Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4363

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
F 200 163 879_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontheffing gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 29 oktober 2015

Zaaknummer : F 200.163.879/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/191029 / FA RK 14-1294

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. J.M.C. van Gorkum, thans mr. H. Loonstein,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI);

- de pleegouders van de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] ,

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 oktober 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2015, heeft de moeder verzocht om:

- primair: voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het inleidende verzoek van de raad strekkende tot ontheffing van het gezag alsnog wordt afgewezen;

- subsidiair: een nieuw onderzoek door de raad of een andere instantie te gelasten, in welk onderzoek de moeder wordt betrokken.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 maart 2015, heeft de stichting verzocht de beschikking waarvan beroep te handhaven.

2.3.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 juni 2015, heeft de moeder ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) een incidenteel verzoek gedaan en verzocht een voorlopige omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen zoals in het petitum van dat verzoekschrift is weergegeven.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.S. Pot, waarnemend voor mr. Loonstein;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] .

2.4.1.

De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 oktober 2014;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 17 februari 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] heeft, na eerdere periodes van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, vanaf

24 mei 2013 onder toezicht van de stichting gestaan. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 24 november 2014.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 26 maart 2014 uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd tot 24 november 2014.

[minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige] .

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - samengevat - het volgende aan. Het onderzoek van de raad is onzorgvuldig geweest (grief 1). De raad is uitgegaan van verouderde informatie uit 2013. Verder is aan de pleegouders om hun mening gevraagd, terwijl [minderjarige] op dat moment pas veertien dagen in het pleeggezin woonde. De raad heeft voorts nagelaten om zijn stelling te onderbouwen dat er bij [minderjarige] sprake is van hechtingsproblematiek. De moeder stelt in het kader van deze grief tot slot dat de raad het verzoek van de advocaat van de moeder had moeten inwilligen om uitstel te verlenen voor het geven van een reactie op het concept rapport .

De moeder voert verder aan dat de ontheffing van de moeder van het gezag prematuur is (grief 2). De ontheffing doorkruist de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 mei 2014, waarbij de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] slechts voor een periode van 6 maanden zijn verlengd met de overweging dat bezien moet worden hoe de pas recent gestarte hulpverlening aan de moeder en [minderjarige] verloopt.

Voorts heeft de raad niet voldoende onderbouwd dat er sprake is van een gegronde vrees dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 254 BW af te wenden (grief 3). De ondertoezichtstelling is weliswaar onafgebroken vanaf 24 mei 2013 van kracht geweest, maar de moeder en [minderjarige] waren daarna tot 26 maart 2014 onvindbaar, zodat in die periode niet aan de doelen van de ondertoezichtstelling is gewerkt en formeel niet is voldaan aan de in artikel 268 lid 2 onder a BW vermelde termijn van zes maanden. Ook is de periode van uithuisplaatsing te kort geweest om de conclusie te trekken dat deze maatregel onvoldoende was om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden.

Subsidiair voert de moeder aan dat ook niet is voldaan aan de grond voor ontheffing, zoals die luidt na 1 januari 2015.

Voorts is niet komen vast te staan dat de moeder ongeschikt of onmachtig is (grief 4). De moeder is immers niet betrokken in het onderzoek van de raad en de raad heeft oude informatie uit 2013 gebruikt. Daarnaast is er niet afgewacht hoe de uithuisplaatsing van [minderjarige] zou verlopen.

Ten slotte voert de moeder aan dat het te vroeg beëindigen van de ondertoezichtstelling in 2012 mogelijk de oorzaak is geweest van de thans ontstane escalatie (grief 5) en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het een zorgelijk signaal is dat zelfs een netwerk dat is bedoeld om mensen weg te houden van instanties zich genoodzaakt voelt de autoriteiten in te schakelen (grief 6). De moeder is namelijk door dat netwerk verraden, enkel en alleen omdat zij kritiek uitte op de aan haar toegewezen verblijfplaats.

De moeder heeft ter zitting om aanhouding van de zaak gevraagd om de raad en de GI in de gelegenheid te stellen een aantal rapportages over te leggen, te weten een in 2012 opgemaakt rapport van de orthopedagoog/psycholoog drs. [orthopedagoog/psycholoog] betreffende een diagnostisch onderzoek van [minderjarige] , een rapport van drs. [orthopedagoog/psycholoog] uit 2012 betreffende een persoonlijkheidsonderzoek van de moeder, een rapportage over moeder-kind observaties uit 2012 en een rapport van drs. [orthopedagoog/psycholoog] betreffende een onderzoek naar de pedagogische kwaliteiten van de moeder.

