Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4390

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/00784
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:4688, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in dienstbetrekking werkzaam bij een BV, eerst als manager backoffice later als directeur. De BV verleent diensten voor één opdrachtgever, een Stichting voor gehandicaptenzorg. Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar in een door haar werkgever ter beschikking gestelde woning en zij reed in een door die werkgever ter beschikking gestelde auto. Belanghebbendes standpunt, dat sprake is van een dienstwoning als bedoeld in artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst 2008), wordt verworpen. De correctie huurwaarde en de correctie privégebruik auto blijven in stand, evenals de door de Inspecteur in hoger beroep nader bepaalde correctie energie- en watergebruik van bedoelde woning.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2499
Belastingadvies 2016/2.7
V-N 2016/6.17.23
FutD 2015-2868
NTFR 2016/324 met annotatie van Mr. E.I. Brouwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00784

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Maastricht

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 10 juli 2014, nummer AWB 13/4727 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te melden aanslag en beschikking heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 103.019 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.988. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 3.343. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 101.346 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.988 en de heffingsrente is verminderd tot € 3.247.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 93.966 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.988 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, heeft vastgesteld dat de Inspecteur als gevolg van het niet tijdig beslissen op belanghebbendes bezwaar, een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft verbeurd van € 1.260, heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 973 en heeft gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan haar vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 21 augustus 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, [A] , [B] en [C] . De gemachtigde van belanghebbende heeft het Hof op 21 augustus 2015 telefonisch bericht dat hij noch belanghebbende ter zitting zal verschijnen.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende woonde in 2008 en 2009 met haar partner [D] (hierna: de partner), op het adres [a-straat] 17a te [E] (hierna: de onroerende zaak). Belanghebbende stond van 21 oktober 1994 tot en met 15 april 2011 in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) ingeschreven op het adres [b-straat] 13 te [F] (hierna: de woning te [F] ). De partner staat sinds 30 november 2007 in de GBA ingeschreven op het adres [a-straat] 17A te [E] .

2.2.

De partner was werkzaam bij de [G] (hierna: [G] ). Hij was in de jaren 2008 en 2009 enig bestuurder van [G] . [G] had in die periode een Raad van Toezicht (hierna: RvT), bestaande uit 4 of 5 leden. [G] verzorgt dag- en woonopvang voor volwassenen met een lichamelijke, zintuigelijke of meervoudige beperking of niet-aangeboren hersenletsel.

2.3.

In juli 2005 is de [H] opgericht (hierna: [H] ) die op haar beurt op 11 augustus 2005 [J] B.V. heeft opgericht. Alle aandelen in [J] B.V. werden gehouden door [H] , die tevens bestuurder was van [J] B.V.. Gevolmachtigd namens [H] was belanghebbende. Bij een statutenwijziging op 11 februari 2008 is vastgelegd dat ten minste één van de bestuursleden van [H] tevens bestuurslid moest zijn van [G] . Dat was vanaf 11 februari 2008 tot 19 juli 2012 de partner van belanghebbende.

2.4.1.

Op 9 augustus 2007 heeft [H] de onroerende zaak gekocht voor een bedrag van

€ 880.000. In 2007 en 2008 is aan deze onroerende zaak voor een bedrag van circa € 317.000 verbouwd. Het souterrain van deze onroerende zaak wordt door [J] B.V. en door [G] gebruikt. [G] betaalt hiervoor een jaarlijkse huurprijs aan [H] van € 17.430 en een bedrag aan energiekosten van € 1.500. In het souterrain heeft een aantal vergaderingen van de RvT van [G] plaatsgevonden.

2.4.2.

[G] heeft de onroerende zaak laten taxeren. Volgens het taxatierapport van 20 juli 2007 bedraagt de onderhandse verkoopwaarde van het woongedeelte € 625.000 en de executiewaarde daarvan € 530.000.

2.4.3.

De Inspecteur heeft de onroerende zaak eveneens, per waardepeildatum 1 december 2010, laten taxeren. Volgens het taxatierapport van 17 januari 2011 bedraagt de economische huurwaarde van het woondeel € 33.000 per jaar. Uitgaande van een jaarlijkse waardestijging van 1,75% per jaar, bedraagt de economische huurwaarde van het woondeel in 2008 € 31.327.

2.5.

