Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4360

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
F 200 173 340_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 29 oktober 2015

Zaaknummer : F 200.173.340/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/204417/JE RK 15-752

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.S. Krol,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 27 mei 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juli 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2015, heeft de GI verweer gevoerd.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Krol;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevr. [vertegenwoordiger van de stichting 2] .

2.3.1.

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 mei 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 28 augustus 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie van de moeder en de heer [relatie van de moeder] is op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 29 mei 2007 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 29 mei 2016.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat er geen gronden aanwezig zijn die een verlenging van de ondertoezichtstelling rechtvaardigen. Alles wat haar gezegd is te doen, heeft zij gedaan. Een concreet punt waaraan zij nog zou moeten werken, wordt niet genoemd. De moeder heeft geen vertrouwen in de GI. Als zij hulp nodig heeft, neemt zij contact op met Rubicon. Daarnaast zijn er genoeg andere voorzieningen die toezicht houden. [minderjarige] staat onder toezicht van de jeugdreclassering, hij heeft een adoptieagent en er is een leerplichtambtenaar indien het niet goed zou gaan op school.

[minderjarige] zit veel thuis om de invloeden van buitenaf te vermijden. Hij luistert goed naar de moeder, maar is een puber, die misbruik maakt van de situatie als zij niet thuis is.

De ondertoezichtstelling brengt stress en irritatie met zich. Het mag niet zo zijn dat er een verlenging op verlenging blijft komen. Het moet een keer ophouden. Indien de moeder hulp nodig heeft, is zij goed in staat die hulp zelf in het vrijwillig kader in te schakelen.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De moeder is van goede wil en zij werkt mee met de hulpverlening, maar het lukt haar niet in voldoende mate om de positieve effecten van de ingezette hulpverlening vast te houden en om een langdurige hulpverleningsrelatie aan te gaan. Het effect van de MST-therapie was zichtbaar, maar van korte duur. Hulpverlening in het gedwongen kader blijft daarom noodzakelijk. [minderjarige] is een impulsieve jongen, die duidelijkheid en structuur nodig heeft. Hij heeft moeite om nee te zeggen. Van zijn opvoeders worden meer dan gemiddelde vaardigheden gevraagd. Vanuit school, waar [minderjarige] dit jaar niet zo goed is gestart, is gewezen op het belang dat de afspraken met betrekking tot de medicatie van [minderjarige] worden vastgehouden. Nog steeds is er geen sprake van een adequate kindontwikkeling. Vanwege de weerstand van de moeder tegen de hulpverlening is er een periode niet zo veel gebeurd. Sedert maart 2015 is de GI niet meer met haar in gesprek geweest. Op het moment dat er confronterend gewerkt wordt, bestaat de kans dat de moeder afhaakt.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.7.4.

Het hof is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [minderjarige] een kwetsbare jongen is met beperkte cognitieve capaciteiten, beïnvloedbaar en impulsief in zijn gedragingen. Gelet hierop worden van zijn opvoeders meer dan gemiddelde vaardigheden gevraagd. De moeder heeft in dit opzicht wel geleerd van de (jarenlange) hulpverlening, in het bijzonder van de MST-therapie, maar, zo is gebleken, het kost haar moeite het geleerde vol te houden als zij gefrustreerd raakt door het gedrag van [minderjarige] . Het afgelopen jaar nog is [minderjarige] verschillende keren met de politie in aanraking geweest en is de situatie thuis geëscaleerd. Hoewel de moeder aangeeft de hulpverlening te kunnen vinden als zij (direct) hulp nodig heeft, heeft zij, zoals het hof ter zitting heeft geconstateerd geen hulpvraag, waardoor [minderjarige] (verder) dreigt af te glijden indien de ondertoezichtstelling thans wordt beëindigd. Dit geldt temeer nu ook de jeugdreclassering op korte termijn afloopt.

Gelet op het voorgaande acht het hof van belang dat op korte termijn passende – mede op het onderhoud van de vaardigheden van de moeder gerichte – hulpverlening wordt ingezet, waarbij aan de moeder kenbaar wordt gemaakt wat de concrete doelen van die hulpverlening zijn en op welke wijze daar naar toe wordt gewerkt. De moeder moet handvatten aangereikt worden omtrent wat nodig is voor een eventuele beëindiging van de ondertoezichtstelling. De moeder op haar beurt dient hiertoe het gesprek met de GI (opnieuw) aan te gaan. Het hof acht hiervoor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van negen maanden, aldus tot 29 februari 2016, noodzakelijk. In het geval naar de mening van de GI de voorwaarden voor een beëindiging van de ondertoezichtstelling voor die datum niet gerealiseerd kunnen worden, dient de GI bij de verlengingsaanvraag duidelijk aan te geven welke stappen zijn ondernomen en wat maakt dat de gestelde doelen niet zijn behaald.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking gedeeltelijk dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de GI alsnog dient te worden afgewezen met ingang van 29 februari 2016.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt met ingang van 29 februari 2016 de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 27 mei 2015;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst met ingang van 29 februari 2016 alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling over de periode van 29 mei 2015 tot 29 februari 2016.

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en

E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.