Voorts heeft de moeder het hof verzocht om op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een onafhankelijke deskundige te benoemen die een onderzoek dient in te stellen naar de opvoedvaardigheden van de moeder en naar de situatie van [minderjarige] . Onderzocht moet worden of de moeder en [minderjarige] nog naar elkaar kunnen toegroeien en of terugplaatsing op termijn van [minderjarige] bij de moeder eventueel met hulp nog mogelijk is. Momenteel hebben de moeder en de GI zich ingegraven in hun stellingen. De moeder is van mening dat er thans geen juiste informatie over de moeder voorligt nu er geen sprake is van samenwerking tussen haar en de GI. De moeder is het er niet mee eens dat [minderjarige] intern door de GI is onderzocht.

Tijdens de bezoekcontacten tussen de moeder en [minderjarige] wordt de moeder door de voogd als een klein kind behandeld. De moeder is enkele keren niet verschenen op een bezoekafspraak, omdat voor haar niet duidelijk was of het bezoek zou plaatsvinden op het kantoor van de GI in [vestigingsplaats] of bij Rubicon in [vestigingsplaats] .

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - samengevat - aan dat de ontheffing van de moeder van het gezag bekrachtigd dient te worden, nu uit het verloop en de voortgang van de hulpverlening kan worden geconcludeerd dat er weinig is veranderd in de problematiek van de moeder. De moeder heeft steeds opnieuw kansen gekregen, maar het is haar niet gelukt om [minderjarige] voldoende veiligheid en structuur te bieden en om haar regelmatig en op tijd op school te krijgen. Daarbij heeft de moeder geen vertrouwen in de GI en weigert zij met de gezinsvoogd samen te werken.

Na de uithuisplaatsing zijn de bezoeken van de moeder aan [minderjarige] wisselend verlopen. In het begin was de moeder vaak te laat of niet aanwezig. Nadat de frequentie van de contacten is teruggebracht, was de moeder vaker op tijd. Tijdens de bezoeken belast de moeder [minderjarige] met haar eigen problemen en met diskwalificerende opmerkingen over het pleeggezin en de voogd. De moeder is dan niet aan te sturen en niet aan te spreken op haar gedrag. De moeder verschijnt ook niet op evaluatiegesprekken.

[minderjarige] heeft onlangs binnen de GI een diagnostisch onderzoek ondergaan. De moeder was het niet eens met dit onderzoek, waardoor er vertraging is opgetreden. Geadviseerd is om speltherapie bij [minderjarige] in te zetten.

Op school ontwikkelt [minderjarige] zich goed. Er zijn wel vraagtekens bij haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Zo past zij zich te gemakkelijk aan en kan zij buitenproportioneel boos worden. Verder is het zorgelijk dat zij de moeder teveel op een voetstuk plaatst.

De stichting heeft in maart 2014 geconstateerd dat terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet meer mogelijk was, aangezien de moeder niet leerbaar was gebleken. De moeder kan niet plannen en organiseren en heeft problemen op alle leefgebieden. Zo is er sprake van schulden en heeft de moeder geen vaste woon- of verblijfsplaats. Ook wil de moeder geen hulp van de GGZ, hoewel haar gedrag op de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis wijst. Verder heeft de moeder nauwelijks een familienetwerk.

3.7.

De raad voert ter zitting - samengevat - het volgende aan. De raad heeft om ontheffing van de moeder van het gezag verzocht, omdat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig in het gedrang kwam. Tijdens het onderzoek heeft de raad geen contact met de moeder kunnen krijgen. Na de beëindiging van de ondertoezichtstelling eind 2012 is het zeer slecht met [minderjarige] gegaan, omdat het de moeder niet lukte om haar leven op orde te krijgen. Er is geen perspectief op terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Een deskundigenonderzoek zoals door de moeder verzocht voegt niets toe. De raad pleit voor bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (wet HKBM) in werking getreden. Op grond van artikel 28 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake de ontheffing van het gezag waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van in werking treden van de wet HKBM volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op

2 mei 2014, zijn derhalve de artikelen 1:266 (oud) en 1:268 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing in de onderhavige zaak.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 BW de ontheffing niet worden uitgesproken. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.8.3.