In het onderhavige jaar was belanghebbende werkzaam bij de B.V. als manager backoffice. Deze functie vervulde zij tot 1 juli 2009 en daarna werd haar functie bedrijfsdirecteur. Verder verrichtte zij onbezoldigd werkzaamheden voor [H] . [J] B.V. heeft in het onderhavige jaar een [auto] (hierna: de auto) aan belanghebbende ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van € 82.151.

2.6.

Tot de gedingstukken behoren schriftelijke verklaringen van een viertal (oud-) medewerkers van [J] B.V.. Deze hebben als volgt verklaard met betrekking tot het gebruik van de auto:

 [K] heeft verklaard dat zij in de periode mei 2011 tot en met faillissementsdatum achtereenvolgens werkzaam was als beleidsmedewerker operationeel en directeur/manager a.i. en dat de auto in deze periode voor zakelijke activiteiten werd gebruikt door collega’s van de zorgmanege en zorgboerderij;

 [L] heeft verklaard dat zij in de periode 1 september 2011 tot en met 10 december 2013 bij [J] BV werkzaam was als psycholoog en dat zij en haar collega’s de auto in die periode hebben gebruikt voor zakelijke activiteiten;

 [M] heeft verklaard dat hij als gevolg van een FIOD-onderzoek gedurende de periode 2012/2013 als leidinggevende heeft ondersteund bij [J] B.V. en dat de auto in die periode, met uitzondering van de periode juli 2012 tot en met oktober 2012, werd gebruikt voor zakelijke activiteiten. In de periode juli 2012 tot en met oktober 2012 is, aldus de verklaring, niet gereden met de auto.

 [N] heeft verklaard dat hij van 12 juli 2010 tot oktober 2013 als begeleider/instructeur werkzaam was bij [J] BV en dat de auto in die periode door hemzelf en door zijn collega’s werd gebruikt voor zakelijke activiteiten.

2.7.

In de op 1 december 2007 gedagtekende bijlage bij de arbeidsovereenkomst van belanghebbende is het volgende bepaald:

Artikel 1

De medewerker maakt gebruik van een dienstwoning gelegen te [a-straat] 17a, [postcode] te [E] voor onbepaalde tijd, maar voor de periode dat ook de arbeidsovereenkomst geldig is. Voor het genot van deze dienstwoning wordt een bedrag van € 500 (als huurkosten) en een bedrag van € 200 (als een vast bedrag (voor de energie en water) in mindering gebracht op het loon, een en ander in overeenstemming met artikel 9:4 Kost en inwoning van de cao voor de gehandicaptenzorg.”

2.8.

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB over het onderhavige jaar een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 43.226. Zij heeft daarbij de woning te [F] aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2011. Zij heeft met betrekking tot deze woning per saldo € 2.775 als negatieve inkomsten uit eigen woning op haar belastbaar inkomen uit werk en woning in mindering gebracht.

2.9.

Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende grootboekrekeningen overgelegd van [J] B.V. met betrekking tot afrekeningen van gas, elektra en water. Deze laten, voor zover hier van belang, de volgende posten zien:

Gas en elektra

Datum

Omschrijving

Bedrag

22-01-2008

[a-straat] 17a, 2008-02

964,00

22-02-2008

[a-straat] 17a, 2008-02

964,00

20-03-2008

[a-straat] 17a, 2008-03

964,00

22-04-2008

[a-straat] 17a, 2008-04

964,00

08-05-2008

[a-straat] 17a, afrekening

5.011,64

08-05-2008

[a-straat] 17a, afrekening

952,22

08-05-2008

[a-straat] 17a, afrekening

-/- 6.748,00

08-05-2008

[a-straat] 17a, 2008-05

1.090,00

23-06-2008

[a-straat] 17a, 2008-06

1.090,00

22-07-2008

[a-straat] 17a, 2008-07

1.090,00

22-08-2008

[a-straat] 17a, 2008-08

1.090,00

23-09-2008

[a-straat] 17a, 2008-09

1.096,00

07-10-2008

[a-straat] 17a, 2008-04/08

2.222,38

07-10-2008

[a-straat] 17a, 2008-04/08

422,25

07-10-2008

[a-straat] 17a, voorschot

-/- 4.360,00

22-10-2008

[a-straat] 17a, 2008-10

1.096,00

21-11-2008

[a-straat] 17a, 2008-11

921,00

21-11-2008

[a-straat] 17a, 2008-11

175,00

23-12-2008

[a-straat] 17a, 2008-12

921,00

23-12-2008

[a-straat] 17a, 2008-12

175,00

Totaal

10.100,49

Water

Datum

Omschrijving

Bedrag

08-02-2008

[a-straat] 17a, 2008-01/04

66,80

31-05-2008

[a-straat] 17a, voorschot

-/- 133,60

31-05-2008

[a-straat] 17a, 2007-09/2008-03

208,28

31-05-2008

[a-straat] 17a, 2007-09/2008-03

12,50

31-05-2008

[a-straat] 17a, 2007-09/2008-03

123,30

10-10-2008

[a-straat] 17a, 2008-09/12

123,30

Totaal

400,58

2.10.

De gemachtigde heeft het Hof op 21 augustus, kort voor de zitting, laten weten dat hij de uitnodiging voor het bijwonen van de zitting over het hoofd heeft gezien en daardoor zelf pas op 20 augustus 2015 van de zitting op de hoogte is geraakt, maar vanwege verblijf in het buitenland niet meer in de gelegenheid was het onderzoek ter zitting bij te wonen. Belanghebbende was, aldus de gemachtigde evenmin in de gelegenheid om de zitting bij te wonen, omdat zij op die dag niet beschikte over een auto. De gemachtigde heeft vervolgens telefonisch verzocht om verdaging van de zitting naar een latere datum. Het Hof heeft dit verzoek op 21 augustus 2015 afgewezen, op de gronden vermeld onder de rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 hierna.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Dient de woning gelegen in de onroerende zaak (hierna: de woning) te worden aangemerkt als woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking (een dienstwoning) als bedoeld in artikel 33, lid 1, aanhef en onderdeel a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001?

2. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: Heeft de Inspecteur het voordeel ter zake van de door de werkgever ter beschikking gestelde woning, dat wordt gesteld op de huurwaarde in het economisch verkeer, op een te hoog bedrag vastgesteld?

3. Dient bij de berekening van de bij belanghebbende in aanmerking te nemen huurwaarde de bijdrage van de partner in mindering te worden gebracht?

4. Heeft de Inspecteur ter zake van de ter beschikking gestelde auto ten onrechte een bijtelling in verband met privé-gebruik van die auto in aanmerking genomen?

5. Heeft de Inspecteur het voordeel ter zake van de door de werkgever betaalde kosten van gas, water en elektriciteit op een te hoog bedrag vastgesteld?

6. Vormt de woning te [F] een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en kunnen de kosten van € 2.775 in mindering worden gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.1.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 45.326 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.988 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente.

3.3.2.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.341 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.988 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente.

4. Gronden

Verzoek om verdaging

4.1.

Hoofdregel is dat de rechter een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting inwilligt, wanneer dit tijdig is gedaan en onder aanvoering van gewichtige redenen (Hoge Raad 28 januari 2011, nr. 09/04360, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, BNB 2011/84). Of een verzoek tijdig is gedaan, hangt af van de reden ervan en de overige omstandigheden van het geval. Ook kort voor de zitting kan nog worden verzocht om uitstel, bijvoorbeeld bij ziekte. In algemene zin geldt dat hoe dichter voor aanvang van de zitting wordt verzocht om uitstel, hoe zwaarwegender de reden moet zijn, wil de rechter het uitstelverzoek honoreren.

4.2.

Het Hof is van oordeel dat het voor rekening van de gemachtigde komt dat hij de uitnodiging voor het bijwonen van de zitting over het hoofd heeft gezien en daardoor pas zodanig kort voor de dag van de zitting zich van die uitnodiging bewust is geworden, dat hij niet meer in de gelegenheid was om het onderzoek ter zitting bij te wonen. Van een zwaarwegende reden als bedoeld in voormeld arrest van de Hoge Raad is geen sprake. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat het belang dat belanghebbende heeft om bij de behandeling van haar zaak aanwezig te zijn, in de omstandigheden van het onderhavige geval minder zwaar weegt dan het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Het verzoek om uitstel van de zitting is daarom afgewezen.

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 Dienstwoning

4.3.

