Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4361

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
F 200 174 635_01 en F 200 174 838_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 29 oktober 2015

Zaaknummers : F 200.174.635/01 en F 200.174.838/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/02/301910 / JE RK 15-1318

C/02/301925 / JE RK 15-1322

in de zaken in hoger beroep van:

[appellante] (zaaknummer in hoger beroep: F 200.174.635/01),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl,

wonende te [woonplaats] ,

appellante sub 1,

hierna te noemen: de moeder,

en

[appellant] (zaaknummer in hoger beroep: F 200.174.838/01),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.S. Krol

appellant sub 2,

hierna te noemen: de vader,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

tegen

De Gecertificeerde Instelling Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 juli 2015 en 28 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

In beide zaken

2.1.

Bij beroepschriften met producties, beiden ingekomen op 7 augustus 2015, hebben de moeder en de vader – afzonderlijk van elkaar – het hof verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    het spoedverzoek van de GI d.d. 10 juli 2015 alsnog af te wijzen en beschikking van 10 juli 2015 onrechtmatig althans onjuist te achten;

  • -

    de bij beschikking van 28 juli 2015 bekrachtigde spoeduithuisplaatsing op te heffen, dan wel te bepalen dat de beschikking van de rechtbank in deze onrechtmatig of onjuist is geweest, in ieder geval voor wat betreft de bekrachtiging van de uithuisplaatsing;

  • -

    het verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen en de beschikking d.d. 28 juli 2015 onrechtmatig en onjuist te achten.

Voeging

2.2.

Gelet op de verknochtheid van de voormelde onder F 200.174.635/01 en F 200.174.838/01 ter griffie ingeschreven zaken heeft het hof de voeging daarvan gelast, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 september 2015, heeft de GI verzocht het hoger beroep van (het hof begrijpt) beide ouders af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikkingen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de ouders, bijgestaan door hun advocaten;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] (voormalige gezinsvoogd) en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2] (huidige gezinsvoogd).

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier d.d. 24 augustus 2015 met bijlage van de advocaat van de moeder;

  • -

    het raadsrapport d.d. 9 december 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de affectieve relatie die de ouders met elkaar hebben (gehad), zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

De vader heeft de kinderen erkend en het hof maakt uit de inhoud van de stukken op dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over de kinderen.

3.2.

Bij beschikking van 22 december 2014 heeft de rechtbank [minderjarige 1] en (de toen nog ongeboren) [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.

3.3.

Bij de eerste bestreden beschikking heeft de rechtbank een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin voor de duur van vier weken met ingang van 10 juli 2015.

Bij de tweede bestreden beschikking heeft rechtbank de beschikking van 10 juli 2015 gehandhaafd en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin tot uiterlijk 22 december 2015.

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan, afzonderlijk van elkaar, in hoger beroep gekomen. In hun, nagenoeg gelijkluidende, beroepschriften voeren de ouders, kort samengevat, aan dat aan de vereisten van artikel 800 lid 3 en 809 lid 3 Rechtsvordering niet is voldaan. Het verzoek tot verlenen van een spoedmachtiging is enkel gebaseerd op de omstandigheid dat de moeder op 10 juli 2015 niet akkoord ging met de door de GI voorgestelde gezinsopname te Valkenhorst. De GI achtte deze opname noodzakelijk, omdat de moeder niet in staat zou zijn om de vader buiten de deur te houden en zich niet aan de afspraken met de GI zou houden, omdat zij onbegeleide contacten tussen de vader en de kinderen toestond. De vader verkeerde ten tijde van het spoedverzoek in detentie en kon daarom op dat moment geen bedreiging vormen voor haar en de kinderen. De ouders stellen verder dat de moeder geen plannen had om met de kinderen af te reizen naar het buitenland; zij en de kinderen verbleven al enkele maanden naar tevredenheid bij de grootouders (mz). De ouders merken op dat de vader zich nimmer agressief heeft gedragen richting de kinderen.

De ouders voeren verder aan dat de schriftelijke aanwijzing die de moeder van de GI heeft ontvangen d.d. 25 februari 2015 geen verbod aan de moeder inhield om onbegeleide contacten tussen de vader en de kinderen te faciliteren. Mocht dit wel zo zijn, dan wijzen de ouders erop dat de GI vanaf 1 januari 2015 de mogelijkheid heeft nakoming van een schriftelijke aanwijzing af te dwingen door de rechtbank te verzoeken een dwangsom te bepalen en zelfs lijfsdwang. De ouders zijn van mening dat er door de uithuisplaatsing een te zwaar middel is ingezet. Daar komt nog bij dat de vader ook is belast met het gezag over de kinderen en dat de GI hem geen schriftelijke aanwijzing heeft gegeven waarbij het contact tussen hem en de kinderen wordt beperkt.