Anders dan de advocaat van de moeder is het hof van oordeel dat niet gebleken is dat het onderzoek door de raad onzorgvuldig is verricht, zodat van de juistheid van de raadsrapportage kan worden uitgegaan. Indien de moeder van mening is dat haar belangen onvoldoende in de rapportage zijn gewogen, is dit veroorzaakt door haar eigen handelen. Uit het - in zoverre niet, dan wel onvoldoende weersproken - rapport van de raad blijkt immers dat de raadsonderzoeker diverse pogingen heeft ondernomen om met de moeder in contact te komen met behulp van de bij de raad bekende contactgegevens, maar dat dit niet is gelukt. Uiteindelijk heeft de raadsonderzoeker op 1 april 2014 met de moeder een kort telefoongesprek gevoerd, maar dit gesprek werd door de moeder voortijdig beëindigd, waarna de raadsonderzoeker vervolgens heeft getracht het telefonisch contact te herstellen, maar de moeder de telefoon niet meer heeft opgenomen. Ook op een verzoek per sms van de raadsonderzoeker om contact op te nemen, heeft de moeder niet meer gereageerd. Naar het oordeel van het hof heeft de raad aldus de van de raad te verwachten inspanning gepleegd om de moeder in de gelegenheid te stellen haar visie op de zaak aan de raadsonderzoeker kenbaar te maken en aldus haar belangen te dienen. Dat dientengevolge in de beleving van de moeder door de raad aan haar belangen onvoldoende gewicht is toegekend, valt de raad niet aan te rekenen, maar komt voor rekening en risico van de moeder, nu zij heeft geweigerd zich met de raadsonderzoeker te verstaan.

Uit het rapport van de raad blijkt verder dat ook de onderzoeksresultaten niet met de moeder konden worden besproken, omdat zij hiervoor evenmin telefonisch bereikbaar was en eveneens weigerde te reageren op de desbetreffende oproepen van de raad. Op 18 april 2014 heeft de raad bij de moeder een voicemailbericht ingesproken. Het hof is van oordeel dat de raad aldus de moeder ook voldoende gelegenheid heeft geboden om commentaar op het raadsrapport te geven.

Gelet op het voorgaande faalt grief 1.

3.8.4.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de stukken en de behandeling op de zitting voldoende is gebleken dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen, zodat grief 4 faalt. Het staat immers vast dat de moeder geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en alleen al hierdoor reeds ongeschikt of onmachtig is om [minderjarige] de gelegenheid te bieden zich evenwichtig te ontwikkelen in een veilige en stabiele omgeving. Voorts is eerder gebleken dat de moeder zich heeft onttrokken aan de hulpverlening en dat zij weigert met de hulpverlening te communiceren. In het verleden is door enkele terugplaatsingen na voorafgaande uithuisplaatsingen getracht de moeder in de gelegenheid te stellen [minderjarige] een goed opvoedperspectief te bieden, maar dit is keer op keer mislukt. Deze terugplaatsingen zijn niet in het belang van [minderjarige] gebleken omdat deze niet tot het gewenste resultaat hebben geleid dat [minderjarige] bij de moeder kon blijven wonen, omdat steeds bleek dat de moeder haar leven niet zodanig op orde had dat zij in staat was [minderjarige] de rust en structuur te bieden die zij nodig had.

[minderjarige] is op 24 mei 2013 voor het laatst onder toezicht gesteld. Op 22 mei 2013 is de moeder met [minderjarige] naar België geëmigreerd, waarna zij tot maart 2014 niet traceerbaar is geweest. Gedurende deze periode van bijna een jaar heeft de moeder [minderjarige] derhalve onttrokken aan de ondertoezichtstelling en de hulpverlening. Naar het hof heeft begrepen, heeft [minderjarige] in deze periode geen vaste woon- of verblijfplaats gehad en heeft zij dientengevolge geen onderwijs kunnen volgen. Het hof is van oordeel dat de moeder door aldus te handelen de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig heeft bedreigd. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het opvoedperspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt en een ondertoezichtstelling met een uithuisplaatsing derhalve niet langer de geëigende maatregel is.

3.8.5.