Gelet op de onder 2.7 geciteerde bepaling in de bijlage bij de arbeidsovereenkomst is de woning aan belanghebbende in het kader van haar dienstbetrekking ter beschikking gesteld. Ingevolge artikel 10 van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB) is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Tot het loon behoren niet vrije verstrekkingen. Vrije verstrekkingen zijn ingevolge artikel 17, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet LB (tekst 2008) verstrekkingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot voorkoming van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

4.4.

Ingevolge artikel 33, lid 2, van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001 (tekst 2008) behoren, voor zover hier van belang, tot de vrije verstrekkingen de verstrekkingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover de waarde in het economische verkeer op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek.

4.5.

Belanghebbende stelt dat ten aanzien van de woning sprake is van een dienstwoning, zodat ter zake van het genot van die woning niet meer dan 18% van haar loon uit dienstbetrekking in aanmerking mag worden genomen. Belanghebbende stelt daarnaast dat op dit in aanmerking te nemen te bedrag niet alleen de door haar betaalde vergoeding in mindering dient te worden genomen, maar ook de, naar zij stelt, door haar partner in het onderhavige jaar betaalde vergoeding van € 18.000.

4.6.

Van een dienstwoning is sprake in een situatie waarin de werknemer zijn werkzaamheden vanuit een ter beschikking gestelde woning moet verrichten en redelijkerwijs niet kan afzien van gebruik van de ter beschikking gestelde woning. Voorbeelden van dienstwoningen zijn de portierswoning, de woning van de brugwachter of de pastorie. In deze regeling is op dit punt geen wijziging beoogd ten opzichte van de vanaf

1 januari 2003 en voor het onderhavige jaar geldende regeling. De bewijslast dat de werkzaamheden vanuit de woning moeten worden verricht en dat redelijkerwijs niet kan worden afgezien van gebruik van de ter beschikking gestelde woning, rust op belanghebbende.

4.7.

Uit de stukken van het geding volgt dat het souterrain door de werkgever van belanghebbende werd gebruikt als kantoorruimte en dat in een van de ruimtes in het souterrain tevens vergaderingen plaatsvonden van de RvT van [G] . Belanghebbende was blijkens de arbeidsovereenkomst manager backoffice. Gesteld noch gebleken is dat de werkzaamheden die belanghebbende in die functie verrichtte van zodanige aard waren dat deze vanuit de woning moesten worden verricht. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak bestond om haar werkzaamheden uit de woning te verrichten, zodat de woning niet kan worden aangemerkt als een dienstwoning als bedoeld in artikel 33, lid 2, van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001.

4.8.

Belanghebbende heeft in dit verband verder nog gesteld (pleitnota bij de Rechtbank) dat twee door haar werkgever aan werknemers ter beschikking gestelde woningen (te [O] en [P] ) eveneens als dienstwoning zijn aangemerkt. De Rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen:

“… De rechtbank verstaat dat belanghebbende zich beroept op schending van het gelijkheidsbeginsel. Zij heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat sprake is van voldoende vergelijkbare (woon)situaties om tot schending van het gelijkheidsbeginsel te kunnen concluderen.”

Het Hof verenigt zich met deze overweging van de Rechtbank en maakt die tot de zijne.

4.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet vraag 1 ontkennend worden beantwoord.

Vraag 2 Voordeel privégebruik woning

4.10.

Bij ontkennende beantwoording van vraag 1 is tussen partijen niet in geschil dat het voordeel dat belanghebbende geniet vanwege het gebruik van de woning moet worden gesteld op de huurwaarde in het economisch verkeer van de woning. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur de huurwaarde van de woning op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De bewijslast met betrekking tot de huurwaarde van de woning rust op de Inspecteur. Het Hof overweegt op dit punt als volgt.

4.11.

De Inspecteur heeft de door hem verdedigde huurwaarde van € 31.327 onderbouwd met het onder 2.4.3 vermelde taxatierapport, waarin de waarde is bepaald naar een tijdstip gelegen na de verbouwing van de onroerende zaak. Belanghebbende heeft in hoger beroep ten aanzien van de huurwaarde gesteld dat de Inspecteur bij de vaststelling van de huurwaarde ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat de woning is verbouwd, omdat die verbouwing (nagenoeg) alleen betrekking heeft op het souterrain (het kantoorgedeelte).

4.12.