In het appelschrift van de vader wordt voorts nog aangevoerd dat de doelen die binnen de ondertoezichtstelling behaald moeten worden, niet staan vermeld in het Plan van Aanpak en evenmin in welk tijdsbestek de doelen bereikt moeten zijn.

3.5.

De GI voert in het verweerschrift, kort samengevat, aan dat het spoedverzoek op 10 juli 2015 is ingediend omdat er onverwijld moest worden ingegrepen vanwege de cumulatie van de omstandigheden en informatie, waaronder het alcoholmisbruik van de vader, het agressieve gedrag van de vader richting de moeder en dat de moeder zich niet aan de afspraken hield met betrekking tot het beschermen van de kinderen. Op 8 juli 2015 weigerde de moeder mee te werken aan de plaatsing met de kinderen bij Valkenhorst. Zij had contact met de vader (in detentie) en zij liet weten met hem verder te willen als hij zou stoppen met drinken en hulp zou accepteren. De GI kreeg op 24 juni 2015 de informatie dat de vader maximaal 30 dagen in detentie zou verblijven en dat onduidelijk was of de detentie verlengd zou gaan worden. De onzekerheid schiep grote zorgen met betrekking tot de bescherming van de kinderen. Verder bleken opa en oma (mz) niet bereid om als netwerkpleeggezin te functioneren. De GI wilde de kinderen niet langer blootstellen aan de onveranderde opvoedsituatie met het risico van verbaal en fysiek geweld, alcoholmisbruik en een mogelijke verhuizing naar België.

Verder voert de GI aan dat het hulpverleningstraject er altijd op is gericht was dat de moeder en de kinderen bij elkaar konden blijven. De moeder gaf echter wisselende boodschappen af in haar plannen om wel of niet met de vader verder te gaan. In de contacten tussen de moeder en de stichting is hetzelfde patroon van aantrekken en afstoten aanwezig, waardoor de inschatting van de werkelijke wens bij de moeder om tot verandering van de opvoedingssituatie van de kinderen te komen, steeds lastiger is geworden. De vader gaf steeds opnieuw aan geen alcoholprobleem te hebben en werkte niet mee aan de op hem gerichte hulp door de Reclassering.

Ten aanzien van de actuele stand van zaken, merkt de GI op dat de moeder tijdens het eerste bezoek aan de kinderen heeft gesteld dat zij bij de vader wil blijven, maar dat zij wel open staat voor een ouder-kind opname. Verder toont de moeder tijdens de bezoeken affectie en betrokkenheid richting de kinderen en gedraagt zij zich rustig en houdt zich aan de afspraken.

Vanaf 28 augustus 2015 heeft de vader ook een bezoekregeling met de kinderen. De vader is onrustig, druk en maakt opmerkingen richting de GI waaruit zijn onvrede naar voren komt. Het bezoek van 10 september 2015 heeft de GI als ernstig belastend voor de kinderen ervaren, omdat de vader niet te stuiten bleek te zijn in zijn behoefte om steeds de discussie te willen opzoeken.

De vader geeft aan dat hij het niet eens is met de mogelijke plaatsing van de moeder met de kinderen in Valkenhorst. Beide ouders vertellen dat zij willen verhuizen naar België, waar zij een ander, en groter, huis hebben gevonden en een nieuwe start kunnen maken.

Tot slot stelt de GI dat [minderjarige 1] achterblijft in haar ontwikkeling; zij heeft een vlakke gelaatsuitdrukking, toont weinig emotie en laat steeds meer lastig en dwingend gedrag zien.

3.6.

De raad heeft ter zitting verklaard dat er om een ondertoezichtstelling werd verzocht omdat er voor de kinderen rust en veiligheid nodig was. Inmiddels zijn er tien maanden verstreken en wordt er nu pas een begin gemaakt; de vereiste rust en veiligheid is nog lang niet bereikt en de ouders dienen veel werk te gaan verrichten.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.2.