Gelet op de voorgeschiedenis zoals hiervoor weergegeven volgt het hof de moeder niet in haar stelling dat de raad het verzoek tot ontheffing in mei 2014 prematuur heeft gedaan. Grief 2 faalt dan ook. Het hof is voorts - anders dan de advocaat van de moeder - van oordeel dat in deze zaak aan de in artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW vermelde wettelijke termijn van een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden is voldaan. [minderjarige] heeft vanaf 24 mei 2013 onafgebroken onder toezicht gestaan. Het hof stelt vast dat het feit dat de moeder de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze ondertoezichtstelling heeft verhinderd, niet tot het oordeel kan leiden dat aan de bedoelde termijn niet is voldaan. Het hof is verder met de rechtbank van oordeel, dat, gelet op de tekst van artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW (na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden) er geen sprake is van een cumulatieve eis, zodat het enkele feit dat [minderjarige] nog geen jaar en zes maanden uit huis is geplaatst er niet toe kan leiden dat de moeder niet kan worden ontheven van het gezag.

Gelet op het voorgaande faalt grief 3.

Het hof is ten slotte van oordeel dat het belang van [minderjarige] gebaat is met de ontheffing van de moeder van het gezag over haar. Haar ontwikkeling is erbij gebaat dat zij opgroeit in een veilige en gestructureerde opvoedingssituatie, waarin zij kan toekomen aan haar ontwikkelingstaken. Voldoende is gebleken dat de moeder niet in staat is [minderjarige] een dergelijk opvoedingsklimaat te bieden.

De grieven 5 en 6 behoeven geen bespreking, nu deze niet kunnen afdoen aan het oordeel van het hof.

3.8.6.

Ten aanzien van de verzoeken van de moeder de zaak aan te houden ter overlegging van stukken en een onafhankelijke deskundige te benoemen overweegt het hof als volgt.

Het hof ziet geen noodzaak om de zaak aan te houden om de GI en de raad in de gelegenheid te stellen de door de moeder genoemde rapporten in het geding te brengen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht.

Met betrekking tot het door de moeder gedane verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten overweegt het hof als volgt.

Artikel 810a, lid 2, Rv bepaalt, dat de rechter onder meer in zaken betreffende de ontheffing van het ouderlijk gezag op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a, lid 2, Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

3.8.7.

Op grond van de hiervoor onder 3.8.4. weergegeven feiten en omstandigheden oordeelt het hof dat toewijzing van dit verzoek strijdig is met belang van [minderjarige] , zodat dit dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daarbij mede dat een onderzoek als door de moeder verzocht naar zijn aard tevens inhoudt dat de minderjarige daarin wordt betrokken, hetgeen naar het oordeel van het hof, gelet op al het voorgaande, thans in strijd is te achten met de belangen van minderjarige.

Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat het belang van [minderjarige] nu duidelijkheid, stabiliteit en rust vraagt. Voorts hecht het hof er belang aan dat de moeder geen omstandigheden heeft gesteld (en daarvan ook overigens niet is gebleken) waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de moeder bij haar beslissing om in mei 2013 naar België te vertrekken de belangen van [minderjarige] op de van haar te verwachten wijze in aanmerking heeft genomen, en dat zij evenmin aannemelijk heeft kunnen maken dat zij met haar beslissingen om [minderjarige] aan het toezicht van de GI te onttrekken en gedurende bijna een jaar niet naar school te laten gaan de belangen van [minderjarige] als een verantwoordelijk ouder in aanmerking heeft genomen. De moeder heeft er geen blijk van gegeven dit in te zien, zo min als zij kenbaar heeft gemaakt zich er thans van bewust te zijn dat deze handelingen in strijdig waren met het recht van [minderjarige] op een evenwichtige ontwikkeling.

3.8.8.

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat het verzoek van de moeder tot het gelasten van een deskundigenonderzoek naar haar pedagogische kwaliteiten dient te worden afgewezen, waarbij het hof mede overweegt dat haar verzoek niet alleen in strijd met de belangen van [minderjarige] is, maar ook onvoldoende concreet en ter zake dienend is, zodat het verzoek ook om deze reden dient te worden afgewezen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

3.10.

Het verzoek van de moeder ex artikel 223 Rv om een voorlopige voorziening te treffen wijst het hof af, nu de verzochte voorziening (een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] ) niet samenhangt met de hoofdzaak.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 oktober 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, M.C. Bijleveld-van der Slikke en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.