Uit de door de Inspecteur in hoger beroep overgelegde facturen en gespecificeerde overzichten van verrichte werkzaamheden blijkt onder meer van werkzaamheden met betrekking tot de tuin, de bestrating, de keuken, de wijnkast, de open haard en de douche op de eerste verdieping. Het Hof acht gelet op de in de facturen/overzichten gegeven omschrijving aannemelijk dat de verbouwingswerkzaamheden (mede) betrekking hadden op de woning. Belanghebbendes stelling dat bij de huurwaardebepaling ten onrechte in aanmerking is genomen dat de woning is verbouwd, treft dan ook geen doel.

4.13.

Aan het door belanghebbende overgelegde taxatierapport gaat het Hof voorbij omdat de waarde in dit rapport is bepaald naar een tijdstip gelegen vóór de verbouwing van de onroerende zaak, zodat de door de verbouwing verbeterde kwaliteit en staat van onderhoud van de woning in het taxatierapport van belanghebbende niet is meegenomen.

4.14.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Inspecteur de huurwaarde terecht gesteld op een bedrag van € 31.327. Vraag 2 moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag 3 Betalingen partner belanghebbende

4.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de in aanmerking te nemen huurwaarde van de woning in mindering moet worden gebracht de vergoeding van € 6.000 die door belanghebbende ter zake van het gebruik van de woning aan haar werkgever is betaald. Belanghebbende stelt zich daarnaast op het standpunt dat op de huurwaarde tevens de, naar zij stelt, door haar partner betaalde bedragen van in totaal ten minste € 18.000 (12 maanden x € 1.500) in mindering moeten worden gebracht, maar zij heeft met betrekking tot (de verschuldigdheid van) deze betalingen nog niet het begin van enig bewijs geleverd. Uit de door haar ter zitting in eerste aanleg gegeven toelichting dat de bedragen niet zijn betaald maar zijn gereserveerd, volgt naar het oordeel van het Hof dat van een daadwerkelijke bijdrage in verband met het gebruik van de woning geen sprake is. Gelet hierop acht het Hof niet aannemelijk dat de door belanghebbende gestelde bedragen daadwerkelijk door haar partner zijn betaald. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de woning door haar werkgever eveneens aan haar partner ter beschikking is gesteld, overweegt het Hof dat gesteld noch gebleken is dat de partner in dienstbetrekking werkzaam was bij [J] B.V. en dat voorts door belanghebbende niet aannemelijk is gemaakt dat [J] B.V. de woning tevens aan haar partner ter beschikking heeft gesteld. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ter zake van het gebruik van de woning betaalde vergoeding meer bedraagt dan € 6.000, zodat de Inspecteur terecht niet meer dan dit bedrag in aanmerking heeft genomen.

4.16.

Gelet op hetgeen in 4.15 is overwogen moet vraag 3 ontkennend worden beantwoord.

Vraag 4 Privégebruik auto

4.17.

Belanghebbende heeft gesteld dat de bij haar en [J] B.V. in beslag genomen administratie onvolledig aan haar is geretourneerd. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat de rittenadministratie met betrekking tot de periode 13 maart 2008 tot en met 24 april 2008, de periode 15 juni tot en met 12 september 2008 en de periode 30 november tot 28 december 2008 niet tot de geretourneerde stukken behoorde. De Inspecteur heeft gesteld dat de volledige administratie, inclusief die van [J] B.V., in kopie aan belanghebbende en haar partner is geretourneerd en hij heeft in dat verband gewezen op het volgende. De in de handgeschreven kilometeradministratie van belanghebbende vermelde eindstand van 12 maart 2008 is als beginstand vermeld op de pagina waarop in de handgeschreven kilometeradministratie vervolgens een rit op 25 april 2008 is vermeld. Hetzelfde heeft te gelden voor de periode van 15 juni tot en met 12 september; de eindstand van 14 juni 2008 is als beginstand vermeld op de pagina waarmee de kilometeradministratie op 13 september 2008 vervolgt, maar deze is vervolgens doorgestreept en vervangen door een (nieuwe) beginstand van 114.705 km. Dat eind- en beginstand in de betreffende periodes (in eerste instantie) gelijkluidend zijn strekt volgens de Inspecteur ten bewijze dat de gehele (ritten)administratie is geretourneerd. Indien hij namelijk niet de gehele (ritten)administratie had geretourneerd en er bepaalde pagina’s zouden ontbreken konden die begin- en eindstanden niet gelijkluidend zijn.