Het hof is met de raad en de stichting van oordeel dat zowel de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen als de bekrachtiging en verlenging van voornoemde machtiging op goede gronden is afgegeven. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken van grote zorgen over de opvoedingssituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze zorgen houden verband met signalen die bij de GI binnenkwamen over het alcohol- en agressieprobleem van de vader, zijn gewelddadige gedrag richting de moeder, de onduidelijkheid over de relatie van de ouders, de weigering van de moeder om mee te werken aan een ouder/kindplaatsing in Valkenhorst en het feit dat er mogelijk sprake was van een verhuizing naar België waardoor de kinderen aan het zicht van de GI zouden worden onttrokken. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de keuze voor een spoedmachtiging, zonder voorafgaande bespreking hiervan met de ouders, juist is geweest. Dat de vader op dat moment in detentie verkeerde, maakt dit niet anders, nu het risico dat de moeder alleen met de kinderen zou vertrekken naar België op zichzelf al een omstandigheid vormt die onverwijld ingrijpen in de thuissituatie onder de gegeven omstandigheden rechtvaardigt. Dit geldt temeer nu uit de stukken is gebleken dat de detentie van de vader kort na het indienen van het verzoek tot spoedmachtiging uithuisplaatsing zou worden beëindigd en het de vader in dat geval vrij zou staan zich bij de moeder en de kinderen te voegen, hetgeen – gelet op voornoemde zorgen – naar het oordeel van het hof een ernstige bedreiging met zich bracht voor het welzijn van de kinderen. Dat de agressie van de vader niet is gericht tegen de kinderen, zoals de ouders gemotiveerd betogen, maakt dit niet anders, nu het enkele feit dat een kind langdurig getuige is (geweest) van huiselijk geweld tussen zijn/haar ouders, op zich al voldoende aanleiding geeft om over te gaan tot het instellen van de huidige kinderbeschermingsmaatregelen.

3.7.3.

Het hof overweegt voorts dat blijkens de stukken reeds in het verleden is getracht om met de ouders in gesprek te gaan en hen te laten meewerken met de aangeboden hulpverlening, maar dat de ouders de problematiek stelselmatig bleven ontkennen danwel bagatelliseren, waarbij hulpverlening buiten de deur werd gehouden danwel onvoldoende van de grond kwam. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder verklaard, hetgeen is onderschreven door de GI, dat zij op 7 oktober jl een intakegesprek heeft gehad met Valkenhorst. Als het tot een opname komt, hetgeen op dit moment nog onzeker is, zal het navolgende traject ingaan: de eerste zes weken zal de moeder alleen verblijven op Valkenhorst en na deze periode worden de kinderen bij haar geplaatst. De GI heeft verklaard dat deze opname ten doel heeft de moeder weerbaarder te maken en de moeder tevens te begeleiden in de verwerking van haar post traumatische stressstoornis die is ontstaan door de geweldservaringen die zij met de vader heeft meegemaakt. Verder heeft de GI verklaard dat het uiteindelijk aan Valkenhorst is of zij de moeder gaan opnemen en dat daarover nog geen duidelijkheid bestaat, omdat Valkenhorst twijfelt aan de motivatie van de moeder. Volgens de GI heeft de moeder tegenover Valkenhorst tijdens de intake op 7 oktober jl. aangegeven dat zij geen problemen ervaart in haar relatie met de vader, dat zij nog steeds samenwoont met hem, dat zij met de vader en de kinderen wil verhuizen naar [plaats] (België) en dat zij eigenlijk niet wil blijven op Valkenhorst.

3.7.4.

De vader heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij de gezinsopname van de moeder en de kinderen bij Valkenhorst nu ondersteunt en dat hij zich heeft aangemeld bij Novadic/Kentron en bij Mozaiëk (GGZ-instelling) om zich te laten behandelen.

3.7.5.

Het hof acht het positief dat beide ouders zich thans lijken in te gaan zetten om de voor de kinderen noodzakelijke rustige en veilige opvoedomgeving mogelijk te maken. Deze positieve ontwikkeling is echter nog niet in concrete daden vertaald, waarbij het hof – gezien de ambivalente houding van de moeder – niet is overtuigd dat de moeder haar volledige medewerking zal gaan verlenen aan de (gezins-)opname bij Valkenhorst. Bovendien dient Valkenhorst omtrent de gezinsopname nog een beslissing te nemen, die ook negatief kan uitvallen, gelet op de twijfels die ten aanzien van de motivatie van de moeder bestaan.

Het hof acht het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de moeder en de vader de voor hen uitgezette trajecten doorzetten èn afronden. Het hof overweegt dat, zoals de raad ter zitting heeft verklaard, er nu pas een daadwerkelijke start kan worden gemaakt met de noodzakelijke hulpverlening aan de moeder en de vader afzonderlijk. Gezien de ernst en de duur van de zorgen, is het hof van oordeel dat het niet verantwoord is, gelet op de belangen van de kinderen, om de machtiging tot uithuisplaatsing voortijdig te beëindigen.

3.7.6.

Het hof gaat tot slot voorbij aan het verzoek van de moeder, zoals zij ter zitting heeft geformuleerd, tot afgifte van een kortdurende machtiging waarmee de kinderen bij de grootouders (mz) kunnen worden geplaatst, nu dit de bevoegdheid van het hof te buiten gaat.

Het is ook de vraag of een dergelijke plaatsing thans in het belang van de kinderen is.

3.7.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd.

Al het overige dat door de ouders is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikkingen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en J.U.M. van der Werff en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.