van de vader van [appellante 2] , de heer [accountant] , heeft zelfs schriftelijk verklaard dat deze hem te verstaan heeft gegeven dat hij het jaarlijks verschuldigde rentebedrag aan zijn dochter wilde schenken. [appellant 1] en [appellante 2] hebben er dan ook op vertrouwd, en naar nu blijkt ten onrechte, dat de hele verplichting tot het betalen van rente van de baan was. Met betrekking tot de schulden aan de Belastingdienst merken [appellant 1] en [appellante 2] desgevraagd op dat het hier gaat om terugvorderingen van ten onrechte door hen ontvangen toeslagen waaronder het kindgebonden budget en de zorgtoeslag. Aangaande de schuld aan Santander Consumer Finance merken [appellant 1] en [appellante 2] tot slot op dat deze is ontstaan nadat zij hier een krediet hadden afgesloten teneinde hun schulden aan de postorderbedrijven [postorderbedrijf 1] en [postorderbedrijf 2] ineens te kunnen voldoen. De schuld aan [postorderbedrijf 1] die nu nog op de schuldenlijst staat is een schuld die nadien weer is ontstaan.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Vast staat, temeer nu zij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling hebben erkend, dat [appellant 1] en [appellante 2] een aantal schulden aan de Belastingdienst hebben. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens, zoals in onderhavige zaak het geval, dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan.

3.6.3.

Uit de bij de verklaring ex artikel 285 Fw gevoegde schuldenlijst blijkt voorts dat er sprake is van een schuld aan [postorderbedrijf 1] . Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [appellant 1] en [appellante 2] nadrukkelijk gesteld dat eerdere schulden aan postorderbedrijven, waaronder [postorderbedrijf 1] , door hen zijn voldaan middels het afsluiten van een krediet bij Santander Customer Finance. Het hof rekent het [appellant 1] en [appellante 2] zwaar aan dat zij, nu zij eerdere schulden aan postorderbedrijven niet uit eigen middelen konden voldoen en zichzelf genoodzaakt zagen om hiertoe een extern krediet af te sluiten, een nieuwe postorderschuld hebben laten ontstaan. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] en [appellante 2] wisten, althans hadden dienen te onderkennen, dat zij een nieuwe postorderschuld derhalve niet, of althans niet volledig, zouden kunnen voldoen. Het hof merkt hierbij op dat er blijkens voornoemde schuldenlijst meer schulden zijn ontstaan nadat [appellant 1] en [appellante 2] het krediet bij Santander Customer Finance hadden afgesloten die op zijn minst het karakter van een postorderschuld hebben. Te denken valt hierbij aan de schulden aan [bedrijf] Nederland BV, MS Mode Nederland en het drietal schulden aan Puzzel 4 U. Ook deze schulden dienen naar het oordeel van het hof derhalve te worden aangemerkt als schulden welke niet te goeder trouw zijn ontstaan.

3.6.4.

Al hetgeen hiervoor is overwogen vormt, zowel op zichzelf staand als in onderlinge samenhang, naar het oordeel van het hof reeds voldoende grond om het verzoek van [appellant 1] en [appellante 2] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw af te wijzen. Het hof laat de beantwoording van de vraag of [appellant 1] en [appellante 2] ten aanzien van het laten ontstaan dan wel onbetaald laten van de renteschuld aan de vader van [appellante 2] al dan niet te goeder trouw zijn geweest dan ook nadrukkelijk in het midden. Noch uit de overgelegde stukken noch uit hetgeen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door en namens [appellant 1] en [appellante 2] naar voren is gebracht blijkt afdoende wat er, na het passeren van de notariële akte op 15 november 2006, ten aanzien van de daarin vastgelegde renteverplichtingen mondeling door partijen (nader) is afgesproken of althans aangegeven en waarop partijen gerechtvaardigd hadden mogen vertrouwen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal - onder verbetering van de gronden - worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, A.P. Zweers-van Vollenhoven en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.