Gelet op het voorgaande acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende – al dan niet in kopie - de volledige administratie retour heeft ontvangen. Haar stelling dat zij door toedoen van de Inspecteur in bewijsnood verkeert, wordt daarom verworpen.

4.18.

De Rechtbank heeft ten aanzien van de bijtelling voor het privégebruik van de auto het volgende overwogen:

“ 4.6.2. Belanghebbende stelt dat zij de in 2.3 bedoelde auto in het onderhavige jaar voor minder dan 500 kilometer in privé heeft gebruikt. Zij voert aan dat zij en de partner in het onderhavige jaar een groot aantal auto’s tot hun beschikking hadden, die zakelijk en privé werden gebruikt. Verder voert zij aan dat de in 2.3 bedoelde auto ook door andere werknemers van de B.V. werd gebruikt en dat de door haar overgelegde kilometeradministratie uitsluitend betrekking heeft op de door haarzelf in 2008 met de betreffende auto gereden kilometers.

4.6.3.

De rechtbank stelt voorop dat de in 2.3 bedoelde auto wordt geacht belanghebbende ook voor privédoeleinden ter beschikking te hebben gestaan, tenzij blijkt – dat wil zeggen door belanghebbende overtuigend wordt aangetoond – dat de auto in 2008 niet voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt (artikel 3.81 van de Wet B 2001 in verbinding met artikel 13 bis van de Wet op de loonbelasting 1964).

4.6.4.

De rechtbank overweegt dat het ter beschikking staan van meerdere auto’s geenszins uitsluit dat belanghebbende in 2008 meer dan 500 kilometer in privé heeft gereden met de in 2.3 bedoelde auto.

4.6.5.

De rechtbank overweegt verder dat de door belanghebbende overgelegde rittenregistratie onvoldoende betrouwbaar is om daarmee te doen blijken dat zij in 2008 minder dan 500 kilometer in privé heeft gereden met de in 2.3 bedoelde auto. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Belanghebbende heeft, zonder enige toelichting, een overzicht ingebracht van de in 2008 met de in 2.3 bedoelde auto verreden kilometers, evenals een afschrift van de bij haar met betrekking tot de betreffende auto in beslag genomen stukken. Het hiervoor bedoelde overzicht is, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, in 2014 opgesteld, zodat dit, gezien het tijdsverloop sinds 2008, onvoldoende betrouwbaar is. De rechtbank wijst er daarbij op dat het hiervoor bedoelde overzicht en de bij belanghebbende in beslag genomen stukken – door de inspecteur benoemde – verschillen bevatten waarvoor belanghebbende onvoldoende verklaring heeft gegeven.

In het door belanghebbende ingebrachte overzicht is, net als in de bij haar met betrekking tot de auto in beslag genomen stukken, onvoldoende gespecificeerd welke ritten zakelijk zijn en welke privé.

De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat er perioden van 2008 zijn waarin, noch in het door belanghebbende ingebrachte overzicht, noch in de bij haar met betrekking tot de auto in beslag genomen stukken, ritten zijn geregistreerd, terwijl er in die perioden wel met de auto is gereden.

4.6.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende, gelet op het overwogene in 4.6.4 en 4.6.5, niet geslaagd in de op haar rustende (in 4.6.3 bedoelde) verzwaarde bewijslast. De inspecteur heeft de correctie dan ook terecht berekend op € 20.538.”

4.19.

Het Hof verenigt zich met de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Rechtbank en maakt die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende nog heeft aangevoerd ten aanzien van de rit op 20 januari 2008 brengt hierin geen verandering, nu de andere gebreken in de kilometeradministratie op zichzelf beschouwd van zodanige omvang zijn, dat belanghebbende reeds daarom niet overtuigend heeft aangetoond dat zij minder dan 500 km privé heeft gereden. Belanghebbende heeft voorts met de onder 2.6 vermelde verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat de auto in het onderhavige jaar tevens werd gebruikt door andere medewerkers van [J] B.V., nu geen van deze verklaringen betrekking heeft op het gebruik van de auto in het onderhavige jaar (2008). De Inspecteur heeft ter zake van het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto terecht een bedrag van € 20.538 in aanmerking genomen.

4.20.

Gelet op het voorgaande moet vraag 4 ontkennend worden beantwoord.

Vraag 5 Privégebruik gas, water en elektriciteit

4.21.

De Inspecteur heeft in incidenteel hoger beroep gesteld dat, uitgaande van de in het taxatierapport van belanghebbende genoemde oppervlaktematen het woongedeelte 500 m² en het souterrain 230 m² bedraagt. In de oppervlakte van het souterrain is een inpandige garage van 60 m² begrepen. Aldus wordt volgens de Inspecteur ¼ deel van de onroerende zaak zakelijk gebruikt en ¾ deel is in gebruik als woning. Belanghebbende heeft dit een en ander onvoldoende weersproken. Volgens de Inspecteur dienen de energiekosten evenredig aan dit gebruik te worden verdeeld, en wel voor ¼ deel moeten deze kosten worden toegerekend aan het souterrain en voor ¾ deel moeten ze worden toegerekend aan de woning. Het in aanmerking te nemen privégebruik van gas, water en elektriciteit bedraagt dan volgens de Inspecteur gelet op het voorgaande (€ 7.875 minus de eigen bijdrage van belanghebbende, zie 2.7, ad € 2.400 = ) € 5.475. Belanghebbende heeft dit onvoldoende weersproken. Zij heeft enkel gesteld dat het zakelijk gedeelte (het souterrain) veel intensiever wordt gebruikt dan het woongedeelte en dat daarom de energiekosten die aan het souterrain zijn toe te rekenen veel hoger liggen, doch iedere onderbouwing hiervoor ontbreekt. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende moet worden gecorrigeerd met € 5.475.

4.22.

Vraag 5 moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag 6 Eigen woning en interne compensatie

4.23.

De Rechtbank heeft in overweging 4.5.5 het volgende overwogen:

“ De woning te [F] was in 2008 voor belanghebbende geen eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid van de Wet IB 2011. Een “eigen” woning dient belanghebbende, of personen die behoren tot haar huishouden, anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan. Daarmee wordt gedoeld op een voor duurzaam eigen gebruik bestemde woning welke overeenkomstig deze bestemming de belastingplichtige ter beschikking staat en niet in vrij opleverbare staat is te verkopen dan nadat de belastingplichtige op een andere wijze in zijn woonbehoefte heeft voorzien (Kamerstukken II 1998/1999, 26 727, nr. 3, blz. 144). Belanghebbende heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de woning te [F] in 2008 was bestemd voor duurzame bewoning door haarzelf of door personen die tot haar huishouden behoorden, zodat deze woning niet als eigen woning kan worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat zij de woning aanhield voor het geval haar dienstbetrekking zou worden beëindigd. Voor zover belanghebbende zich hiermee beroept op de regeling die erin voorziet dat, indien een nieuwe woning is gekocht en als eigen woning in gebruik is genomen maar de oude eigen woning nog niet is verkocht, ook de rente met betrekking tot de oude woning gedurende twee jaar nog mag worden afgetrokken, faalt dit beroep. Om voor deze regeling in aanmerking te komen moet immers een nieuwe woning zijn gekocht die als eigen woning wordt aangemerkt. Van een nieuw gekochte woning is geen sprake nu belanghebbende geen eigenaar is van de woning te [E] .

De inspecteur beroep zich dan ook terecht op interne compensatie tot een bedrag van € 2.775.”

4.24.

Het Hof sluit zich aan bij deze overweging van de Rechtbank en maakt die tot de zijne.

4.25.

Vraag 6 moet ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.26.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en het incidenteel hoger beroep gegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd en het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingediende beroep moet gegrond worden verklaard. De aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.341 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 1.988, zoals onderstaand vermeld:

Aangegeven inkomen uit werk en woning

43.226

Correctie 1: hogere huurwaarde woning

25.327

Correctie 2: Meer energiekosten

5.475

Correctie 3: Privégebruik auto werkgever

20.538

Totaal correcties

51.340

Interne compensatie kosten eigen woning

2.775

Belastbaar inkomen uit werk en woning (volgens aangebrachte correcties)

97.341

Aangegeven inkomen uit sparen en beleggen

1.988

Verzamelinkomen

99.329

Ten aanzien van het griffierecht

4.27.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.28.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond,

  • -

    verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, en

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.341 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.988, en

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

Aldus gedaan op 29 oktober 2015 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.